Omzendbrief BB 2017/3. - Omzendbrief betreffende de aanpassing van de meerjarenplannen 2014-2019 en de budgetten 2018

Datum 14/07/2017

Algemene info

Datum staatsblad 07/08/2017
Pagina staatsblad 78022
Datum inwerkingtreding 17/08/2017

Relaties

Relaties naar documenten

Type Datum Opschrift Datum BS Pagina BS
Zie ook 22/03/2013 Omzendbrief BB 2013/4. Strategische meerjarenplanning (meerjarenplan 2014-2019) en budgettering (budget 2014) volgens de beleids- en beheerscyclus 30/04/2013 25834

Inhoud

(17/08/2017- ...)

Aan de provinciegouverneurs

Ter kennisgeving aan:
- de colleges van burgemeester en schepenen
- de voorzitters van de raad voor maatschappelijk welzijn
- de voorzitters van de districtscolleges
- de deputaties
- de raden van bestuur van de autonome gemeente- en provinciebedrijven
- de raden van beheer van de OCMW-verenigingen van publiek recht

Deze omzendbrief heeft niet de bedoeling om de omzendbrief BB 2013/4 van 22 maart 2013 over de strategische meerjarenplanning en budgettering te vervangen, maar wil een beperkt aantal punten extra onder de aandacht brengen n.a.v. de opmaak van de budgetten 2018. Voor het overige verwijs ik naar de omzendbrief BB 2013/4.

1. Algemene opmerkingen

1.1 Budgetopmaak in BBC

In de beleids- en beheerscyclus (BBC) vertrekt de planning vanuit de beleidsdoelstellingen van het bestuur, opgemaakt vanuit een meerjarig perspectief. Het vertrekpunt voor de opmaak van het budget voor 2018 is het aangepaste meerjarenplan 2014-2019, waarin het budget 2018 zal moeten passen.

Vooraleer een bestuur het budget voor 2018 kan vaststellen, zal het eerst een aanpassing van het meerjarenplan moeten doorvoeren. Dat is het moment om de planning te herbekijken en eventueel bij te sturen of te verfijnen. Die bijsturingen kunnen inhoudelijk van aard zijn, waarbij ook de conclusies van de beleidsevaluatie worden meegenomen, of financieel, waarbij bepaalde ramingen worden aangepast, of beide.

De besturen gaan in elk geval na of de geraamde ontvangsten en uitgaven in de meerjarenplanning nog realistisch zijn. Als het rekeningresultaat 2016 nog niet is verwerkt bij een budgetwijziging 2017, zal dat nu ook moeten gebeuren (zie punt 1.4).

1.2 Beslissingen in het jaar van de verkiezingen

Op 14 oktober 2018 vinden de verkiezingen plaats voor de vernieuwing van de gemeenteraden, de stadsdistrictsraden en de provincieraden.

De gemeenteraden, districtsraden, O.C.M.W.-raden en provincieraden, zowel als de uitvoerende organen, behouden vanzelfsprekend hun volle bevoegdheid tot aan hun vernieuwing na de verkiezingen, maar het is een algemene regel van behoorlijk bestuur dat zij in het jaar van de verkiezingen de nodige voorzichtigheid in acht nemen.

Ik verzoek daarom de provinciale, gemeentelijke en O.C.M.W.-overheden om in het jaar van de verkiezingen en tot aan de installatie van de nieuwe raden met de nodige omzichtigheid op te treden en in extremis geen beslissingen te nemen die het beleid van de nieuwe raden, de financiële situatie of de toekomstige ontwikkeling van de financiën nodeloos zouden verstoren.

1.3 Vernieuwde taakstelling provincies

De provincies houden er bij de aanpassing van hun meerjarenplan 2014-2019 en de opmaak van hun budget 2018 ook rekening mee dat:
- vanaf 1 januari 2018 hun taakstelling wordt aangescherpt en zij niet langer taken of dienstverlening op het vlak van de persoonsgebonden aangelegenheden zullen uitoefenen. Die persoonsgebonden taken en bevoegdheden en de persoonsgebonden instellingen worden overgeheveld naar het Vlaamse of het lokale niveau. De daaraan verbonden uitgaven en ontvangsten worden dan ook niet meer opgenomen in het budget 2018 en de aangepaste meerjarenplanning;
- als gevolg van die overheveling het aantal provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing vanaf het aanslagjaar 2018 en tot en met het aanslagjaar 2022 wordt begrensd (zie ook punt 2.5.1).

1.4 Jaarrekening 2016

Elk bestuur heeft er belang bij om de jaarrekening tijdig op te maken, zodat de resultaten van de beleidsevaluatie en de financiële resultaten snel kunnen worden meegenomen in bijsturingen van de planning. Volgens de decretale bepalingen moet elk bestuur zich uitspreken over de jaarrekening vóór 30 juni van het boekjaar dat volgt op dat waarop de rekening betrekking heeft.

De BBC-regels bepalen bovendien dat het resultaat van de jaarrekening moet worden verwerkt in het meerjarenplan en de aanpassingen ervan. Bij de aanpassing van het meerjarenplan 2014-2019 en de opmaak van het daaruit volgende budget voor 2018 moet het rekeningresultaat van 2016 verplicht worden verwerkt, voor zover dat nog niet gebeurd is in een budgetwijziging 2017. Als het resultaat van de jaarrekening nog niet is vastgesteld door de raad en/of het resultaat nog niet is verwerkt in de aanpassing van het meerjarenplan, kan het financieel evenwicht niet worden aangetoond. De decreten bepalen dat de toezichthoudende overheid in die situatie het meerjarenplan moet schorsen of vernietigen. Een schorsing van het meerjarenplan impliceert een schorsing van het budget dat erop gebaseerd is, zodat het bestuur onvermijdelijk in een situatie van voorlopige kredieten belandt.

1.5 Looptijd van het meerjarenplan

Het meerjarenplan dat in 2013 is opgemaakt, heeft een looptijd van 6 jaar: het omvat de beleidsdoelstellingen en ramingen voor de financiële boekjaren 2014 tot en met 2019. Bij een aanpassing van het meerjarenplan naar aanleiding van de opmaak van het budget 2018, moet het bestuur in de financiële nota van het meerjarenplan minstens de jaren 2014 tot 2020 opnemen, maar kan het er ook voor kiezen om de financiële nota met één, twee of drie jaar te verlengen, maximaal tot en met het financiële boekjaar 2023. De financiële nota mag bij een dergelijke verlenging echter nooit meer dan zes toekomstige boekjaren bevatten (inclusief het jaar van het budget) en ook nooit minder dan drie toekomstige boekjaren (inclusief het jaar van het budget). In de kolommen voor 2014, 2015 en 2016 worden de cijfers van de respectieve jaarrekeningen opgenomen.

De mogelijkheid om de financiële consequenties over een langere periode weer te geven, is niet zonder belang, aangezien de beoordeling van het financieel evenwicht op lange termijn, met de autofinancieringsmarge als criterium, gebeurt op basis van het laatste jaar van de financiële nota. De mogelijkheid tot verlenging van het meerjarenplan tot 2023 mag echter geen vrijgeleide zijn om desgevallend te talmen met de structurele gezondmaking van de financiën, wat een belangrijk aandachtspunt is. Ik reken erop dat de besturen hun verantwoordelijkheid nemen om uiterlijk in het boekjaar 2019 een structureel evenwicht te bereiken

1.6 Aansluiting met de digitale rapportering

Het beleidsrapport dat aan de raadsleden wordt voorgelegd en de digitale rapportering die daarover aan de Vlaamse overheid wordt bezorgd, komen uit hetzelfde boekhoudsysteem. Beide rapporteringen moeten perfect op elkaar aansluiten. Als er een verschil tussen beide bestaat, is minstens een van beide rapporteringen niet correct, zonder dat duidelijk bepaald kan worden welke de correcte weergave van de realiteit is.

Die overeenstemming is er uiteraard enkel als beide rapporteringen aangemaakt worden op basis van dezelfde gegevens. Daarom moeten de besturen er nauwlettend op toezien dat er geen andere (bijkomende) registraties meegenomen worden in één van beide rapporteringen. Als er toch verschillen worden vastgesteld tussen beide rapporteringen, kan de financiële toestand van het bestuur niet correct worden beoordeeld, wat aanleiding kan geven tot een schorsing of vernietiging.

Na ontvangst van de digitale rapportering en de verwerking ervan in de databank, wordt een feedbackrapport verstuurd. Aan de hand daarvan kan het bestuur nagaan of er niets is misgelopen op dat punt.

Het bestuur kan ook zelf de schema's van de beleidsrapporten en de toelichting samenstellen op basis van de gegevens van de digitale rapportering. De tool daarvoor is te vinden op: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/bbc/data-bbc

1.7 Informatie voor de raadsleden

Het meerjarenplan en het budget worden vastgesteld door de raad. Daarbij worden de beleidskeuzes gemaakt en verleent de raad ook autorisatie. Het is essentieel dat de raadsleden over alle nodige en nuttige informatie beschikken om een correcte en gefundeerde beslissing te nemen over de beleidsrapporten zoals ze worden voorgelegd. Bij de voorbereiding van het dossier moeten de besturen er over waken dat de informatie in het dossier volledig is. Dat geldt uiteraard voor alle onderdelen die in de regelgeving expliciet worden opgesomd (zie de desbetreffende FAQ op de webstek van het Agentschap Binnenlands Bestuur1), zowel die van het beleidsrapport zelf als die van de toelichting, maar ook voor eventueel noodzakelijke bijkomende informatie in functie van de lokale omstandigheden. De toelichting moet immers alle informatie bevatten die relevant is voor de raadsleden en die verband houdt met de verrichtingen die opgenomen zijn in het beleidsrapport.

Een belangrijk punt daarbij is het overzicht van de financiële risico's. Een volledig en transparant overzicht van de financiële risico's die het bestuur loopt, is onontbeerlijk om een correcte inschatting te kunnen maken van de werkelijke financiële toestand. De besturen moeten voldoende zorg besteden aan de opmaak van dat overzicht.

Een belangrijk financieel risico kan verbonden zijn aan het gebruik van alternatieve financieringsvormen.

De autofinancieringsmarge zoals nu gedefinieerd, houdt enkel rekening met de periodieke leningsaflossingen. Zolang een bestuur enkel met klassieke leningen werkt, levert dat wat de evenwichtsverplichtingen betreft een correcte voorstelling van zaken op. Het gebruik van andere financieringsvormen kan het beeld echter vertekenen. Bij bullet- en balloonleningen bijvoorbeeld kan het zijn dat de uiteindelijke aflossing van de schuld (of een deel ervan) pas gebeurt op een tijdstip dat niet meer binnen de planningsperiode van het meerjarenplan valt.2 In dat geval wordt die aflossing niet meer meegenomen in de berekening van de autofinancieringsmarge, waardoor die eigenlijk een te positieve voorstelling van de investeringsmarge van het bestuur geeft.

Het bestuur moet in het overzicht van de financiële risico's aangeven wat de impact zou zijn op de autofinancieringsmarge indien alle schulden met klassieke leningen zouden worden gefinancierd, met jaarlijkse aflossingen en over een normale aflossingsperiode.

1.8 Kwaliteit van de registraties

Voor de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de boekhouding en van de gerapporteerde data is het van belang dat alle registraties kwaliteitsvol gebeuren.

Ik vraag de besturen hierbij in het bijzonder om oog te hebben voor het gebruik van de juiste economischesectorcodes (ESC). Van bij de opmaak van de planning moeten de besturen in de budgettaire sleutel de correcte ESC gebruiken. Ook bij elke registratie van een budgettaire verrichting moet het bestuur met een ESC de tegenpartij van de transactie aangeven. Voor de besturen zelf hebben die codes geen directe relevantie, maar het juiste gebruik ervan is noodzakelijk voor een betrouwbare en correcte rapportering door de Vlaamse overheid van de lokale financiën aan de Europese instanties en voor de uiteindelijke officiële bepaling (volgens de Europese definitie) van de stand van de lokale financiën.

Ik breng hierbij graag nog even in herinnering dat het correcte gebruik van de ESC niet voor alle verrichtingen even relevant is. Daarom werd een lijst opgesteld met die verrichtingen en algemene rekeningen waar de ESC wel van belang is. U vindt die lijst op onze webstek: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/vereenvoudigde_lijst_ESC

Voor alle andere verrichtingen mogen de besturen de waarde NULL gebruiken.

Ook het overzicht van de correcte ESC voor de transacties met autonome gemeente- en provinciebedrijven, OCMW-verenigingen en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, dat op basis van recente gegevens van het Instituut van de Nationale Rekeningen (INR) onlangs nog geactualiseerd werd, is beschikbaar op de webstek van het Agentschap Binnenlands Bestuur: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/node/486

Daarnaast wil ik er ook op wijzen dat de gegevens van de digitale rapportering in het kader van de open data ook publiek ter beschikking gesteld worden van alle potentiële gebruikers van informatie over de lokale besturen. Op basis van die gegevens en op basis van een specifieke analysetool kunnen allerhande analyses en vergelijkingen worden gemaakt. Daarnaast stelt het Agentschap Binnenlands Bestuur op zijn webstek ook geactualiseerde financiële profielen beschikbaar voor de gemeenten, OCMW en AGB (ook in geaggregeerde vorm). De kwaliteit van al die analyses is uiteraard recht evenredig met de kwaliteit van de basisgegevens waarop ze steunen.

De link naar de module van open data is: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/open_data_BBC

De link naar de analysetool is: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/bbc/data-bbc

De link naar de financiële profielen is: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/bbc-strategisch-en-financieel-beleid/rapporten-en-analyses

2. Ontvangsten

2.1 Gemeentefonds

2.1.1 Hoofddotatie Gemeentefonds en Eliacompensatie

De groeivoet van 3,5% voor het Gemeentefonds wordt behouden. Ook de Eliacompensatie blijft behouden op 83 miljoen euro. De steden en gemeenten mogen in hun budgetten voor 2018 en hun aanpassingen van het meerjarenplan de prognoses inschrijven die hen tot nog toe inzake het Gemeentefonds en de Eliacompensatie werden meegedeeld.

Het Agentschap Binnenlands Bestuur zal, op basis van de beschikbare gegevens voor de verschillende parameters in de loop van de maand juli, op zijn webstek http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/financiering/fondsen/fondsen, voor iedere gemeente en elk O.C.M.W. nieuwe ramingen voor het Gemeentefonds bekendmaken

2.1.2 Aanvullende dotatie centrumsteden

Door het decreet van 2 december 20163 werden de middelen voor de 13 centrumsteden uit het Stedenfonds vanaf 1 januari 2017 toegevoegd aan het Gemeentefonds in een aanvullende dotatie, die jaarlijks geïndexeerd wordt met 3,5%. De verdeling van die middelen gebeurt volgens de verdelingsmechanismen die in het Stedenfonds van kracht waren, inclusief het waarborgmechanisme. Door de inkanteling in het Gemeentefonds zijn die middelen niet langer geoormerkt, waarmee de Vlaamse Regering haar belofte nakomt om de basisfinanciering en beleidsvrijheid van de steden te verhogen en de planlast te verminderen.

Het Agentschap Binnenlands Bestuur zal, in de loop van juli, een raming van de aandelen van de centrumsteden in deze aanvullende dotatie beschikbaar stellen op zijn webstek:
http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/financiering/fondsen/fondsen

Aangezien de middelen uit de aanvullende dotatie voor de centrumsteden niet langer geoormerkt zijn, boeken de centrumsteden die ontvangsten:
- als algemene financiering op het beleidsveld 0010 "algemene overdrachten tussen de verschillende bestuurlijke niveaus";
- op de algemene rekening 7402/4 "overige algemene werkingssubsidies". Daarmee worden die ontvangsten afgezonderd van het reguliere Gemeentefonds, dat op algemene rekening 7400 staat. Het gaat hier immers om een aanvullende dotatie.
- met economischesectorcode 300 "Vlaamse overheid".

De externe rapporteringscodes (deelrapportcodes) die verwijzen naar de Vlaamse beleidsprioriteiten in het kader van het Stedenfonds moeten vanaf het boekjaar 2017 niet langer worden gebruikt. Ze moeten wel nog worden gebruikt voor de rapportering over de besteding van de Stedenfondsmiddelen voor het boekjaar 2016.

2.1.3 Aanvullende dotatie sectorale subsidies

Vanaf het boekjaar 2016 zijn zeven Vlaamse sectorale subsidies geïntegreerd in een aanvullende dotatie van het Gemeentefonds. Het betreft meer bepaald de sectorale subsidies lokaal cultuurbeleid, lokaal jeugdbeleid, lokaal sportbeleid, flankerend onderwijsbeleid, bestrijding kinderarmoede, gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking en de integratiesubsidies. Die aanvullende dotatie van het Gemeentefonds wordt de komende jaren niet geïndexeerd.

Het bedrag van elke gemeente in die aanvullende dotatie van het Gemeentefonds is te vinden op de webstek van het Agentschap Binnenlands bestuur: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/financiering/fondsen/fondsen

De toevoeging van die sectorale middelen aan het Gemeentefonds betekent dat die middelen sinds 2016 niet langer geoormerkt zijn en dat de voorwaarden voor het verkrijgen van die subsidies en de daaraan gekoppelde rapporteringsverplichtingen niet langer bestaan. De aan die subsidies verbonden externe rapporteringscodes moeten dan ook niet langer worden gebruikt.

De gemeenten boeken hun aandelen in die aanvullende dotatie:
- als algemene financiering op het beleidsveld 0010 "algemene overdrachten tussen de verschillende bestuurlijke niveaus";
- op de algemene rekening 7402/4 "overige algemene werkingssubsidies";
- met economischesectorcode 300 "Vlaamse overheid".

Voor de sectorale middelen die niet werden ingekanteld in het Gemeentefonds (sociale economie en cultureel erfgoed) blijven de Vlaamse beleidsprioriteiten met de daaraan gekoppelde externe rapporteringscodes en hun toepassingsgebied gelden.

Daarnaast hebben de besturen de mogelijkheid om, al dan niet in samenspraak met de Vlaamse overheid, welbepaalde externe rapporteringscodes te hanteren voor acties die aansluiten bij Vlaams beleid en waaraan specifieke rapporteringsverplichtingen zijn gekoppeld. Omdat die codes deel zullen uitmaken van de digitale rapportering over de beleidsrapporten, kan gemakkelijk aan de rapporteringsverplichtingen worden voldaan.

Het Grondwettelijk Hof heeft op 18 mei 20174 het decreet van 3 juli 20155 dat de betrokken sectorale subsidies integreert in het Gemeentefonds, vernietigd. Het Hof handhaaft wel de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot uiterlijk het einde van het begrotingsjaar 2018, enerzijds uit budgettaire overwegingen, anderzijds om de decreetgever de tijd te geven om nieuwe bepalingen aan te nemen. De gemeenten en de zes faciliteitengemeenten in de Vlaamse Rand in het bijzonder, zullen op de hoogte worden gehouden van de decretale initiatieven ter zake.

2.2 Regularisatiepremies contingentgesco's en weerwerkgesco's

Op 1 april 2015 werden de gesco's uit de contingentovereenkomsten geregulariseerd. Ter compensatie ontvangen de besturen vanaf het boekjaar 2016 een regularisatiepremie die gelijk is aan de som van 95% van de loonpremies en 95% van de gesco-bijdrageverminderingen die ze in 2013 kregen. Die gesco-regularisatiepremies worden niet geïndexeerd. Voor 2018 en de volgende boekjaren gaan de besturen dus uit van dezelfde bedragen als voor 2016.

Vanaf het boekjaar 2017 worden de gesco-regularisatiepremies uitbetaald door het Agentschap Binnenlands Bestuur en niet langer door het Departement Werk en Sociale Economie.

De betalingskalender wijzigt daarbij niet: de regularisatiepremies zullen twee maal per jaar in gelijke schijven worden uitbetaald, met name 50% in juni en 50% in december.

De regularisatiepremies werden niet toegevoegd aan het Gemeentefonds en blijven dus als afzonderlijke ontvangsten geboekt. De besturen boeken die ontvangsten:
- als algemene financiering op het beleidsveld 0010 "algemene overdrachten tussen de verschillende bestuurlijke niveaus";
- op de algemene rekening 7402/4 "overige algemene werkingssubsidies";
- met economischesectorcode 300 "Vlaamse overheid".

Voor meer toelichting verwijzen we naar de nota op de webstek van het Agentschap Binnenlands Bestuur, in het bijzonder naar punt 6: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/faq/personeel/vragen-en-antwoorden-rond-gesco-regularisatie.

De subsidies voor de regularisatie van de weerwerkgesco's6, die hoofdzakelijk in de loop van 2016 werd uitgevoerd, en die niet door het Agentschap Binnenlands Bestuur maar door verschillende Vlaamse beleidsdomeinen worden verstrekt, moeten worden geregistreerd:
- op het functioneel beleidsveld waarvoor ze worden toegekend;
- op de algemene rekening 7405/9 "specifieke werkingssubsidies";
- met economischesectorcode 300 "Vlaamse overheid".

2.3 Vlaams fonds ter stimulering van (groot)stedelijke en plattelandsinvesteringen

Het decreet van 23 december 2016 tot vaststelling van de regels voor de werking en de verdeling van een Vlaams fonds voor de stimulering van (groot)stedelijke en plattelandsinvesteringen (B.S. van 26 januari 2017) en het bijbehorende uitvoeringsbesluit van 12 mei 2017 (B.S. van 20 juni 2017) bepalen dat de centrumsteden, de provinciale steden en de plattelandsgemeenten, de subsidies die ze uit dat fonds ontvangen, moeten inzetten voor de financiering van investeringsuitgaven.

Die steden en gemeenten moeten die subsidies in hun financiële planning en boekhouding inschrijven:
- als algemene financiering op het beleidsveld 0010 "algemene overdrachten tussen de verschillende bestuurlijke niveaus";
- op de algemene rekening 150 "investeringssubsidies in kapitaal met vordering op korte termijn";
- met economischesectorcode 300 "Vlaamse overheid".

De functionele en financiële rapportering over de subsidies die toegekend worden aan de centrumsteden Antwerpen, Gent, Mechelen, Oostende en Sint-Niklaas voor investeringen in stadsvernieuwingsprojecten als vermeld in artikel 6 van het decreet van 23 december 2016, gebeurt aan de hand van de externe rapporteringscode GSB. De plattelandsgemeenten gebruiken voor hun rapportering de externe rapporteringscode PLF.

Ik verwijs ook naar de FAQ's hierover op de webstek van het Agentschap Binnenlands Bestuur: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/faq-bbc

2.4 Subsidies voor werkzoekenden in een traject tijdelijke werkervaring (TWE)

De VDAB kent sedert 2017 subsidies toe voor de begeleiding en de activering van werkzoekenden in een traject van tijdelijke werkervaring (TWE). Die nieuwe Vlaamse subsidie vervangt de vroegere RSZ-korting voor de tewerkstelling in artikel 60, § 7, van de O.C.M.W.-wet en bestaat uit een inspanningsvergoeding voor de financiering van de trajectbegeleiding en een compensatievergoeding voor de financiering van de tewerkstelling van een persoon tewerkgesteld in artikel 60, § 7, van de O.C.M.W.-wet.

De besturen schrijven die ontvangsten in als:
- werkingssubsidies op de algemene rekening 7405/9 "specifieke werkingssubsidies";
- op het beleidsveld 0904 "activering van tewerkstelling";
- met economischesectorcode 300 "Vlaamse overheid".

Voor meer informatie over de verwerking in de financiële rapportering verwijzen we naar de boekhoudfiche 3224 op de webstek van het Agentschap Binnenlands Bestuur: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/bbc-strategisch-en-financieel-beleid/boekhouding/boekhoudfiches/3-specifieke-ocmw-verrichtingen

De informatie over het beleidskader (het decreet van 9 december 2016 en het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2016 over tijdelijke werkervaring) en de specifieke regels over de financiering en de verantwoording ervan vindt u op de webstek van de VDAB: https://www.vdab.be/tijdelijkewerkervaring/financiering

2.5 Fiscale ontvangsten

Ik wil de besturen er opnieuw aan herinneren dat het van belang is om belasting- en retributiereglementen tijdig te vernieuwen. Dat is in de eerste plaats essentieel voor indirecte belastingen en retributies, die immers niet in werking mogen treden vóór de datum van hun bekendmaking.

Voor de aanvullende belasting op de personenbelasting (APB) en de opcentiemen op de onroerende voorheffing (OOV) is het vereist dat de besturen hun aanslagvoeten tijdig vaststellen en meedelen. Beide beslissingen moeten vóór 31 januari van het aanslagjaar genomen worden. De beslissing over de OOV moet bovendien uiterlijk op 1 maart van hetzelfde jaar per aangetekende brief meegedeeld worden aan de Vlaamse Belastingdienst (VLABEL).

Besturen die door uitzonderlijke omstandigheden de wettelijk of decretaal bepaalde data voor de vaststelling en mededeling van hun aanvullende belasting op de personenbelasting of opcentiemen op de onroerende voorheffing niet kunnen naleven, kunnen terugvallen op de noodregelingen die voorzien zijn in respectievelijk het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.

Artikel 468, vierde lid, laatste zin van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen vestigt in dat geval aanvullende personenbelastingen op grond van het percentage dat voor het betreffende bestuur van toepassing was in het vorige aanslagjaar.

Artikel 3.1.0.0.4, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit voorziet eenzelfde vangnet voor de opcentiemen op de onroerende voorheffing7.

2.5.1 OOV provincies en gemeenten: aanpassing n.a.v. gewijzigde taakstelling van de provincies

Het decreet van 18 november 2016 houdende de vernieuwde taakstelling en de gewijzigde financiering van de provincies (B.S van 13 december 2016) wijzigt, door een inkrimping van het takenpakket van de provincies, ook de financiering van het Gewest, de provincies en de gemeenten.

Om de overheveling van persoonsgebonden taken, bevoegdheden en instellingen naar het Vlaamse en gemeentelijke bestuursniveau te kunnen financieren, voorziet het decreet in een gedeeltelijke integratie van de provinciale opcentiemen onroerende voorheffing in de Vlaamse basisheffing. Vandaar dat de Vlaamse basisheffing vanaf het aanslagjaar 2018 stijgt van 2,5% naar 3,97% voor het basistarief en van 1,6% naar 2,54% voor het sociaal tarief (een verhoging met factor 1,5897).

Provinciale opcentiemen

De provinciale opcentiemen worden herrekend in functie van de gewijzigde taakstelling van de provincies en de verhoogde Vlaamse basisheffing. Die herrekening gebeurde op een wijze die de fiscale neutraliteit van de operatie voor elke belastingplichtige waarborgt. De opcentiemen die de provincies in de toekomst nog kunnen heffen, zijn voor de aanslagjaren 2018 tot en met 2022 begrensd.

De maximumtarieven voor elke provincie bedragen vanaf het aanslagjaar 2018:
- voor de provincie Antwerpen: 145,33 opcentiemen;
- voor de provincie Limburg: 214,52 opcentiemen;
- voor de provincie Oost-Vlaanderen: 148,47 opcentiemen;
- voor de provincie Vlaams-Brabant: 171,75 opcentiemen;
- voor de provincie West-Vlaanderen: 186,22 opcentiemen.

De provinciebesturen moeten in hun budget 2018 en hun aangepaste meerjarenplanning rekening houden met de minderopbrengsten uit de onroerende voorheffing ten gevolge van de begrenzing van het aantal opcentiemen.

Aan de provincies Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen wordt vanaf 2018 een voorwaardenvrije dotatie verstrekt (van respectievelijk 7.071.788,16 euro en 2.249.024,85 euro) om de kloof te dichten die het gevolg is van de gekozen vereveningsmechanismen.

Die provincies boeken die ontvangsten:
- als algemene financiering op het beleidsveld 0010 "algemene overdrachten tussen de verschillende bestuurlijke niveaus";
- op de algemene rekening 7402/4 "overige algemene werkingssubsidies";
- met economischesectorcode 300 "Vlaamse overheid".

Gemeentelijke opcentiemen

Daarnaast bevat het decreet van 18 november 2016 ook bepalingen over de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing8. De gemeenten moeten hun aantal opcentiemen op de onroerende voorheffing omrekenen om bij een verhoging van de Vlaamse gewesttarieven hetzelfde bedrag te ontvangen als met het huidige aantal gemeentelijke opcentiemen. Doen zij dat niet, dan zullen hun opbrengsten uit de onroerende voorheffing in dezelfde verhouding stijgen als de nieuwe gewesttarieven. Concreet moeten de huidige gemeentelijke opcentiemen voor een status quo van de ontvangsten gedeeld worden door 1,5897 (zie boven).

Vervolgens worden de opcentiemen afgerond op de volgende wijze:

a) hetzij tot maximum twee cijfers na de komma

Het laatste cijfer van het afgeronde getal (= het tweede cijfer na de komma) wordt als volgt bepaald:
- indien bij het af te ronden getal het derde cijfer na de komma een 0, 1, 2, 3 of 4 is, blijft het tweede cijfer na de komma van het afgeronde getal zoals het is;
- indien bij het af te ronden getal het derde cijfert na de komma een 5, 6, 7, 8 of 9 is, wordt het tweede cijfer na de komma van het afgeronde getal met 1 verhoogd.

b) hetzij tot op de eenheid vóór de komma

Het laatste cijfer van het afgeronde getal (= de eenheid) wordt als volgt bepaald:
- indien bij het af te ronden getal het cijfer direct na de komma een 0, 1, 2, 3 of 4 is, blijft het laatste cijfer van het afgeronde getal zoals het is;
- indien bij het af te ronden getal het cijfer direct na de komma een 5, 6, 7, 8 of 9 is, wordt het laatste cijfer van het afgeronde getal met 1 verhoogd.

De fiscale autonomie van de gemeenten blijft hoe dan ook volledig gevrijwaard, aangezien de gemeenteraden na de omrekening nog altijd volledig autonoom kunnen beslissen tot een verhoging of verlaging van het aantal gemeentelijke opcentiemen.

Als een gemeente de opbrengst van haar deel in de onroerende voorheffing wil wijzigen, geeft de gemeenteraad dat expliciet aan in zijn beslissing en vermeldt hij afzonderlijk:
- het aantal opcentiemen dat nodig is om de fiscale druk op hetzelfde niveau te behouden als voor het aanslagjaar 2017;
- het aantal opcentiemen dat voor het aanslagjaar 2018 daadwerkelijk wordt geheven.

De gemeentebesturen vinden op de webstek van het Agentschap Binnenlands Bestuur, op de pagina http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/node/251:
- een omrekeningstabel van hun aantal opcentiemen OV voor aanslagjaar 2017 naar 2018;
- een modelreglement tot aanpassing en vaststelling van hun opcentiemen OV;
- een bijbehorende FAQ.

2.5.2 APB

De federale regering keurde op 18 mei 2017 een voorontwerp van wet goed dat een doorlopend systeem van thesaurievoorschotten op de opbrengst van de APB invoert. Dit ontwerp is reeds goedgekeurd door de commissie Financiën van de federale kamer. Die thesaurievoorschotten zouden 80% van de geraamde ontvangsten APB van het aanslagjaar dekken en zouden gespreid worden over 8 maanden: de maanden september, oktober, november en december van het lopende aanslagjaar en de maanden januari, februari, maart en april van het kalenderjaar dat volgt op het aanslagjaar.

De voorschottenregeling zal in principe van toepassing zijn vanaf het aanslagjaar 2017.

Daarnaast zal de FOD Financiën voor alle gemeenten een informatiesysteem ontwikkelen, dat het volgende zal inhouden:
- 2 maal per jaar (juni/juli en oktober) een raming van de te verwachten ontvangsten;
- maandelijkse informatie over het verloop van de ontvangsten;
- een waarschuwingssysteem bij belangrijke geschillen die kunnen leiden tot terugbetalingen na ontheffing.

De gemeenten zullen dus maandelijks een overzicht krijgen dat het bedrag van de werkelijke ontvangsten APB en de administratiekosten bevat. Dat overzicht moet de gemeenten toelaten om hun werkelijke ontvangsten uit de APB op te volgen, omdat enkel deze in het budget van de gemeenten mogen worden opgenomen, met uitsluiting van de voorschotten. Die laatste zijn namelijk niet meer dan een alternatieve wijze van overdracht van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting van de federale overheid naar de gemeenten.

2.5.3 Andere aandachtspunten inzake fiscaliteit

Meer aandachtspunten inzake fiscaliteit kan u vinden op de webstek van het Agentschap Binnenlands Bestuur, op de volgende pagina: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/financiering/fiscaliteit

2.6 Ontvangsten gemeentelijke saneringsbijdrage en -vergoeding

Alle gelden die geïnd worden via de gemeentelijke saneringsbijdrage of saneringsvergoeding op de drinkwaterfactuur moeten ook besteed worden aan afvalwater-gelieerde activiteiten, zoals bepaald in omzendbrief LNE 2013/2. Daarom raad ik alle besturen aan om alle transacties die verband houden met de saneringsbijdrage en die in de rapportering voor de VMM moeten worden opgenomen, te boeken op specifieke subrekeningen. Dat vergemakkelijkt de opbouw van de specifieke rapportering ten aanzien van de VMM. Om eventuele `niet-bestede middelen' op de ontvangen saneringsbijdragen tot uitdrukking te brengen, kunnen besturen gebruik maken van de algemene rekeningen van de klasse 0. De manier waarop dat technisch kan gebeuren, wordt geïllustreerd in de boekhoudfiche 9001 (bestemde gelden) op de webstek van ABB: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/bbc-strategisch-en-financieel-beleid/boekhouding/boekhoudfiches/9-klasse-0

Ook voor de gelden die via een intergemeentelijk samenwerkingsverband worden geïnd en als dividend zouden worden uitgekeerd is dat een aandachtspunt. De concrete boekingswijze voor het systeem waarbij die dividenden worden uitgekeerd in een gemeentelijk investeringsfonds, dat als een vordering in de boeken van de gemeenten wordt opgenomen, kan u raadplegen op de webstek van het Agentschap Binnenlands Bestuur op http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/bbc-strategisch-en-financieel-beleid/boekhouding/boekhoudkundige-verwerking, onder boekingsschema fonds InterAqua.

2.7 Thesauriebewijzen op korte termijn

Sommige lokale besturen maken gebruik van financiering op korte termijn via de uitgifte van kortlopend schuldpapier op de kapitaalmarkt. Met het oog op de noodzakelijke financiële transparantie en gezien de impact op het financiële evenwicht, is een correcte en eenduidige verwerkingswijze van de kortlopende thesauriebewijzen in de planningsfase (budget en meerjarenplan) en in de uitvoeringsfase (boekhouding en jaarrekening) belangrijk. Op de webstek van ABB vindt u een document waarin de correcte verwerking van die thesauriebewijzen op korte termijn (minder dan 1 jaar) in de beleidsrapporten wordt toegelicht: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/bbc-strategisch-en-financieel-beleid/boekhouding/boekhoudkundige-verwerking

Het is van belang dat de besturen die dergelijke financiering gebruiken hiervan melding maken in het overzicht van de financiële risico's.

2.8 Financiering van overgehevelde provinciale instellingen

Steden en gemeenten die provinciale instellingen overnemen in het kader van de overheveling van de persoonsgebonden bevoegdheden van de provincies naar het lokale niveau, zullen voor de financiering daarvan de nodige middelen verkrijgen. De betrokken besturen zullen daarvan op de hoogte worden gebracht.

3. Uitgaven

3.1 Algemene evolutie van de personeelsuitgaven

In mei 2017 werd de spilindex voor de overheidswedden en sociale uitkeringen het laatst overschreden. Als gevolg daarvan werden de sociale uitkeringen in juni 2017 en de wedden van het overheidspersoneel in juli 2017 met 2% aangepast aan de gestegen levensduurte. Volgens de maandvooruitzichten van het Federaal Planbureau van juli 2017 zou er geen nieuwe overschrijding van de spilindex plaatsvinden in 2017 of 2018.

Het is wenselijk dat de besturen zelf de inflatievooruitzichten op geregelde tijdstippen raadplegen op de website van het Federale Planbureau: http://www.plan.be/databases/17-nl-indexcijfer+der+consumptieprijzen+inflatievooruitzichten

3.2 Uitgaven voor pensioenen

Voor de wettelijke pensioenen van de statutaire personeelsleden en de mandatarissen van de lokale besturen bestaan er verschillende stelsels. De correcte boekhoudkundige verwerking kan daardoor ook verschillen van het ene bestuur tot het andere. Op de webstek van het Agentschap Binnenlands bestuur is een nota beschikbaar met daarin opgenomen de boekhoudkundige vertaling van die uiteenlopende realiteiten: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/bbc-strategisch-en-financieel-beleid/boekhouding/boekhoudkundige-verwerking

De betrokken besturen moeten bij de opmaak van het budget rekening houden met de meest recente ramingen voor de te betalen responsabiliseringsbijdrage (extra bijdrage ter financiering van de pensioenen van de voormalige statutaire personeelsleden).

Voor de boekhoudkundige verwerking van de responsabiliseringsbijdragen verwijs ik naar de boekhoudfiche 1203 op de webstek van ABB: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/bbc-strategisch-en-financieel-beleid/boekhouding/boekhoudfiches/1-personeelskosten en naar de studie van de UGent hierover, die u vindt op: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/bbc-strategisch-en-financieel-beleid/boekhouding/boekhoudkundige-verwerking

3.3 Dotaties aan de hulpverleningszones

Vanaf 1 januari 2015 zijn de hulpverleningszones (brandweerzones) actief. De gemeentebesturen nemen in hun budget voor 2018 (en voor de daaropvolgende jaren) enkel nog de toelagen aan de zones op.

Dat kunnen zowel toelagen voor exploitatie als voor investeringen zijn, zoals wordt verduidelijkt in de desbetreffende FAQ op de webstek van het Agentschap Binnenlands Bestuur. Zie ook boekhoudfiche 6700 op dezelfde webstek: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/bbc-strategisch-en-financieel-beleid/boekhouding/boekhoudfiches/6-financiering

3.4 Verkiezingsuitgaven

Artikel 261 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 bepaalt welke kosten ten laste zijn van de provincies en welke ten laste van de gemeenten:

"Artikel 261.

§ 1. De verkiezingsuitgaven voor het verkiezingspapier zijn ten laste van het Vlaamse Gewest.

§ 2. Komen bij de gewone verkiezingen ten laste van de provincies:
1° het presentiegeld en de reisvergoeding waarop de leden van de kiesbureaus aanspraak kunnen maken, onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering;
2° de reiskosten voorgelegd door de kiezers die op de dag van de verkiezing niet meer in de gemeente verblijven waar ze als kiezers zijn ingeschreven, onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering;
3° de verzekeringspremies om de lichamelijke schade te dekken die voortvloeit uit ongevallen die de leden van de kiesbureaus zijn overkomen bij de uitoefening van hun ambt.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels volgens dewelke die risico's worden gedekt.

§ 3. Komen ten laste van de gemeenten:
1° de stembussen, schotten, lessenaars, omslagen en potloden die ze leveren volgens de door de Vlaamse Regering goedgekeurde modellen;
2° alle andere verkiezingsuitgaven."

De presentiegelden, de reiskosten en de verzekeringspremies zijn dus integraal ten laste van de provincies. De gemeentebesturen moeten instaan voor de residuaire kosten van de plaatselijke organisatie.

Verder is het gewone onderhoud van de stemcomputers ten laste van de gemeentebesturen.

De kosten verbonden aan de technische ondersteuning van de digitale stembureaus op de dag van de verkiezingen, zijn volledig ten laste van de Vlaamse overheid. Het Agentschap Binnenlands Bestuur zal een aantal opleidingssessies organiseren voor de voorzitters van de digitale stembureaus. Gemeenten kunnen er wel voor opteren om zelf bijkomende opleidingen in te richten.

Voor de voorzitters van stembureaus waar met potlood en papier wordt gestemd en de voorzitters van telbureaus kunnen de gemeenten op eigen initiatief informatiesessies inrichten.

4. Verplichtingen inzake bestuurlijk toezicht

4.1 Inzending beleidsrapport voor het bestuurlijk toezicht

De besturen moeten het dossier van het aangepaste meerjarenplan en het budget, onmiddellijk na het vaststellen door de raad en indien mogelijk voor 31 december 2017, ook aan de toezichthoudende overheid bezorgen (via het digitaal loket). Dat dossier moet identiek zijn aan wat aan de raadsleden is voorgelegd. Als er in het dossier dat aan de toezichthoudende overheid wordt bezorgd, bepaalde elementen ontbreken, zal de toezichthouder toetsen of die elementen aan de raadsleden werden voorgelegd. Als dat niet het geval is, kan dat leiden tot een schorsing of vernietiging.

4.2 Digitale rapportering

Naast de beleidsrapporten zelf bezorgen de besturen de gegevens van die beleidsrapporten in een digitaal bestand aan de Vlaamse overheid, hetzij via het daartoe bestemde luik van het digitaal loket van het Agentschap Binnenlands Bestuur, hetzij volautomatisch via een MFT-tool9. Voor de indiening van de aanpassing van het meerjarenplan moeten de besturen als status `herziening' en als rapportjaar `2014' meegeven, voor de indiening van het budget wordt status "origineel" en rapportjaar 2018 meegegeven. Ik wees hoger al op het belang van een perfecte aansluiting tussen de gegevens van die digitale rapportering en die van het beleidsrapport zelf.

Voor verdere toelichting over de procedure van de opmaak van het budget en de aanpassingen van het meerjarenplan verwijs ik naar omzendbrief BB 2013/4 en de webstek van het Agentschap Binnenlands Bestuur, waar zowel die omzendbrief als de huidige kunnen worden geraadpleegd: http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/home. Met bijkomende vragen kan u terecht op: bbcgop@vlaanderen.be

L. HOMANS,
Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding
_______
Nota's
1 http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/faq/bbc/uit-welke-onderdelen-bestaat-een-aanpassing-van-het-meerjarenplan, http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/faq/bbc/uit-welke-onderdelen-bestaat-het-budget,
http://lokaalbestuur.vlaanderen.be/faq/bbc/welke-informatie-wordt-opgenomen-de-toelichting-bij-het-budget
2 Bulletleningen zijn leningen waarbij het kapitaal volledig moet worden terugbetaald op de eindvervaldag. Balloonleningen zijn leningen waarbij het aflossingsschema berekend is op een langere looptijd (bv. 20 jaar) dan de werkelijke looptijd van de lening (bv. 10 jaar), waardoor een groot resterend kapitaal moet worden terugbetaald op de eindvervaldag.
3 Decreet van 2 december 2016 tot wijziging van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds en tot opheffing van het decreet van 13 december 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Stedenfonds (B.S. van 30 december 2016)
4 Arrest nr. 59/2017 van 18 mei 2017
5 Decreet van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse decreten houdende de subsidiëring aan de lokale besturen en tot wijziging van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds (B.S. van 24 juli 2015)
6 Besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2015 (B.S. van 29 december 2016)
7 Aan artikel 3.1.0.0.4, § 2, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 werd recent een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "Als de provincie-, agglomeratie- of gemeenteraad de opcentiemen op de onroerende voorheffing niet heeft vastgesteld of als een van de data of beide data, vermeld in het eerste lid, werden overschreden, zal de onroerende voorheffing worden gevestigd met toepassing van de opcentiemen die voor de provincie, gemeente of agglomeratie in kwestie van toepassing waren voor het voorafgaande aanslagjaar" (decreet van 14 juni 2017 houdende wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat de opcentiemen op de onroerende voorheffing betreft).
8 artikel 31 van het decreet van 18 november 2016 wijzigt artikel 2.1.4.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
9 "Managed File Transfer"