Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de erkenning en subsidiëring van de vertrouwenscentra kindermishandeling en de partnerorganisatie

Datum 17/11/2017

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1. Definities
  2. HOOFDSTUK 2. Erkenning
    1. Afdeling 1. Algemene bepalingen
    2. Afdeling 2. Missie
    3. Afdeling 3. Erkenningsvoorwaarden
      1. Onderafdeling 1. Algemene bepalingen
      2. Onderafdeling 2. Erkenningsvoorwaarden voor de vertrouwenscentra kindermishandeling
      3. Onderafdeling 3. Erkenningsvoorwaarden voor de partnerorganisatie
      4. Onderafdeling 4. Erkenningsvoorwaarden voor de vertrouwenscentra kindermishandeling en de partnerorganisatie
    4. Afdeling 4. Werking
  3. HOOFDSTUK 3. Subsidiëring
    1. Afdeling 1. Algemene bepalingen
    2. Afdeling 2. Subsidievoorwaarden
    3. Afdeling 3. Berekening van de subsidie
    4. Afdeling 4. De uitbetaling
  4. HOOFDSTUK 4. Toezicht en handhaving
    1. Afdeling 1. Algemene bepalingen
    2. Afdeling 2. Aanmaning, opheffing of onmiddellijke schorsing van de erkenning
    3. Afdeling 3. Vrijwillige stopzetting
    4. Afdeling 4. Terugvordering van de subsidie
  5. HOOFDSTUK 5. Erkenningsprocedure en bezwaarprocedure
    1. Afdeling 1. Erkenningsprocedure
      1. Onderafdeling 1. Aanvraag
      2. Onderafdeling 2. Toekenning
    2. Afdeling 2. Bezwaarprocedure
  6. HOOFDSTUK 6. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
  7. HOOFDSTUK 7. Slotbepalingen

Inhoud

(... - ...)

DE VLAAMSE REGERING,
Gelet op het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, artikel 14;
Gelet op het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, artikel 8, § 2, artikel 8/1, ingevoegd bij het decreet van 12 juli 2013, en artikel 12 en artikel 13, § 4, eerste lid;
Gelet op het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp, artikel 31;
Gelet op het decreet van 21 juni 2013 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, artikel 9;
Gelet op het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, artikel 42, § 2, artikel 68 en artikel 78, § 1, eerste lid;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2002 betreffende erkenning en subsidiëring van de vertrouwenscentra kindermishandeling;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 27 juni 2017;
Gelet op het advies 61.873/1/V van de Raad van State, gegeven op 29 september 2017, met toepassing van artikel 84, 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
Na beraadslaging,
Besluit :

HOOFDSTUK 1. Definities

Artikel 1. (18/04/2019- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° agentschap: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, vermeld in artikel 3 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie;
2° decreet van 12 juli 2013: het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;
3° dienstverlener: een dienstverlener als vermeld in artikel 2, § 1, 13°, van het decreet van 12 juli 2013;
4° kindermishandeling: kindermishandeling als vermeld in artikel 2, § 1, 32°, van het decreet van 12 juli 2013;
5° meldpunt "Geweld, Misbruik en Kindermishandeling": een meldpunt "Geweld, Misbruik en Kindermishandeling" als vermeld in artikel 3 van het decreet van 21 juni 2013 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
6° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;
7° partnerorganisatie: het geformaliseerde samenwerkingsverband tussen de zes vertrouwenscentra kindermishandeling dat wordt erkend en gesubsidieerd conform dit besluit;
8° vertrouwenscentrum kindermishandeling: een centrum dat erkend en gesubsidieerd wordt conform dit besluit.

HOOFDSTUK 2. Erkenning

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 2. (01/01/2018- ...)

Het agentschap beslist over de toekenning van een erkenning als vertrouwenscentrum kindermishandeling. Het agentschap erkent in elke provincie van het Nederlandse taalgebied en in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad één vertrouwenscentrum kindermishandeling.

Het werkingsgebied van het vertrouwenscentrum kindermishandeling bestaat uit de provincie of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad waarin het gelegen is.

De erkenning geldt voor vijf jaar.

Artikel 3. (01/01/2018- ...)

Het agentschap beslist over de toekenning van een erkenning als partnerorganisatie.

Het werkingsgebied van de partnerorganisatie bestaat uit het volledige Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

De erkenning geldt voor vijf jaar.

Afdeling 2. Missie

Artikel 4. (01/01/2018- ...)

Artikel 5 van het decreet van 12 juli 2013, van toepassing op de vertrouwenscentra kindermishandeling, is van overeenkomstige toepassing op de partnerorganisatie.

Artikel 5. (01/01/2018- ...)

De vertrouwenscentra kindermishandeling en de partnerorganisatie hebben in het kader van het thema kindermishandeling de volgende missie:
1° het detecteren van situaties van kindermishandeling;
2° het stoppen van de kindermishandeling en het installeren van veiligheid voor de betrokken minderjarigen;
3° het voorkomen van herhaling van de kindermishandeling voor de betrokken minderjarigen;
4° het nastreven van individueel en relationeel herstel voor de betrokken minderjarigen.
5° ten aanzien van kindermishandeling in de samenleving:
a) de effectieve sensibilisering van de samenleving voor de problematiek van kindermishandeling in Vlaanderen en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
b) de opbouw en de verspreiding van kennis en deskundigheid over kindermishandeling en de aanpak van kindermishandeling in Vlaanderen en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

Afdeling 3. Erkenningsvoorwaarden

Onderafdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 6. (01/01/2018- ...)

§ 1. Om erkend te worden dient het vertrouwenscentrum kindermishandeling te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden vermeld in de artikelen 7 tot en met 13 en in de artikelen 16 tot en met 23.

§ 2. Om erkend te worden dient de partnerorganisatie te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden vermeld in de artikelen 14 tot en met 23.

Onderafdeling 2. Erkenningsvoorwaarden voor de vertrouwenscentra kindermishandeling

Artikel 7. (01/01/2018- ...)

§ 1.Het vertrouwenscentrum kindermishandeling organiseert samen met de centra voor algemeen welzijnswerk meldpunten "Geweld, Misbruik en Kindermishandeling".

§ 2. Het vertrouwenscentrum kindermishandeling vervult als gemandateerde voorziening de volgende opdrachten:
1° de opdrachten voor kindermishandeling, vermeld in artikel 42, § 1, tweede lid, 1° en 2°, van het decreet van 12 juli 2013;
2° de opdrachten met een maatschappelijke noodzaak, vermeld in artikel 42, § 1, tweede lid, 3° tot en met 6°, van het voormelde decreet;
3° de ondersteuning en begeleiding van jeugdhulpaanbieders of andere personen en voorzieningen die jeugdhulpverlening aanbieden of dienstverleners, in het omgaan met situaties van kindermishandeling als ze het vertrouwenscentrum kindermishandeling daarom verzoeken.

In het eerste lid, 3°, wordt verstaan onder jeugdhulpaanbieder: een jeugdhulpaanbieder als vermeld in artikel 2, § 1, 27°, van het decreet van 12 juli 2013.

Artikel 8. (01/01/2018- ...)

De hulp- en zorgverlening van het vertrouwenscentrum kindermishandeling aan een gezin kan vraaggestuurd zijn of kan tot stand komen door een actieve benadering van het centrum. Als de aard van de situatie dat vereist, is de hulp- en zorgverlening aanklampend.

De hulp- en zorgverlening die wordt geboden ter uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 7, § 2, eerste lid, 1° en 3°, bestaat uit een breed palet aan activiteiten, in verband met onderzoek, indicatie, begeleiding, coördinatie, consult en doorverwijzing.

Artikel 9. (01/01/2018- ...)

Het vertrouwenscentrum kindermishandeling betrekt de ouders, de opvoedingsverantwoordelijken en de leefomgeving bij de hulp- en zorgverlening, rekening houdend met het belang van de minderjarige.

Artikel 10. (01/01/2018- ...)

§ 1. Onder voorbehoud van artikel 62 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp voorzien de vertrouwenscentra kindermishandeling voor de uitvoering van hun opdrachten in een laagdrempelige toegang, wat minstens inhoudt dat ze telefonisch bereikbaar zijn tijdens de kantooruren.

Naast de verplichting, vermeld in het eerste lid, verzekert minstens één vertrouwenscentrum kindermishandeling de elektronische toegang van de hulp- en dienstverlening van alle vertrouwenscentra voor minderjarigen via de chat. De vertrouwenscentra kindermishandeling bepalen in onderling overleg welk vertrouwenscentrum die taak op zich neemt. Indien de vertrouwenscentra kindermishandeling in onderling overleg niet tot overeenstemming komen, bepaalt de minister welk vertrouwenscentrum die taak op zich neemt. De minister kan de tijdstippen vastleggen waarop de chat bereikbaar moet zijn.

§ 2. De vertrouwenscentra kindermishandeling maken samen afspraken over hoe ze de laagdrempelige toegang, vermeld in paragraaf 1, concreet organiseren en bekendmaken en streven daarbij naar gelijkvormigheid.

Artikel 11. (01/01/2018- ...)

De vertrouwenscentra kindermishandeling voeren een beleid om in hun dienstverlening gevaarsituaties en grensoverschrijdend gedrag door hun medewerkers tegenover cliënten te voorkomen en in voorkomend geval aan te pakken. De vertrouwenscentra kindermishandeling melden elke voormelde situatie zo snel mogelijk aan het agentschap, zonder vermelding van persoonsgegevens.

Artikel 12. (01/01/2018- ...)

Het vertrouwenscentrum kindermishandeling werkt multidisciplinair en doet naargelang van de situatie een beroep op de inbreng van medische, psychologische, pedagogische, sociale en juridische of criminologische expertise.

Artikel 13. (01/01/2018- ...)

Het vertrouwenscentrum kindermishandeling werkt mee aan de registratie die het agentschap bepaalt om beleidsrelevante informatie te kunnen verzamelen. Hierbij worden geen persoonsgegevens verwerkt.

Onderafdeling 3. Erkenningsvoorwaarden voor de partnerorganisatie

Artikel 14. (01/01/2018- ...)

De partnerorganisatie kan alleen erkend worden als elk erkend vertrouwenscentrum kindermishandeling er lid van is.

Artikel 15. (01/01/2018- ...)

De partnerorganisatie draagt bij tot de sensibilisering van de samenleving voor de problematiek van kindermishandeling.

De partnerorganisatie voorziet in inhoudelijke en praktijkgerichte ondersteuning en ontwikkeling van de werking van de vertrouwenscentra kindermishandeling en draagt bij tot de inhoudelijke en praktijkgerichte ondersteuning van de werking van personen en voorzieningen die jeugdhulpverlening aanbieden en van dienstverleners, voor de gepaste omgang met kindermishandeling.

Onderafdeling 4. Erkenningsvoorwaarden voor de vertrouwenscentra kindermishandeling en de partnerorganisatie

Artikel 16. (01/01/2018- ...)

Het vertrouwenscentrum kindermishandeling en de partnerorganisatie zijn opgericht als een privaatrechtelijke vereniging met rechtspersoonlijkheid waarvoor het bij wet verboden is haar leden een vermogensvoordeel te bezorgen.

Artikel 17. (01/01/2018- ...)

Het vertrouwenscentrum kindermishandeling en de partnerorganisatie hebben in hun werking aandacht voor goed bestuur. Zij waken over de diversiteit in samenstelling, de deskundigheid, de opdrachten en de verantwoordelijkheden van de bestuursorganen.

Artikel 18. (01/01/2018- ...)

Het vertrouwenscentra kindermishandeling en de partnerorganisatie beschikken over toegankelijke en aangepaste infrastructuur om de opdrachten kwaliteitsvol uit te kunnen voeren.

Artikel 19. (01/01/2018- ...)

Het vertrouwenscentrum kindermishandeling en de partnerorganisatie beschikken over voldoende en voldoende opgeleide medewerkers.

Het vertrouwenscentrum kindermishandeling en de partnerorganisatie voorzien in de nodige ondersteuning, vorming, training, opleiding en supervisie van de medewerkers.

Artikel 20. (01/01/2018- ...)

Het vertrouwenscentra kindermishandeling en de partnerorganisatie beschikken over een klachtenprocedure. Die procedure wordt aan de gebruiker bekendgemaakt en garandeert binnen een redelijke termijn een antwoord op een klacht.

Artikel 21. (01/01/2018- ...)

Het vertrouwenscentrum kindermishandeling en de partnerorganisatie rapporteren jaarlijks over de werking en het kwaliteitsbeleid van de werking waarvoor ze erkend zijn. Het agentschap bepaalt de categorieën die gevraagd worden in de voormelde rapportage op basis van de in artikelen 7 tot en met 23 en artikelen 28 tot en met 30 bepaalde voorwaarden.

Artikel 22. (01/01/2018- ...)

Voor het vertrouwenscentrum kindermishandeling en de partnerorganisatie zijn de veiligheid en het belang van de betrokken minderjarigen altijd de belangrijkste aandachtspunten.

Artikel 23. (01/01/2018- ...)

Het vertrouwenscentrum kindermishandeling en de partnerorganisatie vragen voor de uitvoering van hun opdrachten, vermeld in artikel 7, geen vergoeding aan de cliënt.

Afdeling 4. Werking

Artikel 24. (01/01/2018- ...)

Het vertrouwenscentrum kindermishandeling kan zijn opdrachten, vermeld in artikel 7, § 2, eerste lid, samen met de andere erkende vertrouwenscentra kindermishandeling of met de partnerorganisatie uitvoeren.

Artikel 25. (01/01/2018- ...)

Het vertrouwenscentrum kindermishandeling kan binnen zijn opdrachten, vermeld in artikel 7, § 2, eerste lid, 1°, met het oog op vraagverheldering, meldingen doorverwijzen naar een meldpunt "Geweld, Misbruik en Kindermishandeling" als die meldingen niet gedaan werden door een van de volgende personen:
1° minderjarige personen;
2° personen en voorzieningen die jeugdhulpverlening aanbieden of dienstverleners.

Artikel 26. (01/01/2018- ...)

Het vertrouwenscentrum kindermishandeling kan in bijkomende tijden en kanalen voorzien voor de toegankelijkheid, zoals vermeld in artikel 10.

HOOFDSTUK 3. Subsidiëring

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 27. (01/01/2019- ...)

Het vertrouwenscentrum kindermishandeling en de partnerorganisatie, erkend conform dit besluit, ontvangen binnen de perken van de begrotingskredieten jaarlijks een algemene werkingssubsidie ter ondersteuning van de personeels- en werkingskosten.

Het agentschap kent voor de duur van de erkenning een subsidie toe als vermeld in het eerste lid.

Afdeling 2. Subsidievoorwaarden

Artikel 28. (01/01/2018- ...)

De subsidie wordt toegekend als het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° de erkenningsvoorwaarden die van toepassing zijn, vermeld in hoofdstuk 2, afdeling 3;
2° de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 2.

Artikel 29. (01/01/2018- ...)

Het vertrouwenscentrum kindermishandeling en de partnerorganisatie bezorgen jaarlijks het financieel verslag over het voorgaande werkingsjaar aan het agentschap, conform het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Artikel 30. (01/01/2018- ...)

§ 1. Als de subsidie de kosten ten laste van de subsidie overschrijdt, bouwt het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie een overschot ten laste van de subsidie op. Maximaal 20% van de jaarlijkse subsidie kan als overschot worden overgedragen naar het volgende jaar.

In het eerste lid wordt verstaan onder de kosten ten laste van de subsidie: een procentueel deel van de totale kosten van de gesubsidieerde werking, overeenkomstig het procentuele aandeel van de subsidie van het agentschap in de totale opbrengsten van de gesubsidieerde werking.

Een overschot als vermeld in het eerste lid, wordt gecompenseerd door een tekort. Het gecumuleerde overschot ten laste van de subsidie is, met uitzondering van het sociaal passief, maximaal 50% van de jaarlijkse subsidie. Voor de toepassing van deze bepaling wordt het sociaal passief beperkt tot 25% van de jaarlijkse personeelskosten.

§ 2. Het gecumuleerde overschot ten laste van de subsidie wordt door het agentschap berekend en bijgehouden, en wordt jaarlijks bij de saldoafrekening, vermeld in artikel 32, tweede lid, ter kennis gebracht van het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie.

§ 3. Als in het financieel verslag een staat van ontvangsten en uitgaven is opgenomen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, wordt voor de toepassing van dit artikel het woord "opbrengsten" gelezen als "ontvangsten" en wordt het woord "kosten" gelezen als "uitgaven".

Afdeling 3. Berekening van de subsidie

Artikel 31. (01/01/2020- ...)

§ 1. Voor de berekening van de subsidie die het vertrouwenscentrum kindermishandeling jaarlijks ontvangt, stelt de minister na overleg met de vertrouwenscentra kindermishandeling de criteria vast om het subsidiebedrag te bepalen. De minister houdt daarbij minstens rekening met:
1° het aantal minderjarigen in het werkingsgebied van het vertrouwenscentrum kindermishandeling, met uitzondering van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, waar 30 % van het aantal minderjarigen in rekening wordt genomen;
2° het aandeel minderjarigen in een kansarm gezin in dat werkingsgebied.

Er wordt voor elk vertrouwenscentrum kindermishandeling jaarlijks aanvullend een tegemoetkoming voor anciënniteitsontwikkeling vastgesteld, op basis van het verschil in gemiddelde anciënniteit van de personeelsleden van het vertrouwenscentrum kindermishandeling in het voorgaande jaar, in vergelijking met het basisjaar 2016.

§ 2. Onverminderd artikel 27, paragraaf 1, behoudt het vertrouwenscentrum kindermishandeling, vermeld in artikel 53, bij de berekening van het subsidiebedrag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, het volgende subsidiebedrag dat op dat vertrouwenscentrum kindermishandeling betrekking heeft:
1° vertrouwenscentrum kindermishandeling Antwerpen: 1.532.796,20 euro (een miljoen vijfhonderdtweeëndertigduizend zevenhonderdzesennegentig euro twintig cent);
2° vertrouwenscentrum kindermishandeling Brussel-Hoofdstad: 832.273,87 euro (achthonderdtweeëndertigduizend tweehonderddrieënzeventig euro zevenentachtig cent);
3° vertrouwenscentrum kindermishandeling Limburg: 939.868,20 euro (negenhonderdnegenendertigduizend achthonderdachtenzestig euro twintig cent);
4° vertrouwenscentrum kindermishandeling Oost-Vlaanderen: 1.165.011,10 euro (een miljoen honderdvijfenzestigduizend en elf euro tien cent);
5° vertrouwenscentrum kindermishandeling Vlaams-Brabant: 1.061.441,76 euro (een miljoen eenenzestigduizend vierhonderdeenenveertig euro zesenzeventig cent);
6° vertrouwenscentrum kindermishandeling West-Vlaanderen: 1.062.792,23 euro (een miljoen tweeënzestigduizend zevenhonderdtweeënnegentig euro drieëntwintig cent).

§ 3. De jaarlijkse aanvullende subsidie voor het vertrouwenscentrum kindermishandeling dat de elektronische toegang via de chat verzekert, vermeld in artikel 10, § 1, tweede lid, bedraagt 81.712,86 euro (eenentachtigduizend zevenhonderdentwaalf euro zesentachtig cent). Als de elektronische toegang via de chat door meer dan één vertrouwenscentrum kindermishandeling wordt verzekerd, bepaalt het agentschap na overleg met de betrokken vertrouwenscentra kindermishandeling de verdeling van de aanvullende subsidie over de betreffende vertrouwenscentra kindermishandeling.

§ 3/1. De jaarlijkse subsidie voor de partnerorganisatie bedraagt 94.691,34 euro (vierennegentigduizend zeshonderdeenennegentig euro vierendertig cent).

§ 4. De subsidies, vermeld in dit artikel, zijn gekoppeld aan de spilindex die van toepassing is op 1 januari 2019. De bedragen worden geïndexeerd conform de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De aanpassing wordt telkens gedaan vanaf de tweede maand die volgt op de maand waarin een spilindex wordt bereikt of erop wordt teruggebracht.

Afdeling 4. De uitbetaling

Artikel 32. (01/01/2018- ...)

Het agentschap betaalt uiterlijk op het einde van het eerste kwartaal van het jaar een voorschot uit van 90 % van het geraamde subsidiebedrag van dat jaar.

Voor het jaar waarin de subsidie wordt opgestart, wordt het voorschot uitbetaald na de kennisgeving van de beslissing tot toekenning van de subsidie conform artikel 46, derde lid.

Na de verwerking van het financieel verslag, vermeld in artikel 29, wordt het eventuele saldo van het subsidiebedrag uitbetaald. Als door de uitbetaling van het volledige saldo een van de maxima, vermeld in artikel 30, wordt overschreden, wordt het saldo verminderd met het bedrag dat de maxima overschrijdt. Het agentschap brengt het vertrouwenscentrum kindermishandeling en de partnerorganisatie op de hoogte van de voormelde saldoafrekening.

Artikel 33. (01/01/2018- ...)

Voor het jaar waarin de subsidie wordt opgestart en voor het jaar waarin de subsidie wordt stopgezet, wordt het subsidiebedrag dat toegekend zou worden voor een volledig jaar, verminderd naar evenredigheid van de werkelijke duur.

HOOFDSTUK 4. Toezicht en handhaving

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 34. (01/01/2018- ...)

Het agentschap volgt jaarlijks de werking van het vertrouwenscentrum kindermishandeling en de partnerorganisatie en de aanwending van de toegekende subsidie op aan de hand van de door het vertrouwenscentrum kindermishandeling en de partnerorganisatie aangeleverde rapportage, vermeld in artikel 21.

Naast de controle, vermeld in het eerste lid, evalueert het agentschap minstens om de vijf jaar de naleving van de erkenningsvoorwaarden en de aanwending van de toegekende subsidie door het vertrouwenscentrum kindermishandeling en de partnerorganisatie. Die evaluatie wordt minstens gedaan op basis van de rapportage, vermeld in artikel 21, en op basis van de bevindingen van Zorginspectie. Het agentschap kan daarnaast aan het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie alle stukken opvragen die met de erkenningsvoorwaarden en de aanwending van de toegekende subsidie verband houden.

In het tweede lid wordt verstaan onder Zorginspectie: Zorginspectie van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein.

Het agentschap bespreekt het resultaat van de evaluatie, vermeld in het tweede lid, met het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie. Op basis van die bespreking kan het agentschap in voorkomend geval gebruikmaken van een van de handhavingsinstrumenten, vermeld in afdeling 2.

Afdeling 2. Aanmaning, opheffing of onmiddellijke schorsing van de erkenning

Artikel 35. (01/01/2018- ...)

Als uit het toezicht, vermeld in afdeling 1, blijkt dat het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie niet meer aan een of meer erkenningsvoorwaarden voldoet, als de subsidie niet aangewend wordt voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend, of als het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie niet meewerkt aan de uitoefening van het toezicht of de uitoefening van het toezicht belemmert, maant het agentschap het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie met een aangetekende brief aan om de tekorten weg te werken of mee te werken aan de uitoefening van het toezicht.

Artikel 36. (01/01/2018- ...)

De aanmaning, vermeld in artikel 35, vermeldt:
1° de identificatie- en contactgegevens van het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie;
2° de motivering van de aanmaning;
3° de tekorten en de termijn waarin de tekorten weggewerkt moeten worden.

Gedurende de aanmaningstermijn kan de uitbetaling van de subsidie geheel of gedeeltelijk opgeschort worden.

Artikel 37. (01/01/2018- ...)

Als het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie de tekorten niet binnen de vooropgestelde termijn weggewerkt heeft, of als het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie de medewerking aan de uitoefening van het toezicht blijft weigeren of belemmeren, formuleert het agentschap binnen drie maanden na afloop van de termijn die is vastgelegd in de aanmaning, het voornemen tot opheffing van de erkenning.

Bij het voornemen tot opheffing van de erkenning kan de uitbetaling van de subsidie geheel of gedeeltelijk opgeschort worden.

Het voornemen tot opheffing van de erkenning wordt met een aangetekende brief bezorgd aan het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie. De aangetekende brief bevat, in voorkomend geval, de informatie over de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen.

Artikel 38. (01/01/2018- ...)

Als het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie binnen de vooropgestelde termijn geen bezwaarschrift indient, wordt, nadat die termijn verstreken is, het voornemen van het agentschap omgezet in een beslissing tot opheffing van de erkenning. Het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie wordt van de voormelde beslissing op de hoogte gebracht met een aangetekende brief.

Als het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie een ontvankelijk bezwaarschrift heeft ingediend, wordt de beslissing over de opheffing van de erkenning genomen nadat de bezwaarprocedure, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 2, doorlopen is.

Artikel 39. (01/01/2018- ...)

Het agentschap kan de erkenning van het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie onmiddellijk schorsen als de integriteit of de veiligheid van de betrokken gezinnen met kinderen door de werking van het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie aangetast wordt. De schorsing heeft directe uitwerking.

Het agentschap hoort zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vijf werkdagen het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie en neemt op basis daarvan een beslissing over de erkenning. De beslissing heeft betrekking op:
1° het behoud van de erkenning, in voorkomend geval met naleving van de opgelegde modaliteiten;
2° het voornemen tot opheffing van de erkenning, op de wijze, vermeld in artikel 37.

Het agentschap brengt het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie met een aangetekende brief op de hoogte van de beslissing, vermeld in het tweede lid.

Afdeling 3. Vrijwillige stopzetting

Artikel 40. (01/01/2018- ...)

Het vertrouwenscentrum kindermishandeling dat of de partnerorganisatie die wil overgaan tot de stopzetting van de erkende activiteiten, brengt het agentschap daar met een aangetekende brief van op de hoogte, minstens zes maanden vóór de effectieve stopzetting. Gedurende die termijn blijft het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie instaan voor de continuïteit van de dienstverlening.

Afdeling 4. Terugvordering van de subsidie

Artikel 41. (01/01/2018- ...)

De subsidie wordt teruggevorderd in de gevallen, vermeld in artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. Daarnaast kan het agentschap na de uitvoering van de aanmaningsprocedure de subsidie terugvorderen:
1° in de gevallen, vermeld in artikel 30 van dit besluit;
2° in geval van een stopzetting van de subsidie. In dat geval wordt het bedrag ten belope van de gecumuleerde overschotten teruggevorderd, met uitzondering van het sociaal passief.

De beslissing over de terugvordering van de subsidie wordt met een aangetekende brief bezorgd aan het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie.

Artikel 42. (01/01/2018- ...)

In afwijking van artikel 41, eerste lid, 1°, kan het agentschap afzien van een terugvordering van het overschreden bedrag als het vertrouwenscentrum kindermishandeling of de partnerorganisatie een aanwendings- of aanzuiveringsplan aan het agentschap kan voorleggen.

Het plan, vermeld in het eerste lid, wordt door het agentschap ter goedkeuring voorgelegd aan de Inspectie van Financiën van de Vlaamse overheid. De minister kan de verdere criteria waaraan het aanwendings- of aanzuiveringsplan moet voldoen en de precieze modaliteiten van de alternatieve aanwending bepalen.

HOOFDSTUK 5. Erkenningsprocedure en bezwaarprocedure

Afdeling 1. Erkenningsprocedure

Onderafdeling 1. Aanvraag

Artikel 43. (01/01/2018- ...)

Een aanvraag tot erkenning als vertrouwenscentrum kindermishandeling of als partnerorganisatie is ontvankelijk als de aanvraag:
1° aangetekend wordt verstuurd;
2° de gegevens bevat die nodig zijn om een beslissing te nemen over de toekenning of de weigering van de erkenning.

Artikel 44. (01/01/2018- ...)

§ 1. Als de aanvraag onontvankelijk is, brengt het agentschap de aanvrager daarvan op de hoogte binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag tot erkenning.

§ 2. Het agentschap behandelt de ontvankelijke aanvraag binnen een termijn van drie maanden.

Het agentschap kan aanvullende informatie vragen aan de aanvrager. De aanvrager bezorgt de gevraagde aanvullende informatie aan het agentschap binnen dertig dagen. Tijdens die periode wordt de beslissingstermijn geschorst.

Onderafdeling 2. Toekenning

Artikel 45. (01/01/2018- ...)

Het agentschap bezorgt de beslissing over de aanvraag tot erkenning als vertrouwenscentrum kindermishandeling of als partnerorganisatie uiterlijk na afloop van de termijn, vermeld in artikel 44, § 2, eerste lid, aan de aanvrager.

Artikel 46. (01/01/2018- ...)

De beslissing, vermeld in artikel 45, heeft betrekking op een van de volgende gevallen:
1° het voornemen tot weigering van de erkenning als vertrouwenscentrum kindermishandeling of als partnerorganisatie;
2° de toekenning van de erkenning als vertrouwenscentrum kindermishandeling of als partnerorganisatie.

Het agentschap brengt de aanvrager met een aangetekende brief op de hoogte van het voornemen tot weigering van een erkenning als vertrouwenscentrum kindermishandeling of als partnerorganisatie, vermeld in het eerste lid, 1°. Die aangetekende brief bevat, in voorkomend geval, de informatie over de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen.

Het agentschap brengt de aanvrager met een aangetekende brief op de hoogte van de beslissing tot toekenning, vermeld in het eerste lid, 2°. Die aangetekende brief bevat minstens de beslissing en de begindatum van de erkenningsperiode.

Artikel 47. (01/01/2018- ...)

Als de aanvrager binnen de vooropgestelde termijn geen bezwaarschrift indient, wordt, nadat die termijn verstreken is, het voornemen van het agentschap van rechtswege omgezet in een beslissing tot weigering van de erkenning als vertrouwenscentrum kindermishandeling of als partnerorganisatie.

Afdeling 2. Bezwaarprocedure

Artikel 48. (01/01/2018- ...)

Binnen dertig dagen nadat de aangetekende brief, vermeld in artikel 37 en 46, is verstuurd, kan de organisator een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het agentschap in een van de volgende gevallen:
1° bij een voornemen tot weigering van een erkenning als vertrouwenscentrum kindermishandeling of als partnerorganisatie;
2° bij een voornemen tot opheffing van een erkenning als vertrouwenscentrum kindermishandeling of als partnerorganisatie.

Artikel 49. (01/01/2018- ...)

Het bezwaarschrift, vermeld in artikel 48, is ontvankelijk als het:
1° met een aangetekende brief is ingediend;
2° binnen de vooropgestelde termijn is ingediend;
3° gemotiveerd is.

Artikel 50. (01/01/2018- ...)

Het agentschap bezorgt het ontvankelijke bezwaarschrift, samen met het volledige administratieve dossier en de toepasselijke regelgeving, binnen vijftien dagen na de ontvangst ervan aan het secretariaat van de Adviescommissie, vermeld in artikel 12 van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers. Het bezwaar, het advies en de uiteindelijke beslissing over de erkenning als vertrouwenscentrum kindermishandeling of als partnerorganisatie wordt verder behandeld volgens de regels die zijn vastgesteld bij of ter uitvoering van hoofdstuk III van het voormelde decreet.

HOOFDSTUK 6. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Artikel 51. (01/01/2018- ...)

In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, wordt punt 15° vervangen door wat volgt:
"15° besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2017 betreffende de erkenning en subsidiëring van de vertrouwenscentra kindermishandeling en de partnerorganisatie;".

HOOFDSTUK 7. Slotbepalingen

Artikel 52. (01/01/2018- ...)

Het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2002 betreffende erkenning en subsidiëring van de vertrouwenscentra kindermishandeling, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015, wordt opgeheven.

Artikel 53. (01/01/2018- ...)

De vertrouwenscentra kindermishandeling die bij de inwerkingtreding van dit besluit erkend zijn met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2002 betreffende erkenning en subsidiëring van de vertrouwenscentra kindermishandeling zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit, krijgen een voorlopige erkenning.

De voorlopige erkenning van een vertrouwenscentrum kindermishandeling, vermeld in het eerste lid, wordt omgezet in een definitieve erkenning zodra het aan de voorwaarden van dit besluit voldoet. Het vertrouwenscentrum kindermishandeling krijgt daarvoor maximaal een jaar de tijd.

Artikel 54. (01/01/2018- ...)

Het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen treedt voor de vertrouwenscentra kindermishandeling in werking op 1 januari 2018.

Artikel 55. (01/01/2018- ...)

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2018.

Artikel 56. (01/01/2018- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.