Decreet houdende wijziging van diverse decreten, wat de optimalisatie van de organisatie en de rechtspleging van de Vlaamse bestuursrechtcolleges betreft

Datum 09/12/2016

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1 Inleidende bepaling
  2. HOOFDSTUK 2 Wijzigingen van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges
  3. HOOFDSTUK 3Wijzigingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  4. HOOFDSTUK 4 Wijzigingen aan de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
  5. HOOFDSTUK 5 Wijzigingen aan het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
  6. HOOFDSTUK 6 Slotbepalingen

Inhoud

HOOFDSTUK 1 Inleidende bepaling

Artikel 1. (24/04/2017- ...)

Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.

HOOFDSTUK 2 Wijzigingen van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges

Artikel 2. (24/04/2017- ...)

In artikel 6 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"De functie van beheerder, hoofd van het coördinatiebureau, hoofdgriffier, griffier, griffiemedewerker, coördinatiejurist en referendaris wordt opgenomen door personeelsleden van de dienst van de Bestuursrechtscolleges.".
 

Artikel 3. (24/04/2017- ...)

In artikel 7, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt tussen de woorden "De hoofdgriffier" en de woorden "en de beheerder" de zinsnede ", het hoofd van het coördinatiebureau" ingevoegd.
 

Artikel 4. (24/04/2017- ...)

In artikel 9 van hetzelfde decreet wordt tussen het zesde en het zevende lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de opmaak, de inhoud en de timing van het beleidsplan en de evaluatie ervan in het werkingsverslag.".
 

Artikel 5. (24/04/2017- ...)

In artikel 19 van hetzelfde decreet worden de woorden "vereenvoudigde procedure" vervangen door de woorden "verkorte procedure".
 

Artikel 6. (24/04/2017- ...)

In artikel 20 van hetzelfde decreet wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen, die niet korter mogen zijn dan twintig dagen, behalve bij vervaltermijnen die betrekking hebben op de verzoeken tot tussenkomst in de vorderingen, ingesteld conform artikel 40, § 2.

Artikel 7. (24/04/2017- ...)

In artikel 21 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 200 euro.
Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 of § 2, bedraagt 100 euro.
Het rolrecht dat verschuldigd is per tussenkomende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot tussenkomst, bedraagt 100 euro per vordering waarin een verzoek tot tussenkomst is ingediend, ongeacht of de tussenkomst geldt voor een vordering tot vernietiging of voor een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 en § 2.";
2° aan paragraaf 3, derde lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"De griffier vraagt deze bewijsstukken evenwel niet op in het geval het een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 2, betreft.";
3° in paragraaf 5 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"De griffier brengt, bij een vordering tot vernietiging en een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1, de verzoekende partij of de tussenkomende partij schriftelijk op de hoogte van het bedrag, verschuldigd conform paragraaf 1, of van de beslissing over de vrijstelling van de betaling van het rolrecht. De griffier vermeldt hierbij duidelijk de sanctie, zoals vermeld in paragraaf 6.";
4° paragraaf 6 wordt vervangen door wat volgt:
" § 6. Bij een vordering tot schorsing, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, opgevraagd in de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag.
Het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht, vermeld in het eerste lid, wordt overgelegd op de zitting waarop de vordering, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt behandeld.
Als het rolrecht niet binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de dag na de betekening van de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag is betaald, is de proceshandeling waarop de kwijting betrekking heeft, niet ontvankelijk.
Als de verzoekende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, worden de schorsing en de voorlopige maatregelen, die zouden zijn bevolen, conform artikel 40, § 2, en artikel 41, opgeheven conform de procedure, vermeld in artikel 40, § 13.
Als de tussenkomende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, kan ze geen voortzetting vragen van de rechtspleging.
De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd.";
5° er wordt een paragraaf 7 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 7. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op verzoek van een partij, een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die ten gronde in het gelijk wordt gesteld.
De Vlaamse Regering bepaalt de basisbedragen en de minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding.
De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op gemotiveerde wijze, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Vlaamse Regering bepaalde minimum- en maximumbedragen te overschrijden. In zijn beoordeling houdt hij rekening met:
1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;
2° de complexiteit van de zaak;
3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.
Als de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het minimumbedrag bepaald door de Vlaamse Regering, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. In dat geval omkleedt de Raad voor Vergunningsbetwistingen zijn beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.
Als meer partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van een of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, is het bedrag ervan maximaal het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Ze wordt door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tussen de partijen verdeeld.
De tussenkomende partijen kunnen niet worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of die vergoeding genieten.
Geen partij kan worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of die vergoeding genieten, als de procedure, vermeld in artikel 42, leidt tot een bekrachtigd bemiddelingsakkoord.''.
 

Artikel 8. (24/04/2017- ...)

Aan hoofdstuk 3 van hetzelfde decreet wordt een afdeling 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 5. Bepalingen die van toepassing zijn op het Milieuhandhavingscollege".
 

Artikel 9. (24/04/2017- ...)

In hetzelfde decreet wordt aan afdeling 5, toegevoegd bij artikel 8, een artikel 31/1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 31/1. § 1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 100 euro.

§ 2. De verzoekende partij die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.

De verzoekende partij richt daarvoor een verzoek aan het Milieuhandhavingscollege, gelijktijdig met de indiening van haar verzoekschrift.

Als de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, ontbreken, vraagt de griffier die bij beveiligde zending op bij de verzoekende partij.

De bewijsstukken worden bezorgd binnen een termijn van acht dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het derde lid.

Als de bewijsstukken niet worden bezorgd binnen de termijn, vermeld in het vierde lid, wordt de verzoekende partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht.

De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand.

§ 3. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel keer het recht als er verzoekende partijen zijn.

§ 4. De griffier brengt de verzoekende partij bij beveiligde zending op de hoogte van het bedrag, verschuldigd conform paragraaf 1, of van de beslissing over de vrijstelling van de betaling van het rolrecht. De griffier vermeldt hierbij duidelijk de sanctie, zoals vermeld in het derde lid.

Het bedrag wordt gestort binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid.

Als het bedrag niet binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, is gestort door de verzoekende partij, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd.".
 

Artikel 10. (24/04/2017- ...)

In artikel 33 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt opgeheven;
2° het bestaande vijfde lid, dat het vierde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
"Wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, omvatten de kosten ook het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in artikel 21, alsook de kosten, vermeld in artikel 42, § 5.";
3° er wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Wat het Milieuhandhavingscollege betreft, omvatten de kosten ook het rolrecht, vermeld in artikel 31/1.".
 

Artikel 11. (24/04/2017- ...)

Aan artikel 35 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, worden een tweede en derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"In zijn arrest beslecht een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), alle aangevoerde middelen, waarvan het oordeelt dat de beoordeling nuttig kan zijn in geval van een nieuwe beslissing of een andere handeling van het bestuur.

Een onwettigheid geeft alleen aanleiding tot een vernietiging, als de partij die ze aanvoert, wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid.".
 

Artikel 12. (24/04/2017- ...)

Artikel 37 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 37. § 1. Na gehele of gedeeltelijke vernietiging kan een Vlaams bestuurs-rechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), de verwerende partij bevelen om met inachtneming van de overwegingen die opgenomen zijn in zijn uitspraak een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen. Het kan daarbij de volgende voorwaarden opleggen:
1° welbepaalde rechtsregels of rechtsbeginselen moeten bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken;
2° welbepaalde procedurele handelingen moeten voorafgaand aan de nieuwe beslissing worden gesteld;
3° welbepaalde onregelmatige motieven of kennelijk onredelijke motieven mogen niet bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken.

Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan aan het bevel, opgelegd conform het eerste lid, een ordetermijn verbinden voor de uitvoering ervan.

De ordetermijn, vermeld in het tweede lid, wordt geschorst zolang een cassatieberoep, gericht tegen het arrest van het Vlaams bestuursrechtscollege dat dit bevel bevat, aanhangig is bij de Raad van State.

§ 2. Het Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, b), kan, als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, het arrest in de plaats stellen van die beslissing.".
 

Artikel 13. (24/04/2017- ...)

In artikel 38 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan in het vernietigingsarrest, op verzoek van een partij, een dwangsom opleggen aan de verwerende partij, zolang die niet voldoet aan een bevel, gegeven met toepassing van artikel 37, ten voordele van de partij die om de oplegging van een dwangsom heeft verzocht.
De dwangsom kan niet worden verbeurd voor het arrest waarbij ze is vastgesteld, wordt betekend.";
2° in paragraaf 3, eerste en tweede lid, worden de woorden "verwerende partij" telkens vervangen door de zinsnede "partij, aan wie een dwangsom is opgelegd,".
 

Artikel 14. (24/04/2017- ...)

Artikel 40 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 40. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 14, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen op elk ogenblik de schorsing bevelen van de bestreden beslissing op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:
1° de zaak hoogdringend is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot vernietiging;
2° en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.

§ 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen op elk ogenblik de schorsing bevelen wegens uiterst dringende noodzakelijkheid op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:
1° de zaak uiterst dringend noodzakelijk is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot schorsing als vermeld in paragraaf 1;
2° en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.

In voorkomend geval kan deze schorsing, op verzoek, bij wijze van voorlopige maatregel worden bevolen zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord. In dat geval worden in het arrest dat de voorlopige schorsing beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing.

§ 3. Het verzoekschrift, ingediend conform dit artikel, omschrijft de redenen op grond waarvan de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verzocht.

§ 4. Met behoud van de toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, wordt het schorsingsarrest, uitgesproken conform dit artikel, gewezen nadat de partijen zijn gehoord of behoorlijk opgeroepen.

Als de verzoekende partij noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot schorsing verworpen.

§ 5. De Raad voor Vergunningsbetwistingen houdt, bij een vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel, op verzoek van de verwerende of de tussenkomende partij rekening met de waarschijnlijke gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging voor alle belangen die kunnen worden geschonden, alsook met het algemeen belang, en hij kan besluiten de schorsing niet te bevelen als de nadelige gevolgen ervan op een klaarblijkelijk onevenredige wijze zwaarder wegen dan de voordelen.

§ 6. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, wordt verworpen wegens het gebrek aan hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid kan een nieuwe vordering alleen worden ingediend als die steunt op nieuwe elementen die de hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid ervan rechtvaardigen. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing kan worden ingediend als het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van tijd.

§ 7. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, en een vordering tot vernietiging aanhangig worden gemaakt bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, en als de verzoeker, in de loop van de schorsingsprocedure, afstand doet van het door hem ingediende beroep of als de bestreden beslissing wordt ingetrokken, zodat er geen uitspraak meer hoeft te worden gedaan, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen in een en hetzelfde arrest uitspraak doen over de vordering tot schorsing en over de vordering tot vernietiging.

§ 8. De schorsing bevolen met toepassing van dit artikel wordt onmiddellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.

§ 9. Een verzoekschrift tot schorsing dat met toepassing van de procedure vermeld in dit artikel wordt ingesteld buiten de beroepstermijn bepaald in het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), kan geen middelen bevatten die niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging.

§ 10. Een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, stuit de vervaltermijnen voor de indiening van de nota's in het kader van de vordering tot vernietiging vanaf de datum van de ontvangst van het verzoekschrift door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tot de dag na de betekening van het ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging. De griffier brengt de partijen daarvan onmiddellijk op de hoogte.

§ 11. De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen waarbinnen de partijen het administratieve dossier en hun nota's indienen. Die vervaltermijnen mogen niet korter zijn dan vijftien dagen bij vorderingen die ingesteld zijn conform de procedure, vermeld in paragraaf 1.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de behandeling van de vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel.

§ 12. Het arrest dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing beveelt, conform dit artikel, kan op verzoek van een partij een dwangsom opleggen aan een andere partij ten voordele van de partij die om de oplegging van de dwangsom heeft verzocht. In dat geval is artikel 38, § 2 tot en met § 4, van overeenkomstige toepassing.

§ 13. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan de arresten waarbij de schorsing is bevolen, conform dit artikel, op verzoek van de partijen of op eigen initiatief opheffen.

De opheffing is alleen mogelijk als nieuwe feiten, hetzij in rechte, hetzij in feite, zich voordoen of als de omstandigheden zodanig veranderd zijn dat de schorsing niet langer gerechtvaardigd is.

De partijen worden uitgenodigd om te verschijnen op een zitting waarop de vordering tot opheffing wordt behandeld.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toepassing van de procedureregeling voor de opheffing van arresten, met inbegrip van het bepalen van termijnen en de organisatie van de zittingen, vermeld in dit artikel.".
 

Artikel 15. (24/04/2017- ...)

In artikel 41 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Als bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen conform artikel 40 een vordering tot schorsing of schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig wordt gemaakt kan hij als enige, op verzoek, bij voorraad en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 40, § 1, § 2 en § 5, alle nodige maatregelen bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten.";
2° in het vierde lid wordt het woord "hoogdringendheid" telkens vervangen door de woorden "hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid";
3° tussen het vijfde en het zesde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De maatregelen die bevolen zijn met toepassing van dit artikel worden onmiddellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in artikel 40, § 13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.";
4° in het bestaande zesde lid, dat het zevende lid wordt, wordt de zinsnede "Artikel 40, § § 4 en 5, vindt toepassing" vervangen door de zinsnede "Artikel 40, § 12 en § 13, zijn van overeenkomstige toepassing".
 

Artikel 16. (24/04/2017- ...)

In artikel 42 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "bestuursrechters, griffiers, referendarissen of" vervangen door de woorden "een personeelslid van de dienst van de Bestuursrechtscolleges";
2° in paragraaf 3 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Als het bemiddelingsakkoord wordt bekrachtigd, worden in afwijking van artikel 33, eerste lid, de kosten zoals vermeld in artikel 33, derde en vierde lid, gelijk verdeeld over de partijen, tenzij anders bepaald wordt in het bemiddelingsakkoord.";
3° in paragraaf 4, 2°, wordt de zinsnede "paragraaf 3, derde lid" vervangen door de zinsnede "paragraaf 3, vierde lid";
4° aan paragraaf 5 wordt de zinsnede ", alsook de kosten die voortvloeien uit de bemiddeling" toegevoegd.
 

Artikel 17. (24/04/2017- ...)

In artikel 53 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
"Op zijn verzoek en op gemotiveerd advies van de eerste voorzitter kan de Vlaamse Regering een effectieve bestuursrechter die de leeftijd van zevenenzestig jaar heeft bereikt, machtigen om zijn ambt verder uit te oefenen tot de bestuursrechter de leeftijd van zeventig jaar heeft bereikt.";
2° er worden een vierde tot en met een achtste lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"De machtiging, vermeld in het derde lid, is een jaar geldig en kan worden hernieuwd.

De bestuursrechter die zijn ambt verder wil uitoefenen nadat hij de leeftijd van zevenenzestig jaar heeft bereikt, dient daarvoor ten vroegste achttien maanden vóór de dag waarop hij de leeftijd van zevenenzestig jaar heeft bereikt en uiterlijk negen maanden voor die dag een verzoek in bij de eerste voorzitter.

De bestuursrechter die een verzoek om hernieuwing van de machtiging wil indienen dient dat uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de vorige machtiging in.

De bestuursrechter bezorgt tegelijkertijd een kopie van zijn verzoek, of in voorkomend geval van zijn verzoek om hernieuwing, aan de Vlaamse Regering.

De eerste voorzitter bezorgt zijn gemotiveerd advies binnen een termijn van een maand aan de Vlaamse Regering.".
 

HOOFDSTUK 3Wijzigingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid

Artikel 18. (24/04/2017- ...)

Aan artikel 16.4.39 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, vervangen bij het decreet van 23 december 2010 en gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014, worden een tweede lid en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"In afwijking van artikel 16.1.3, § 2, eerste lid, wordt de kennisgeving met een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel van de aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, behalve in geval van bewijs van het tegendeel door de geadresseerde. Daarbij geldt alleen de datum van de aanbieding door de postdiensten, en niet de feitelijke kennisneming van de aangetekende brief op een later tijdstip. De datum van de poststempel heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst.

In afwijking van artikel 16.1.3, § 2, tweede lid, wordt de kennisgeving door afgifte tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de datum van het ontvangstbewijs.".
 

Artikel 19. (24/04/2017- ...)

Aan artikel 16.4.44 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, vervangen bij het decreet van 23 december 2010 en gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014, worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"In afwijking van artikel 16.1.3, § 2, eerste lid, wordt de kennisgeving met een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel van de aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, behalve in geval van bewijs van het tegendeel door de geadresseerde. Daarbij geldt alleen de datum van de aanbieding door de postdiensten, en niet de feitelijke kennisneming van de aangetekende brief op een later tijdstip. De datum van de poststempel heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst.

In afwijking van artikel 16.1.3, § 2, tweede lid, wordt de kennisgeving door afgifte tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de datum van het ontvangstbewijs.".
 

HOOFDSTUK 4 Wijzigingen aan de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening

Artikel 20. (24/04/2017- ...)

Aan artikel 4.8.11, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, laatst gewijzigd bij decreet van 18 december 2015, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Een bij het dossier betrokken vergunningverlenende bestuursorgaan, dat nagelaten heeft een uitdrukkelijke beslissing te nemen in eerste administratieve aanleg, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen te wenden, behoudens overmacht.

HOOFDSTUK 5 Wijzigingen aan het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning

Artikel 21. (24/04/2017- ...)

Aan artikel 105, § 2, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, die nagelaten heeft een uitdrukkelijke beslissing te nemen in eerste administratieve aanleg, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen te wenden, behoudens overmacht.".

HOOFDSTUK 6 Slotbepalingen

Artikel 22. (24/04/2017- ...)

Op de beroepen die werden ingediend vóór de inwerkingtreding van dit decreet zijn de artikelen 19, 20, 21, 33, 35, 40, 41 en 42 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges en de artikelen 16.4.39 en 16.4.44 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, van toepassing, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit decreet.

Op de vernietigingsarresten die worden uitgesproken na de inwerkingtreding van dit decreet zijn de artikelen 37 en 38 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges van toepassing zoals gewijzigd door dit decreet.
 

Artikel 23. (24/04/2017- ...)

Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum, en uiterlijk drie maanden na de publicatie van dit decreet in het Belgisch Staatsblad.