Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de subsidiëring van een vernieuwend en verbreed laagdrempelig initiatief inzake gezinsondersteuning voor aanstaande gezinnen en gezinnen met kinderen met het oog op de bestrijding van kinderarmoede

Datum 31/03/2017

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1 Definities
  2. HOOFDSTUK 2 Subsidiëring
    1. Afdeling 1 Algemeen
    2. Afdeling 2 Subsidievoorwaarden
    3. Afdeling 3 Aanwending van de subsidie
    4. Afdeling 4 Uitbetaling
  3. HOOFDSTUK 3 Toezicht en handhaving
  4. HOOFDSTUK 4 Procedures voor de subsidiëring
    1. Afdeling 1 Oproep
    2. Afdeling 2 Subsidieaanvraag
    3. Afdeling 3 Toekenning
  5. HOOFDSTUK 5 Verlenging van de subsidie
  6. HOOFDSTUK 6 Begeleiding van de projecten
  7. HOOFDSTUK 6 Slotbepalingen

Inhoud

(... - ...)

DE VLAAMSE REGERING,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;

Gelet op het decreet van 21 maart 2003 betreffende de armoedebestrijding, artikel 18, gewijzigd bij het decreet van 18 juli 2008;

Gelet op het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, artikel 8, § 2;

Gelet op het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof, artikel 57;

Gelet op het decreet van 29 november 2013 houdende de organisatie van preventieve gezinsondersteuning, artikel 18 en artikel 20, eerste en tweede lid;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 15 november 2016;

Gelet op advies 60.562/3 van de Raad van State, gegeven op 29 december 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding en de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1 Definities

Artikel 1. (18/04/2019- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° agentschap: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, opgericht bij het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie;
2° besluit van 28 maart 2014: het besluit van de Vlaamse Regering van 28 maart 2014 tot uitvoering van het decreet van 29 november 2013 houdende de organisatie van preventieve gezinsondersteuning;
3° departement: het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
4° organisator: een feitelijke vereniging of een rechtspersoon, al dan niet in de vorm van een samenwerkingsverband.

HOOFDSTUK 2 Subsidiëring

Afdeling 1 Algemeen

Artikel 2. (01/01/2017- ...)

Het agentschap en het departement kunnen binnen de perken van de begrotingskredieten samen, elk voor de helft van het subsidiebedrag, een subsidie toekennen aan een organisator die een vernieuwend en verbreed laagdrempelig initiatief ontwikkelt op het gebied van gezinsondersteuning, samen met en voor aanstaande gezinnen en gezinnen met kinderen met specifieke aandacht voor gezinnen in armoede, met het oog op de bestrijding van kinderarmoede.

Het jaarlijkse subsidiebedrag bedraagt maximaal 84.000 euro (vierentachtigduizend euro) per project.

Artikel 3. (01/01/2017- ...)

§ 1. De jaarlijkse subsidie wordt toegekend aan een organisator voor een periode van drie jaar.

Een aanvraag tot verlenging van de subsidie voor een bijkomende periode van drie jaar kan eenmaal ingediend worden, op voorwaarde dat het agentschap en het departement de werking na twee jaar positief evalueren als vermeld in artikel 15.

Afdeling 2 Subsidievoorwaarden

Artikel 4. (01/01/2017- ...)

De organisator, vermeld in artikel 2, is een lokaal bestuur, in samenwerking met de nodige netwerkpartners en gezinnen in armoede als volwaardige partner.

In afwijking van het eerste lid is de organisator voor het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad de Vlaamse Gemeenschapscommissie, in samenwerking met de nodige netwerkpartners en gezinnen in armoede als volwaardige partner.

Artikel 5. (01/01/2017- ...)

Bij de uitvoering van het vernieuwende en verbrede laagdrempelige initiatief gezinsondersteuning, vermeld in artikel 2, voert de organisator de volgende opdrachten uit:
1° aanstaande gezinnen en gezinnen met jonge kinderen met specifieke aandacht voor gezinnen in armoede op een duurzame wijze bereiken en als volwaardige partner betrekken bij het volledige project;
2° een wijkgericht laagdrempelig netwerk uitbouwen met gezinnen met specifieke aandacht voor gezinnen in armoede en organisaties die hun werking maximaal toegankelijk willen maken voor gezinnen in armoede en die daarbij een betekenisvolle mix van functies met elkaar verbinden, in het kader van de werking van het Huis van het Kind en het netwerk lokale kinderarmoedebestrijding;
3° gezinnen op een structurele wijze ondersteunen bij de realisatie van hun grondrechten om kinderen maximaal te ondersteunen in hun ontwikkeling en gezinnen zelfredzaam te maken met specifieke aandacht voor gezinnen in armoede;
4° de impact op gezinnen met specifieke aandacht voor gezinnen in armoede, hun omgeving en de partners monitoren;
5° sterk leiderschap realiseren.

De organisator streeft in de uitvoering van de opdrachten de volgende doelstellingen na:
1° sociale grondrechten realiseren voor aanstaande gezinnen en gezinnen met kinderen om hun zelfredzaamheid te verhogen, vanuit een mix van functies die betekenisvol zijn voor aanstaande gezinnen en gezinnen met kinderen met specifieke aandacht voor gezinnen in armoede;
2° verbinding leggen tussen materiële en immateriële behoeften van gezinnen, vertrekkend vanuit hun leefwereldperspectief, met specifieke aandacht voor gezinnen in armoede;
3° inzetten op een verbeterde en rijke leefomgeving voor kinderen en hun gezin met specifieke aandacht voor gezinnen in armoede;
4° ervoor zorgen dat gezinnen mede-eigenaar zijn van de ontwikkelde individuele en collectieve ondersteuning met specifieke aandacht voor gezinnen in armoede;
5° het sociale netwerk van de gezinnen versterken met specifieke aandacht voor gezinnen in armoede;
6° organisaties voor gezinnen in armoede het aanbod structureel toegankelijker laten maken;
7° vanuit een proportioneel universalistische benadering aandacht hebben voor inclusiviteit;
8° bijdragen tot de ontwikkeling van structurele oplossingen op het vlak van armoedebestrijding, en die ontwikkeling positief beïnvloeden.

In het tweede lid, 4°, wordt verstaan onder gezinnen mede-eigenaar te laten zijn van de ontwikkelde individuele en collectieve ondersteuning: dat gezinnen in alle fases van de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van collectieve of groepsgerichte acties aantoonbaar medezeggenschap hebben, en dat gezinnen in hun individuele ondersteuning in onderling overleg met de ondersteuner zelf bepalen hoe deze ondersteuning er uit ziet.

In het tweede lid, 7°, wordt verstaan onder een proportioneel universalistische benadering: een benadering die een universele dienstverlening beoogt waarbij een basisaanbod dienstverlening wordt aangereikt aan elk kind en elk gezin, en waarin een geïntegreerd supplementair aanbod wordt voorzien zodoende vanuit dit basisaanbod te kunnen inspelen op de diversiteit aan noden die zich in de wijk bevinden.

Artikel 6. (01/01/2017- ...)

De organisator rapporteert jaarlijks over de werking van het vernieuwende en verbrede initiatief waarvoor hij gesubsidieerd wordt. De rapportering heeft betrekking op de volgende categorieën van gegevens:
1° de wijze waarop de opdrachten, vermeld in artikel 5, eerste lid, uitgevoerd worden om de doelstellingen, vermeld in artikel 5, tweede lid, te bereiken;
2° de gerealiseerde activiteiten;
3° het bereik, zowel kwantitatief als kwalitatief;
4° de impact van het project op en volgens de gezinnen met specifieke aandacht voor gezinnen in armoede;
5° de impact van het project op de toegankelijkheid van hulpbronnen;
6° de voortgang van de inspannings- en resultaatsverbintenissen, vermeld in artikel 13, § 3, tweede lid.

Binnen het lerend netwerk, vermeld in artikel 16 wordt voor de categorieën van gegevens, vermeld in het eerste lid, 4° en 5°, een indicatorenset uitgewerkt.

De minister kan nadere regels bepalen voor de categorieën van gegevens, zowel voor de eerste als de eventuele tweede subsidieperiode van drie jaar, vermeld in artikel 3.

De organisator bezorgt de rapportering schriftelijk uiterlijk op 1 maart van het jaar dat volgt op het werkingsjaar waarover wordt gerapporteerd. In het tweede en derde werkingsjaar geeft de organisator in het voorjaar daarnaast een mondelinge toelichting over de werking ten aanzien van het agentschap en het departement.

De organisator voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 55 tot en met 57 van het besluit van 28 maart 2014.

In afwijking van het vijfde lid wordt de termijn voor het bezorgen van het financiële verslag over het voorgaande werkingsjaar, vermeld in artikel 57, eerste lid, van het besluit van 28 maart 2014, voor de toepassing van dit besluit vastgelegd op 1 maart.

Artikel 7. (01/01/2017- ...)

 De organisator werkt mee aan de opvolging waarin voorzien is, vermeld in artikel 16.

Afdeling 3 Aanwending van de subsidie

Artikel 8. (01/01/2017- ...)

De organisator voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 59 en 60 van het besluit van 28 maart 2014.

Als de activiteit waarvoor de reserves zijn aangelegd, wordt stopgezet of niet verder wordt gesubsidieerd, wordt het gecumuleerde bedrag van de reserves aan de Vlaamse overheid teruggestort.

Een overschot na het derde werkingsjaar wordt teruggestort.

Afdeling 4 Uitbetaling

Artikel 9. (01/01/2017- ...)

§ 1. Het agentschap en het departement betalen jaarlijks bij de aanvang van het eerste en derde kwartaal een voorschot van telkens 40% van het subsidiebedrag van dat jaar.

Na de verwerking van de rapportering, vermeld in artikel 6 van dit besluit, en het financiële verslag, vermeld in artikel 57 van het besluit van 28 maart 2014, en na de evaluatie, vermeld in artikel 10, tweede lid, van dit besluit, wordt het saldo al dan niet volledig uitbetaald.

§ 2. Als door de uitbetaling van het volledige saldo een van de maxima, vermeld in artikel 60 van het besluit van 28 maart 2014, wordt overschreden, wordt het saldo verminderd met het bedrag dat de maxima overschrijdt. Het agentschap brengt de organisator op de hoogte van de saldoafrekening.

HOOFDSTUK 3 Toezicht en handhaving

Artikel 10. (01/07/2017- ...)

Het agentschap en het departement volgen jaarlijks de werking van het initiatief, vermeld in artikel 2, op aan de hand van de door de organisator aangeleverde rapportering, zowel schriftelijk als mondeling, vermeld in artikel 6 van dit besluit en het financieel verslag, vermeld in artikel 57 van het besluit van 28 maart 2014. Het agentschap kan daarnaast bij de betrokken organisator alle stukken opvragen die met de subsidievoorwaarden verband houden.

Ieder jaar wordt geëvalueerd of de inspanningsverbintenissen conform de aanvraag verlopen. Na het tweede werkingsjaar wordt ook de eerste verhouding tot de vooropgestelde resultaten geëvalueerd. Na het derde werkingsjaar wordt geëvalueerd of de resultaten effectief behaald zijn. De al dan niet gedeeltelijke uitbetaling van het saldo hangt af van de mate waarin de inspannings- en resultaatsverbintenissen gerealiseerd zijn. Het agentschap en het departement leggen de criteria vast om de realisatie van inspannings- en resultaatsverbintenissen te beoordelen.

Het agentschap en het departement bespreken het resultaat van de evaluatie, vermeld in het eerste en tweede lid, met de betrokken organisator. Op basis van die bespreking en, in voorkomend geval, op basis van de bevindingen van Zorginspectie kan het agentschap, in voorkomend geval, gebruikmaken van een van de handhavingsinstrumenten, vermeld in artikel 76 tot en met 80 van het besluit van 28 maart 2014.

In het derde lid wordt verstaan onder Zorginspectie: Zorginspectie van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein.

HOOFDSTUK 4 Procedures voor de subsidiëring

Afdeling 1 Oproep

Artikel 11. (01/01/2017- ...)

Bij beschikbare begrotingskredieten lanceren het agentschap en het departement een oproep om een subsidie aan te vragen voor het initiatief, vermeld in artikel 2, bevat die oproep de volgende gegevens:
1° de periode van indiening;
2° de ontvankelijkheidscriteria;
4° de beoordelingscriteria en het gewicht van die criteria;
5° een aanvraagformulier.

Afdeling 2 Subsidieaanvraag

Artikel 12. (01/01/2017- ...)

Een subsidieaanvraag is ontvankelijk als de aanvrager gebruikmaakt van het aanvraagformulier, vermeld in artikel 11, 5°, dat:
1° tijdig wordt verstuurd;
2° volledig is ingevuld;
3° rechtsgeldig ondertekend is;
4° ingediend is door een lokaal bestuur;
5° aantoonbaar in samenwerking met de netwerkpartners is opgemaakt;
6° aantoonbaar met betrokkenheid van gezinnen in armoede is opgemaakt;
7° aantoont dat het initiatief aansluit bij de werking van het Huis van het Kind en een lokaal netwerk kinderarmoedebestrijding;
8° het engagement vermeldt om actief deel te nemen aan het lerend netwerk, vermeld in artikel 16.

Artikel 13. (01/01/2017- ...)

 § 1. Als de aanvraag onontvankelijk is, brengt het agentschap de aanvrager daarvan op de hoogte binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de subsidieaanvraag.

§ 2. Als de subsidieaanvraag ontvankelijk is, behandelt het agentschap de aanvraag binnen drie maanden na de ontvangst.

Het agentschap kan aanvullende informatie vragen aan de aanvrager. De aanvrager bezorgt de gevraagde aanvullende informatie zo snel mogelijk aan het agentschap. De beslissingstermijn wordt niet geschorst.

§ 3. De subsidieaanvraag wordt getoetst aan de volgende beoordelingscriteria:
1° de wijze waarop door structurele gezinsondersteuning alle sociale grondrechten van gezinnen maximaal gerealiseerd zullen worden en hun zelfredzaamheid wordt verhoogd, vanuit een verbinding tussen materiële en immateriële behoeften met specifieke aandacht voor gezinnen in armoede;
2° de realisatie van een wijkgericht netwerk dat voorziet in een mix van functies, de link met het Huis van het Kind of een lokaal netwerk kinderarmoedebestrijding en de uitbouw van een sterk leiderschap in het project;
3° het beoogde bereik van gezinnen en kinderen in een of meer kwetsbare buurten en de mate waarin er aandacht is voor een inclusieve werking;
4° de wijze waarop gezinnen in armoede volwaardige partner zijn in de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het project;
5° de wijze waarop betrokken organisaties zich in beweging zetten om hun aanbod structureel toegankelijk te maken;
6° de acties met het oog op een duurzame impact van het project na de projectperiode.

Per criterium, vermeld in het eerste lid, definieert de aanvrager concrete inspannings- en resultaatsverbintenissen, die bij de beoordeling mee in rekening worden gebracht, alsook in de opvolging, vermeld in artikel 6, eerste lid, 6°.

Afdeling 3 Toekenning

Artikel 14. (01/01/2017- ...)

Nadat het agentschap en het departement een beslissing hebben genomen over de toekenning van de subsidie, bezorgt het agentschap de beslissing over de subsidieaanvraag uiterlijk na afloop van de termijn, vermeld in artikel 13, § 2, eerste lid, met een aangetekende brief aan de aanvrager. Als de subsidie wordt toegekend, staan de begin- en einddatum van de subsidieperiode en de hoogte van het subsidiebedrag in de beslissing.

HOOFDSTUK 5 Verlenging van de subsidie

Artikel 15. (01/01/2017- ...)

 Bij een positieve evaluatie van de eerste twee werkingsjaren op basis van de evaluatie, vermeld in artikel 10, kan de subsidie na het derde werkingsjaar voor een periode van drie jaar worden verlengd, onder voorbehoud van beschikbare begrotingskredieten. In dat geval lanceren het agentschap en het departement een oproep tot verlenging van de subsidie. Alleen de positief geëvalueerde initiatieven kunnen daarop intekenen. Artikel 11 tot en met 14 zijn van toepassing.

HOOFDSTUK 6 Begeleiding van de projecten

Artikel 16. (01/01/2017- ...)

Het agentschap en het departement kunnen gezamenlijk, elk voor de helft van het subsidiebedrag, een subsidie toekennen van 20.000 euro (twintigduizend euro) aan één organisator die instaat voor de begeleiding van de projecten, met inbegrip van de organisatie van een lerend netwerk, waarbij ondersteuning wordt geboden aan de projecten om tot een impactmeting te komen. Binnen de begeleiding zorgt deze organisator ervoor dat een indicatorenset, vermeld in artikel 6, tweede lid, wordt ontwikkeld, en dat er hulpmiddelen worden ontwikkeld om deze indicatoren te meten.

De jaarlijkse subsidie van 20.000 euro (twintigduizend euro) wordt toegekend voor een periode van drie jaar.

Artikel 6, vijfde en zesde lid, en artikel 8 van dit besluit zijn van toepassing op de organisator bedoeld in het eerste lid.

De subsidieoproep gebeurt overeenkomstig artikel 11 van dit besluit.

De subsidieaanvraag wordt afgetoetst aan volgende criteria:
1° De wijze waarop de opdracht van ondersteuning en het ontwikkelen van de indicatorenset zal worden aangepakt;
2° De mate waarin er expertise voorhanden is bij de organisator om deze opdracht waar te maken.

De toekenning van de subsidie gebeurt overeenkomstig artikel 14 van dit besluit.

De uitbetaling van de subsidie gebeurt overeenkomstig artikel 9, paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2 van dit besluit.

HOOFDSTUK 6 Slotbepalingen

Artikel 17. (01/01/2017- ...)

 Het agentschap en het departement zorgen, elk voor hun deel, voor de uitbetaling, vermeld in artikel 9 van dit besluit, en de terugvordering, vermeld in artikel 79 en 80 van het besluit van 28 maart 2014.

Artikel 18. (01/01/2017- ...)

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2017.

Artikel 19. (01/01/2017- ...)

 De Vlaamse minister, bevoegd voor de coördinatie van het armoedebeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.