Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van verschillende besluiten, wat betreft de invoering van infrastructuursubsidies voor woonzorgcentra en centra voor kortverblijf

Datum 17/03/2017

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1 Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers
  2. HOOFDSTUK 2 Wijziging van het ministerieel besluit van 12 augustus 2005 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang
  3. HOOFDSTUK 3 Slotbepalingen
  4. BIJLAGE

Inhoud

(... - ...)

DE VLAAMSE REGERING,

Gelet op de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen, artikel 2, § 4, eerste lid, gewijzigd bij de wetten van 23 december 1969 en 30 juli 1971;

Gelet op het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, artikel 60, tweede en derde lid, en artikel 63/1, tweede tot en met vierde lid, ingevoegd bij het decreet van 20 januari 2017;

Gelet op het decreet van 20 januari 2017 tot wijziging van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, wat de subsidiëring van de infrastructuur van de woonzorgcentra en de centra voor kortverblijf betreft, artikel 4;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers;

Gelet op het ministerieel besluit van 12 augustus 2005 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor begroting, gegeven op 19 oktober 2016;

Gelet op advies 60.868/3 van de Raad van State, gegeven op 17 februari 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1 Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers

Artikel 1. (18/04/2017- ...)

Aan artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 september 2012 en 12 oktober 2012, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Binnen de beschikbare begrotingskredieten kunnen aan erkende woonzorgcentra en centra voor kortverblijf, die aan de bepalingen van dit hoofdstuk voldoen, jaarlijkse subsidies worden toegekend voor de terbeschikkingstelling en het gebruik van infrastructuur, conform de bepalingen van bijlage XVII.".

Artikel 2. (18/04/2017- ...)

In artikel 12, 3°, van hetzelfde besluit wordt tussen de zinsnede "artikel 62, eerste lid," en het woord "van" de zinsnede "of artikel 63/1" ingevoegd.

Artikel 3. (18/04/2017- ...)

 In hoofdstuk IV van bijlage XI bij hetzelfde besluit wordt vóór artikel 16 het volgende opschrift ingevoegd:
"Afdeling I Werkingssubsidies".

Artikel 4. (18/04/2017- ...)

In hoofdstuk IV van bijlage XI bij hetzelfde besluit wordt in afdeling I, ingevoegd bij artikel 3, een artikel 15/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 15/1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten kan de administrateur-generaal aan erkende centra voor kortverblijf subsidies toekennen voor de organisatie en het aanbod van ouderenzorg.

Artikel 5. (18/04/2017- ...)

In artikel 16, eerste lid, van bijlage XI bij hetzelfde besluit wordt de zin "De subsidiëring van een centrum voor kortverblijf is het product van het aantal erkende woongelegenheden en een basissubsidie van 2.303,88 euro." vervangen door de zin "De subsidies voor de organisatie en het aanbod van ouderenzorg bedragen 2303,88 euro per erkende woongelegenheid.".

Artikel 6. (18/04/2017- ...)

Aan hoofdstuk IV van bijlage XI bij hetzelfde besluit wordt een afdeling II, die bestaat uit artikel 17/1, toegevoegd, die luidt als volgt:

Afdeling II Infrastructuursubsidies

Art. 17/1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten kunnen aan erkende centra voor kortverblijf subsidies worden toegekend voor de terbeschikkingstelling en het gebruik van infrastructuur, conform de bepalingen van bijlage XVII.".

Artikel 7. (18/04/2017- ...)

 Aan artikel 49 van bijlage XII bij hetzelfde besluit wordt de volgende zinsnede toegevoegd:
", alsook een subsidie voor de terbeschikkingstelling en het gebruik van infrastructuur, conform de bepalingen van bijlage XVII".

Artikel 8. (18/04/2017- ...)

Aan hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016, wordt een bijlage XVII toegevoegd, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 9. (01/01/2020- ...)

In bijlage XVII van hetzelfde besluit, toegevoegd bij artikel 8 van dit besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in artikel 1 wordt punt 3° opgeheven;
2° in artikel 2:
a) worden in het eerste lid de woorden "het VIPA" vervangen door de woorden "de administrateur-generaal";
b) wordt in het vijfde lid het woord "VIPA" vervangen door het woord "agentschap";
c) worden in het zesde lid de woorden "leidend ambtenaar van het VIPA" vervangen door het woord "administrateur-generaal" en wordt in dat lid het woord "VIPA" vervangen door het woord "agentschap";
d) worden in het zevende lid de woorden "leidend ambtenaar van het VIPA" telkens vervangen door het woord "administrateur-generaal" en wordt in dat lid het woord "VIPA" vervangen door "agentschap";
e) wordt in het achtste lid het woord "VIPA" vervangen door het woord "agentschap";
3° in artikel 5, § 2, wordt in het eerste lid het woord "VIPA" vervangen door het woord "agentschap";
4° artikel 7 wordt opgeheven;
5° een artikel 10 wordt toegevoegd, dat luidt als volgt:

HOOFDSTUK 2 Wijziging van het ministerieel besluit van 12 augustus 2005 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang

Artikel 10. (18/04/2017- ...)

Aan artikel 6 van het ministerieel besluit van 12 augustus 2005 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 januari 2015, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:

" § 4. In afwijking van paragraaf 1 wordt bij het agentschap een aanvraag ingediend voor:
1° elke prijsverhoging die wordt toegepast voor bewoners die overgebracht worden naar woongelegenheden in woonzorgcentra of centra voor kortverblijf of in gedeelten van die centra, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een verbouwing of een vervangingsnieuwbouw, en waarvoor infrastructuursubsidies als vermeld in bijlage XVII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers, zijn aangevraagd of zullen worden aangevraagd;
2° de bepaling van de prijs die wordt aangerekend aan nieuwe bewoners van woongelegenheden in woonzorgcentra of centra voor kortverblijf of in gedeelten van die centra, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een verbouwing of een vervangingsnieuwbouw, en waarvoor infrastructuursubsidies als vermeld in punt 1°, zijn aangevraagd of zullen worden aangevraagd;
3° de bepaling van de prijs die wordt aangerekend aan bewoners van woongelegenheden in nieuwe woonzorgcentra of centra voor kortverblijf of, na een uitbreiding, in nieuwe gedeelten van bestaande woonzorgcentra of centra voor kortverblijf, als voor die woongelegenheden infrastructuursubsidies als vermeld in punt 1°, zijn aangevraagd of zullen worden aangevraagd.

Artikel 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvragen, vermeld in het eerste lid.".

HOOFDSTUK 3 Slotbepalingen

Artikel 11. (18/04/2017- ...)

Het decreet van 20 januari 2017 tot wijziging van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, wat de subsidiëring van de infrastructuur van de woonzorgcentra en de centra voor kortverblijf betreft, treedt in werking op de dag van de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

Artikel 12. (18/04/2017- ...)

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van artikel 9 dat in werking treedt op 1 januari 2020.

Artikel 13. (18/04/2017- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE

BIJLAGE (18/04/2017- ...)

Bijlage XVII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers
Bijlage XVII. - Subsidiëring van de infrastructuur in woonzorgcentra en centra voor kortverblijf

Artikel 1. In deze bijlage wordt verstaan onder:
1° subsidiejaar: het kalenderjaar waarvoor de infrastructuursubsidies worden toegekend;
2° infrastructuursubsidies: subsidies als vermeld in artikel 2;
3° VIPA: het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, vermeld in het decreet van 2 juni 2006 tot omvorming van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden tot een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, en tot wijziging van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden.

Art. 2. Binnen de beschikbare begrotingskredieten kan het VIPA aan erkende woonzorgcentra en centra voor kortverblijf die daarvoor na een oproep een aanvraag hebben ingediend, subsidies toekennen voor de terbeschikkingstelling en het gebruik van infrastructuur.

De minister doet een oproep voor het indienen van de aanvragen voor:
1° de woongelegenheden in woonzorgcentra en centra voor kortverblijf die uiterlijk op 31 december 2014 een ontvankelijke aanvraag tot goedkeuring van het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project, vermeld in artikel 20 en 24/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, hebben ingediend en die nog geen goedkeuring van het masterplan en geen definitief principieel akkoord hebben gekregen;
2° voor de woongelegenheden in woonzorgcentra en centra voor kortverblijf die in 2016 en 2017 in gebruik werden of worden genomen, en die niet gevat worden door 1°.

De minister bepaalt de modaliteiten voor de oproep, vermeld in het tweede lid. De toekenning van de infrastructuursubsidies gebeurt voor de aanvragen, vermeld in het tweede lid, 1°, op basis van de datum van ontvankelijkheid van hun aanvraag tot goedkeuring van het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project, waarbij de woongelegenheden met de oudste datum van ontvankelijkheid voorrang hebben. De toekenning van de infrastructuursubsidies gebeurt voor de aanvragen, vermeld in het tweede lid, 2°, volgens trimester of in voorkomend geval datum van ingebruikname, waarbij de woongelegenheden die eerst in gebruik werden of worden genomen, voorrang hebben.

De minister doet een oproep voor het indienen van de aanvragen voor de woongelegenheden die na 2017 in gebruik worden genomen. Deze oproep geldt ook voor woongelegenheden die in een eerder jaar en ten vroegste vanaf 2016 in gebruik werden genomen. De minister bepaalt de modaliteiten voor de oproep. De minister kan prioriteitscriteria bepalen voor de toekenning van de infrastructuursubsidies, die onder meer betrekking hebben op de aard van de werkzaamheden, vereist voor de realisatie van de woongelegenheden, en op de invulling van de programmatie voor woongelegenheden in woonzorgcentra en centra voor kortverblijf.

Een aanvraag die volgt op een oproep als vermeld in het tweede of vierde lid, is ontvankelijk als de initiatiefnemer van het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf haar indient bij het VIPA en zij volgende stukken of gegevens bevat:
1° de rechtsgeldige beslissing om voor de woongelegenheden, vermeld in de aanvraag, infrastructuursubsidies aan te vragen;
2° de verbintenis om voor de woongelegenheden, vermeld in de aanvraag, te voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3;
3° de verbintenis, vermeld in artikel 6;
4° het geplande trimester of in voorkomend geval de effectieve datum van ingebruikname van de woongelegenheden.

De leidend ambtenaar van het VIPA beslist over de aanvragen. Hij kan met toepassing van artikel 9, eerste lid, de infrastructuursubsidies verlenen, weigeren of, als de begrotingskredieten ontoereikend zijn, de infrastructuursubsidies verlenen vanaf een later trimester. In geval van een weigeringsbeslissing bevat de aangetekende zending ook een toelichting over de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om een bezwaarschrift in te dienen bij het VIPA.

Als de ingebruikname in het goedgekeurde of uitgestelde trimester, vermeld in de beslissing genomen op basis van het zesde lid, vanwege omstandigheden buiten de wil van de initiatiefnemer om, niet kan worden gehaald, kan de leidend ambtenaar van het VIPA maximaal twee keer één jaar uitstel verlenen op het trimester, vermeld in de beslissing. De initiatiefnemer bezorgt daarover een omstandig gemotiveerd verzoek aan de leidend ambtenaar van het VIPA met een aangetekende brief, uiterlijk in het trimester dat voorafgaat aan het trimester, vermeld in de beslissing. In geval van een weigeringsbeslissing bevat de aangetekende zending ook een toelichting over de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om een bezwaarschrift in te dienen bij het VIPA.

Het bezwaarschrift, vermeld in het zesde of zevende lid, is ontvankelijk als het gemotiveerd is en het door de initiatiefnemer aangetekend of tegen ontvangstbewijs bij het VIPA wordt ingediend binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van de weigeringsbeslissing. De beslissing van de minister over het bezwaarschrift wordt binnen zestig kalenderdagen na de ontvangst van het bezwaarschrift aan de initiatiefnemer meegedeeld met een aangetekende zending.

Art. 3. Een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf komt in aanmerking voor infrastructuursubsidies als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf voldoet gedurende het subsidiejaar aan de voorwaarden, vermeld in respectievelijk bijlage XII, hoofdstuk III, afdeling IV, en bijlage XI, hoofdstuk III, afdeling III;
2° de woongelegenheden waarop de infrastructuursubsidies betrekking hebben zijn erkend, de infrastructuursubsidies werden aangevraagd overeenkomstig artikel 2 en de woongelegenheden zijn tijdig in gebruik genomen overeenkomstig artikel 2, zesde lid of zevende lid;
3° de woongelegenheden waarop de infrastructuursubsidies betrekking hebben, zijn laatst voorlopig erkend, op zijn vroegst met ingang van 1 januari 2016, waarbij de verlenging van een voorlopige erkenning niet als nieuwe voorlopige erkenning geldt;
4° voor de realisatie van de woongelegenheden vervat in de voorafgaande vergunning en waarop de infrastructuursubsidies betrekking hebben, is een stedenbouwkundige vergunning vereist;
5° het maximaal te verkrijgen subsidiebedrag wordt door het woonzorgcentrum of centrum voor kortverblijf op zichtbare wijze in mindering gebracht op de maandelijkse factuur van de bewoner voor elke dag waarvoor de dagprijs wordt aangerekend, vanaf de eerste dag van de toekenning van de infrastructuursubsidies. De minister kan louter praktische schikkingen betreffende de aanrekening nemen;
6° de woongelegenheden waarop de infrastructuursubsidies betrekking hebben, zijn in de vijfentwintig jaar die voorafgaan aan de erkenning, vermeld in punt 3°, niet het voorwerp geweest van subsidies, vermeld in het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden. Aan die voorwaarde is voldaan als de subsidies, verleend voor de woongelegenheden, volledig werden teruggestort of niet dienden teruggestort te worden na uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming van de minister, verleend conform artikel 87, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, of artikel 41, § 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, of als de subsidies uitsluitend werden verleend om brandveiligheidswerkzaamheden aan de woongelegenheden uit te voeren;
7° het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf dient voor elke bepaling of verhoging van de dagprijs uiterlijk vier maanden voor de effectieve ingebruikname van de woongelegenheden in het woonzorgcentrum of centrum voor kortverblijf waarop de infrastructuursubsidies betrekking hebben een aanvraag in bij het agentschap conform artikel 6, § 4, van het ministerieel besluit van 12 augustus 2005 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang.

In afwijking van het eerste lid, 4°, kan als voor de realisatie van de woongelegenheden geen stedenbouwkundige vergunning vereist is een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf in aanmerking komen voor infrastructuursubsidies in één van de volgende gevallen:
1° uit de aanvraag tot het bekomen van de voorafgaande vergunning blijkt dat voor die realisatie verbouwingswerken nodig zijn om de woongelegenheden te laten beantwoorden aan:
a) hetzij de voorwaarden, vermeld in artikel 47/1 tot en met 47/4 van bijlage XII als het bevel tot aanvang van de werken gegeven wordt op zijn vroegst vanaf 1 januari 2017;
b) hetzij de voorwaarden, vermeld in artikel 47 of artikel 47/1 tot en met 47/4 van bijlage XII als het bevel tot aanvang van de werken gegeven wordt uiterlijk op 31 december 2016;
2° de infrastructuur werd oorspronkelijk gebouwd voor een gebruik als erkende assistentiewoning of werd oorspronkelijk voorafgaande vergund en gebouwd voor een gebruik als een erkende verblijfseenheid in een centrum voor herstelverblijf. Uit de aanvraag tot het bekomen van de voorafgaande vergunning blijkt dat voor de realisatie van de woongelegenheden, erkende assistentiewoningen of erkende verblijfseenheden in een centrum voor herstelverblijf worden herbestemd, waarbij werken moeten worden uitgevoerd om die woongelegenheden te laten beantwoorden aan de voorwaarden, vermeld in artikel 47/1 tot en met 47/4 van bijlage XII;
3° de infrastructuur werd oorspronkelijk voorafgaand vergund en gebouwd voor een gebruik als een erkende woongelegenheid in een woonzorgcentrum of centrum voor kortverblijf, maar werd middels een voorafgaande vergunning en/of een erkenning tijdelijk in gebruik genomen als erkende assistentiewoning of erkende verblijfseenheid in een centrum voor herstelverblijf. De woongelegenheden, die worden uitgebaat als erkende assistentiewoningen of als erkende verblijfseenheden in een centrum voor herstelverblijf, worden middels een voorafgaande vergunning herbestemd als woongelegenheden in een woonzorgcentrum of een centrum voor kortverblijf, ongeacht of die herbestemming gepaard gaat met werken, en ze beantwoorden aan de volgende voorwaarden:
a) de woongelegenheden zijn het voorwerp van een voorafgaande vergunning voor woongelegenheden in een woonzorgcentrum of centrum voor kortverblijf;
b) de woongelegenheden zijn gerealiseerd conform de voorwaarden, vermeld in artikel 47 of artikel 47/1 tot en met 47/4 van bijlage XII, naargelang de stedenbouwkundige vergunning voor hun realisatie werd aangevraagd uiterlijk op 31 december 2016 of op zijn vroegst vanaf 1 januari 2017.

Art. 4. § 1. De beslissing tot het verlenen van de infrastructuursubsidies heeft tot gevolg dat die subsidies jaarlijks aan het erkende woonzorgcentrum of centrum voor kortverblijf worden toegekend op basis van het aantal woongelegenheden die erkend zijn en die beantwoorden aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.

§ 2. Voor woongelegenheden in een erkend centrum voor kortverblijf wordt het bedrag van de subsidie, vermeld in paragraaf 1, voor het eerste subsidiejaar berekend volgens de volgende formule: S = 5 euro*(AGI n-1/AGI 2017)* resterend aantal kalenderdagen van het kalenderjaar vanaf de datum van ingebruikname.

Voor woongelegenheden in een erkend centrum voor kortverblijf wordt het bedrag van de subsidie, vermeld in paragraaf 1, vanaf het tweede subsidiejaar berekend volgens de volgende formule: S = 5 euro*(AGI n-1/AGI 2017)*aantal kalenderdagen van het subsidiejaar.

§ 3. Voor woongelegenheden in een woonzorgcentrum wordt het bedrag van de subsidie, vermeld in paragraaf 1, voor het eerste subsidiejaar berekend volgens de volgende formule: S = 5 euro*(AGI n-1/AGI 2017)*(GSBG)*resterend aantal kalenderdagen van het kalenderjaar vanaf de datum van ingebruikname.

Voor woongelegenheden in een woonzorgcentrum, wordt het bedrag van de subsidie, vermeld in paragraaf 1, voor het tweede subsidiejaar berekend volgens de volgende formule: S = 5 euro*(AGI n-1/AGI 2017)*(GSBG)*aantal kalenderdagen van het subsidiejaar.

Voor woongelegenheden in een woonzorgcentrum die laatst voorlopig erkend zijn, uiterlijk met ingang van 31 december van het tweede jaar dat voorafgaat aan het subsidiejaar, wordt het bedrag van de subsidie, vermeld in paragraaf 1, berekend volgens een van de volgende formules:
1° als GBG gelijk is aan of groter is dan GSBG:
S = 5 euro*(AGI n-1/AGI 2017)*aantal kalenderdagen van het subsidiejaar;
2° als GBG kleiner is dan GSBG:
S= 5 euro*(AGI n-1/AGI 2017)*GBG *aantal kalenderdagen van het subsidiejaar.

§ 4. In paragraaf 2 en 3 wordt verstaan onder:
1° S: het jaarlijkse subsidiebedrag;
2° AGI n-1: de afgevlakte gezondheidsindex van december van het jaar dat voorafgaat aan het subsidiejaar;
3° AGI 2017: de afgevlakte gezondheidsindex van december 2017;
4° GSBG: de gemiddelde sectorale bezettingsgraad in de referentieperiode. De gemiddelde sectorale bezettingsgraad wordt berekend door voor de woonzorgcentra de gefactureerde referentiedagen in de sector te delen door de erkende referentiecapaciteit in de sector vermenigvuldigd met het aantal kalenderdagen in de betrokken referentieperiode. De gemiddelde sectorale bezettingsgraad is in geen geval groter dan 1;
5° GBG: de gemiddelde bezettingsgraad van het woonzorgcentrum in de referentieperiode. De gemiddelde bezettingsgraad wordt berekend door de gefactureerde referentiedagen voor het woonzorgcentrum, vermeerderd met de ziekenhuisdagen voor het woonzorgcentrum, te delen door de erkende referentiecapaciteit van dat woonzorgcentrum vermenigvuldigd met het aantal kalenderdagen in de betrokken referentieperiode. Als het woonzorgcentrum uit verschillende vestigingen bestaat, worden de gefactureerde referentiedagen, de ziekenhuisdagen en de erkende referentiecapaciteit van alle vestigingen in aanmerking genomen voor de berekening van de gemiddelde bezettingsgraad van het woonzorgcentrum. Zolang de gegevens betreffende de ziekenhuisdagen per woonzorgcentrum niet beschikbaar zijn, worden de gefactureerde referentiedagen vermeerderd met een percentage dat voor alle woonzorgcentra gelijk is. De minister bepaalt het percentage. De gemiddelde bezettingsgraad van het woonzorgcentrum is in geen geval groter dan 1.

In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° referentieperiode: de periode die loopt van 1 juli van het tweede jaar dat voorafgaat aan het subsidiejaar tot en met 30 juni van het jaar dat voorafgaat aan het subsidiejaar;
2° gefactureerde referentiedagen: het totale aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode, zoals meegedeeld in het kader van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wat betreft de rustoorden voor bejaarden en respectievelijk de centra voor kortverblijf;
3° erkende referentiecapaciteit: het gemiddelde van het totale aantal erkende woongelegenheden op 30 juni van het tweede jaar dat voorafgaat aan het subsidiejaar en op 30 juni van het jaar dat voorafgaat aan het subsidiejaar;
4° ziekenhuisdagen: het totaal aantal dagen dat bewoners van een woonzorgcentrum in een ziekenhuis zijn opgenomen tijdens de referentieperiode.

§ 5. Als de erkenning van de woongelegenheid, vermeld in paragraaf 2 of 3, na afloop van de voorlopige erkenning wordt geweigerd, komt de woongelegenheid niet in aanmerking voor de infrastructuursubsidies. De betaling van de infrastructuursubsidies voor die woongelegenheid wordt stopgezet en alle infrastructuursubsidies die voor die woongelegenheid al betaald zijn, worden teruggevorderd.

Als de erkenning van de woongelegenheid, vermeld in paragraaf 2 of 3, in de loop van het subsidiejaar wordt ingetrokken of op een andere wijze wordt stopgezet, worden de infrastructuursubsidies voor die woongelegenheid proportioneel verminderd.

Art. 5. § 1. Het subsidiebedrag, vastgesteld met toepassing van artikel 4, wordt in een of meer betalingen uitgekeerd voor het einde van het subsidiejaar.

§ 2. Als blijkt dat het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf voor een subsidiejaar betalingen heeft ontvangen voor een hoger bedrag dan het definitieve subsidiebedrag, vordert het VIPA het verschil terug.

Als op het moment van de uitkering van het subsidiebedrag het teruggevorderde bedrag van een voorgaand subsidiejaar nog niet is betaald, wordt dat bedrag in mindering gebracht van het uit te betalen subsidiebedrag.

Art. 6. De initiatiefnemer die de subsidies aanvraagt, vraagt ook de subsidies aan voor alle andere woongelegenheden in het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf, vermeld in de voorafgaande vergunning waarin de woongelegenheden zijn vermeld waarvoor hij de subsidies aanvraagt.

Art. 7. Voor de toepassing van artikel 2, zesde lid, artikel 4 en 8 deelt het agentschap aan het VIPA de aanvragen van infrastructuursubsidies mee, alsook de beslissingen over de erkenning, de weigering, de intrekking of de stopzetting van de erkenning van woongelegenheden waarvoor de subsidies zijn aangevraagd of toegekend.

Het agentschap bezorgt alle andere informatie die vereist is voor de toepassing van deze bijlage, aan het VIPA.

Art. 8. In afwijking van artikel 3, eerste lid, 7°, moeten de initiatiefnemers die bij het agentschap een aanvraag hebben ingediend of zullen indienen voor de erkenning vanaf op zijn vroegst 1 januari 2016 tot uiterlijk vanaf 31 december 2017 van woongelegenheden in woonzorgcentra of centra voor kortverblijf waarvoor een aanvraag voor infrastructuursubsidies wordt ingediend, en waarvoor uiterlijk vier maanden voor de effectieve ingebruikname van de woongelegenheden in het woonzorgcentrum of centrum voor kortverblijf waarop de infrastructuursubsidies betrekking hebben bij het agentschap geen aanvraag werd ingediend conform artikel 6, § 4, van het ministerieel besluit van 12 augustus 2005 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de instellingen voor bejaardenopvang, uiterlijk op 31 augustus 2017 een aanvraag tot bepaling van de dagprijs conform artikel 3, eerste lid, 7°, indienen. Als de dagprijs, vermeld in de beslissing naar aanleiding van deze aanvraag tot bepaling van de dagprijs, lager is dan de dagprijs die op het moment van die aanvraag wordt toegepast, wordt in afwijking van artikel 3, eerste lid, 5°, die lagere dagprijs toegepast ten vroegste vanaf 1 januari 2018 of uiterlijk vanaf de datum waarop de infrastructuursubsidies worden toegekend.

Art. 9. De subsidiebedragen die met toepassing van artikel 4 zijn vastgesteld, worden, in afwijking van artikel 5, § 1, ten vroegste met ingang van 1 januari 2018 verleend en uitgekeerd, ook voor woongelegenheden die vóór die datum in gebruik werden genomen.

Infrastructuursubsidies die betrekking hebben op woonzorgcentra en centra voor kortverblijf waarvoor uiterlijk op 31 december 2014 een ontvankelijke aanvraag tot goedkeuring van het technische en financiële aspect van het masterplan en het betreffende project, vermeld in artikel 20 en 24/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, werd ingediend en waarvoor nog geen goedkeuring van het masterplan en geen definitief principieel akkoord werd verkregen, worden met voorrang verleend ten aanzien van infrastructuursubsidies die betrekking hebben op andere woonzorgcentra of centra voor kortverblijf, ongeacht de datum van ingebruikname van de woongelegenheden, vermeld in de aanvraag.