Decreet houdende de vernieuwde taakstelling en gewijzigde financiering van de provincies

Datum 18/11/2016

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen
  2. HOOFDSTUK 2 Wijzigingsbepalingen
    1. Afdeling 1 Wijzigingen van het Provinciedecreet van 9 december 2005
    2. Afdeling 2 Wijzigingen van het decreet van 30 november 2007 betreffende het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau
    3. Afdeling 3 Wijzigingen van het decreet van 6 juli 2012 betreffende het Lokaal Cultuurbeleid
    4. Afdeling 4 Wijziging van het decreet van 6 juli 2012 houdende de ondersteuning en stimulering van het lokaal jeugdbeleid en de bepaling van het provinciaal jeugdbeleid
    5. Afdeling 5 Wijzigingen van het Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012
    6. Afdeling 6 Wijzigingen van het decreet van 6 juli 2012 houdende het stimuleren en subsidiëren van een lokaal sportbeleid
    7. Afdeling 7 Wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
  3. HOOFDSTUK 3 Slotbepalingen

Inhoud

HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1. (01/01/2018- ...)

Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.

HOOFDSTUK 2 Wijzigingsbepalingen

Afdeling 1 Wijzigingen van het Provinciedecreet van 9 december 2005

Artikel 2. (01/01/2018- ...)

In artikel 2 van het Provinciedecreet van 9 december 2005, vervangen bij het decreet van 29 juni 2012, wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt :
" § 3. Voor de aangelegenheden, vermeld in artikel 4 en 5 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, oefenen de provincies geen bevoegdheden en taken uit.".
 

Artikel 3. (01/01/2018- ...)

In afdeling I van hoofdstuk II van titel X van hetzelfde decreet wordt een artikel 264bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 264bis. De personeelsleden van de provincie van wie de huidige taken of functie de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening inhouden van de aangelegenheden, vermeld in artikel 4 en 5 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, worden hetzij aan de Vlaamse Gemeenschap, hetzij aan een gemeente overgedragen.

De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden bij besluit van de Vlaamse Regering overgedragen. Voor elke overdracht aan een gemeente of gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap is voorafgaand overleg met het betrokken bestuur noodzakelijk.

Het besluit, vermeld in het tweede lid, garandeert aan de overgedragen personeelsleden in elk geval :
1° het behoud van de hoedanigheid;
2° het behoud van de graad of het verkrijgen van een gelijkwaardige graad;
3° het behoud van de administratieve en geldelijke anciënniteit;
4° het behoud van het salaris op de datum van de overdracht of het verkrijgen van een gelijkwaardige salarisschaal;
5° het behoud van de functionele loopbaan;
6° het behoud van de toelagen en vergoedingen waarop het personeelslid op de datum van de overdracht op reglementaire basis recht heeft, als de voorwaarden van toekenning blijven bestaan en als aan die voorwaarden blijft voldaan.
 

Artikel 4. (01/01/2018- ...)

In afdeling II van hoofdstuk II van titel X van hetzelfde decreet wordt een artikel 265bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 265bis. De roerende en onroerende goederen van de provincie, zowel van het openbaar als van het privaat domein, die onmisbaar zijn voor de uitoefening van de aangelegenheden, vermeld in artikel 4 en 5 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, alsook de rechten en plichten die verband houden met die aangelegenheden, worden hetzij aan de Vlaamse Gemeenschap, hetzij aan een gemeente zonder schadeloosstelling overgedragen.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de nadere regelen van de overdracht bedoeld in het eerste lid.''.
 

Afdeling 2 Wijzigingen van het decreet van 30 november 2007 betreffende het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau

Artikel 5. (01/01/2018- ...)

In artikel 2 van het decreet van 30 november 2007 betreffende het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau, laatst gewijzigd bij het decreet van 29 juni 2012, wordt in punt 8° tussen de woorden "de provincies" en de woorden "en de Vlaamse Gemeenschapscommissie" de zinsnede ", binnen het kader van de uitoefening van hun provinciale bevoegdheden" ingevoegd.
 

Afdeling 3 Wijzigingen van het decreet van 6 juli 2012 betreffende het Lokaal Cultuurbeleid

Artikel 6. (01/01/2018- ...)

In het decreet van 6 juli 2012 betreffende het Lokaal Cultuurbeleid wordt titel 5, die bestaat uit artikel 59 en 60, opgeheven.
 

Afdeling 4 Wijziging van het decreet van 6 juli 2012 houdende de ondersteuning en stimulering van het lokaal jeugdbeleid en de bepaling van het provinciaal jeugdbeleid

Artikel 7. (01/01/2018- ...)

Artikel 8 van het decreet van 6 juli 2012 houdende de ondersteuning en stimulering van het lokaal jeugdbeleid en de bepaling van het provinciaal jeugdbeleid wordt opgeheven.
 

Artikel 8. (01/01/2018- ...)

In het opschrift van het decreet van 6 juli 2012 houdende de ondersteuning en stimulering van het lokaal jeugdbeleid en de bepaling van het provinciaal jeugdbeleid wordt de zinsnede "en de bepaling van het provinciaal jeugdbeleid" opgeheven.

Afdeling 5 Wijzigingen van het Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012

Artikel 9. (01/01/2018- ...)

In artikel 4, § 2, van het Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012 wordt in punt 1° de zinsnede "provincies," opgeheven.
 

Artikel 10. (01/01/2018- ...)

In artikel 5, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "provincies," opgeheven.
 

Artikel 11. (01/01/2018- ...)

In artikel 19, derde lid, van hetzelfde decreet wordt het woord "provincie" vervangen door de woorden "Vlaamse Regering".

Artikel 12. (01/01/2018- ...)

In artikel 44, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "en provinciale" opgeheven.
 

Artikel 13. (01/01/2018- ...)

In artikel 53, 1°, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "provincies," opgeheven.
 

Artikel 14. (01/01/2018- ...)

Artikel 139, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
"De Vlaamse Regering bepaalt nader hoe tewerkstellingsplaatsen, die beschikbaar zijn voor herverdeling, herverdeeld worden.".
 

Artikel 15. (01/01/2018- ...)

In artikel 141 van hetzelfde decreet worden de woorden "en provincies" opgeheven.
 

Artikel 16. (01/01/2018- ...)

In artikel 143, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "Provincies en" opgeheven.
 

Artikel 17. (01/01/2018- ...)

In artikel 144, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "provincies en" opgeheven.
 

Artikel 18. (01/01/2018- ...)

In artikel 145, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "een provincie," opgeheven.
 

Artikel 19. (01/01/2018- ...)

In artikel 146, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "provincies en" opgeheven.
 

Artikel 20. (01/01/2018- ...)

In hoofdstuk 7 van hetzelfde decreet wordt afdeling 2, die bestaat uit artikel 149 tot en met 153, opgeheven.
 

Artikel 21. (01/01/2018- ...)

In artikel 185, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "en 150" opgeheven.
 

Artikel 22. (01/01/2018- ...)

In artikel 187 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "en ten minste één provincie kunnen gezamenlijk" vervangen door het woord "kan";
2° in het vierde lid worden de zinsnede ", provincies" en de zinsnede ", de provincie" opgeheven.
 

Afdeling 6 Wijzigingen van het decreet van 6 juli 2012 houdende het stimuleren en subsidiëren van een lokaal sportbeleid

Artikel 23. (01/01/2018- ...)

In artikel 4 van het decreet van 6 juli 2012 houdende het stimuleren en subsidiëren van een lokaal sportbeleid, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, worden de woorden "en de provincies" opgeheven.
 

Artikel 24. (01/01/2018- ...)

In hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij het decreet van 4 december 2015, wordt hoofdstuk 3, dat bestaat uit artikel 16 tot en met 21, opgeheven.
 

Artikel 25. (01/01/2018- ...)

In hoofdstuk 4 van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij het decreet van 4 december 2015, wordt in het opschrift van afdeling 1 de zinsnede "de gemeenten, de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de provincies" vervangen door de woorden "de gemeenten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie".
 

Artikel 26. (01/01/2018- ...)

In artikel 22 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 3 juli 2015 en 4 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "de gemeenten, de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de provincies" vervangen door de woorden "de gemeenten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie";
2° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "en provincies" opgeheven.
 

Artikel 27. (01/01/2018- ...)

In artikel 23, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 20 december 2013 en 3 juli 2015, wordt de zinsnede ", de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de provincies" vervangen door de woorden "en de Vlaamse Gemeenschapscommissie".

Artikel 28. (01/01/2018- ...)

In artikel 24, eerste lid, artikel 25, eerste lid, artikel 26, eerste lid, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, en artikel 27, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 3 juli 2015 en 4 december 2015, wordt de zinsnede ", de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de provincies" vervangen door de woorden "en de Vlaamse Gemeenschapscommissie".
 

Artikel 29. (01/01/2018- ...)

In artikel 34 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 8 november 2013, wordt de zinsnede ", de provincies" opgeheven.
 

Afdeling 7 Wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013

Artikel 30. (01/01/2018- ...)

In artikel 2.1.4.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gewijzigd bij het decreet van 20 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt het cijfer "2,5" vervangen door het cijfer "3,97";
2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het cijfer "1,6" vervangen door het cijfer "2,54";
3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief voor materieel en outillage als vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, 3,97% vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in het tweede lid. De toepassing van de coëfficiënt mag geen aanleiding geven tot een hoger tarief dan het tarief dat van toepassing is in het vorige aanslagjaar, met uitzondering van het aanslagjaar waarin dit decreet in werking treedt waarbij de toepassing van de coëfficiënt geen aanleiding mag geven tot een hoger tarief dan 3,97%.".
 

Artikel 31. (01/01/2018- ...)

Artikel 2.1.4.0.2 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 2.1.4.0.2. § 1. Overeenkomstig artikel 464/1, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zijn de provincies, gemeenten en de agglomeraties gemachtigd om opcentiemen op de onroerende voorheffing te heffen.

§ 2. Voor iedere gemeente van het Vlaamse Gewest mag het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, op zichzelf de opbrengst van de gemeentelijke opcentiemen van het aanslagjaar waarin dit artikel in werking treedt niet verhogen ten opzichte van het vorige aanslagjaar.

Als een gemeente de opbrengst van haar deel in die onroerende voorheffing evenwel wil wijzigen, geeft ze dat expliciet aan in haar beslissing en vermeldt ze afzonderlijk :
1° het aantal opcentiemen dat nodig is om, op haar niveau, dezelfde opbrengst te verkrijgen als in het aanslagjaar voorafgaand aan het aanslagjaar waarin dit artikel in werking treedt;
2° het aantal opcentiemen dat voor het aanslagjaar waarin dit artikel in werking treedt daadwerkelijk wordt geheven.

§ 3. Voor iedere provincie van het Vlaamse Gewest mogen de provinciale opcentiemen niet meer bedragen dan :
1° voor de provincie Antwerpen : 145,33 opcentiemen;
2° voor de provincie Limburg : 214,52 opcentiemen;
3° voor de provincie Oost-Vlaanderen : 148,47 opcentiemen;
4° voor de provincie Vlaams-Brabant : 171,75 opcentiemen;
5° voor de provincie West-Vlaanderen : 186,22 opcentiemen.".
 

Artikel 32. (01/01/2018- ...)

In artikel 2.1.5.0.1, § 1, 2°, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de tabel wordt vervangen door volgende tabel :

"aantal kinderen dat in aanmerking komt totaalbedrag van de vermindering in euro
2 8,58
3 13,58
4 19,01
5 24,92
6 31,25
7 38,06
8 45,35
9 53,07
10 61,30

2° de woorden "5,40 euro" worden telkens vervangen door de woorden "8,58 euro".

Artikel 33. (01/01/2018- ...)

Artikel 2.1.5.0.6 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 2.1.5.0.6. Voor de onbebouwde onroerende goederen in het Vlaams Ecologisch Netwerk, vermeld in artikel 17 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, wordt aan de belastingplichtige een belastingkrediet toegekend dat gelijk is aan :
1° 2,5 % van het kadastraal inkomen als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 1, van toepassing is;
2° 1,6 % van het kadastraal inkomen als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 2, van toepassing is;
3° 2,5 % van het kadastraal inkomen vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, tweede lid, als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, van toepassing is.

Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, kan nooit meer bedragen dan de onroerende voorheffing, na toepassing van vrijstellingen en verminderingen.

Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, komt volledig ten laste van het Vlaamse Gewest.

Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, geldt vanaf de inwerkingtreding van het definitief vastgestelde plan, vermeld in artikel 21, § 9, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, of van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, vermeld in artikel 2.2.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.".
 

Artikel 34. (01/01/2018- ...)

Artikel 2.1.5.0.7 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 2.1.5.0.7. Aan de belastingplichtige rechtspersoon wordt een belastingkrediet toegekend dat gelijk is aan :
1° 2,5 % van het kadastraal inkomen als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 1, van toepassing is;
2° 1,6 % van het kadastraal inkomen als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 2, van toepassing is;
3° 2,5 % van het kadastraal inkomen vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, tweede lid, als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, van toepassing is.

Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, kan nooit meer bedragen dan de onroerende voorheffing, na toepassing van vrijstellingen en verminderingen.

Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, komt volledig ten laste van het Vlaamse Gewest.".
 

HOOFDSTUK 3 Slotbepalingen

Artikel 35. (01/01/2018- ...)

Het decreet van 31 mei 2013 houdende toekenning van bepaalde bevoegdheden aan de provincies in de aangelegenheden, vermeld in artikel 5 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt opgeheven.

Artikel 36. (01/01/2018- ...)

§ 1. In afwijking van artikel 2, § 3, van het Provinciedecreet van 9 december 2005 kan de provincie Vlaams-Brabant een investeringsfonds oprichten ter ondersteuning van bestaande en nieuwe welzijns- en zorgvoorzieningen teneinde mee de bestaande achterstand aan aanbod van welzijns- en zorgvoorzieningen in Vlaams-Brabant weg te werken, conform de modaliteiten die daarvoor bij decreet worden bepaald.

§ 2. De provincies worden gemachtigd om hun betrokkenheid in of de ondersteuning van instellingen voort te zetten tot een door de Vlaamse Regering voor elke instelling vast te stellen datum, voor zover die instellingen zijn opgenomen op een lijst die door de Vlaamse Regering is vastgesteld. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en nadere regelen waaronder de provincies hun betrokkenheid en ondersteuning kunnen verderzetten.
 

Artikel 37. (01/01/2018- ...)

Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2018, met uitzondering van artikel 30 tot en met 34, die in werking treden vanaf aanslagjaar 2018.
 

Artikel 38. (01/01/2018- ...)

Artikel 2.1.4.0.2, § 3, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, zoals gewijzigd bij dit decreet, treedt buiten werking vanaf het aanslagjaar 2023.