Koninklijk Besluit betreffende de bescherming van proefdieren

Datum 29/05/2013

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1 Definities en toepassingsgebieden
  2. HOOFDSTUK 2 Herkomst en identificatie van de proefdieren
    1. Afdeling 1 Herkomst van de dieren
    2. Afdeling 2 Identificatie en register van de proefdieren
  3. HOOFDSTUK 3 Gebruikers
  4. HOOFDSTUK 4 Fokkers en leveranciers
  5. HOOFDSTUK 5 Inspectie, schorsing en intrekking
  6. HOOFDSTUK 6 Beoordeling en vergunning van projecten
  7. HOOFDSTUK 7 Huisvesting en verzorging
    1. Afdeling 1 Verzorging
    2. Afdeling 2 Personeel
    3. Afdeling 3 Dierenwelzijnscel
  8. HOOFDSTUK 8 Statistische gegevens
  9. [HOOFDSTUK 9 Proefdierencommissie (verv. BVR 17 februari 2017, art. 26, I: 1 april 2017)]
  10. HOOFDSTUK 10 Overgangsbepalingen
  11. HOOFDSTUK 11 Slotbepalingen
  12. BIJLAGE 1
  13. BIJLAGE 2
  14. BIJLAGE 3
  15. BIJLAGE 4
  16. BIJLAGE 5
  17. BIJLAGE 6
  18. BIJLAGE 7
  19. BIJLAGE 8
  20. BIJLAGE 9
  21. BIJLAGE 10
  22. BIJLAGE 11

Inhoud

(... - ...)

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op artikel 108 van de Grondwet;

Gelet op de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, de artikelen 20, § 3, 21, lid 3 en 4, 23, § 1, 25, 26, § 1, derde lid, 28 en 29 en wijzigingen;

Gelet op het koninklijk besluit van 6 april 2010 betreffende de bescherming van proefdieren;

Gelet op het voorafgaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een effectbeoordeling inzake duurzame ontwikkeling uit te voeren, waarbij besloten is dat een effectbeoordeling niet vereist is;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 13 juni 2012;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister voor Begroting van 13 november 2012;

Gelet op het advies 52.543/1 van de Raad van State, gegeven op 31 januari 2013 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Volksgezondheid, van de Staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid, van de Minister van Justitie en op het advies van de in de Raad vergaderde Ministers,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1. (10/07/2013- ...)

Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2010/63/EU van het Europees parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt.

HOOFDSTUK 1 Definities en toepassingsgebieden (... - ...)

Artikel 2. (01/04/2017- ...)

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° Leefruimte : de primaire behuizing waarbinnen de proefdieren worden opgesloten, zoals :
a) Kooi : vaste of verplaatsbare houder, begrensd door gesloten wanden of waarvan één of meerdere wanden uit metalen tralies of gaas bestaan of in voorkomend geval uit netten, waarin één of meerdere proefdieren gehouden of vervoerd worden; afhankelijk van de bezettingsgraad en de afmetingen van de kooi, is de bewegingsvrijheid van de proefdieren betrekkelijk beperkt;
b) Hok : een plaats omsloten door bijvoorbeeld wanden, tralies of gaas, waar één of meer proefdieren worden gehouden; afhankelijk van de grootte van het hok en de bezettingsgraad is de bewegingsvrijheid van de dieren er gewoonlijk minder beperkt dan in een kooi;
c) Ren : een plaats omsloten door bijvoorbeeld hekken, wanden, tralies of gaas, veelal gelegen buiten permanente gebouwen, waar dieren die in kooien of hokken worden gehouden zich een bepaalde tijd overeenkomstig hun ethologische en fysiologische behoeften, met name de behoefte aan lichaamsbeweging, vrij kunnen bewegen;
d) Stal : een ruimte met drie wanden, gewoonlijk voorzien van een ruif en van laterale tussenschotten, waar één of twee dieren aangebonden kunnen worden gehouden;
2° Dierenverblijf : de secundaire behuizing waarbinnen zich de leefruimte(n) van de dieren bevindt/bevinden. Voorbeelden van « dierenverblijven » zijn :
- vertrekken waar de dieren normaal zijn ondergebracht, hetzij voor de fokkerij of om ze in voorraad te houden, hetzij tijdens de uitvoering van een procedure;
- inperkingsystemen zoals isolatoren, laminaire flow systemen;
3° Proefdierencommissie: comité van deskundigen bedoeld in artikel 28 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn van de dieren;
4° Wet : de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn van de dieren;
5° dienst: de Vlaamse dienst die bevoegd is voor het dierenwelzijn;
6° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het dierenwelzijn;
7° Gezondheidsondermijnende aandoening : een aandoening die een beperking van het normale fysieke of psychische functioneringsvermogen van een mens veroorzaakt;
8° Principe van de 3V's : beginsel van vervanging, vermindering en verfijning :
a) Vervanging : wetenschappelijk verantwoorde methode of beproevingstrategie die geen gebruik van levende dieren inhoudt;
b) Vermindering : gebruik van zo weinig mogelijk proefdieren in projecten zonder dat de doelstellingen van het project in het gedrang komen;
c) Verfijning : het aanpassen bij het fokken, de huisvesting en de verzorging alsook de in dierproeven gebruikte methoden zodat elke vorm van pijn, lijden, angst of blijvende schade die de proefdieren kunnen ondervinden voorkomen wordt of tot een minimum beperkt wordt;
9° aangewezen deskundige: een aangewezen dierenarts die deskundig is op het gebied van proefdiergeneeskunde, of, als die geschikter is, een andere, voldoende gekwalificeerde deskundige die belast is met adviestaken met betrekking tot het welzijn en de behandeling van de dieren.

Artikel 3. (10/07/2013- ...)

§ 1. Dit besluit is van toepassing totdat de proefdieren gedood of geadopteerd zijn, of opnieuw in een geschikt habitat of dierhouderijsysteem zijn geplaatst.

Dierproeven mogen uitsluitend voor de volgende doeleinden worden uitgevoerd :
1° Fundamenteel onderzoek;
2° Omzettingsgericht of toegepast onderzoek met één van de volgende doelstellingen :
a) de vermijding, voorkoming, diagnose of behandeling van ziekten, gezondheidsstoornissen of andere afwijkingen, dan wel de gevolgen daarvan, bij mensen, dieren of planten;
b) de beoordeling, opsporing, regulering of wijziging van fysiologische toestanden bij mensen, dieren of planten;
c) het welzijn van dieren en de verbetering van de productieomstandigheden voor dieren die voor landbouwdoeleinden worden gefokt;
3° Elke onder punt 2° genoemde doelstelling, tijdens de ontwikkeling, vervaardiging of testen van de kwaliteit, doeltreffendheid en veiligheid van geneesmiddelen, levensmiddelen en diervoeders en andere stoffen of producten;
4° Bescherming van het milieu in het belang van de gezondheid of het welzijn van mens of dier;
5° Onderzoek gericht op het behoud van de soort;
6° Hoger onderwijs of opleiding voor het verwerven, op peil houden of verbeteren van beroepsvaardigheden;
7° Forensisch onderzoek

§ 2. Enkel dierproeven uitgevoerd in het kader van een project zijn toegelaten.

§ 3. De uitschakeling van pijn, lijden, ongemak of blijvend letsel door efficiënte toepassing van volledige of plaatselijke verdoving, of van een andere methode, heeft niet tot gevolg dat het gebruik van een proefdier in dat geval buiten het toepassingsgebied van dit besluit valt.

§ 4. Dit besluit is niet van toepassing op :
1° niet-experimentele landbouwpraktijken,
2° niet-experimentele praktijken in de klinische diergeneeskunde,
3° experimenten in de klinische diergeneeskunde die nodig zijn voor een vergunning voor het in de handel brengen van een diergeneeskundig geneesmiddel,
4° praktijken ten behoeve van de erkende dierhouderij,
5° praktijken die in eerste instantie plaatsvinden om een dier te identificeren,
6° praktijken die waarschijnlijk niet evenveel, of meer, pijn, lijden, angst of blijvende schade berokkenen als het inbrengen van een naald volgens goed diergeneeskundig vakmanschap.

HOOFDSTUK 2 Herkomst en identificatie van de proefdieren (... - ...)

Afdeling 1 Herkomst van de dieren (... - ...)

Artikel 4. (01/04/2017- ...)

§ 1. In toepassing van artikel 3 punt 21 van de wet mogen proefdieren die opgenomen zijn in bijlage 1 van dit besluit enkel gebruikt worden in dierproeven wanneer zij voor dit doel gekweekt werden.

Penseelaapjes, java-apen, resusapen en andere soorten niet-menselijke primaten mogen alleen worden gebruikt indien zij nakomelingen zijn van ouders die in gevangenschap gefokt werden of indien zij afkomstig zijn uit kolonies waarin dieren alleen in de kolonie worden gefokt, of uit andere kolonies afkomstig zijn maar niet in het wild zijn gevangen, en waarin dieren op een zodanige wijze worden gehouden dat zij mensen gewend zijn.

Voor java-apen, resusapen en andere soorten niet-menselijke primaten treedt het tweede lid in werking op een door de minister bepaalde datum.

§ 2. In afwijking van § 1 van dit artikel kan de dienst, op basis van een wetenschappelijke motivering en na advies van de Proefdierencommissie, een vrijstelling verlenen op voorwaarde dat de gebruiker daartoe een schriftelijke aanvraag indient :
1° die bepaalt dat de gebruiker zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 20, van de wet, geen of onvoldoende proefdieren geschikt voor het doel van de proef kan betrekken vanuit erkende fokkers of leveranciers. In deze gevallen dienen voldoende garanties geboden te worden over het welzijn en de gezondheid van de proefdieren op het bedrijf van oorsprong;
2° die stelt dat het gebruik van niet met het oog op dierproeven gefokte proefdieren geen negatieve invloed heeft op de resultaten van de proef en niet leidt tot het gebruik van meer proefdieren;
3° waarbij een verklaring is gevoegd van de Ethische Commissie waarbij de gebruiker is aangesloten, die onder 1° en 2° van deze paragraaf beschreven verklaringen van de gebruiker bevestigt.

De beslissing in verband met deze ontheffingsaanvraag wordt schriftelijk en binnen de drie maanden na ontvangst van het aanvraagdossier door de Dienst meegedeeld aan de gebruiker.

Artikel 5. (10/07/2013- ...)

Specimens van de bedreigde soorten als bedoeld in bijlage A van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, die niet onder het toepassingsgebied van artikel 7, lid 1 van die verordening vallen, mogen niet gebruikt worden in dierproeven met uitzondering van deze die aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° de dierproef heeft één van de in artikel 3, § 1, onder 2° punt a), onder 3° of onder 5° vernoemde punten tot doel; en
2° er aan de hand van een wetenschappelijke motivering aangetoond wordt dat het doel van de dierproef niet kan worden bereikt door het gebruik van een andere dan een in die bijlage genoemde soort.

Dit artikel is niet van toepassing op niet-menselijke primaten.

Artikel 6. (10/07/2013- ...)

§ 1. Onverminderd paragraaf 2 van dit artikel mogen specimens van niet-menselijke primaten niet worden gebruikt in dierproeven, met uitzondering van dierproeven die aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° de dierproef heeft tot doel één van de punten genoemd in :
a) artikel 3 § 1, onder 2°, a), of onder 3° en wordt uitgevoerd met het oog op de vermijding, voorkoming, diagnose of behandeling van gezondheidsondermijnende of mogelijk levensbedreigende klinische aandoeningen bij de mens; of
b) artikel 3, § 1 onder 1° of 5° ;
en
2° er aan de hand van een wetenschappelijke motivering wordt aangetoond dat het doel van de dierproef niet kan worden bereikt door het gebruik van een andere soort dan die van de niet-menselijke primaten.

§ 2. Specimens van niet-menselijke primaten die opgenomen zijn in bijlage A van Verordening (EG) nr. 338/97 en die niet onder het toepassingsgebied van artikel 7, lid 1, van die verordening vallen, mogen niet worden gebruikt in dierproeven, met uitzondering van dierproeven die aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° de dierproef heeft één van de doeleinden genoemd in :
a) artikel 3, § 1, onder 2°, a), of onder 3° en wordt uitgevoerd met het oog op de vermijding, voorkoming, diagnose of behandeling van gezondheidsondermijnende of mogelijk levensbedreigende klinische aandoeningen bij de mens; of
b) artikel 3, § 1, onder 5° ;
en
2° er wordt aan de hand van een wetenschappelijke motivering aangetoond dat het doel van de dierproef niet kan worden bereikt door het gebruik van een andere soort dan die van de niet-menselijke primaten, noch door het gebruik van niet in bijlage A genoemde soorten.

Artikel 7. (01/01/2021- ...)

Dieren gevangen in de vrije natuur mogen alleen worden gebruikt in dierproeven indien enkel deze dieren geschikt zijn voor het doel van de proef.

Dat gebruik moet vooraf worden goedgekeurd door de dienst, na advies van de Proefdierencommissie. De gebruiker dient hiervoor een aanvraagdossier in te dienen bij de Dienst dat aan de hand van een wetenschappelijke motivering aantoont dat het doel van de dierproef niet kan worden bereikt met een dier dat voor gebruik in dierproeven is gefokt.

De beslissing betreffende deze aanvraag wordt schriftelijk en binnen de drie maanden na ontvangst van het aanvraagdossier door de Dienst meegedeeld aan de aanvrager.

De in het wild gevangen dieren mogen enkel gevangen worden door een deskundig persoon en mogen bij het vangen geen enkele pijn, lijden, angst of blijvende schade ondergaan die vermijdbaar is. Een in het wild gevangen dier dat gekwetst is of in slechte toestand verkeert na het vangen ervan, dient door een dierenarts of ander deskundig persoon onderzocht te worden waarbij de nodige maatregelen dienen getroffen te worden om het lijden van dit in het wild gevangen dier te verzachten.

Wanneer dit lijden omwille van wetenschappelijk gegronde redenen niet kan worden verzacht, kan enkel de Ethische Commissie waarbij de gebruiker is aangesloten, toelaten dat er geen maatregelen dienen getroffen te worden om het lijden van het in het wild gevangen dier te verzachten.

Artikel 8. (01/04/2017- ...)

Zwerfdieren, verloren, achtergelaten of verwilderde huisdieren mogen niet in dierproeven worden gebruikt.

In afwijking van deze bepaling kan de Dienst, na advies van de Proefdierencommissie, hiervoor een ontheffing verlenen op voorwaarde dat de gebruiker bij de Dienst een ontheffingsaanvraagdossier indient dat bewijst dat er een essentiële behoefte is aan studies betreffende de gezondheid en het welzijn van deze proefdieren of betreffende ernstige gevaren voor het milieu of voor de gezondheid van mens of dier. Tevens dient aan de hand van een wetenschappelijke motivering te worden aangetoond dat het doel van de proef alleen door het gebruik van een zwerfdier of een verwilderd dier kan worden bereikt.

De beslissing betreffende deze ontheffingsaanvraag wordt schriftelijk en binnen de drie maanden na ontvangst van het aanvraagdossier door de Dienst meegedeeld aan de gebruiker.

Afdeling 2 Identificatie en register van de proefdieren (... - ...)

Artikel 9. (01/04/2017- ...)

§ 1. In de onmiddellijke nabijheid van de huisvesting van de proefdieren moet informatie worden aangebracht betreffende hun identificatie en in het voorkomend geval, betreffende het project waarbinnen ze gebruikt worden alsook betreffende de verantwoordelijke proefleider. De verwijzing naar het project waarin de proefdieren worden gebruikt, moet ook worden opgenomen in het register bedoeld in artikel 10 van dit besluit.

§ 2. Bij een gebruiker, fokker en leverancier moeten alle honden, katten en niet-menselijke primaten ten laatste bij het spenen op de minst pijnlijke wijze van een individueel en blijvend identificatieteken worden voorzien.

Niet geïdentificeerde honden, katten en niet-menselijke primaten die pas na het spenen voor het eerst in een in het eerste lid bedoelde inrichting komen, moeten zo spoedig mogelijk op de minst pijnlijke wijze van een individueel en blijvend identificatieteken worden voorzien.

Wanneer een hond, kat of niet-menselijke primaat vóór het spenen van een in het eerste lid bedoelde inrichting naar een andere inrichting wordt overgebracht en het in het eerste lid genoemde identificatieteken omwille van praktische redenen niet vooraf kan worden aangebracht, dan moeten alle gegevens over het betrokken proefdier, met name de identiteit van de moeder, door de ontvangende inrichting worden bewaard totdat het proefdier is geïdentificeerd.

Op verzoek van de Dienst deelt de gebruiker, fokker, of leverancier mee waarom een hond, kat of niet-menselijke primaat niet is gemerkt.

Artikel 10. (25/05/2018- ...)

§ 1. De gebruiker, fokker en leverancier dient een register bij te houden waarin per diersoort voor ieder proefdier of per lot van proefdieren minimaal de volgende gegevens opgenomen zijn :
1° Voor alle verworven of geleverde proefdieren : aantal, datum van aankomst of datum van spenen indien de proefdieren geboren zijn in de inrichting, de naam en het adres van de leverancier (of het erkenningsnummer) of, in voorkomend geval, van de vorige eigenaar, inclusief of de proefdieren al dan niet met het oog op gebruik in dierproeven werden gefokt;
2° Het aantal afgestane, vrijgelaten of geadopteerde proefdieren, datum van vertrek, de naam en het adres van de bestemmeling (of het erkenningsnummer);
2° /1 Het aantal gefokte proefdieren en het aantal proefdieren dat gebruikt wordt in dierproeven;
3° Aantal proefdieren die zijn gestorven of geëuthanaseerd in de inrichting met vermelding van de doodsoorzaak indien gekend en in voorkomend geval met vermelding van het protocolnummer van de proef tijdens dewelke de proefdieren zijn gestorven of werden geëuthanaseerd;
4° Voor elke hond, kat of niet-menselijke primaat het identificatienummer, bedoeld in artikel 9, paragraaf 2, het geslacht, het ras of de soort alsook de geboortedatum en herkomst indien deze gegevens bekend zijn, en of de dieren al dan niet gekweekt werden met het doel om gebruikt te worden in dierproeven en in geval van een niet-menselijke primaat, of het proefdier de nakomeling is van niet-menselijke primaten die in gevangenschap zijn gefokt.
Voor elke hond, kat en niet-menselijke primaat wordt een individueel levensloopdossier bijgehouden dat het proefdier vergezelt zolang het proefdier onder de toepassing van dit besluit valt. Dit dossier wordt bijgehouden van bij de geboorte van het proefdier of zo spoedig mogelijk daarna, en bevat alle relevante gegevens op vlak van voortplanting, diergeneeskunde en het sociaal gedrag van het proefdier in kwestie alsook de gegevens van de projecten waarin het proefdier werd gebuikt.
Alle informatie betreffende de honden, katten of niet-menselijke primaten moet minstens gedurende drie jaar na de dood of na adoptie van het dier bewaard worden en beschikbaar blijven en worden op verzoek van de dienst ter beschikking gesteld.
5° Het aantal aanwezige proefdieren moet vanaf de leeftijd van spenen tevens op eenvoudige wijze uit de registergegevens kunnen worden afgeleid.

§ 2. Het register moet telkens worden getoond als de bevoegde personen bedoeld in artikel 34 van de wet daarom verzoeken. De gegevens dienen vijf jaar te worden bewaard en worden op verzoek van de dienst ter beschikking gesteld.

HOOFDSTUK 3 Gebruikers (... - ...)

Artikel 11. (01/04/2017- ...)

§ 1. Iedere gebruiker dient per aangetekend schrijven een aanvraag in tot erkenning bij de Minister zoals bedoeld in artikel 21, eerste lid van de wet van 14 augustus 1986.
Gebruikers moeten bij deze aanvraag meedelen bij welke Ethische Commissie bedoeld in artikel 17 van dit besluit, zij aangesloten zijn.

§ 2. Bij de in paragraaf 1 vermelde aanvraag dienen de volgende stukken te worden gevoegd :
1° Een overzichtsplan van de inrichting, met erop aangeduid de functie van de verschillende lokalen bestemd voor de proefdieren.
2° een beschrijving van de apparatuur en installaties waar de proefdieren gehuisvest worden en waar, in voorkomend geval, de proeven worden uitgevoerd. Uit die beschrijving blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 31, § 1. Het ontwerp, de bouw en de werking van de installaties en voorzieningen bij gebruikers, fokkers en leveranciers dienen zodanig te zijn dat de dierproeven zo doelmatig mogelijk kunnen worden uitgevoerd en dat met zo weinig mogelijk dieren en een minimum aan pijn, lijden, angst, of blijvende schade naar betrouwbare resultaten wordt gestreefd.
3° De lijst met de namen, voornamen, functies, diploma's of certificaten van het personeel dat instaat voor de leiding over de dierproeven of het uitvoeren ervan of voor de verzorging, het toezicht en het doden van de proefdieren alsmede de naam, voornaam, functie, diploma's of certificaten van de aangewezen deskundige en van de personen die projecten en proeven opzetten. De lijst vermeldt ook de persoon die verantwoordelijk is voor het toezicht op de naleving van de wet en van dit besluit en de naam van de personen die ter plaatse verantwoordelijk zijn voor het welzijn en de verzorging van de dieren in de inrichting, die ervoor zorgen dat personeelsleden die met de dieren omgaan, toegang hebben tot specifieke informatie betreffende de in de inrichting gehuisveste soorten en die ervoor moeten zorgen dat personeelsleden voldoende geschoold zijn, bekwaam zijn en voortdurend worden opgeleid en onder toezicht staan totdat zij het bewijs van de vereiste bekwaamheid hebben geleverd. De gebruiker moet ter plaatse over voldoende personeel beschikken.
4° Een beschrijving van de aard van de dierproeven die worden verricht en hun doel.
5° Een lijst van de soorten proefdieren die worden gehouden, met vermelding van hun herkomst.

§ 3. Elke wijziging van de gegevens vermeld in § 2, punten 4° en 5° van dit artikel dient vooraf meegedeeld te worden aan de Dienst bij aangetekend schrijven. De wijziging wordt na onderzoek al dan niet goedgekeurd door de Dienst binnen een termijn van maximum 2 maanden na ontvangst van de aanvraag van de wijziging, onverminderd de bepalingen van artikel 41;

Elke wijziging van de gegevens vermeld in § 2, 1°, 2° en 3° van dit artikel dient tenminste jaarlijks meegedeeld te worden aan de Dienst.

§ 4. De aanvraag dient te gebeuren met het formulier waarvan het model is bepaald in bijlage 2.

§ 5. Om te kunnen worden erkend moeten de installaties en de werking van de gebruikers voldoen aan de bepalingen bedoeld in bijlage 4 onverminderd de bepalingen van artikel 41. Elke gebruiker draagt er zorg voor dat het fokken, de huisvesting en de verzorging alsook de in dierproeven gebruikte methoden worden verfijnd teneinde elke vorm van pijn, lijden, angst en blijvende schade die de proefdieren kunnen ondervinden, te voorkomen of tot het minimum te beperken. Voor elke significante wijziging van de structuur of de werking van de inrichting die het dierenwelzijn negatief kan beïnvloeden, is een nieuwe erkenning vereist.

§ 6. Binnen tien werkdagen na ontvangst van de aanvraag stuurt de Dienst een ontvangstbevestiging op naar de gebruiker waarbij indien van toepassing, de aanvrager wordt gevraagd zijn dossier aan te vullen in toepassing van paragraaf 2 van dit artikel.

Artikel 12. (01/04/2017- ...)

§ 1. De erkenning, bedoeld in artikel 21, § 1 van de wet, wordt door de Minister verleend binnen de negentig dagen na ontvangst van de aanvraag, indien aan de voorwaarden gesteld in de wet en haar uitvoeringsbesluiten wordt voldaan en na advies van de Proefdierencommissie. De stukken, vermeld in artikel 11, § 2 en § 3, maken deel uit van de erkenning. De dienst registreert de erkende gebruikers.

§ 2. Indien de Proefdierencommissie niet samengesteld is of zijn advies niet kan verlenen binnen de in voorgaande paragraaf voorziene termijn, kan de Dienst, in afwachting van het advies, een tijdelijke erkenning verlenen. Indien de erkenning geweigerd wordt, wordt de aanvrager hiervan onverwijld op de hoogte gebracht.

§ 3. De erkenning wordt uitsluitend verleend als de gebruiker en zijn inrichtingen aan de voorschriften van de wet en van dit besluit voldoen.

HOOFDSTUK 4 Fokkers en leveranciers (... - ...)

Artikel 13. (01/04/2017- ...)

§ 1. Iedere fokker en leverancier dient per aangetekend schrijven een aanvraag tot erkenning bedoeld in artikel 22 van de wet in bij de Minister onverminderd de bepalingen van artikel 41.

§ 2. Bij deze aanvraag dienen de volgende stukken te worden gevoegd :
1° Een overzichtsplan van de inrichting met aanduiding van de functie van de verschillende lokalen bestemd voor de proefdieren.
2° Een beschrijving van de lokalen of ruimten die worden gebruikt voor de huisvesting en de verzorging van de proefdieren. Uit die beschrijving blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 31, § 1.
3° De lijst van het personeel dat instaat voor de verzorging of het doden van de proefdieren, met vermelding van hun respectievelijke functies en diploma's of getuigschriften, alsmede de diploma's of certificaten van de aangewezen deskundige. De lijst vermeldt ook de persoon die verantwoordelijk is voor het toezicht op de naleving van de wet en van dit besluit en de naam van de personen die ter plaatse verantwoordelijk zijn voor het welzijn en de verzorging van de dieren in de inrichting, die ervoor zorgen dat personeelsleden die met de dieren omgaan, toegang hebben tot specifieke informatie betreffende de in de inrichting gehuisveste soorten en die ervoor moeten zorgen dat personeelsleden voldoende geschoold zijn, bekwaam zijn en voortdurend worden opgeleid en onder toezicht staan totdat zij het bewijs van de vereiste bekwaamheid hebben geleverd. Iedere fokker en leverancier moet ter plaatse over voldoende personeel beschikken.
4° Een lijst van de proefdiersoorten die er worden gekweekt, gehouden en verhandeld.

§ 3. Elke wijziging aan de gegevens vermeld in § 2, 4° van dit artikel dient vooraf meegedeeld te worden aan de Dienst bij aangetekend schrijven. De wijziging wordt al dan niet goedgekeurd na onderzoek door de Dienst binnen een termijn van maximum 2 maanden na ontvangst van de aanvraag van de wijziging, onverminderd de bepalingen van artikel 41.

Elke wijziging van de gegevens vermeld in paragraaf 2, 3° dient ten minste jaarlijks meegedeeld te worden aan de Dienst.

§ 4. De aanvraag tot erkenning wordt ingediend met een formulier waarvan het model bepaald is in bijlage 3.

§ 5. Om te kunnen worden erkend, moeten de installaties alsook de werking bij de fokkers en leveranciers voldoen aan de bepalingen bedoeld in bijlage 4, onverminderd de bepalingen van artikel 41. Iedere fokker en leverancier draagt er zorg voor dat het fokken, de huisvesting en de verzorging worden verfijnd teneinde elke vorm van pijn, lijden, angst en blijvende schade die de proefdieren kunnen ondervinden, te voorkomen of tot het minimum te beperken. Voor elke significante wijziging van de structuur of de werking van de inrichting die het dierenwelzijn negatief kan beïnvloeden, is een nieuwe erkenning vereist.

§ 6. De fokkers van niet-menselijke primaten moeten een strategie toepassen die tot doel heeft het aandeel van dieren die de nakomelingen zijn van in gevangenschap gefokte niet-menselijke primaten, te verhogen.

§ 7. Binnen de tien werkdagen na ontvangst van de aanvraag tot erkenning stuurt de Dienst een ontvangstbevestiging naar de fokker of leverancier op waarbij, indien van toepassing, de aanvrager gevraagd wordt zijn dossier aan te vullen met de stukken in toepassing van paragraaf 2 van dit artikel.

§ 8. De erkenning wordt verleend door de Minister, binnen de negentig dagen na ontvangst van de aanvraag, indien aan de voorwaarden gesteld in de wet en haar uitvoeringsbesluiten wordt voldaan en na advies van de Proefdierencommissie. De stukken, vermeld in paragraaf 2 en 3, maken deel uit van de erkenning. De dienst registreert de erkende fokkers en leveranciers.

§ 8/1. Als de Proefdierencommissie niet samengesteld is of zijn advies niet kan verlenen binnen de termijn, vermeld in paragraaf 8, kan de dienst in afwachting van het advies een tijdelijke erkenning verlenen. Als de erkenning geweigerd wordt, wordt de aanvrager daar onverwijld van op de hoogte gebracht.

§ 9. De erkenning wordt uitsluitend verleend als de fokker of de leverancier en hun respectievelijke inrichtingen aan de voorschriften van de wet en van dit besluit.

HOOFDSTUK 5 Inspectie, schorsing en intrekking (... - ...)

Artikel 14. (25/05/2018- ...)

§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 34 van de Wet, gaan de statutaire of contractuele dierenartsen van de dienst over tot het uitvoeren van inspecties bij de gebruikers, fokkers en leveranciers en de bijhorende inrichtingen. Een passend deel van de inspecties wordt onaangekondigd uitgevoerd. De gegevens van alle uitgevoerde inspecties moeten gedurende vijf jaar worden bewaard.

§ 2. De frequentie van de inspecties van deze inrichtingen wordt bepaald op basis van een risicoanalyse van elke inrichting, waarbij rekening wordt gehouden met :
1° Het aantal gehuisveste dieren alsook de diersoort;
2° De staat van dienst van de fokker, leverancier of gebruiker, wat betreft de naleving van de vereisten van dit besluit;
3° Het aantal en het soort uitgevoerde projecten bij de gebruiker;
4° Alle informatie die zou kunnen wijzen op niet-naleving.

§ 3. Op basis van de risicoanalyse vernoemd in paragraaf 2 van dit artikel moet minstens een derde van de gebruikers elk jaar geïnspecteerd worden. Gebruikers, fokkers en leveranciers waar niet-menselijke primaten gehouden worden, moeten minstens één maal per jaar geïnspecteerd worden.

Artikel 15. (01/04/2017- ...)

§ 1. De Minister schorst de erkenning van een gebruiker, fokker of leverancier voor een periode van één tot drie maanden wanneer deze niet langer voldoet aan de voorschriften van de wet en van dit besluit.

§ 2. De Minister trekt de erkenning in van een gebruiker, fokker of leverancier die niet langer voldoet aan de voorschriften van de wet en van dit besluit of die niet de nodige maatregelen heeft getroffen om te verhelpen aan de overtredingen die leidden tot de schorsing van de erkenning overeenkomstig paragraaf 1 van dit artikel.

De Dienst kan in alle gevallen van schorsing of intrekking van een erkenning, passende corrigerende maatregelen nemen of kan eisen dat dergelijke maatregelen worden genomen.
De Dienst neemt ook maatregelen opdat het welzijn van de in de inrichting gehuisveste dieren daardoor niet negatief wordt beïnvloed.

In alle gevallen van schorsing of intrekking van een erkenning wordt de gebruiker, fokker of leverancier voorafgaandelijk gehoord door de Dienst.

Een nieuwe erkenning wordt slechts door de Minister verleend na een nieuwe aanvraagprocedure, overeenkomstig artikelen 11 of 13, al naargelang het geval.

§ 3. Indien een gebruiker gedurende tenminste drie opeenvolgende jaren geen dierproeven uitvoert, wordt de erkenning door de Dienst ingetrokken. Deze intrekking wordt onmiddellijk meegedeeld aan de gebruiker.

Een nieuwe erkenning wordt slechts door de Minister verleend na een nieuwe aanvraagprocedure, overeenkomstig artikel 11.

Artikel 16. (10/07/2013- ...)

De gebruiker, fokker of leverancier of diens afgevaardigde werkt mee bij elk bezoek van de Inspecteur-dierenarts gericht op de controle van de naleving van de erkenningsvoorwaarden.

HOOFDSTUK 6 Beoordeling en vergunning van projecten (... - ...)

Artikel 17. (01/01/2021- ...)

§ 1. Dierproeven kunnen alleen in de inrichting van een gebruiker worden uitgevoerd.

De Dienst kan op basis van een wetenschappelijke motivering ontheffingen toestaan van lid 1 voor zo ver de gebruiker een ontheffingsaanvraag indient die een wetenschappelijke motivering inhoudt. De Dienst licht de gebruiker schriftelijk en binnen de drie maanden na ontvangst van het aanvraagdossier in over het al dan niet goedkeuren van deze aanvraag.

§ 2. Elke gebruiker die dierproeven uitvoert legt vooraf zijn projecten ter evaluatie en goedkeuring voor aan een Ethische Commissie die is aanvaard door de Dienst.

Een project mag enkel worden uitgevoerd als de uitkomst van de projectevaluatie gunsig is. Elke gebruiker draagt er zorg voor dat het aantal dieren dat in projecten wordt gebruikt tot het minimum wordt beperkt zonder dat de doelstellingen van het project in het gedrang komen.

§ 3. Om aanvaard te worden als Ethische Commissie moet deze bij de Dienst aantonen dat zij voldoet aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 4 van dit artikel en paragraaf 2 van artikel 18.

§ 4. De Ethische Commissie is samengesteld uit ten minste zeven leden. De expertise van de leden van de Commissie zorgt voor deskundigheid op het vlak van ethiek, alternatieve methoden voor dierproeven, dierengezondheid en -welzijn alsook op het vlak van onderzoekstechnieken, proefopzet en statistische analyse.

De dierenarts of deskundige belast met het toezicht op de gezondheid en het welzijn van de dieren bedoeld in artikel 31, eerste paragraaf 1, 4e, maakt deel uit van de Commissie.

Een vertegenwoordiger van de Dierenwelzijnscel maakt deel uit van de Commissie.

§ 5. Een Ethische Commissie kan projecten van verschillende gebruikers beoordelen.

§ 6. Indien zich deontologische of ethische problemen voordoen bij de uitvoering van haar opdrachten voorzien in artikel 18, raadpleegt de Ethische Commissie de Proefdierencommissie.

§ 7 De Ethische Commissie stelt minstens éénmaal per jaar een verslag op van haar activiteiten en bezorgt dit aan haar leden. De Ethische Commissie kan aan het publiek elke informatie meedelen die zij nuttig acht.

Artikel 18. (01/01/2021- ...)

§ 1. De Ethische Commissie heeft als opdracht :
1° de evaluatie en goedkeuring van projecten waarbij elke dierproef dient te worden ingedeeld als « terminaal », « licht », « matig », of « ernstig » op basis van de indelingscriteria van bijlage 5;
2° het opstellen van criteria op ethisch vlak inzake dierproeven;
3° advies te verlenen aan gebruikers, proefleiders en medewerkers inzake de ethische aspecten van dierproeven;
4° een retrospectieve analyse uit te voeren van alle projecten tenzij deze enkel dierproeven omvatten die als « terminaal » kunnen worden ingedeeld en dit binnen de termijn die ze bepaalt.

Voor alle projecten waarin niet-menselijke primaten gebruikt worden, dient altijd een retrospectieve analyse te worden uitgevoerd.

§ 2. Met behoud van de toepassing van de bescherming van de intellectuele eigendom en van vertrouwelijke informatie dient de Ethische Commissie er bij de uitvoering van haar taken over te waken dat zich geen enkel belangenconflict voordoet en dat de evaluaties onpartijdig verlopen door rekening te houden met het advies van partijen die onafhankelijk zijn van de gebruiker die een aanvraag tot projectvergunning indient. De evaluaties worden op transparante wijze uitgevoerd.

§ 3. Voor elk voorgelegd project volgt de Ethische Commissie de eisen van artikelen 19 tot 26 van dit besluit.

§ 4. De controle op de werking van de Ethische Commissies wordt uitgeoefend door de Dienst. In dit kader kan de Dienst aan de werkzaamheden van de Ethische Commissie deelnemen en alle gerelateerde documenten van de Ethische Commissie consulteren. Alle desbetreffende documentatie, waaronder de projectvergunningen en de resultaten van de projectevaluatie, dient gedurende drie jaar na het verstrijken van de vergunning voor het project of na het verstrijken van de periode van artikel 23, paragraaf 1 van dit besluit bijgehouden te worden.

Onverminderd het bovenstaande lid, moet de documentatie van projecten die aan een beoordeling achteraf moeten worden onderworpen, bewaard worden totdat deze is afgerond.

§ 5. Geen enkele proef die leidt tot een ernstige mate van pijn, lijden of angst die vermoedelijk lang zal duren en die niet kan worden verminderd, is toegestaan.

Een gebruiker kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden en omwille van wetenschappelijk verantwoorde redenen een voorlopige afwijking vragen van deze bepaling door een grondig en wetenschappelijk gemotiveerd aanvraagdossier in te dienen bij de Dienst. De Minister kan na advies van de Proefdierencommissie, uitzonderlijk dergelijke afwijking goedkeuren. Dergelijke afwijkijng kan nooit worden goedgekeurd voor niet-menselijke primaten. De beslissing betreffende deze aanvraag wordt schriftelijk en binnen de drie maanden na ontvangst van het aanvraagdossier door de Dienst meegedeeld aan de gebruiker.

Artikel 19. (10/07/2013- ...)

Voor elk ter goedkeuring voorgelegd project dient de verantwoordelijke ervan een aanvraag in die minstens volgende elementen bevat :
1° het projectvoorstel;
2° informatie over de bepalingen in bijlage 6;
3° een niet-technische samenvatting van het project.

Artikel 20. (10/07/2013- ...)

§ 1. De projectevaluatie wordt uitgevoerd met een mate van uitvoerigheid die past bij het soort project en is bedoeld om te verifiëren of het project aan de volgende criteria voldoet :
a) het project is vanuit wetenschappelijk of onderwijskundig oogpunt verantwoord of wettelijk vereist;
b) de doeleinden van het project rechtvaardigen het gebruik van dieren, en;
c) het project is zo opgezet dat de dierproeven zo humaan en milieuvriendelijk mogelijk kunnen worden uitgevoerd.

§ 2. De projectevaluatie omvat in het bijzonder :
a) een beoordeling van de doelstellingen van het project en de voorspelde wetenschappelijke baten of educatieve waarde;
b) een beoordeling van de vraag of het project in overeenstemming is met de vereiste vervanging, vermindering en verfijning;
c) een beoordeling van de indeling van het project naar de ernst van de dierproeven;
d) een schade-batenanalyse van het project, waarbij wordt nagegaan of de schade in de vorm van lijden, pijn en angst van de dieren wordt gerechtvaardigd door het verwachte resultaat, met inachtneming van ethische overwegingen, en op termijn voordelen kan opleveren voor mens, dier of milieu;
e) een beoordeling van de wetenschappelijke motiveringen bedoeld in artikel 24 paragraaf 4 van de wet en in artikel 3 paragraaf 2, artikelen 4 tot en met 8, artikel 17 paragraaf 1, artikelen 28, 31, 33 en 34 van dit besluit;
f) een besluit over de vraag of, en zo ja wanneer, het project achteraf moet worden beoordeeld.

§ 3. De Etische Commissie houdt in het bijzonder rekening met de expertise op de volgende gebieden :
a) de wetenschapsgebieden en wetenschappelijke toepassingen waarvoor de dieren zullen worden gebruikt, met inbegrip van vervanging, vermindering en verfijning op de betrokken gebieden;
b) het ontwerp van proeven, in voorkomend geval met inbegrip van de statistische aspecten;
c) de proefdiergeneeskundige praktijk dan wel, in voorkomend geval, de diergeneeskundige praktijk met betrekking tot wilde dieren;
d) het houden en verzorgen van dieren van de soorten die zullen worden gebruikt.

Artikel 21. (01/04/2017- ...)

Voor projecten voorgelegd voor retrospectieve evaluatie dient de verantwoordelijke van het project te preciseren :
1° of de verwachte doelstellingen werden bereikt;
2° de schade die de dieren hebben ondervonden, met inbegrip van de gebruikte aantallen en de soorten proefdieren en de ernst van de proeven;
3° ...;
4° de geleerde lessen inzake alternatieve methoden.

Artikel 22. (10/07/2013- ...)

§ 1. De vergunning voor een project is beperkt tot de dierproeven die onderworpen zijn aan :
a) een projectbeoordeling; en
b) de categorieën waarin deze dierproeven naar ernst zijn ingedeeld.

§ 2. In de vergunning voor een project worden vermeld :
a) de gebruiker die het project uitvoert;
b) de personen die verantwoordelijk zijn voor de algemene uitvoering van het project en voor de overeenstemming ervan met de projectvergunning;
c) in voorkomend geval, de inrichtingen waar het project zal worden uitgevoerd; en
d) bijzondere opmerkingen ingevolge de projectevaluatie, waaronder de vraag of en wanneer het project achteraf moet worden beoordeeld.

§ 3. Vergunningen voor projecten worden verleend voor een periode van ten hoogste vijf jaar.

§ 4. Vergunningen die betrekking hebben op meerdere, door dezelfde gebruiker uitgevoerde generieke projecten kunnen worden toegestaan, wanneer die projecten nodig zijn om aan wettelijke voorschriften te voldoen of wanneer in die projecten volgens aanvaarde methoden dieren worden gebruikt voor productie- of diagnosedoeleinden.

Artikel 23. (10/07/2013- ...)

§ 1. De Ethische Commissie beslist over het al dan niet vergunnen van een project en deelt deze beslissing binnen de veertig werkdagen na ontvangst van het volledig en correct ingevulde aanvraagdossier mee aan de aanvrager. In deze termijn is de termijn voor de projectbeoordeling begrepen.

§ 2. Wanneer dat wordt gerechtvaardigd door de complexiteit of de multidisciplinaire aard van het project kan de Ethische Commissie de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde termijn éénmaal met een bijkomende termijn van ten hoogste vijftien werkdagen verlengen. De verlenging en de duur ervan worden met redenen omkleed en worden vóór het verstrijken van de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde termijn ter kennis van de aanvrager gebracht.

§ 3. De Ethische Commissie bevestigt zo snel mogelijk de ontvangst van elke vergunningsaanvraag aan de aanvrager en vermeldt hierin de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde termijn waarbinnen een beslissing zal worden genomen.

§ 4. Wanneer een aanvraag onvolledig of incorrect is, deelt de Ethische Commissie de aanvrager zo snel mogelijk mee dat hij aanvullende documenten moet verstrekken en, in voorkomend geval, welke gevolgen dit heeft voor de geldende termijn.

Artikel 24. (10/07/2013- ...)

§ 1. De Ethische Commissie kan besluiten om een vereenvoudigde administratieve procedure in te voeren voor projecten die als « terminaal », « licht » of « matig », ingedeelde dierproeven omvatten waarin geen niet-menselijke primaten worden gebruikt, wanneer die projecten nodig zijn om aan wettelijke voorschriften te voldoen of wanneer in die projecten volgens aanvaarde methoden dieren worden gebruikt voor productie- of diagnosedoeleinden.

§ 2. Indien de Ethische Commissie vereenvoudigde administratieve procedures invoert, zorgt zij ervoor dat aan de volgende voorschriften is voldaan :
a) in de aanvraag worden de elementen gespecificeerd, genoemd in artikel 22, paragraaf 2, onder a), b) en c) van dit besluit;
b) er wordt een projectevaluatie uitgevoerd overeenkomstig artikel 20 van dit besluit; en
c) de in artikel 23, paragraaf 1, van dit besluit genoemde termijn niet is overschreden.

§ 3. Indien een project dusdanig gewijzigd wordt dat het negatieve gevolgen kan hebben voor het dierenwelzijn, dan is er een nieuwe projectevaluatie met gunstig resultaat vereist.

§ 4. Het artikel 22, paragrafen 3 en 4, artikel 23, paragraaf 3, en artikel 26, paragrafen 3, 4 en 5, gelden mutatis mutandis voor projecten die overeenkomstig dit artikel mogen worden uitgevoerd.

Artikel 25. (01/01/2021- ...)

§ 1. Onverminderd de bescherming van de intellectuele eigendom en vertrouwelijke informatie bevat de niet-technische samenvatting van een project de volgende gegevens :
a) informatie over de doelstellingen van het project, met inbegrip van de voorspelde schade en baten en de aantallen en soorten te gebruiken dieren;
b) het bewijs dat aan de vereiste vervanging, vermindering en verfijning wordt voldaan.

De niet-technische samenvatting van een project is anoniem en bevat geen namen en adressen van de gebruiker en zijn personeel.

§ 2. In de niet-technische samenvatting van een project wordt vermeld of het project aan een beoordeling achteraf, zijnde een retrospectieve analyse, wordt onderworpen en, zo ja, binnen welke termijn. In dergelijk geval wordt de niet-technische samenvatting van het project uiterlijk vier maanden na de afronding van de retrospectieve analyse geactualiseerd met de resultaten daarvan. Dit wil zeggen dat er een link wordt voorzien tussen de niet-technische samenvatting en de retrospectieve analyse waarbij de resultaten van de retrospectieve analyse kunnen worden opgehaald samen met deze van de niet-technische samenvatting.

§ 3. De Ethische Commissies bezorgen de niet-technische samenvattingen, eventuele aanvullingen daarop en de retrospectieve analyses via elektronische gegevensoverdracht aan de dienst en aan de Europese Commissie.

De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden uiterlijk vier maanden nadat de vergunning verleend is, respectievelijk vier maanden nadat de retrospectieve analyse afgerond is, bezorgd met het oog op de publicatie ervan. Om de gegevens te verzenden, wordt het gemeenschappelijke format gebruikt dat de Europese Commissie vaststelt.

Artikel 26. (10/07/2013- ...)

§ 1. In het geval dat een goedgekeurd project gewijzigd wordt met mogelijke negatieve invloed op het dierenwelzijn, dan moet het project opnieuw worden voorgelegd.

§ 2. De vergunning voor een project kan alleen worden gewijzigd of vernieuwd na een verder gunstig resultaat van de projectevaluatie.

§ 3. De Ethische Commissie mag een vergunning van een project intrekken als het project niet overeenkomstig de goedgekeurde vergunning wordt uitgevoerd. In dit geval licht de Ethische Commissie de Dienst hierover in.

§ 4. Als de vergunning voor een project wordt ingetrokken, mag het welzijn van de in het project gebruikte of voor gebruik in het project bestemde dieren daardoor niet negatief worden beïnvloed.

§ 5. Wanneer een wijziging of vernieuwing van een vergunning voor een project nodig blijkt, dient de gebruiker in toepassing van paragraaf 1 en 2 van dit artikel onmiddellijk hiervoor een aanvraag in te dienen bij de Ethische Commissie.

Artikel 27. (01/04/2017- ...)

 § 1. De proefleider dient erover te waken dat een eind wordt gemaakt aan elke onnodige angst, pijn, lijden of blijvende schade die tijdens een dierproef bij een dier wordt veroorzaakt en hij dient te verzekeren dat dierproeven en projecten worden uitgevoerd in overeenstemming met de verleende goedkeuring. Hij dient er voor te zorgen dat in geval van niet conformiteit van een project passende corrigerende maatregelen worden genomen die schriftelijk worden genoteerd.

§ 2. Een dierproef wordt geacht te zijn afgelopen wanneer er voor die dierproef geen verdere waarnemingen hoeven te worden verricht of, in het geval van nieuwe genetisch gemodificeerde dierenvariëteiten, wanneer voor de nakomelingen niet evenveel, of meer, pijn, lijden, angst of blijvende schade wordt waargenomen of verwacht als bij het inbrengen van een naald.

Op het einde van elke proef wordt door een dierenarts of een andere deskundige persoon beslist of het dier in leven zal worden gehouden. Een dier wordt gedood als aannemelijk is dat het een matige of ernstige vorm van pijn, lijden, angst of schade zal blijven ondervinden.

Deze beslissingen worden genomen door de aangewezen deskundige. 

§ 3. Wanneer aan het einde van een proef :
1° een proefdier in leven moet worden gehouden, moet het de voor zijn gezondheidstoestand passende verzorging krijgen onder toezicht van de aangewezen deskundige en gehuisvest worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 31, § 1, 1° ;
2° een proefdier dat niet in leven moet worden gehouden of niet gebaat is bij het bepaalde in artikel 31 betreffende zijn welzijn, moet onverwijld worden gedood onder de voorwaarden van bijlage 7.

Artikel 28. (10/07/2013- ...)

Een proefdier dat reeds aan één of meerdere dierproeven werd onderworpen, kan slechts hergebruikt worden in een nieuwe dierproef, wanneer ook een proefdier kan worden gebruikt dat nog niet eerder een dierproef heeft ondergaan :
1° indien de werkelijke ernst van de voorgaande dierproeven « licht » of « matig » was,
2° indien het vaststaat dat de algemene gezondheids- en welzijnstoestand van het proefdier volledig is hersteld,
3° indien de volgende dierproef is ingedeeld als « licht », « matig » dan wel « terminaal » en
4° indien de handeling in overeenstemming is met het diergeneeskundig advies dat verplicht dient ingewonnen te worden waarbij rekening wordt gehouden met de volledige levensloop van het proefdier.

In uitzonderlijke omstandigheden en nadat een dierenarts het proefdier heeft onderzocht, kan de Ethische Commissie het hergebruik van een proefdier toestaan indien het proefdier niet meer dan éénmaal is gebruikt in een dierproef die hevige pijn, angst of daarmee gelijkstaand lijden met zich meebrengt.

Artikel 29. (10/07/2013- ...)

Om duplicatie van proeven te vermijden, is elke dierproef om te voldoen aan nationale of Europese wetgeving verboden indien er gegevens bestaan die in een andere lidstaat werden verkregen met behulp van dierproeven die erkend worden door de wetgeving van de Unie, tenzij er in samenhang met die gegevens verdere dierproeven noodzakelijk zijn ter bescherming van de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu.

Artikel 30. (01/04/2017- ...)

De Ethische Commissie kan toestaan dat proefdieren die gebruikt zijn of bestemd waren om te worden gebruikt in dierproeven, worden vrijgegeven voor adoptie of opnieuw in hun habitat of een voor de soort geschikt dierhouderijsysteem worden geplaatst, mits de gezondheidstoestand van het proefdier dit toelaat en er geen gevaar bestaat voor de volksgezondheid, de dierengezondheid of het milieu en er passende maatregelen genomen zijn om het welzijn van het proefdier te garanderen.

Bij de fokkers en leveranciers wordt deze beslissing genomen door de aangewezen deskundige van dit besluit.

Voor de te adopteren proefdieren dient een adoptieprogramma gevolgd te worden die voorziet in de socialisatie van de voor adoptie vrijgegeven proefdieren. Indien het wilde proefdieren betreft, dienen deze -indien nodig- een reïntegratieprogramma te doorlopen voordat zij opnieuw in hun habitat mogen worden geplaatst.

In geval van adoptie worden de relevante gegevens over de diergeneeskundige toestand en het sociaal gedrag uit het in artikel 10, § 1, 4° van dit besluit bedoelde individuele levensloopdossier met het dier meegegeven.

HOOFDSTUK 7 Huisvesting en verzorging (... - ...)

Afdeling 1 Verzorging (... - ...)

Artikel 31. (01/04/2017- ...)

§ 1. De inrichtingen van fokkers, leveranciers of gebruikers beschikken over installaties en voorzieningen die geschikt zijn voor de daar gehuisveste diersoorten en, als er proeven plaatsvinden, voor de uitvoering van die proeven.

§ 1/1. De gebruiker, fokker en leverancier zien erop toe dat :
1° alle aanwezige proefdieren huisvesting en bijzondere verzorging ontvangen overeenkomstig de bepalingen van bijlage 4 en onverminderd de bepalingen van artikel 41;
2° iedere inperking van het vermogen van de proefdieren om aan hun fysiologische en ethologische behoeften te voldoen tot het uiterste minimum beperkt blijft;
3° alle aanwezige proefdieren en hun omgevingsomstandigheden dagelijks worden gecontroleerd;
4° het welzijn en de behandeling van de proefdieren regelmatig worden gecontroleerd door de aangewezen deskundige. De aangewezen deskundige stelt minstens trimestrieel een schriftelijk verslag op van zijn controles voor de gebruiker, fokker of leverancier. Een kopie van dat verslag wordt aan de dienst bezorgd.

§ 2. Wanneer de gezondheid of het welzijn van de proefdieren niet bevredigend is, dient de gebruiker, fokker of leverancier hiervan verwittigd te worden door elk lid van zijn personeel dat hier kennis van heeft en dient hij onverwijld regelingen te treffen om een eventueel letsel of pijn, onnodig lijden, angst en blijvende schade die vermijdbaar zijn en die worden ontdekt, zo snel mogelijk te verhelpen.

§ 3. De gebruiker, fokker of leverancier dient op verzoek van de Dienst, aanneembare bewijzen van de in § 1/1 van dit artikel vermelde controles te kunnen voorleggen.

Afdeling 2 Personeel (... - ...)

Artikel 32. (01/04/2017- ...)

§ 1. Personen die instaan voor de elementaire verzorging van de proefdieren moeten, op verzoek van de Dienst, het bewijs leveren van een opleiding zoals omschreven in bijlage 8. Al naargelang de reeds genoten opleiding of het reeds behaalde diploma kan een volledige of gedeeltelijke vrijstelling worden verleend voor de in bijlage 8 vermelde onderwerpen.

§ 2. Personen die instaan voor de bijzondere verzorging van de proefdieren moeten in het bezit zijn van een door de Dienst geaccepteerd getuigschrift of diploma uitgereikt na een opleiding zoals omschreven in bijlage 9. Al naargelang de reeds genoten opleiding of het reeds behaalde diploma kan een volledige of gedeeltelijke vrijstelling worden verleend voor de in bijlage 9 vermelde onderwerpen.

§ 3. Personen die actief deelnemen aan op proefdieren uitgevoerde proeven moeten in het bezit zijn van een door de Dienst geaccepteerd getuigschrift of diploma uitgereikt na een opleiding zoals omschreven in bijlage 10. Al naargelang de reeds genoten opleiding of het reeds behaalde diploma kan een volledige of gedeeltelijke vrijstelling worden verleend voor de in bijlage 10 vermelde onderwerpen.

§ 4. De proefleiders zoals omschreven in artikel 3, 21° van de wet en de personen die projecten en proeven opzetten, moeten in het bezit zijn van een universitair diploma zoals omschreven in artikel 26, § 1, eerste lid van de wet. Zij moeten daarenboven houders zijn van een universitair of postuniversitair diploma of van een aanvullend certificaat in de proefdierkunde, aanvaard door de Dienst, uitgereikt na een opleiding zoals omschreven in bijlage 11.

Zij moeten wetenschappelijk geschoold zijn in een richting die verband houdt met de verrichte werkzaamheden en dienen over soortspecifieke kennis te beschikken.

Al naargelang de reeds genoten opleiding of het reeds behaalde diploma kan een volledige of gedeeltelijke vrijstelling worden verleend voor de in bijlage 11 vermelde onderwerpen.

§ 5. Voor ieder persoon afkomstig uit een andere lidstaat of gelijkgestelde Staten, kijkt de Dienst na of wat vereist is in paragrafen 1 tot en met 4 van dit artikel overeenkomt met wat vereist is op vlak van opleidingsniveau, kwalificaties en ervaring van de in deze lidstaat of gelijkgestelde Staat te werk gestelde personen die belast worden met de elementaire of bijzondere verzorging van proefdieren, of actief deelnemen aan dierproeven of proefleider zijn.

§ 6. De gebruiker, fokker of leverancier mag enkel een beroep doen op personeel dat voldoet aan alle voorwaarden inzake continue opleiding en ervaring zoals bepaald in dit artikel.

Personen bedoeld in paragrafen 1 tot 3 van dit artikel staan tijdens hun werk onder toezicht totdat zij het bewijs hebben geleverd van de vereiste bekwaamheid.

De gebruiker, fokker of leverancier moet er op toezien dat alle personeelsleden waarvan sprake in dit artikel al naar gelang de categorie waarin zij zich bevinden, hun kennis in verband met de thema's vermeld in bijlagen 8 tot 11 van huidig besluit op peil houden.

De gebruiker, fokker of leverancier toont op eenvoudige vraag van de Dienst het bewijs van het op peil houden van de kennis van haar personeelsleden.

De gebruiker, fokker of leverancier dient erover te waken dat het personeel dat met de proefdieren omgaat, toegang heeft tot de specifieke informatie van de in de inrichting gehuisveste proefdieren.

§ 7. Personen bedoeld in paragrafen 1 en 2 van dit artikel die op het ogenblik van indiensttreding bij een gebruiker, fokker of leverancier, niet beschikken over het nodige diploma of getuigschrift waarvan sprake in dit artikel, beschikken over een termijn van één jaar om dit diploma of certificaat te bekomen voor zover hun activiteiten worden uitgevoerd onder de directe supervisie van een persoon die de gepaste vorming heeft genoten.

Artikel 33. (01/04/2017- ...)

§ 1. Proefdieren dienen op zodanige wijze gedood te worden dat hun zo weinig mogelijk pijn, lijden en angst wordt berokkend.

§ 2. Proefdieren moeten worden gedood in de inrichting van een gebruiker, fokker of leverancier door een deskundig persoon die een adequate opleiding heeft genoten en die zijn deskundigheid kan aantonen vooraleer zijn functies op te nemen. De voormelde deskundige personen staan tijdens hun werk onder toezicht totdat ze het bewijs van de vereiste bekwaamheid hebben geleverd. In het geval van een veldonderzoek, mag een proefdier evenwel buiten een inrichting worden gedood door een deskundig persoon. De gebruiker, fokker of leverancier moet er eveneens op toezien dat de kennis van de persoon bedoeld in dit artikel ook op peil gehouden wordt. De gebruiker, fokker of leverancier toont op eenvoudige vraag van de Dienst eveneens het bewijs van het op peil houden van de kennis van deze bedoelde personeelsleden.

§ 3. Wanneer een proefdier moet worden gedood, dient dit te gebeuren volgens de bepalingen vastgelegd in bijlage 7.

De Dienst kan het gebruik van een andere methode van het doden toestaan, op voorwaarde dat de methode op basis van wetenschappelijke bewijzen ten minste even humaan wordt geacht of wanneer middels een wetenschappelijke motivering wordt aangetoond dat het doel van de proef met een in bijlage 7 vermelde methode voor het doden niet kan worden bereikt.

Artikel 34. (10/07/2013- ...)

Paragrafen 2 en 3 van artikel 33 van dit besluit zijn niet van toepassing wanneer een dier om redenen van dierenwelzijn, volksgezondheid, openbare veiligheid, dierengezondheid of het milieu, in een noodsituatie moet worden gedood.

Afdeling 3 Dierenwelzijnscel (... - ...)

Artikel 35. (01/04/2017- ...)

De gebruiker, fokker of leverancier dient er voor te zorgen dat er een Dierenwelzijnscel wordt opgericht ingevolge artikel 21 van de wet.

De cel omvat ten minste de personen die verantwoordelijk zijn voor het welzijn en de verzorging van de dieren en, in geval van een gebruiker, een wetenschapper. De aangewezen deskundige heeft ook een inbreng in de Dierenwelzijnscel.

Artikel 36. (01/04/2017- ...)

De Dierenwelzijnscel vervult ten minste de volgende taken : 
1° verstrekken van advies aan het personeel dat met de proefdieren omgaat betreffende dierenwelzijn in samenhang met de aanschaf, de huisvesting, de verzorging en het gebruik van de proefdieren;
2° adviseren van het personeel over de toepassing van het voorschrift inzake vervanging, vermindering en verfijning en het op de hoogte houden van de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen inzake de toepassing van dat voorschrift;
3° zorg dragen voor de vaststelling en toetsing van bedrijfsinterne procedures inzake monitoring, rapportage en follow-up met betrekking tot het welzijn van de in de inrichting gehuisveste of gebruikte proefdieren;
4° de ontwikkeling en resultaten van projecten opvolgen, rekening houdend met de effecten op de gebruikte proefdieren, het in kaart brengen van de elementen die verder kunnen bijdragen tot vervanging, vermindering en verfijning en hierover adviseren;
5° advies uitbrengen over adoptieregelingen, met inbegrip van advies met betrekking tot de passende socialisatie van de voor adoptie vrijgegeven proefdieren.
6° er op letten dat het fokken, de huisvesting en de verzorging worden verfijnd teneinde elke vorm van pijn, lijden, angst en blijvende schade die de dieren kunnen ondervinden, te voorkomen of tot het minimum te beperken.

Alle documenten waarin de door de Dierenwelzijnscel verstrekte adviezen en besluiten werden opgenomen, moeten ten minste drie jaar bewaard worden. De voormelde documenten worden desgevraagd ter beschikking gesteld van de dienst.

HOOFDSTUK 8 Statistische gegevens (... - ...)

Artikel 37. (01/01/2021- ...)

§ 1. Uiterlijk op 31 januari van elk jaar bezorgt iedere gebruiker de statistische gegevens over het gebruik van proefdieren in zijn inrichting tijdens het voorbije kalenderjaar aan de Ethische Commissie. Uiterlijk op 15 februari van elk jaar bezorgen de Ethische Commissies de statistische gegevens over het gebruik van proefdieren in de aangesloten inrichtingen tijdens het voorbije kalenderjaar aan de dienst.

Deze gegevens hebben ondermeer betrekking :
1° op het aantal proefdieren, per diersoort, dat voor proeven werd gebruikt;
2° op het aantal proefdieren en dierproeven, onderverdeeld in categorieën die werden gebruikt in wettelijk voorgeschreven proeven;
3° op het aantal proefdieren en dierproeven, onderverdeeld in categorieën die werden gebruikt in niet wettelijk voorgeschreven proeven.

De gegevens, vermeld in het tweede lid, omvatten ook informatie over de werkelijke ernst van de proeven en over de herkomst van de in de proeven gebruikte niet-menselijke primaten en de soorten waartoe ze behoren.

§ 1/1. Op verzoek van de dienst bezorgen de Ethische Commissies de informatie die ze beheren, en die nodig is voor de vijfjaarlijkse rapportering aan de Europese Commissie over de uitvoering van richtlijn 2010/63/EU van het Europees parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt, aan de dienst.

§ 2. De Minister bepaalt de aard van de statistische gegevens alsook het model van formulieren.

§ 3. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden jaarlijks openbaar gemaakt door de dienst via publicatie op zijn website.

[HOOFDSTUK 9 Proefdierencommissie (verv. BVR 17 februari 2017, art. 26, I: 1 april 2017)] (... - ...)

Artikel 38. (01/04/2017- ...)

De Proefdierencommissie bestaat uit achttien leden.

De leden worden geselecteerd op basis van hun deskundigheid op biomedisch, biologisch en ethisch vlak, en op basis van hun kennis van dierenwelzijn. Ten minste twaalf leden zijn verbonden aan de proefdiersector. Twee leden worden voorgedragen door de Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn.

De minister benoemt de leden voor een termijn van vier jaar en wijst onder hen een voorzitter en ondervoorzitter aan. De leden kunnen door de minister worden ontslagen in geval van herhaalde afwezigheid of wanneer zij de goede werking of de geloofwaardigheid van de Proefdierencommissie in het gedrang brengen. In die gevallen of bij vroegtijdige beëindiging van een mandaat kan de minister een opvolger voor dat mandaat benoemen.

Het lidmaatschap is onbezoldigd. De leden van de Proefdierencommissie hebben recht op de terugbetaling van hun reiskosten conform het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.

Het secretariaat wordt waargenomen door de dienst.

Artikel 39. (01/04/2017- ...)

De Proefdierencommissie heeft als opdracht advies uit te brengen over dierproeven in alle gevallen die zijn opgenomen in de wet en in dit besluit, of na raadpleging door de minister, de dienst of een ethische commissie. De Proefdierencommissie kan op eigen initiatief binnen haar opdracht voorstellen formuleren voor de minister, de dienst of een ethische commissie.

De Proefdierencommissie geeft advies over de aanschaf, de fok, de huisvesting, de verzorging en het gebruik van dieren in procedures, en wisselt informatie uit over het functioneren van de dierenwelzijnscellen en de projectevaluatie.

De Proefdierencommissie zorgt voor de verspreiding van de beste praktijken, wisselt informatie uit met nationale comités van andere lidstaten van de Europese Unie en brengt advies uit over de ontwikkeling en toepassing van methodes die erop gericht zijn dierproeven te verminderen, te verfijnen of te vervangen.

Artikel 40. (01/01/2021- ...)

De voorzitter roept de Proefdierencommissie bijeen en stelt de dagorde vast. De voorzitter moet de Proefdierencommissie eveneens bijeenroepen wanneer ten minste zeven leden erom verzoeken.

De Proefdierencommissie beraadslaagt op geldige wijze als de meerderheid van zijn leden aanwezig is. Is de meerderheid niet aanwezig dan kan de Proefdierencommissie na een nieuwe bijeenroeping op geldige wijze over hetzelfde onderwerp beslissen, ongeacht het aantal aanwezige leden.

De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter of die van de ondervoorzitter indien deze het voorzitterschap waarneemt.

Op verzoek van de voorzitter of de dienst kunnen de leden stemmen per e-mail, dit voorzover de meerderheid hierop reageert.

De Proefdierencommissie stelt een huishoudelijk reglement op en legt dat ter goedkeuring voor aan de minister.

HOOFDSTUK 10 Overgangsbepalingen (... - ...)

Artikel 41. (10/07/2013- ...)

Gebruikers, fokkers of leveranciers die reeds in werking waren op de dag van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 6 april 2010, passen ten laatste tegen 15 mei 2015 de huisvesting aan van de dieren volgens de normen van de tabellen van de secties II tot en met XI van bijlage 4 van dit besluit.

Een gebruiker, fokker of leverancier die deze termijn niet kan respecteren, dient een aanvraag tot ontheffing in bij de Dienst samen met een voorstel van aanpassingsprogramma dat goedgekeurd werd door het Deontologisch Comité en door de Ethische Commissie indien het een gebruiker betreft. De Dienst deelt zijn beslissing hierover schriftelijk en binnen de drie maanden na ontvangst van het aanvraagdossier mee aan de gebruiker, fokker of leverancier mee.

De gebruiker, fokker of leverancier moet in ieder geval ten laatste tegen 1 januari 2017 aan de normen van de tabellen van de secties II tot en met XI van de bijlage 4 van dit besluit voldoen.

Artikel 42. (01/04/2017- ...)

De bepalingen van artikelen 17 tot 26 van dit besluit zijn niet van toepassing op projecten die vóór 1 januari 2013 werden goedgekeurd en uiterlijk op 1 januari 2018 afgerond zullen zijn.

Voor projecten die vóór 1 januari 2013 zijn goedgekeurd en pas na 1 januari 2018 worden afgerond, moet uiterlijk op 1 januari 2018 een vergunning zijn verkregen.

HOOFDSTUK 11 Slotbepalingen (... - ...)

Artikel 43. (10/07/2013- ...)

De gegevens waarvan met toepassing van dit besluit kennis wordt gegeven en waarvan de bekendmaking schade zou kunnen berokkenen aan de in de hoofdstukken 3 en 4 bedoelde inrichtingen, mogen niet aan derden worden meegedeeld onverminderd de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en de wet van 5 augustus 2006 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie.

Artikel 44. (10/07/2013- ...)

Overtredingen van de bepalingen van dit besluit worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig de bepalingen van de wet.

Artikel 45. (10/07/2013- ...)

Het koninklijk besluit van 6 april 2010 betreffende de bescherming van proefdieren wordt opgeheven.

Artikel 46. (10/07/2013- ...)

Het tweede en derde lid van artikel 1sexies van het koninklijk besluit van 30 november 2001 houdende verbod op sommige dierproeven, worden opgeheven.

Artikel 47. (10/07/2013- ...)

Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Artikel 48. (10/07/2013- ...)

De minister bevoegd voor Volksgezondheid en de minister bevoegd voor Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE 1 (... - ...)

BIJLAGE 1 (10/07/2013- ...)

Lijst van de in artikel 4 § 1 bedoelde dieren.
1. Muis (Mus musculus)
2. Rat (Rattus norvegicus)
3. Cavia (Cavia porcellus)
4. Syrische hamster (goudhamster) (Mesocricetus auratus)
5. Chinese hamster (Cricetulus griseus)
6. Mongoolse gerbil (Meriones unguiculatus)
7. Konijn (Oryctolagus cuniculus)
8. Hond (Canis familiaris)
9. Kat (Felis catus)
10. Alle soorten niet-menselijke primaten
11. Kikker (Xenopus (laevis, tropicalis), Rana (temporaria, pipiens))
12. Zebravis (Danio rerio) 
 

BIJLAGE 2 (... - ...)

BIJLAGE 2 (01/04/2017- ...)

http://www.ejustice.just.fgov.be/mopdf/2013/07/10_1.pdf#page=64

* In de bijlage wordt de bepaling

"FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu
Directoraat-generaal Dier, Plant en Voeding
Dienst Dierenwelzijn
EUROSTATION Blok II (7e verdiep)
V. Hortaplein 40, bus 10
1060 BRUSSEL"

telkens vervangen door wat volgt:

"Vlaamse overheid
Departement Leefmilieu, Natuur en Energie
Secretariaat-generaal
Dienst Dierenwelzijn
Koning Albert II-laan 20, bus 8
1000 Brussel
dierenwelzijn@vlaanderen.be"  (Zie BVR 17 februari 2017, art. 31, I: 1 april 2017.

BIJLAGE 3 (... - ...)

BIJLAGE 3 (01/04/2017- ...)

http://www.ejustice.just.fgov.be/mopdf/2013/07/10_1.pdf#page=70

* In de bijlage wordt de bepaling

"FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu
Directoraat-generaal Dier, Plant en Voeding
Dienst Dierenwelzijn
EUROSTATION Blok II (7e verdiep)
V. Hortaplein 40, bus 10
1060 BRUSSEL"

telkens vervangen door wat volgt:

"Vlaamse overheid
Departement Leefmilieu, Natuur en Energie
Secretariaat-generaal
Dienst Dierenwelzijn
Koning Albert II-laan 20, bus 8
1000 Brussel
dierenwelzijn@vlaanderen.be"  (Zie BVR 17 februari 2017, art. 31, I: 1 april 2017.

BIJLAGE 4 (... - ...)

BIJLAGE 4 (01/04/2017- ...)

Huisvesting en verzorging van proefdieren
I ALGEMEEN GEDEELTE
1. De Gebouwen
1.1 Functies en algemeen  ontwerp
Alle installaties dienen zo te zijn gebouwd dat zij een passende omgeving bieden voor de soorten die er moeten worden gehouden, rekening houdend met de fysiologische en ethologische behoeften daarvan. De gebouwen dienen voorts zodanig te worden ontworpen en beheerd dan onbevoegden de toegang wordt belet en dat het binnendringen respectievelijk ontsnappen van dieren wordt voorkomen.
Er dient een actief onderhoudsprogramma van toepassing te zijn om eventuele mankementen aan de gebouwen of de uitrusting te voorkomen en te herstellen.
1.2. Dierenverblijven
Alle nodige maatregelen dienen te worden genomen om een geregelde en doelmatige reiniging van de verblijven en de handhaving van behoorlijke hygiënische normen te waarborgen. Toestellen, installaties, plafonds en muren dienen bestand te zijn tegen beschadiging en dienen een glad, ondoordringbaar en gemakkelijk afwasbaar oppervlak te hebben. Bijzondere aandacht dient te worden besteed aan aansluitingen, waaronder die van deuren, buizen, pijpen en kabels. Waar nodig dient in deuren een kijkraam te worden aangebracht. De vloeren dienen effen en ondoordringbaar te zijn en een stroef, gemakkelijk afwasbaar oppervlak te hebben dat het gewicht van rekken en andere zware toestellen kan dragen zonder dat beschadiging optreedt. Eventuele afvoeren dienen behoorlijk afgedekt te zijn en voorzien te zijn van een rooster om te voorkomen dat ongedierte kan binnekomen of dieren kunnen ontsnappen.
De muren en vloeren moeten van een slijtlaag te zijn voorzien die bestand is tegen de door de dieren en door het schoonmaken veroorzaakte slijtage. Die bedekking mag niet schadelijk zijn voor de gezondheid van de dieren en dient zodanig te zijn dat de dieren zich niet kunnen verwonden.
Soorten die niet samen passen, bijvoorbeeld roofdieren en hun prooien, of dieren die verschillende eisen stellen aan hun milieu, mogen niet in hetzelfde vertrek en, in het geval van roofdier en prooi, niet binnen elkaars gezichts-, geur- en gehoorveld te worden gehuisvest.
De dierenverblijven dienen in voorkomend geval uitgerust te zijn met voorzieningen voor het uitvoeren van eenvoudige procedures en ingrepen.
1.3 Ruimten voor het uitvoeren van algemene en bijzondere procedures
Alle inrichtingen moeten beschikken over laboratoriumvoorzieningen voor het verrichten van eenvoudige diagnostische bepalingen, het verrichten van post-mortem onderzoeken en/of het verzamelen van monsters voor uitvoeriger laboratoriumonderzoek dat elders zal worden verricht.
Er moeten algemene en bijzondere dierproefruimten beschikbaar zijn voor gevallen waarin het niet wenselijk is de dierproeven of waarnemingen in de dierenverblijven uit te voeren.
Er dienen voorzieningen beschikbaar te zijn om pas verworven dieren te isoleren tot hun gezondheidstoestand kan worden vastgesteld en tot het eventuele gezondheidsrisico voor de reeds aanwezige dieren is beoordeeld en geminimaliseerd.
Waar nodig dient te worden voorzien in ruimten om zieke of gewonde dieren afgezonderd te huisvesten.
1.4 Dienstruimten
Opslagruimten dienen zodanig te worden ontworpen, gebruikt en onderhouden dat de kwaliteit van het voeder en beddingmateriaal gewaarborgd is. Deze ruimten dienen vrij te worden gehouden van ongedierte en insecten. Producten en andere materialen, die besmet kunnen zijn of gevaar kunnen opleveren voor de dieren of het personeel, dienen afzonderlijk te worden opgeslagen.
De schoonmaak- en wasruimten moeten groot genoeg zijn om de installaties te bevatten die nodig zijn om gebruikte apparatuur te reinigen en te ontsmetten. Tijdens het reinigingsproces moet het vuile materiaal van het schone gescheiden blijven, ten einde besmetting van zojuist gereinigd materiaal te voorkomen.
Er moeten voorzieningen worden getroffen voor het onder hygiënische omstandigheden bewaren en afvoeren van kadavers en andere dierlijk afval. Voorts moeten er speciale voorzorgsmaatregelen worden getroffen voor het hanteren, opslaan en afvoeren van giftig, radioactief of besmettelijk afval.
Indien chirurgische procedures in aseptische omstandigheden moeten worden uitgevoerd, dient te worden voorzien in een of meer passend toegeruste ruimten en in voorzieningen voor postoperatief herstel.
2. DE OMGEVINGSFACTOREN EN DE REGULERING DAARVAN
2.1 Ventilatie
De isolatie, de verwarming en de ventilatie van het dierenverblijf moeten ervoor zorgen dat de luchtcirculatie, het stofgehalte en de gasconcentratie, beperkt blijven tot een niveau dat voor de dieren niet schadelijk is.
De lucht in de ruimten moet veelvuldig worden ververst.
Het ventilatiesysteem dient zodanig te zijn ontworpen dat schadelijke tocht en lawaaihinder worden voorkomen.
In de ruimten waarin zich dieren bevinden, dient roken te worden verboden.
2.2 Temperatuur
De temperatuur in de dierenverblijven moet zijn afgestemd op de daarin gehuisveste soorten en leeftijdsgroepen. De temperatuur in de dierenverblijven moet dagelijks worden gemeten en geregistreerd.
Dieren mogen niet in openluchtruimten worden opgesloten in klimaatsomstandigheden die ongunstig zijn voor hun welzijn.
2.3 Vochtigheid
De vochtigheidsgraad in de dierenverblijven moet zijn afgestemd op de daarin gehuisveste soorten en leeftijdsgroepen.
2.4 Verlichting
Wanneer natuurlijk licht niet voor een passende licht-donker cyclus zorgt, is het noodzakelijk regelbare verlichting aan te brengen, zowel om te voldoe aan de biologische behoeften van de dieren als om een bevredigende werkomgeving te scheppen.
De verlichting dient toereikend te zijn voor het uitvoeren van de verzorgingsprocedures en de inspectie van de dieren.
De fotoperiodiciteit en lichtintensiteit moeten worden afgestemd op de gehuisveste soorten. Indien albinodieren worden gehouden, dient rekening te worden gehouden met hun gevoeligheid voor licht.
2.5 Geluid
De geluidsniveaus, met inbegrip van ultrageluid, mogen het dierenwelzijn niet negatief beïnvloeden. Alarmsystemen dienen te functioneren buiten het gevoelige gehoorbereik van de dieren, voor zover dit de goede hoorbaarheid voor de mens niet in de weg staat.
De dierenverblijven moeten worden voorzien van geluidsisolerende en –absorberende materialen.
2.6 Alarmsysteem
Inrichtingen die voor de beheersing van omgevingsfactoren en voor hun beveiliging afhankelijk zijn van elektrische of mechanische apparatuur, moeten over een stand-bysysteem beschikken dat de essentiële functies en noodverlichtingssystemen in stand kan houden en dat ervoor zorgt dat de alarmsystemen zelf altijd blijven functioneren.
Verwarmings- en ventilatiesystemen moeten worden uitgerust met bewakings- en alarmapparatuur.
Duidelijke instructies inzake de te nemen maatregelen in noodgevallen moeten goed zichtbaar worden opgehangen.
3. VERZORGING
3.1 Gezondheid
In alle instellingen dient een strategie te worden toegepast die garandeert dat een passende gezondheidstoestand van de dieren wordt gehandhaafd teneinde hun welzijn te waarborgen en aan de wetenschappelijke eisen te voldoe. Deze strategie moet een regelmatige gezondheidsmonitoring en een microbiologisch bewakingsprogramma plannen om het hoofd te bieden aan sanitaire problemen, een omschrijving van de gezondheidsparameters en procedures voor het binnenbrengen van nieuwe dieren omvatten.
De dieren moeten ten minste dagelijks worden gecontroleerd door de persoon die in de inrichting verantwoordelijk is voor de huisvesting en verzorging van de dieren. De inspecties moeten de gezondheidsmonitoring van de dieren omvatten teneinde te garanderen dat alle zieke of gewonde dieren worden opgemerkt en dat passende actie wordt ondernomen.
Indien van toepassing moeten inrichtingen regelingen treffen om een eventueel letsel of pijn, onnodig lijden, angst en blijvende schade die vermijdbaar zijn en die worden ontdekt, zo snel mogelijk te verhelpen.
3.2 In het wild gevangen dieren
Op de plaats van de vangst moeten voldoende geschikte laadkisten en vervoermiddelen beschikbaar zijn voor het geval dat dieren met het oog op onderzoek of behandeling naar elders moeten worden overgebracht.
Er moet bijzondere aandacht worden besteed en er moeten speciale maatregelen worden genomen voor de acclimatisatie, quarantaine, huisvesting, houderij en verzorging van in het wild gevangen dieren en in voorkomend geval moeten voorzieningen worden getroffen om hen na afloop van de procedures vrij te laten.
3.3 Huisvesting en milieuverrijking
3.3.1 Huisvesting
Met uitzondering van de soorten die van nature solitair zijn, moeten dieren in sociaal verband worden gehuisvest in stabiele groepen van compatibele individuen. In gevallen waarin afzonderlijke huisvesting op grond van diergeneeskundige of welzijnsoverwegingen, ondersteund door een gunstige ethische beoordeling, gerechtvaardigd is, moet de duur van de afzondering tot het noodzakelijke minimum worden beperkt en moet zo mogelijk het visuele, auditieve, olfactorische en tactiele contact worden gehandhaafd. De introductie of herintroductie van dieren in bestaande groepen moet zorgvuldig in het oog worden gehouden, teneinde problemen als gevolg van onverenigbaarheid of verstoorde sociale relaties te vermijden.
3.3.2 Milieuverrijking
Alle dieren dienen over een ruimte van toereikende complexiteit te beschikken om een breed spectrum van normale gedragingen te kunnen ontplooien. Zij moeten hun milieu tot op zekere hoogte zelf kunnen bepalen en controleren, zodat stressgerelateerd gedrag wordt beperkt. De inrichtingen moeten geschikte verrijkingstechnieken toepassen, waardoor het spectrum van activiteiten die het dier kan ontplooien wordt verruimd en meer mogelijkheden tot “coping”-gedrag worden geboden, zoals voor de betreffende soort geschikte lichaamsbeweging, foerageergedrag en manipulatieve en cognitieve activiteiten. De milieuverrijking in dierenleefruimten moet worden afgestemd op de soortspecifieke en individuele behoeften van de betrokken dieren. De verrijkingsstrategieën in de inrichtingen moeten regelmatig worden getoetst en geactualiseerd.
3.3.3 Leefruimten
De leefruimten mogen niet vervaardigd zijn van materiaal dat schadelijk is voor de gezondheid van de dieren. Zij dienen zodanig te zijn ontworpen en gebouwd dat de dieren zich niet kunnen verwonden. Tenzij zij na gebruik worden verwijderd, moeten zijn vervaardigd zijn van materialen die bestand zijn tegen schoonmaak en ontsmetting. Het ontwerp van de vloeren van de leefruimten moet aangepast zijn aan de soort en de leeftijd van het dier en zodanig zijn dat uitwerpselen gemakkelijk kunnen worden verwijderd.
3.4 Voeder
De vorm, samenstelling en presentatie van het voer moeten beantwoorden aan de ethologische en voedingsbehoeften van het dier.
Het voer moet geschikt zijn voor consumptie en vrij zijn van besmetting. Bij de keuze va de grondstoffen, de productiewijze, de bereiding en de presentatie van hat voer dienen de inrichtingen voorzorgsmaatregelen te neme ter beperking van chemische, fysische en microbiologische besmetting. De verpakking, het vervoer en de opslag moeten zodanig zijn dat besmetting, bederf of vernietiging wordt vermeden. Alle voederbakken, ruiven, troggen en andere gerei gebruikt bij het voederen van de dieren moeten regelmatig worden schoongemaakt en zo nodig gesteriliseerd.
Alle dieren moeten toegang hebben tot het voer; bij de voederbak moet er voldoende ruimte zijn om voedselconcurrentie te beperken.
3.5 Water
Alle dieren moeten steeds onbesmet drinkwater tot hun beschikking hebben .
Wanneer gebruik wordt gemaakt van automatische watervoorzieningssystemen, moet het functioneren ervan regelmatig worden gecontroleerd en moeten zij regelmatig worden onderhouden en gespoeld om problemen te voorkomen. Indien gebruik wordt gemaakt van kooien met een  ondoorlaatbare vloer, moet erop worden toegezien dat het risico van overstroming tot een minimum wordt beperkt.
Er moeten voorzieningen worden getroffen om de toevoer van water aan aquariums en watertanks aan te passen aan de behoeften en tolerantiegrenzen van de individuele soorten vissen, amfibieën en reptielen.
3.6 Vloeren, substraat, strooisel, bedding- en nestmateriaal
De dieren moeten altijd kunnen beschikken over geschikt beddingsmateriaal en/of slaapgelegenheid, alsook over geschikt nestmateriaal en/of –voorzieningen voor dieren in de voortplantingsfase.
De vloer van de dierenleefruimte moet alle dieren een stevig en comfortabel rustvlak bieden. Alle slaapplaatsen moeten schoon en droog worden gehouden.
3.7 Behandeling
De inrichtingen moeten gewennings- en trainingsprogramma’s opzetten die aangepast zijn aan de dieren, de procedures en de duur van het project.
4 VERVOER VAN DIEREN
Voor vervoer van proefdieren is het koninklijk besluit van 14 februari 2007 betreffende het commercieel vervoer van dieren andere dan landbouwhuisdieren van toepassing. Zieke of gewonde dieren mogen worden vervoerd voor experimentele of andere wetenschappelijke doeleinden welke officieel zijn goedgekeurd, indien de ziekte of de verwonding rechtstreeks samenhangt met het onderzoekprogramma. Aan dergelijke dieren mag door het vervoer geen extra lijden worden toegebracht en er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de eventueel vereiste extra verzorging. De deskundige als bedoeld in artikel 31 § 1, 4° van het besluit dient te bevestigen dat de dieren in kwestie geschikt zijn voor de geplande overbrenging.
 
II SOORTSPECIFIEKE NORME VOOR KNAAGDIEREN (Mus musculus, Rattus norvegicus, Meriones sp, Mesocricetus sp, Cavia porcellus)
In tabellen 1 tot 5 betreffende muizen, ratten, gerbils, hamsters en cavia’s wordt onder hoogte va de leefruimte verstaan de verticale afstand tussen de bodem van de leefruimte en de bovenkant van de leefruimte; deze hoogte dient van toepassing te zijn over meer dan 50 % van het minimale bodemoppervlak van de leefruimte vóór het aanbrengen van het verrijkingsmateriaal.
Bij het ontwerpen van de procedures dient rekening te worden gehouden met de eventuele groei van de dieren, teneinde ervoor te zorgen dat zij gedurende de hele looptijd van de studie over voldoende ruimte (zoals omschreven in de tabellen 1 t/m 5) beschikken.
Tabel 1: Muizen:

Bij het in voorraad houden en tijdens de procedures Lichaamsgewicht (g) Minimale omvang leefruimte (cm2) Bodemoppervlak per dier (cm2) Minimale hoogte leefruimte (cm)
Tot en met 20 330 60 12
> 20 t/m 25 330 70 12
> 25 t/m 30 330 80 12
Meer dan 30 330 100 12
Tijdens het fokken   330 per monogaam paartje (al dan niet ingeteeld) of per trio (ingeteeld).
Voor elke extra wijfje met jongen is 180 cm2 extra vereist
  12
Voorraadpopulatie bij de fokker (*)
Omvang leefruimte 950 cm2
 
 
Minder dan 20
 
 
950
 
 
40
 
 
12
Omvang leefruimte  1 500 cm2 Mindeer dan 20 1 500 30 12
(*) Gespeende muizen mogen bij deze hogere bezettingsdichtheid worden gehouden gedurende de korte tijd tussen het spenen en de levering, mits de dieren in grotere, voldoende verrijkte leefruimten worden gehuisvest. Deze huisvestingsomstandigheden mogen niet de oorzaak zijn van welzijnstekorten zoals: verhoogde agressie, ziektefrequentie of sterfte, stereotiep of ander afwijkend gedrag, gewichtsverlies of andere fysiologische of gedragsmatige stressreacties.
Tabel 2: Ratten
Bij het in voorraad en tijdens de procedures (*) Lichaamsgewicht (g) Minimale omvang leefruimte (cm2) Bodemoppervlak per dier (cm2) Minimale hoogte leefruimte (cm)
Tot en met 200 800 200 18
. 200 t/m 300 800 250 18
.300 t/m 400 800 350 18
. 400 t/m 600 800 450 18
Meer dan 600 1 500 600 18
Tijdens het fokken   800
Per moederdier met jongen. Voor elk extra volwassen dier dat permanent in de leefruimte aanwezig is, is 400 cm2 extra vereist
  18
Voorraadpopulatie bij de fokker (**)
Omvang leefruimte 1 500 cm2
 
 
Tot en met 50
 
 
1 500
 
 
100
 
 
18
> 50 t/m 100 1 500 125 18
> 100 t/m 150 1 500 150 18
> 150 t/m 200 1 500 175 18
Omvang leefruimte 2 500 cm2 Tot en met 100 2 500 100 18
> 100 t/m 150 2 500 125 18
> 150 t/m 200 2 500 150 18
(*) Aangezien de bezettingsdichtheid naar het einde va dergelijke studies toe soms moeilijk te voorspellen valt, kunnen zich gevallen voordoen waarin de beschikbare ruimte per individu uiteindelijk geringer is dan de hierboven vermelde waarde. In die omstandigheden dient voorrang te worden verleend aan het behoud van stabiele sociale structuren.
(**) Gespeende ratten mogen bij deze bezettingsdichtheid worden gehouden gedurende de korte tijd tussen het spenen en de levering, mits de dieren in grotere, voldoende verrijkte leefruimten worden gehuisvest. Deze huisvestingsomstandigheden mogen niet de oorzaak zijn van welzijnstekorten zoals: verhoogde agressie, ziektefrequentie of sterfte, stereotiep of ander afwijkend gedrag, gewichtsverlies of andere fysiologische of gedragsmatige stressreacties.
Tabel 3: Gerbils
  Lichaamsgewicht (g) Minimale omvang leefruimte (cm2) Bodemoppervlak per dier (cm2) Minimale hoogte leefruimte (cm)
Bij het in voorraad houden en tijden de procedures Tot en met 40
Meer dan 40
1 200
1 200
150
250
18
18
Tijdens het fokken   1 200 per monogaam paartje of trio met nakomelingen   18
Tabel 4: Hamsters
  Lichaamsgewicht (g) Minimale omvang leefruimte (cm2) Bodemoppervlak per dier (cm2) Minimale hoogte leefruimte (cm)
Bij het in voorraad houden en tijden de procedures Tot en met 60
60 t/m 100
Meer dan 100
800
800
800
150
200
250
14
14
14
 
Tijdens het fokken   800 per moederdier of monogaam paartje met jongen   14
Voorraadpopulatie bij de fokker (*) Minder dan 60 1 500 100 14
(*) Gespeende hamsters mogen bij deze bezettingsdichtheid worden gehouden gedurende de  korte tijd tussen het spenen en de levering, mits de dieren in grotere, voldoende verrijkte leefruimten worden gehuisvest. Deze huisvestingsomstandigheden mogen niet de oorzaak zijn van welzijnstekorten zoals: verhoogde agressie, ziektefrequentie of sterfte, stereotiep of ander afwijkend gedrag, gewichtsverlies of andere fysiologische of gedragsmatige stressreacties.
Tabel 5: Cavia’s
Bij het in voorraad houden en tijdens de procedures Lichaamsgewicht (g) Minimale omvang leefruimte (cm2) Bodemoppervlak per dier (cm2) Minimale hoogte leefruimte (cm)
Tot en met 200
200 t/m 300
300 t/m 450
450 t/m 700
Meer dan 700
1 800
1 800
 1 800
2 500
2 500
200
350
500
700
900
23
23
23
23
23
Tijdens het fokken   2 500 per paartje met jongen. Voor elk extra wijfje in de voortplantingsfase is 1 000 cm2 extra vereist   23
 
III SOORTSPECIFIEKE NORMEN VOOR KONIJNEN (Oryctolagus cuniculus)
Indien tijdens landbouwkundig onderzoek het doel van het project vereist dat de dieren worden gehouden onder soortgelijke omstandigheden als dieren in de commerciële landbouw, dient het houden van de dieren minstens te voldoen aan de in dat kader geldende normen.
De leefruimte dient een verhoogde plek te omvatten waarop het dier kan gaan zitten en liggen en waar het makkelijk onder kan kruipen; deze structuur dient echter niet meer dan 40 % van het bodemoppervlak in beslag te nemen. Indien er deugdelijke wetenschappelijke of diergeneeskundige argumenten pleiten tegen het gebruik van een dergelijke verhoogde zitplek, dient de leefruimte 33 % groter te zijn voor een konijn alleen en 60 % groter voor twee konijnen. Indien een verhoogde plek bestemd is voor konijnen die minder dan 10 weken oud zijn, moeten de afmetingen van de verhoogde plek ten minste 55 cm x 25 cm bedragen en moet de hoogte boven de bodem zodanig zijn dat de dieren er gebruik van kunnen maken.
Tabel 6: Meer dan 10 weken oude konijnen
Uiteindelijk lichaamsgewicht (kg) Minimaal bodemoppervlak voor één of twee compatibele dieren (cm2) Minimale hoogte (cm)
Minder dan 3
Van 3 t/m 5
Meer dan 5
3 500
4 200
5 400
45
45
60
De waarden in tabel 6 gelden voor kooien aks voor hokken. Het vereiste extra bodemoppervlak per dier bedraagt 3 000 cm2 voor het derde, voerde, vijfde en zesde konijn, en vervolgens 2 500 cm2 voor elk extra konijn na het zesde.
Tabel 7: Moerkonijn met jongen
Gewicht moeder (kg) Minimale omvang leefruimte (cm2) Extra ruimte voor nestbox (cm2) Minimale hoogte (cm)
Minder dan 3
Van  t/m 5
Meer dan 5
3 500
4 200
5 400
1 000
1 200
 1 400
 
45
45
60
Tabel 8: Minder dan 10 weken oude konijnen
Leeftijd Minimale omvang leefruimte (cm2) Minimum bodemoppervlak per dier (cm2) Minimale hoogte (cm)
Van het spenen tot 7 weken
Van 8 tot 10 weken
4 000
4 000
800
1 200
40
40
Tabel 9: Konijnen: optimale afmetingen van de verhoogde plek in leefruimten met de in tabel 6 aangegeven afmetingen
Leeftijd in weken Uiteindelijk lichaamsgewicht (kg) Optimale afmetingen (cm x cm) Optimale hoogte vanaf de bodem van de leefruimte (cm)
Meer dan 10 Minder dan 3
Van 3 t/m 5
Meer dan 5
55 x 25
55 x 30
60 x 35
25
25
30

IV SOORTSPECIFIEKE NORMEN VOOR KATTEN (Felis catus)
Katten mogen niet langer dan vierentwintig uur aan een stuk alleen worden gehuisvest. Katten die herhaaldelijk agressief gerag vertonen ten aanzien van andere katten worden uitsluitend alleen gehuisvest indien geen compatibele gezel kan worden gevonden. Sociale stress bij paars- of groepsgewijs gehuisveste dieren dient minstens wekelijks te worden gecontroleerd. Katten met jongen van minder dan vier weken of katten in de laatste twee weken van hun dracht, mogen alleen worden gehuisvest.
De minimumruimte voor het houden van een moederkat en haar pasgeboren jongen is dezelfde ruimte die nodig is voor één volwassen kat; de toegemeten ruimte dient geleidelijk te worden veergroot zodat wanneer de jongen vier maanden oud zijn, zij in overeenstemming met bovenvermelde eisen inzake de minimumruimte voor volwassen katten ijn gehuisvest.
De voederplaatsen en de plaatsen voor de kattenbakken dienen ten minste 0,5 m van elkaar verwijderd te zijn en mogen niet worden omgewisseld.
Tabel 10: Katten
  Bodemoppervlak (*) (m2) Ligplanken (m2) Hoogte (m)
Minimum voor één volwassen dier 1,5 0,5 2
Extra ruimte per extra dier 0,75 0,25  
(*) Bodemoppervlak, de ligplanken niet inbegrepen.
 
V SOORTSPECIFIEKE NORMEN VOOR HONDEN (Canis familiaris)
Honden worden waar mogelijk gehuisvest in rennen in de buitenlucht. Honden mogen niet langer dan vier uur aan een stuk alleen worden gehuisvest.
De binnenleefruimte moet ten minste 50 % uitmaken van de minimale ruimte waarover honden dienen te kunnen beschikken, als omschreven in tabel 11.
De hieronder vermelde waarden voor de beschikbaar te stellen ruimte zijn afgestemd op de behoeften van Beagles, maar reuzenrassen zoals Sint-bernardshonden of Ierse wolfshonden moeten aanzienlijk meer ruimte krijgen dan de in tabel 11 vermelde waarden. Voor andere rassen dan de laboratoriumBeagle moet de beschikbaar te stellen ruimte worden vastgesteld in overleg met de deskundige als bedoeld in artikel 31 § 1, 4° van het besluit.
Tabel 11: Honden
Gewicht Minimale leefruimte (m2) Minimaal bodemoppervlak voor één of twee dieren (m2) Minimale extra ruimte vereist per extra dier (m2) Minimum hoogte (m)
Tot en met 20
Meer dan 20
4
8
4
8
2
4
2
2
De bewegingsvrijheid van honden die paars- of groepsgewijs worden gehuisvest, mag worden beperkt tot de helft van de totale ter beschikking gestelde ruimte (2m2 voor een hond tot 20 kg, 4m2 voor een hond van meer dan 20 kg) gedurende de periode dat zijn procedures ondergaan indien deze onderverdeling van de leefruimte onontbeerlijk is om wetenschappelijke redenen. Deze beperking mag niet langer duren dan vier uren aan een stuk. Een zogende teef met haar worp dient over evenveel ruimte te beschikken als een teef met een vergelijkbaar lichaamsgewicht alleen. De kraambox dient zo te zijn ontworpen dat de teef zich in een extra compartiment of op een verhoogde plek kan terugtrekken buiten het bereik van de pups.
Tabel 12: Honden: gespeende jonge honden
Gewicht hond (kg) Minimale omvang leefruimte (m2) Minimaal bodemoppervlak per dier (m2) Minimumhoogte (m)
Tot en met 5 4 0,5 2
> 5 t/m 10 4 1,0 2
> 10 t/m 15 4 1,5 2
> 15 t/m 20 4 2 2
Meer dan 20 8 4 2

VI SOORTSPECIFIEKE NORMEN VOOR FRETTEN (Mustela putorius furo)
Tabel 13: Fretten
  Minimale omvang leefruimte (cm2) Minimaal bodemoppervlak per dier (cm2) Minimumhoogte (cm)
Dieren tot en met 600 g
Dieren van meer dan 600 g
Volwassen mannetjes
Moer met jongen
4 500
 
4 500
 
6 000
5 400
1 500
 
3 000
 
6 000
5 400
50
 
50
 
50
50

VII SOORTSPECIFIEKE NORMEN VOOR NIET-MENSELIJKE PRIMATEN
Jonge , niet-menselijke primaten mogen, afhankelijk van de soort, niet gescheiden worden van hun moeder voordat zij zes tot twaalf maanden oud zijn.
De leefomgeving van niet-menselijke primaten is zodanig dat zij dagelijks een complex activiteitenprogramma kunnen uitvoeren. De leefruimte van niet-menselijke primaten moet hen in staat stellen tot zo veel gedragsmogelijkheden als mogelijk, dient hun een gevoel van zekerheid te verschaffen en moet een aangepaste complexe omgeving bieden waarin het dier kan rennen, lopen, klimmen en springen.
Tabel 14: Penseelaapjes en tamarins
  Minimaal bodemoppervlak voor leefruimten met 1 (*) of 2 dieren en hun jongen van ten hoogste 5 maanden oud (m2) Minimumvolume per extra dier van meer dan vijf maanden oud (m2) Minimumhoogte leefruimte (m) (**)
Penseelaapjes 0,5 0,2 1,5
Tamarins 1,5 0,2 1,5
(*) De dieren dienen slechts in uitzonderlijke omstandigheden afzonderlijk te worden gehouden.
(**) De top van de leefruimte dient zich ten minste 1,8 m boven de bodem te bevinden.
Penseelaapjes en tamarins mogen niet van hun moeder worden gescheiden voordat ze acht maanden oud zijn.
Tabel 15: Doodshoofdaapjes
Minimaal bodemoppervlak voor 1 (*) of 2 dieren (m2) Minimumvolume per extra dier van meer dan 6 maanden oud (m3) Minimumhoogte leefruimte (m)
2,0 0,5 1,8
(*) De dieren dienen slechts in uitzonderlijke omstandigheden afzonderlijk te worden gehouden.
Schedelaapjes mogen niet van hun moeder worden gescheiden voordat ze zes maanden oud zijn.
Tabel 16: Makaken en meerkatten (*)
  Minimale omvang leefruimte (m2) Minimaal volume leefruimte (m3) Minimaal volume per dier (m3) Minimumhoogte leefruimte (m)
Dieren van minder dan 3 jaar oud (**) 2,0 3,6 1,0 1,8
Dieren vanaf de leeftijd van 3 jaar (***) 2,0 3,6 1,8 1,8
Dieren gehouden voor de fok (****)     3,5 2,0
(*) De dieren dienen slechts in uitzonderlijke omstandigheden afzonderlijk te worden gehouden
(**) Een leefruimte met de minimumafmetingen mag ten hoogste drie dieren bevatten
(***) Een leefruimte met de minimumafmetingen mag ten hoogst twee dieren bevatten
(****) In fokkolonies is geen extra volume/leefruimte nodig voor jonge dieren tot de leeftijd van twee jaar die bij hun moeder zijn gehuisvest.
Makaken en meerkatten mogen niet van hun moeder worden gescheiden voordat ze acht maanden oud zijn.
Tabel 17: Bavianen (*)
  Minimale omvang leefruimte (m2) Minimaal volume leefruimte (m3) Minimaal volume per dier (m3) Minimumhoogte leefruimte (m)
Dieren van minder dan 4 jaar oud (**) 4,0 7,2 3,0 1,8
Dieren vanaf de leeftijd van 4 jaar (**) 7,0 12,6 6,0 1,8
Dieren gehouden voor de kweek (***)     12,0 2,0
(*) De dieren dienen slechts in uitzonderlijke omstandigheden afzonderlijk te worden gehouden
(**) Een leefruimte met de minimumafmetingen mag ten hoogst 2 dieren bevatten
(***) In fokkolonies is geen extra volume/leefruimte nodig voor jonge dieren tot de leeftijd van 2 jaar die bij hun moeder zijn gehuisvest
Bavianen mogen niet van hun moeder worden gescheiden voordat ze acht maanden oud zijn.
 
VIII SOORTSPECIFIEKE NORMEN VOOR LANDBOUWHUISDIEREN EN MINIVARKENS
Indien tijdens landbouwkundig onderzoek het doel van het project vereist dat de dieren worden gehouden onder soortgelijke omstandigheden als dieren in de commerciële landbouw, dient het houden van de dieren minstens te voldoen aan de in dat kader geldende normen.
Lichaamsgewicht (kg) Minimale omvang leefruimte (m2) Minimaal bodemoppervlak per dier (m2/dier) Ruimte bij de trog bij ad libitum voedering van onthoornde runderen (m/dier) Ruimte bij de trog bij gerantsoeneerde voedering van onthoornde runderen (m/dier)
Tot en met 100 2,50 2,30 0,10 0,30
> 100 t/m 200 4,25 3,40 0,15 0,50
> 200 t/m 400 6,00 4,80 0,18 0,60
> 400 t/m 600 9,00 7,50 0,21 0,70
> 600 t/m 800 11,00 8,75 0,24 0,80
Meer dan 800 16,00 10,00 0,30 1,00
 
Tabel 19: Schapen en geiten
Lichaamsgewicht (kg) Minimale omvangleefruimte (m2) Minimaal bodemoppervlak per dier (m2/dier) Minimum hoogte tussen schotten (m) Ruimte bij de trog bij ad libitum voedering (m/dier) Ruimte bij de trog bij gerantsoeneerde voedering (m/dier)
Tot en met 20 1,0 0,7 1,0 0,10 0,25
> 20 t/m 35 1,5 1,0 1,2 0,10 0,30
> 35 t/m 60 2,0 1,5 1,2 0,12 0,40
Meer dan 60 3,0 1,8 1,5 0,12 0,50
 
Tabbel 20: Varkens en minivarkens
Levend gewicht (kg) Minimale omvang leefruimte (*) (m2) Minimaal bodemoppervlak per dier (m2/dier) Minimale ligruimte per dier (in het thermisch neutrale temperatuurbereik) (m2/dier)
Tot en met 5 2,0 0,20 0,10
> 5 t/m 10 2,0 0,25 0,11
> 10 t/m 20 2,0 0,35 0,18
> 20 t/m 30 2,0 0,50 0,24
> 30 t/m 50 2,0 0,70 0,33
> 50 t/m 70 3,0 0,80 0,41
> 70 t/m 100 3,0 1,00 0,53
> 100 t/m 150 4,0 1,35 0,70
Meer dan 150 5,0 2,50 0,95
Volwassen beren (normale lichaamsgrootte) 7,5   1,30

 (*) Varkens mogen gedurende kortere perioden in kleinere leefruimten worden opgesloten, bijvoorbeeld door de grote leefruimte onder te verdelen door middel van tussenschotten, wanneer dit om veterinaire of experimentele redenen gerechtvaardigd is, bijvoorbeeld omdat de voedselopname op individueel niveau moeten worden gereguleerd.
 
Tabel 21: Paardachtigen

 
  Minimaal bodemoppervlak per dier (m2/dier)  
Schofthoogte (m) Per dier dat afzonderlijk of in een groep van 3 of minder dieren wordt gehouden Per dier dat in een groep van 4 of meer dieren wordt gehouden Kraambox (merrie met veulen) Minimum hoogte leefruimte (m)
Van 1,00 t/m 1,40 9,0 6,0 16 3,00
> 1,40 t/m 1,60 12,0 9,0 20 3,00
Meer dan 1,60 16,0 (2 x HG)2 (*) 20 3,00
(*) Om voldoende plaats te garanderen moet de beschikbaar te stellen ruimte per dier worden gebaseerd op de schofthoogte (SH).
IX SOORTSPECIFIEKE NORMEN VOOR VOGELS
Indien tijdens landbouwkundig onderzoek het doel van het project vereist dat de dieren worden gehouden onder soortgelijke omstandigheden als dieren in de commerciële landbouw, dient het houden van de dieren minstens te voldoen aan de in dat kader geldende normen.
 
Tabel 22: Huishoenders
Lichaamsgewicht (g) Minimale omvang leefruimte (m2) Minimaal oppervlak per vogel (m2) Minimumhoogte (cm) Minimale lengte voedertrog per vogel (cm)
Tot en met 200 1,00 0,025 30 3
> 200 t/m 300 1,00 0,03 30 3
> 300 t/m 600 1,00 0,05 40 7
> 600 t/m 1 200 2,00 0,09 50 15
> 1 200 t/m 1 800 2,00 0,11 75 15
> 1 800 t/m 2 400 2,00 0,13 75 15
Meer dan 2 400 2,00 0,21 75 15
Wanneer het om wetenschappelijke redenen iet mogelijk is de bovenvermelde minimumwaarden na te leven, dient de duur van de opsluiting in een kleinere leefruimte door de experimentator te orden gemotiveerd en te worden vastgesteld in overleg met de proefdiertechnicus en de deskundige als bedoeld in artikel 31 § 1, 4° van het besluit. In dergelijke omstandigheden mogen de vogels worden gehuisvest in kleinere leefruimten met een minimaal bodemoppervlak van 0,75 m2 waarin het milieu op passende wijze is verrijkt.
 
Tabel 23: Tamme kalkoenen
Lichaamsgewicht (kg) Minimale omvang leefruimte (m2) Minimaal oppervlak per vogel (m2) Minimale hoogte (cm) Minimale lengte voedertrog per vogel (cm)
Tot en met 0,3 2,00 0,13 50 3
> 0,3 t/m 0,6 2,00 0,17 50 7
> 0,6 t/m 1 2,00 0,30 100 15
> 1 t/m 4 2,00 0,35 100 15
> 4 t/m 8 2,00 0,40 100 15
> 8 t/m 12 2,00 0,50 150 20
> 12 t/m 16 2,00 0,55 150 20
> 16 t/m 20 2,00 0,60 150 20
Meer dan 20 3,00 1,00 150 20
 
Alle zijden van de leefruimten dienen ten minste 1,5 m lang te zijn. Wanneer het om wetenschappelijke redenen niet mogelijk is de bovenvermelde minimumwaarden na te leven, dient de duur van de opsluiting in een kleinere leefruimte door de experimentator te worden gemotiveerd en te worden vastgesteld in overleg met de proefdiertechnicus en de deskundige als bedoeld in artikel 31 § 1, 4° van het besluit. In dergelijke omstandigheden mogen de vogels worden gehuisvest in kleinere leefruimten met een minimaal bodemoppervlak van 0,75 m2 en een minimumhoogte van 50 cm (vogels van minder dan  0,6 kg), 75 cm (vogels van minder dan 4 kg) of 100 cm (vogels van meer dan 4 kg) waarin het milieu op passende wijze is verrijkt. In dergelijke leefruimten kunnen kleinere groepen vogels worden gehuisvest in overeenstemming met de bovenvermelde minimumwaarden voor de beschikbaar te stellen ruimte.
Tabel 24: Kwartels
Lichaamsgewicht (g) Minimale omvangleefruimte (m2) Oppervlak per vogel bij paarsgewijze huisvesting (m2) Oppervlak per extra vogel bij groepshuisvesting (m2) Minimale hoogte (cm) Minimale troglengte per vogel (cm)
Tot en met   0,5 0,10 20 4
Meer dan 150 1,00 0,6 0,15 30 4
 
Tabel 25: Eenden en ganzen
Lichaamsgewicht (g) Minimale omvangleefruimte (m2) Oppervlak per vogel (m2) (*) Minimumhoogte (cm) Minimum lengte voedertrog per vogel (cm)
Eenden  
Tot en met 300 2,00 0,10 50 10
> 300 t/m 1 200 (**) 2,00 0,20 200 10
> 1 200 t/m 3 500 2,00 0,25 200 15
Meer dan 3 500 2,00 0,50 200 15
Ganzen  
Tot en met 500 2,00 0,20 200 10
> 500 t/m 2 000 2,00 0,33 200 15
Meer dan 2 000 2,00 0,50 200 15
 (*) Inbegrepen is een poel met een diepte van ten minste 30 cm voor de eenden en 10 tot 30 cm voor de ganzen en een oppervlak van ten minste 0,5 m2 per 2 m2 leefruimte. De poel mag tot 50 % van de minimale oppervlakte van de leefruimte in beslag nemen.
(**) Nog niet vliegvlugge vogels mogen worden gehouden in leefruimten met een minimumhoogte van 75 cm.
 
Wanneer het om wetenschappelijke redenen niet mogelijk is de bovenvermelde minimumwaarden na te leven, dient de duur van de opsluiting in een kleinere leefruimte door de experimentator te worden gemotiveerd en te worden vastgesteld in overleg met de proefdiertechnicus en de deskundige als bedoeld in artikel 31 § 1, 4° van het besluit. In dergelijke omstandigheden mogen de vogels worden gehuisvest in kleinere leefruimten met een minimaal bodemoppervlak van 0,75 m2 waarin het milieu op passende wijze is verrijkt. In dergelijke leefruimten kunnen kleinere groepen vogels worden gehuisvest in overeenstemming met de in tabel 25 vermelde minimumwaarden voor de beschikbaar te stellen ruimte.

Tabel 25/1: Eenden en ganzen: minimale afmetingen poel (*)
 
   Oppervlak(m²) Diepte(cm)
eenden 0,5 30
ganzen 0,5 10 tot en met 30
(*) De afmetingen van de poel zijn per 2 m² leefruimte. De poel mag tot 50 % van de minimale oppervlakte van de leefruimte in beslag nemen.

Tabel 26: Duiven
Groepsgrootte Minimale omvangleefruimte (m2) Minimum hoogte (cm) Minimumlengte voedertrog per vogel (cm) Minimumlengte ruststok per vogel (cm)
Tot en met 6 2 200 50 30
Van 7 tot en met 12 3 200 5 30
Voor elke extra vogel na de 12e 0,15   5 30
Lange en smalle leefruimten (bijv. 2 m bij  1 m) verdienen de voorkeur boven vierkant omdat de vogels dan korte eindjes kunnen vliegen.
Tabel 27: Zebravinken
Groepsgrootte Minimale omvangleefruimte (m2) Minimumhoogte (cm) Minimaal aantal voedertoestellen
Tot en met 6 1,0 100 2
Van 7 tot en met 12 1,5 200 2
Van 13 tot en met 20 2,0 200 3
Voor elke extra vogel na de 20e 0,05   1 per 6 vogels
De leefruimten dienen lang en smal te zijn (bv. 2 m bij 1 m) zodat de vogels een eindje kunnen vliegen. Ten behoeve van voortplantingsstudies kunnen paartjes worden gehuisvest in kleinere leefruimten waarin het milieu op een passende manier is verrijkt en waarvan de afmetingen ten minste 0,5 m2 voor het vloeroppervlak en 40 cm voor de hoogte bedragen. De duur van de opsluiting in een kleinere ruimte dient door de experimentator te worden gemotiveerd in overleg met de proefdiertechnicus en de deskundige als bedoeld in artikel 31 § 1, 4° van het besluit.
 
X SOORTSPECIFIEKE NORMEN VOOR AMFIBIEËN
Tabel 28: Aquatische Urodela
Lichaamslengte (*) (cm) Minimaal wateroppervlak (cm2) Minimaal extra wateroppervlak per extra dier in het geval van groepshuisvesting (cm2) Minimale waterdiepte (cm)
Tot en met 10 26,5 50 13
> 10 t/m 15 525 110 13
> 15 t/m 20 875 200 15
> 20 t/m 30 1 837,5 440 15
Meer dan 30 3 150 800 20
(*) Gemeten van snuitpunt tot cloaca.
Tabel 29: Aquatische Anura (*)
Lichaamslengte (**) (cm) Minimaal wateroppervlak (cm2) Minimaal extra wateroppervlak per extra dier in het geval van groepshuisvesting (cm2) Minimale waterdiepte (cm)
Minder dan 6 160 40 6
Van 6 t/m 9 300 75 8
> 9 t/m 12 600 150 10
Meer dan 12 920 230 12,5
(*) Deze aanbevelingen zijn van toepassing op de watertanks die gebruikt orden voor de houderij, maar niet op de tanks die ten behoeve van de efficiëntie worden gebruikt voor natuurlijke bevruchting en superovulatie, aangezien voor laatstgenoemde procedures kleinere, individuele tanks nodig zij. De in de tabel genoemde cijfers betreffende de beschikbaar te stellen ruimte gelden voor volwassen exemplaren van de aangegeven grootteklassen; ofwel dienen juvenielen en dikkopjes te worden verwijderd, ofwel dienen de afmetingen van de leefruimte navenant te worden opgeschaald.
(**) Gemeten van snuitpunt tot cloaca.
Tabel 30: Hoofdzakelijk aquatische Anura
Lichaamslengte (*) (cm) Minimale omvangleefruimte (**) (cm2) Minimaal extra oppervlak per extra dier in het geval van groepshuisvesting (cm2) Minimale hoogte leefruimte (***) (cm) Minimale diepte water (cm)
Tot en met 5,0 1 500 200 20 10
> 5,0 t/m 7,5 3 500 500 30 10
Meer dan 7,5 4 000 700 30 15
(*) Gemeten van snuitpunt tot cloaca.
(**) Bestaande uit een landgedeelte (een derde van de oppervlakte) en een watergedeelte (twee derde van oppervlakte) waarin de dieren volledig moeten kunnen onderduiken.
(***) Gemeten vanaf het oppervlak van het landgedeelte tot aan de binnenkant van het terrariumdeksel; de hoogte van de leefruimte dient voorts te zijn afgestemd op de binneninrichting.
Tabel 31: Hoofdzakelijk terrestrische Anura
Lichaamslengte (*) (cm) Minimale omvangleefruimte (**) (cm2) Minimaal extra oppervlak per extra dier in het geval van groepshuisvesting Minimale hoogte leefruimte (***) (cm) Minimale diepte water (cm)
Tot en met 5,0 1 500 200 20 10
> 5,0 t/m 7,5 3 500 500 30 10
Meer dan 7,5 4 000 700 30 15
(*) Gemeten van snuitpunt tot cloaca
(**) Bestaande uit een landgedeelte (twee derde van de oppervlakte) en een watergedeelte (een derde van de oppervlakte) waarin de dieren volledig moeten kunnen onderduiken
(***) Gemeten vanaf het oppervlak van het landgedeelte tot aan de binnenkant van het terrariumdeksel; de hoogte van de leefruimten dient voorts te zijn afgestemd op de binneninrichting.
Tabel 32: Boombewonende Anura
Lichaamslengte (*) (cm) Minimale omvangleefruimte (**) (cm2) Minimaal extra oppervlak per extra dier in het geval van groepshuisvesting (cm2) Minimale hoogte leefruimte (***) (cm)
Tot 3,0 900 100 30
Meer dan 3,0 1 500 200 30
(*) Gemeten van snuitpunt tot cloaca
(**) Bestaande uit een landgedeelte (twee derde van de oppervlakte) en een watergedeelte (een derde van de oppervlakte) waarin de dieren volledig moeten kunnen onderduiken
(***) Gemeten vanaf het oppervlak van het landgedeelte tot aan de binnenkant van het terrariumdeksel; de hoogte van de leefruimten dient voorts te zijn afgestemd op de binneninrichting.
XI SOORTSPECIFIEKE NORMEN VOOR REPTIELEN
Tabel 33: Waterschildpadden
Lichaamslengte (*) (cm) Minimaal wateroppervlak (cm2) Minimaal extra wateroppervlak per extra dier in het geval van groepshuisvesting (cm2) Minimale waterdiepte (cm)
Tot en met 5 600 100 10
> 5 t/m 10 1 600 300 15
> 10 t/m 15 3 500 600 20
> 15 t/m 520 6 000 1 200 30
> 20 t/m 30 10 000 2 000 35
Meer dan 30 20 000 5 000 40
(*) in rechte lijn gemeten van de voorrand tot de achterstand van het pantser.
Tabel 34: Terrestrische slangen
Lichaamslengte (*) (cm) Minimaal wateroppervlak (cm2) Minimaal extra wateroppervlak per extra dier in het geval van groepshuisvesting (cm2) Minimale hoogte leefruimte (**) (cm)
Tot en met 30 300 150 10
> 30 t/m 40 400 200 12
> 40 t/m 50 600 300 15
> 50 t/m 75 1 200 600 20
Meer dan 75 2 500 1 200 28
(*) Gemeten van snuit tot staartpunt
(**) Gemeten vanaf het oppervlak van het landgedeelte tot aan de binnenkant van het terrariumdeksel; de hoogte van de leefruimten dient voorts te zijn afgestemd op de binneninrichting.

XII  SOORTSPECIFIEKE NORMEN VOOR VISSEN
Watertoevoer en waterkwaliteit
Te allen tijde dient er te worden voorzien in een watertoevoer van geschikte kwaliteit. Het waterdebiet in watertanks met recirculatie- of filtersystemen moet voldoende zijn, zodat de waterkwaliteitsparameters binnen aanvaardbare perken blijven. De watertoevoer wordt gefilterd of behandeld zodat, waar nodig, voor vissen schadelijke stoffen worden verwijderd. De waterkwaliteitsparameters dienen te allen tijde binnen een aanvaardbaar bereik te zijn, zodat zij voor een bepaalde soort en ontwikkelingsfase een normale activiteit en fysiologische toestand mogelijk maken. Het waterdebiet dient zodanig te zijn dat de vissen op een correcte wijze kunnen zwemmen en zich normaal kunnen gedragen. De vissen dient een passende acclimatisatieperiode te worden gegund, en voldoende tijd om zich aan te passen aan wijzigingen in de waterkwaliteit.

Zuurstof, stikstofverbindingen, Ph en zoutgehalte
De zuurstofconcentratie moet aangepast zijn aan de soort en de omgeving waarin de vissen worden gehouden. Indien nodig dient het water van de tank extra te worden belucht. De concentratie van stikstofverbindingen dient laag te worden gehouden.
De Ph-waarde dient aangepast te zijn aan de soort, en dient zo stabiel mogelijk te worden gehouden. Het zoutgehalte dient aangepast te zijn aan de behoeften van de vissoort en de levensfase van de vis. Veranderingen van het zoutgehalte moeten geleidelijk worden doorgevoerd.
 
Temperatuur, verlichting, geluid
De temperatuur moet zich binnen het optimale bereikt van de betrokken vissoort bevinden, en moet zo stabiel mogelijk worden gehouden. Temperatuurveranderingen moeten geleidelijk worden doorgevoerd. Vissen moeten worden gehouden op een aangepaste fotoperiodiciteit. De geluidsniveaus worden tot een minimum beperkt, en zo mogelijk wordt apparatuur die geluid of trillingen voortbrengt, zoals stroomgeneratoren of filtersystemen, gescheiden van de aquariums.
 
Bezettingsdichtheid en omgevingscomplexiteit
De bezettingsdichtheid moet bij vissen gebaseerd zijn op de totale behoeften van de vissen met betrekking tot omgevingsomstandigheden, gezondheid en welzijn. Vissen moeten over een voldoende hoeveelheid water beschikken om normaal te kunnen zwemmen, rekening houdend met de afmetingen, leeftijd, gezondheid en voedermethode van de vis. Vissen moeten beschikken over een geschikte milieuverrijking, zoals schuilplaatsen of bodemsubstraat, tenzij uit de gedragskenmerken blijkt dat dit niet nodig is.
 
Voederen en omgang
Vissen moeten op de juiste wijze gevoed worden, in de juist mate en met de juiste frequentie. Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het voederen van larvale vis in de overgang van levend voer naar kunstmatig voedsel. De omgang met vissen dient tot een minimum te worden beperkt.





 

BIJLAGE 5 (... - ...)

BIJLAGE 5 (10/07/2013- ...)

Indeling  naar ernst van de dierproeven
 
De ernst van een dierproef wordt bepaald aan de hand van mate van, pijn, lijden, angst of blijvende schade die een individueel dier tijdens de procedure naar verwachting zal ondervinden.

Deel I: Categorieën ernst
Tenninaal:
Dierproeven die worden uitgevoerd onder algemene verdoving en aan het eind waarvan het dier niet meer  bij bewustzijn  komt, worden  ingedeeld als terminaal.
Licht:
Dierproeven waarbij de dieren waarschijnlijk gedurende korte tijd een lichte vorm van pijn, lijden of angst zullen ondervinden , en dierproef die geen significante hinder voor het welzijn of de algemene toestand  van de dieren opleveren, worden ingedeeld als  licht.
Matig:
Dierproeven waarbij de dieren waarscbijnlijk gedurende korte tijd een matige  vorm van pijn, lijden of angst, dan wel langdurig een lichte vorm  van  pijn  lijden of angst zullen ondervinden  en dierproeven die waarschijnlijk een matige hinder voor het welzijn of de algemene toestand van de dieren zullen opleveren, worden ingedeeld als matig.
Ernstig:
Dierproeven waarbij de dieren waarschijnlijk een ernstige vorm van pijn, lijden of angst dan wel  langdurig  een matige vorm van  pijn, lijden of angst zullen ondervinden en dierproeven  die waarschijnlijk ernstige  hinder voor het welzijn of de algemene toestand van de dieren zullen opleveren, worden  ingedeeld als  ernstig.

Deel ll: Indelingscriteria
Bij de indeling naar ernst in categorieën wordt rekening gehouden met elke ingreep of hantering ten aanzien van het dier tijdens een bepaalde dierproef. De categorie wordt bepaald op basis van de meest ernstige gevolgen die een individueel dier waarschijnlijk zal ondervinden  nadat alle passende  verfijningstechnieken zijn toegepast.

Bij de indeling van een dierproef in een bepaalde categorie wordt rekening gehouden  met het type procedure  en een aantal andere factoren.  Al deze factoren  worden  per geval beoordeeld.

De factoren die in verband staan met de dierproef zijn:
- het soort hantering en behandeling ·
- de aard van de pijn , het lijden , de angst of de blijvende schade die door (alle elementen van) de dierproef wordt veroorzaakt alsmede de intens i te it, de duur , de frequentie en het veelvoud van gebruikte technieken;
- het binnen één dierproef gecumuleerde lijden;
- het voorkómen van het uiten van natuurlijk gedrag, onder meer beperking van de nonnen inzake huisvesting, houderij en verzorging.

In deel III staan voorbeelden van die,proe en die voor elke categorie ernst zijn aangewezen op basis van factoren die in verband staan met het soort van dierproef alleen. Ze zijn de eerste aanwijzing over welke indeling voor een  bepaalde dierproef de beste zou zijn.

Voor de definitieve indeling van de dierproef naar ernst worden onderstaande bijkomende factoren, per geval beoordeeld, eveneens in beschouwing genomen .
- diersoort en genotype;
- maturiteit , leeftijd en geslacht van het dier;
- trainingservaring van het dier met de dierproef;
- als het dier opnieuw wordt gebruikt, de daadwerkelijke ernst van de voorgaande dierproeven;
- de methoden die zijn gebruikt om pijn, lijden en angst weg te nemen, waaronder de verfijning van
de omstandigheden waarin de dieren worden gehuisvest, gehouden en verzorgd;
- humane eindpunten.

DEEL III:
Voorbeelden van diverse soorten dierproeven die voor elke categorie ernst zijn aangewezen op basis van
factoren die in verband staan met het soort van dierproef
1. Licht
a) Toediening van verdoving, behalve uitsluitend voor het doden;
b) Farmacokinetische studie waarbij slechts één dosis wordt toegediend en een beperkt aantal bloedstalen worden genomen (in totaal < 10% van het circulerend bloedvolume) en waarbij
de stof naar verwachting geen waarneembaar ongunstig gevolg zal hebben;
c) Niet-invasieve beeldvorming bij dieren (bijv. MRI), met passende kalmering of verdoving;
d) Dierproeven aan de buitenkant van het lichaam, bijvoorbeeld oor- en staartpuncties, niet-chirurgische onderhuidse inplantingen van minipompen en transponders;
e) Het aanbrengen aan de buitenkant van het lichaam van telemetrietoestellen die slechts een lichte hinder voor het dier opleveren of de normale activiteiten en het normale gedrag slechts
in geringe mate verstoren;
f) Toediening van stoffen, onderhuids, intramusculair, intraperitoneaal, via sonde en intraveneus via aan de oppervlakte gelegen bloedvaten, waarbij de stof slechts een licht
effect heeft voor het dier, en de volumes, gelet op de grootte en de soort van het dier, binnen passende grenzen blijven;
g) Inductie van tumoren, of spontane tumoren, die geen waarneembare klinische schadelijke effecten veroorzaken (bijvoorbeeld kleine, onderhuidse, niet-invasieve knobbeltjes);
h) Het fokken van genetisch gemodificeerde dieren, dat naar verwachting zal resulteren in een fenotype met lichte gevolgen;
i) Voederen volgens gemodificeerde regimes die niet in overeenstemming zijn met alle voedingsbehoeften van het dier en die naar verwachting binnen het tijdsbestek van de studie
een lichte klinische abnormaliteit zullen veroorzaken;
j) Kort verblijf ( < 24 uur) in metabole kooi;
k) Studies waarbij de dieren gedurende korte tijd sociale partners ontberen, het kortstondig solitair opsluiten in kooien van volwassen ratten of muizen van sociale rassen;
l) Modellen waarbij dieren worden blootgesteld aan schadelijke prikkels die kortstondig gepaard gaan met lichte pijn, lijden of angst, en die het dier met goed gevolg kan vermijden.
m) Een combinatie of opeenstapeling van de volgende voorbeelden kan tot indeling als matig leiden:
i) Evaluatie van de samenstelling van het lichaam bij niet-invasieve maatregelen en minimale beperking;
ii) Observatie via ECG met niet-invasieve technieken met minimale of geen beperkingen voor daaraan gewende dieren;
iii) Het aanbrengen aan de buitenkant van het lichaam van telemetrietoestellen die naar verwachting geen hinder zullen opleveren voor sociaal aangepaste dieren en de
normale activiteiten en het normale gedrag niet verstoren;
iv) Het fokken van genetisch gewijzigde dieren, dat naar verwachting niet in een klinisch opspoorbaar schadelijk fenotype zal resulteren;
v) Toevoeging van inerte merkers in de voeding om de spijsvertering te volgen;
vi) Het ontzeggen van voeding voor < 24 uur aan volwassen ratten;
vii) Tests in het open veld.
2. Matig
a) Frequente toediening van teststoffen met matige klinische effecten, en het afnemen van bloedstalen (> 10% van het circulerend bloedvolume) binnen een gering aantal dagen, bij
een dier bij bewustzijn, zonder dat de afgenomen hoeveelheid wordt vervangen;
b) Dosisbereikstudies naar de acute, chronische toxiciteit/carcinogeniteittest, met niet-terminale eindpunten;
c) Chirurgie onder algehele verdoving en passende pijnstilling, na de ingreep gepaard met pijn, lijden of hinder van de algemene toestand. Voorbeelden hiervan zijn: thoracotomie,
craniotomie, laparotomie, orchidectomie, lymphadenectomie, thyroidectomie, orthopedische chirurgie met doeltreffende stabilisering en wondenbeheer, orgaantransplantatie met effectief
afstotingsbeheer, chirurgisch inplanten van katheters of biomedische voorzieningen (bijvoorbeeld telemetriezenders, minipompjes, enz.);
d) Modellen voor de inductie van tumoren, of spontane tumoren, die naar verwachting matige pijn of angst zullen veroorzaken of het normale gedrag matig zullen verstoren;
e) Bestraling of chemotherapie met sublethale dosis, of met een anderszins lethale dosis, maar met herstel van het immuniteitssysteem. Te verwachten nadelige effecten zouden licht of
matig en van korte duur moeten zijn(< 5 dagen);
f) Het fokken van genetisch gemodificeerde dieren, dat naar verwachting zal resulteren in een fenotype met matige gevolgen;
g) Het tot stand brengen van genetisch gemodificeerde dieren middels chirurgische procedures;
h) Gebruik van metabole kooien met matige beperking van de bewegingsvrijheid gedurende een langere periode (tot en met 5 dagen);
i) Studies met gemodificeerde regimes die niet in overeenstemming zijn met de voedingsbehoeften van het dier en naar verwachting binnen het tijdsbestek van de studie een
matige klinische abnormaliteit zullen veroorzaken;
j) Het ontzeggen van voeding gedurende 48 uur aan volwassen ratten;
k) Ontkomings- en vermijdingsreacties uitlokken, waarbij het dier niet in staat is aan de prikkel te ontkomen of die te vermijden en waarbij naar verwachting matige angst wordt
veroorzaakt.
3. Ernstig
a) Toxiciteitstests met de dood als eindpunt, dan wel met naar verwachting sterfgevallen en de opwekking van ernstige pathopsychologische toestanden. Bijvoorbeeld eenmalige dosis voor
test op acute toxiciteit (zie richtsnoeren van de OESO voor tests);
b) Het testen van een hulpmiddel dat bij storing ernstige pijn, angst of de dood van het dier kan veroorzaken (bv. hulpmiddel voor ondersteuning hartslag);
c) Potentietests van vaccins waarbij de toestand van het dier permanent wordt gehinderd, een voortschrijdende ziekte die tot de dood lijdt, gepaard met een langdurige matige vorm van
pijn, angst of lijden;
d) Bestraling of chemotherapie met letale dosis, zonder herstel van het immuniteitssysteem, of met herstel en optreden van transplantaat-tegen-gastheer-ziekte;
e) Modellen voor de inductie van tumoren, of met spontane tumoren, waarbij naar verwachting een dodelijke voortschrijdende ziekte optreedt, gepaard met een langdurige matige vorm van
pijn, angst of lijden. Bijvoorbeeld: tumoren die cachexia veroorzaken, invasieve bottumoren, tumoren die tot metastase leiden en tumoren die men laat verzweren;




 

BIJLAGE 6 (... - ...)

BIJLAGE 6 (10/07/2013- ...)

Beoordeling criteria van projekten
1. Relevantie en rechtvaardiging van:
a) het gebruik van dieren, inclusief hun herkomst en geschat aantal en de betrokken soorten en levensstadia;
b) de drieproeven.
2. Toepassing van methoden voor vervanging, vermindering en verfijning van het gebruik van dieren in dierproeven.
3. Gepland gebruik van verdoving, pijnstilling en andere pijnverlichtingsmethoden.
4. Vermindering, vermijding en verlichting van alle vormen van dierlijk lijden van geboorte tot dood, waar passend.
5. Gebruik van humane eindpunten.
6. Experimentele of observatiestrategie en statistisch model gebruikt om, waar passend, het aantal dieren, hun pijn, lijden en angst en de milieueffecten, tot een minimum te beperken.
7. Hergebruik van dieren en het accumulatieve effect op het dier.
8. De voorgestelde indeling naar ernst van de dierproeven.
9. Vermijden van niet-gerechtvaardigde duplicatie van dierproeven, waar passend.
10. Omstandigheden waarin de dieren zullen worden gehuisvest, gehouden en verzorgd.
11. Methoden voor het doden.
12. Bekwaamheid van de bij het project betrokken personen.
 

BIJLAGE 7 (... - ...)

BIJLAGE 7 (10/07/2013- ...)

 
METHODEN VOOR HET DODEN VAN DIEREN
1. Voor het doden van dieren worden de methoden van onderstaande tabel gebruikt.
Er kunnen methoden worden gebruikt die niet in de tabel staan:
a) voor bewusteloze dieren, op voorwaarde dat het dier voor zijn dood niet weer bij bewustzijn komt;
b) dieren die in landbouwkundig onderzoek worden gebruikt, wanneer het doel van het project vereist dat de dieren worden gehouden onder soortgelijke omstandigheden als dieren in commerciële landbouw, kunnen worden gedood overeenkomstig de voorschriften in bijlage I van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden.
2. Het doden van de dieren wordt voltooid met één van onderstaande methoden:
a) bevestiging dat de circulatie definitief is gestopt;
b) vernietiging van de hersenen;
c) dislocatie van de nek;
d) leegbloeden; of
e) bevestiging dat rigor mortis is ingetreden.
3. Tabel
http://www.ejustice.just.fgov.be/mopdf/2013/07/10_1.pdf#page=101
Vereisten
1) waar passend met voorafgaande sedatie
2) alleen bij grote reptielen
3) alleen te gebruiken bij geleidelijke blootstelling aan het gas. Niet gebruiken voor foetale en pasgeboren knaagdieren
4) alleen voor vogels van minder dan 1 kg. Vogels van meer dan 250 g worden verdoofd
5) alleen voor knaagdieren van minder dan 1 kg. Knaagdieren van meer dan 150 g worden verdoofd
6) alleen voor konijnen van minder dan 1 kg. Konijnen van meer dan 150 g worden verdoofd
7) alleen voor vogels van minder dan 5 kg
8) alleen voor knaagdieren van minder dan 1 kg
9) alleen voor konijnen van minder dan 5 kg
10) alleen voor pasgeboren dieren
11) alleen voor vogels van minder dan 250 g
12) alleen indien andere methodes niet mogelijk zijn
13 vereist speciale apparatuur
14) alleen voor varkens
15) alleen te gebruiken door ervaren schutter in veldomstandigheden
16) alleen te gebruiken door ervaren schutte in veldomstandigheden wanneer andere methoden niet mogelijk zijn
 

BIJLAGE 8 (... - ...)

BIJLAGE 8 (10/07/2013- ...)

Minimale vereisten inzake opleiding voor personen die instaan voor de elementaire verzorging van de dieren
 
Onder instaan voor de elementaire verzorging van de dieren, dient te worden verstaan:
- het schoonmaken en ontsmetten van de lokalen, kooien en containers,
- het verstrekken van strooisel, water en voeder aan de dieren,
- het vervoer van de dieren,
- het manipuleren van de dieren bij het uitvoeren van deze taken.
 
De vorming van deze personen moet bestaan uit:
- Een theoretische opleiding van ten minste 4 uren waarin noties worden bijgebracht die tenminste de hierna vermelde thema’s omvatten:
1. Kennis van gebruik en onderhoud van steriliseer- en schoonmaakgerei;
2. Onderhoud, schoonmaak en ontsmetting van dienstruimten (hygiëne van waslokalen, gangen, …);
3. Behandeling van afval van proefdierenverblijven;
4. In ontvangstname, lossen en opslag van benodigdheden voor proefdierenverblijven;
5. Noties van de omgevingscondities van proefdieren en van de werking van toestellen voor het ontsmetten en steriliseren;
6. Huisvesting en verzorging van proefdieren tijdens de opfok en tijdens de proef;
7. Hanteren en immobiliseren van de vaakst gebruikte proefdiersoorten;
8. Controle op de gezondheidstoestand va proefdieren;
9. Hygiëne van de lokalen waar de dieren worden gehuisvest en de lokalen waar proeven worden gedaan; instaan voor de bevoorrading van vaak gebruikte beschermingsmiddelen (handschoenen, maskers, overkledij of kledij voor gebruik in het proefdierenverblijf …);
10. Registratie van omgevingsparameters van de dieren (temperatuur, relatieve vochtigheid, enz …), van de werkzaamheden i.v.m. de verzorging en de hygiëne van de uitrusting; het melden van vastgestelde afwijkingen;
11. Veiligheid van het personeel en van de dieren;
12. Noties van de in België geldende wetgeving betreffende de huisvesting en het gebruik van proefdieren.
- Een aangepaste praktijkopleiding onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van iemand die een relevante opleiding heeft genoten.
 

BIJLAGE 9 (... - ...)

BIJLAGE 9 (10/07/2013- ...)

Minimale vereisten inzake opleiding voor personen die instaan voor de bijzondere verzorging van de dieren
 
Onder bijzondere zorg voor de dieren, dient te worden verstaan:
- het routinematig verstrekken van de  nodige zorgen inzake dierenwelzijn aan alle proefdieren (inbegrepen de nodige post-operatieve zorgen),
- de gepaste voorbereiding (manipulatie, immobilisatie) van de dieren op de dierproeven;
- de controle op een optimale omgeving van de dieren,
- de bekwame bijstand bij de euthanasie van alle soorten proefdieren.
 
De personen die instaan voor de bijzondere verzorging van de dieren moeten een opleiding hebben gevolgd met toetsing van de kennis van tenminste 25 uren theorie waarbij naast de thema’s van bijlage 8 minstens de volgende thema’s aan bod komen:
1. Historiek van dierproeven;
2. Elementaire kennis van anatomie en fysiologie;
3. Noties van genetica en fokkerij;
4. Concepten inzake inrichting van proefdierenverblijven;
5. Huisvesting en hygiëne van proefdieren;
6. Beheer van afval van proefdierenverblijven;
7. Klinische observatie, noties van pathologie en dierenziekten;
8. Inleiding tot de proeftechnieken; elementaire noties inzake manipulatie, immobiliseren, seksen, toedienen van stoffen, verzamelen van monsters, methoden voor plaatselijke en volledige verdoving en verzorging vóór, tijdens en na operaties;
9. Optimale methoden voor euthanasie van proefdieren;
10. Principe van de 3 V’s: “Vervangen, Verminderen, Verfijnen”;
11. Verrijking van de huisvesting.
 
 

BIJLAGE 10 (... - ...)

BIJLAGE 10 (10/07/2013- ...)

Minimale vereisten inzake opleiding voor personen die actief meewerken aan op dieren uitgevoerde proeven
 
Personen die actief meewerken aan op dieren uitgevoerde proeven moeten een opleiding met toetsing van de kennis hebben gevolgd die ten minste 40 uren studie moet omvatten waarbij, naast de in bijlage 9 vermelde thema’s, minstens de hierna vermelde thema’s aan bod komen:
1. Noties van biologie, fysiologie en ethologie van de verschillende soorten proefdieren;
2. Soorten, rassen en stammen van proefdieren;
3. Technieken voor het vervoeren, manipuleren en immobiliseren van dieren;
4. Technieken, methodologie en procedures die in de verschillende fasen van de dierproeven moeten worden gevolgd;
5. Controle op de biologische parameters en op de validatie van de proeven;
6. Principes en methoden m.b.t. plaatselijke en volledige verdoving;
7. Basisprincipes van de heelkunde en de steriliteit bij heelkundige operaties;
8. Principes en methoden m.b.t. euthanasie;
9. Dierenwelzijn: studie van de behoeften en evaluatie van de graad van stress, pijn, angst en onbehagen bij proefdieren;
10. Controle op en verrijking van de omgeving;
11. Controle op en identificatie van de belangrijkste ziekten bij proefdieren;
12. Reglementering betreffende dierproeven: in België geldende wetgeving, ethische principes inzake het gebruik van dieren in proeven;
13. Ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven;
14. Controle op en beheersing van de risico’s: veiligheid van het personeel, zoönosen, allergieën, afvalbeheer.
 

BIJLAGE 11 (... - ...)

BIJLAGE 11 (10/07/2013- ...)

Minimale vereisten inzake opleiding voor proefdieren
 
Proefleiders moeten een opleiding met toetsing van de kennis hebben gevolgd die ten minste 80 uren studie omvat en waarbij minstens de hierna vermelde thema’s aan bod komen:
1. Inleiding en historiek van dierproeven;
2. Ethiek van dierproeven;
3. Alternatieven inzake gebruik van proefdieren – Principe van de  V’s: “vervanging, vermindering en verfijning”;
4. Nationale en Europese wetgeving betreffende dierproeven met daarbij de samenstelling van de ethische commissies, vervoer en manipulatie van dieren dierenwelzijn, goede praktijken inzake dierproeven, huisvesting en verrijking, eliminatie van kadavers …;
5. Biologie van de verschillende soorten proefdieren: taxonomie, anatomie, fysiologie (inbegrepen homeostase), ethologie en huisvesting, voeding;
6 Reproductie, reproductietechnieken (inbegrepen het clonen en transgenesis) en genetica toegepast op proefdieren (selectie, standaardisatie, stammen, gnotobiologie …);
7. Voornaamste pathologie bij proefdieren en de controlemethoden van hun gezondheidstoestand inbegrepen post-mortem onderzoek, microbiologie en immunologie;
8. Procedures en Goede Laboratoriumpraktijken (GLP):
- Demonstratie en opleiding (training);
- Niet chirurgische ingrepen (injecties, orale doseringen, collectie van bloed, urine of faeces);
- Farmacologie, farmacokinetiek en farmacodynamica;
- Anesthesie, analgesie, peri-operationele zorg met inbegrip van de evaluatie van stress en angst of onbehagen;
- Inleiding tot experimentele chirurgie en xenotransplantatie;
-  Euthanasie en eliminatie van kadavers.
9. Beheersen van gezondheidsrisico’s: hygiëne en veiligheid van het personeel voor wat betreft allergenen, zoönosen en andere pathogene agentia, kankerverwekkende en radioactieve producten, afvalbeheer en manipulatie van kadavers;
10. Protocol en opvolging van dierproeven:
- Opstellen van protocols rekening houdende met de bibliografie, de mogelijkheid van alternatieven, de keuze van diersoort en methode en de statistische en ethische evaluatie;
- Analyse van resultaten, met inbegrip van statistiek.
 


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 18/07/2024