Ministerieel besluit tot uitvoering van artikel 13 en 51 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling

Datum 20/02/2018

Inhoud

(... - ...)

DE VLAAMS MINISTER VAN BINNENLANDS BESTUUR, INBURGERING, WONEN, GELIJKE KANSEN EN ARMOEDEBESTRIJDING
DE VLAAMSE MINISTER VAN WERK, ECONOMIE, INNOVATIE EN SPORT
Gelet op het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, artikel 7;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, artikel 13 en 51;
Gelet op het advies van de VDAB, gegeven op 20 maart 2017;
Gelet op het advies van de SERV, gegeven op 31 juli 2017;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 27 juni 2017;
Gelet op advies 62.054/1van de Raad van State, gegeven op 28 september 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973,
Besluit :

Artikel 1. (01/01/2019- ...)

De lijst met indicaties, vermeld in artikel 7, derde lid, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling wordt aangehecht als bijlage bij dit besluit.

Artikel 2. (01/01/2019- ...)

§ 1. De personen, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling zijn bij hun aanwerving gerechtigd op de ondersteuningsgraad, vermeld in artikel 50, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling.

§ 2. De personen, vermeld in artikel 12, tweede lid, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling zijn bij hun aanwerving gerechtigd op de ondersteuningsgraad, vermeld in artikel 50, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling.

§ 3. In afwijking van paragrafen 1 en 2, zijn de hiernavolgende personen gerechtigd op de ondersteuningsgraad, vermeld in artikel 50, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling:
1° de personen met een arbeidshandicap die buitengewoon secundair onderwijs met opleidingsvorm 1 of 2 gevolgd hebben;
2° de personen met een arbeidshandicap die tot de groep van personen met een matig verstandelijke beperking behoren, en waarbij de persoonlijke score gelijk aan of lager is dan 3 standaarddeviaties beneden de gemiddelde score;
3° de personen met een significante beperking in het intellectuele functioneren die wordt vastgesteld op basis van een erkende, gestandaardiseerde, individueel afgenomen en breed dekkende intelligentietest, en waarbij de persoonlijke score gelijk aan of lager is dan 2 standaarddeviaties beneden de gemiddelde score;
4° de personen met een arbeidshandicap die recht hebben op verhoogde kinderbijslag krachtens artikel 47 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, of krachtens artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van zelfstandigen, als ze bij de evaluatie van de zelfredzaamheid ten minste 4 punten krijgen conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies, 62, § 3, en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen, van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 augustus 1991 tot uitvoering van de artikelen 20, §§ 2 en 3, 26 en 35 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag, ten voordele van de zelfstandigen, en van artikel 23 van het koninklijk besluit van 21 februari 1991 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen;
5° de personen met een arbeidshandicap die krachtens de wetgeving op de tegemoetkomingen aan gehandicapten erkend werden als rechthebbende op een integratietegemoetkoming en voor wie de graad van zelfredzaamheid op ten minste 9 punten werd vastgesteld krachtens de bepalingen van het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming;
6° de personen met een arbeidshandicap die ofwel minstens twee jaar onafgebroken in een psychiatrische voorziening of erkende beschutte woonvorm opgenomen zijn, ofwel in de loop van de twee jaar die aan de toekenning van het statuut van zwakke werknemer voorafgaan, minstens drie keer in een psychiatrische voorziening opgenomen werden, ofwel door een blijvend cognitief functieverlies ten gevolge van psychiatrische aandoeningen die voorkomen in de limitatieve opsomming van bepaalde aandoeningen uit de medische stoorniscodelijst voor arbeidsbeperking van de VDAB, deskundige psychiatrische behandeling behoeven en sedert minstens een jaar onder regelmatig medisch toezicht staan;
7° de personen die op basis van het wetenschappelijk gevalideerde ICF-indiceringsinstrument ontwikkeld door de VDAB voldoen aan volgende criteria: minimaal vijf problemen wat betreft arbeidsmatige zelfredzaamheid:
1) oplossen van problemen;
2) besluiten nemen;
3) cognitieve flexibiliteit;
4) tijdsmanagement;
5) ontwikkelen van vaardigheden;
6) vertrouwen;
7) omgaan met stress;
8) psychische stabiliteit;
9) copingstijl;
10) werktempo;
11) aandacht.

§ 4. De vaststelling gebeurt aan de hand van de volgende stukken:
1° voor de personen, vermeld § 3, 1° : een attest of verklaring van de laatst bezochte buitengewone onderwijsinstelling;
2° voor de personen, vermeld in § 3, 2° : een multidisciplinair verslag, of een attest van een door de VDAB erkende instantie, opgemaakt binnen een periode van 5 jaar tot bepaling van het recht op ondersteuningsgraden, waaruit blijkt dat de persoon met een arbeidshandicap een intelligentiequotiënt heeft dat gelijk is aan of minder dan 55;
3° voor de personen, vermeld in § 3, 3° : een multidisciplinair verslag, of een attest van een door de VDAB erkende instantie, opgemaakt binnen een periode van 5 jaar tot bepaling van het recht op de ondersteuningsgraden, waaruit blijkt dat de persoon met een arbeidshandicap een intelligentiequotiënt heeft dat gelijk is aan of minder dan 70;
4° voor de personen, vermeld in § 3, 4° : een attest van de instelling die de kinderbijslag uitbetaalt, waaruit blijkt dat de aanvrager aan de in dit artikel bepaalde voorwaarden voldoet;
5° voor de personen, vermeld in § 3, 5° : een attest of een kopie van de beslissing van de dienst voor tegemoetkomingen aan personen met een handicap, waaruit blijkt dat de aanvrager aan de in dit artikel bepaalde voorwaarden voldoet;
6° voor de personen, vermeld in § 3, 6° : een attest van de psychiatrische voorzieningen, van de dienst voor beschut wonen of van een geneesheer-specialist in de psychiatrie of in de neuropsychiatrie waaruit blijkt dat de aanvrager aan de in dit artikel bepaalde voorwaarden voldoet.
7° voor de personen, vermeld in § 3, 7° : een attest van de VDAB.

Artikel 3. (01/01/2019- ...)

Het ministerieel besluit van 26 maart 2015 tot uitvoering van artikel 13 en 51 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling en het artikel 13 van het besluit tot uitvoering van het decreet lokale diensteneconomie van 22 november 2013 wordt opgeheven.

Artikel 4. (01/01/2019- ...)

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019.

BIJLAGE (01/01/2019- ...)

Bijlage tot bepaling van de categorieën van het indiceringsinstrument die de VDAB hanteert bij de motivering en toekenning van ondersteuning in het kader van maatwerk bij collectieve inschakeling
 

I. Functies
1.Inschikkelijkheid
2. Nauwgezetheid
3. Psychische stabiliteit
4. Vertrouwen
5. Betrouwbaarheid
6. Motivatie
7. Hunkering
8. Driftbeheersing
9. Aandacht
10 Tijdmanagement
11. Cognitieve flexibiliteit
12. Inzicht
13. Algemeen fysiek uithoudingsvermogen
14. Pijngewaarwording
II. Activiteiten en participatie
15. Ontwikkelen van vaardigheden
16. Toepassen van kennis (niet anders gespecifieerd)
17. Rekenen
18. Oplossen van problemen
19. Besluiten nemen
20. Omgaan met stress
21. Mobiliteit
22. Verzorgen van lichaamsdelen
23. Zorgdragen voor eigen gezondheid
24. Verwerven van woonruimte
25. Aangaan van relaties
26. Economische zelfstandigheid
27. Sociale activiteiten
III. Omgevingsfactoren of externe factoren
28. Ondersteuning en relatie met de naaste familie
29. Ondersteuning en relatie met vrienden
30. ondersteuning en relatie met collega's
31. Ondersteuning en relatie met meerderen
32. Ondersteuning en relatie met andere dienstverleners
33. Maatschappelijke attitudes
34. Producten en technologie
IV. Persoonlijke factoren
35. Werkervaring
36. Opleiding
37. Gezinslast
38. Copingsstijl
39. Kennis van de Nederlandse taal
40. Medische factoren
V. Andere werkvaardigheden
41. Fijne motoriek
42. Grove motoriek
43. Werktempo