Artikel 1. ( 01/07/2018 - ... )
Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Artikel 2. ( 01/07/2018 - 30/12/2026 )
In dit decreet wordt verstaan onder:
1° terugkommoment: de opleiding die houders van een rijbewijs categorie B na het behalen van het rijbewijs moeten volgen met als doel het inzicht in en de beheersing van verkeersrisico's, de basisstelregels bij ongevallen en de zelfreflectie te verhogen;
2° erkende instelling: het centrum dat erkend is om het terugkommoment te organiseren;
3° toezichthouder: de personeelsleden belast met het toezicht op de naleving van het terugkommoment;
4° handhavingsinstantie: de personeelsleden belast met het opleggen van een bestuurlijke boete wegens het niet volgen van het terugkommoment.
Artikel 3. ( 01/07/2018 - ... )
Het territoriale toepassingsgebied van dit decreet strekt zich uit tot elke persoon die bij afloop van de termijn tijdens dewelke het terugkommoment moet worden gevolgd, is ingeschreven in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van een Vlaamse gemeente.
Artikel 4. ( 01/07/2018 - ... )
Binnen een termijn, bepaald door de Vlaamse Regering en uiterlijk twee jaar nadat hij zijn rijbewijs heeft behaald, is de houder van een rijbewijs B ertoe gehouden een terugkommoment te volgen bij een erkende instelling. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van het terugkommoment.
De verplichting om een terugkommoment te volgen, geldt voor zover de in artikel 3 bedoelde personen een rijbewijs B afgeleverd kregen door een Vlaamse gemeente.
Artikel 5. ( 01/07/2018 - ... )
Elke persoon die het terugkommoment volgt, is een vergoeding verschuldigd. De Vlaamse Regering bepaalt aan wie de vergoeding toekomt en stelt het bedrag en de wijze van inning vast. De Vlaamse Regering kan inzonderheid erin voorzien dat toeslagen verschuldigd zijn wanneer een bestuurder zich laattijdig aanbiedt om het terugkommoment te volgen.
Artikel 6. ( 01/07/2018 - 30/12/2026 )
De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de toekenning, weigering, verlenging, schorsing en intrekking van de erkenning van de instellingen die het terugkommoment organiseren.
Artikel 6/1. ( 04/07/2019 - ... )
De instelling die een erkenning wenst te bekomen, is bij de aanvraag tot erkenning en hierna jaarlijks, zolang de erkenning behouden blijft, een retributie verschuldigd.
De lesgever die een onderdeel van het terugkommoment wenst te geven en hiertoe een erkenning wenst te bekomen, is bij de aanvraag tot erkenning een retributie verschuldigd.
De Vlaamse Regering stelt de bedragen van deze retributies alsook de wijze waarop aan de retributie moet worden voldaan, vast.
Artikel 7. ( 01/07/2018 - ... )
De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen waaronder subsidies verleend worden aan de erkende instellingen voor de organisatie van het terugkommoment.
Artikel 7/1. ( 04/07/2019 - 30/12/2026 )
Zowel de erkende instellingen als de lesgevers die erkend zijn om een onderdeel van het terugkommoment te geven, kunnen door inspecteurs gecontroleerd worden op de naleving van de bepalingen van dit decreet en van zijn uitvoeringsbesluiten.
De nadere regels betreffende deze controle en de aanwijzing van de inspecteurs die deze controle verrichten, worden bepaald door de Vlaamse Regering.
Artikel 7/2. ( 04/07/2019 - 30/12/2026 )
Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de inspecteurs, vermeld in artikel 7/1 van dit decreet, beslissen de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de inspecteurs, vermeld in artikel 7/1 van dit decreet, en op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast.
De persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die los staan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen de termijn van een maand na ontvangst van het verzoek, over elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De informatie over de weigering of beperking hoeft niet te worden verstrekt als de verstrekking daarvan de decretale en reglementaire opdrachten van de inspecteurs, vermeld in artikel 7/1 van dit decreet, zou ondermijnen, met behoud van het achtste lid. Indien nodig kan die termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig artikel 10/5, van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voornoemde Vlaamse toezichtcommissie.
Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid bevat, is verzonden naar het Openbaar Ministerie en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.
Artikel 7/3.
Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".
( 31/12/2026 - ... )§1. Het bestuur kan de erkenning als instelling die het terugkommoment organiseert, volledig of gedeeltelijk schorsen of opheffen als niet of niet langer voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
De schorsing wordt beëindigd volgens de modaliteiten die in de beslissing tot schorsing worden bepaald.
§2. Het bestuur kan de erkenning als lesgever die een onderdeel van het terugkommoment geeft, volledig of gedeeltelijk schorsen of opheffen als niet of niet langer voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
De schorsing wordt beëindigd volgens de modaliteiten die in de beslissing tot schorsing worden bepaald.
§3. De houder van de erkenning als instelling die het terugkommoment organiseert of de erkenning als lesgever die een onderdeel van het terugkommoment geeft, wordt in geval van de toepassing van paragraaf 1 en 2 met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van het initiatief tot schorsing of opheffing. De betrokkene wordt op zijn verzoek gehoord.
In het eerste lid wordt verstaan onder beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
1° een aangetekende brief;
2° een afgifte tegen ontvangstbewijs;
3° elke andere betekeningswijze die de Vlaamse Regering bepaalt, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.
§4. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden en nadere regels bepalen voor de schorsing of de opheffing, vermeld in dit artikel.
Artikel 7/4.
Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".
( 31/12/2026 - ... )Als een erkenning als instelling die het terugkommoment organiseert of de erkenning als lesgever die een onderdeel van het terugkommoment geeft, conform artikel 7/3 wordt geschorst of opgeheven, maakt het bestuur dat bekend op zijn website. De voormelde informatie kan tot maximaal zes maanden na afloop van de schorsing of tot maximaal zes maanden na de beslissing dat een erkenning wordt opgeheven, beschikbaar blijven op de website.
In de bekendmaking, vermeld in het eerste lid, vermeldt het bestuur de volgende gegevens:
1° de soort erkenning die is geschorst of opgeheven;
2° de volgende gegevens als het een lesgever betreft:
a) de naam en de voornaam;
b) het adres;
3° de volgende gegevens als het een instelling betreft:
a) de commerciële naam;
b) de maatschappelijke zetel;
c) het ondernemingsnummer;
d) het adres van het oefenterrein;
e) het adres van het leslokaal;
4° de datum van de beslissing tot schorsing of opheffing;
5° het nummer van de erkenning die is geschorst of opgeheven.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en nadere regels voor de bekendmaking, vermeld in het eerste lid.
Artikel 8. ( 04/07/2019 - 30/12/2026 )
Iedereen die het terugkommoment, vermeld in artikel 4, niet tijdig volgt, wordt gestraft met een geldboete van 50 euro tot 500 euro.
De strafvordering die het gevolg is van dit misdrijf, verjaart twee jaar na de dag waarop het misdrijf is begaan, onverminderd een eventuele stuiting of schorsing.
Artikel 9. ( 01/07/2018 - 30/12/2026 )
§ 1. Aan iedereen die het terugkommoment, vermeld in artikel 4, niet tijdig volgt, kan een bestuurlijke geldboete van maximaal 500 euro worden opgelegd.
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten, vermeld in artikel 8, eerste lid.
§ 2. De bevoegdheid om een bestuurlijke geldboete op te leggen, vervalt twee jaar na de dag waarop het misdrijf, vermeld in artikel 8, eerste lid, is begaan.
Artikel 10. ( 01/07/2018 - 30/12/2026 )
§ 1. De Vlaamse Regering wijst de toezichthouders alsook de handhavingsinstantie aan.
§ 2. Als de toezichthouder vaststelt dat het terugkommoment niet tijdig gevolgd is, stuurt hij de vermoedelijke overtreder binnen een maand nadat hij het terugkommoment moest volgen, een aanmaning.
Als de vermoedelijke overtreder het terugkommoment alsnog volgt binnen twee maanden nadat de aanmaning, vermeld in het eerste lid, verstuurd is, vervalt de bevoegdheid om een bestuurlijke geldboete op te leggen en hoeft de toezichthouder de procureur des Konings niet op de hoogte te brengen van het misdrijf, vermeld in artikel 8, eerste lid.
§ 3. Als de vermoedelijke overtreder het terugkommoment niet volgt binnen twee maanden nadat de aanmaning, vermeld in paragraaf 1, verstuurd is, stelt de toezichthouder het misdrijf, vermeld in artikel 8, eerste lid, en artikel 9, § 1, vast in een proces-verbaal waarvan de nadere voorwaarden worden vastgesteld door de Vlaamse Regering.
De toezichthouder bezorgt het proces-verbaal onmiddellijk aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied van de woonplaats van de vermoedelijke overtreder. De toezichthouder verzoekt de procureur des Konings om zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het misdrijf. Tegelijkertijd bezorgt de toezichthouder een kopie van het proces-verbaal aan de handhavingsinstantie.
§ 4. De procureur des Konings beschikt over een vervaltermijn van twee maanden om zijn voornemen om al dan niet strafvervolging in te stellen, mee te delen aan de handhavingsinstantie. De voormelde termijn gaat in op de derde werkdag nadat de kennisgeving, vermeld in artikel 10, § 3, tweede lid, is verzonden. Onder werkdag wordt verstaan elke dag, uitgezonderd zaterdag, zondag en feestdag.
Als de procureur des Konings tijdig zijn voornemen om strafvervolging in te stellen, meedeelt, vervalt de mogelijkheid om een bestuurlijke geldboete op te leggen.
Als de procureur des Konings tijdig zijn voornemen om geen strafvervolging in te stellen, meedeelt, vervalt de strafvervolging en kan een bestuurlijke geldboete worden
opgelegd.
Als de procureur des Konings zijn beslissing niet tijdig meedeelt, vervalt de mogelijkheid om strafvervolging in te stellen en kan een bestuurlijke geldboete worden opgelegd.
Artikel 11. ( 01/07/2018 - 30/12/2026 )
§ 1. Na de ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings om geen strafvervolging in te stellen of in geval van het uitblijven van een antwoord van de procureur des Konings binnen de vervaltermijn, vermeld in artikel 10, § 4, eerste lid, brengt de handhavingsinstantie binnen een maand de vermoedelijke overtreder op de hoogte van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, en bezorgt ze hem een kopie van het proces-verbaal.
De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een maand die volgt op de kennisgeving van het bericht, vermeld in het eerste lid, schriftelijk zijn verweer mee te delen.
Binnen vier maanden na de kennisgeving van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, vermeld in het eerste lid, beslist de handhavingsinstantie of ze een bestuurlijke geldboete oplegt.
De handhavingsinstantie brengt de vermoedelijke overtreder binnen tien dagen op de hoogte van haar beslissing.
§ 2. De beslissing om een bestuurlijke geldboete op te leggen, heeft uitvoerbare kracht na het verstrijken van een maand vanaf de dag van de kennisgeving, behalve als jurisdictioneel beroep wordt aangetekend conform paragraaf 3.
§ 3. Tegen de beslissing waarbij een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, kan degene aan wie de boete is opgelegd, beroep instellen met een geschreven verzoekschrift bij de politierechtbank, volgens de burgerlijke procedure, binnen een maand na de kennisgeving van de beslissing.
De politierechtbank beslist over het beroep dat ingesteld is tegen de bestuurlijke geldboete. Ze oordeelt over de wettelijkheid en de proportionaliteit van de opgelegde bestuurlijke geldboete. Ze kan de opgelegde bestuurlijke geldboete bevestigen of herzien. Ze kan tevens uitstel van de tenuitvoerlegging toestaan op dezelfde wijze als het strafgerecht dat zou kunnen. De beslissing van de politierechtbank is niet vatbaar voor hoger beroep.
Als beroep wordt ingesteld tegen de beslissing van de handhavingsinstantie, kan een personeelslid van die instantie de handhavingsinstantie vertegenwoordigen in het kader van de procedure voor de politierechtbank.
§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van inning van de bestuurlijke geldboete.
De vordering tot voldoening van de bestuurlijke geldboete verjaart vijf jaar na de dag waarop ze is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 tot en met 2250 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 11/1. ( 01/01/2026 - ... )
§1. Het bestuur verzamelt de volgende gegevens in een gegevensbank:
1° alle informatie over het voorlopig rijbewijs B en het rijbewijs B van de personen die het terugkommoment moeten volgen conform artikel 3 en 4 van dit decreet;
2° alle informatie over de personen die het terugkommoment moeten volgen conform artikel 3 en 4 van dit decreet;
3° alle informatie over de aanvragen tot uitstel om te voldoen aan de verplichting om het terugkommoment te volgen en de genomen beslissingen;
4° alle informatie over de te organiseren terugkommomenten en ook alle informatie over de georganiseerde terugkommomenten en de deelnemers, met inbegrip van de uitgereikte getuigschriften of attesten;
5° alle informatie in het kader van aanvragen om erkend te worden als instelling die het terugkommoment organiseert;
6° alle informatie over de uitgereikte erkenningen en goedkeuringen aan instellingen die het terugkommoment organiseren en over de instellingen waaraan ze zijn uitgereikt, vermeld in artikel 2, 2°, van dit decreet en ook alle informatie over de verantwoordelijken van de instellingen;
7° alle informatie in het kader van aanvragen om erkend te worden als lesgever die een onderdeel van het terugkommoment geeft;
8° alle informatie over de uitgereikte erkenningen aan lesgevers die een onder deel van het terugkommoment geven en over de lesgevers aan wie ze zijn uitgereikt;
9° alle informatie over de goedkeuring van opleidingen en bijscholingen door opleidingsverstrekkers;
10° alle informatie over de geweigerde aanvragen tot erkenning en goedkeuring en de reden van weigering, met inbegrip van strafrechtelijke veroordelingen;
11° alle informatie over de opleidingen en bijscholingen waaraan de lesgevers die een onderdeel van het terugkommoment geven of willen geven, deelnemen, met inbegrip van de uitgereikte getuigschriften of attesten;
12° alle informatie over de geschorste erkenningen, de datum waarop de beslissing tot schorsing is genomen en de reden ervan, met inbegrip van strafrechtelijke veroordelingen;
13° alle informatie over de opgeheven erkenningen, de datum waarop de beslissing tot opheffing is genomen en de reden ervan, met inbegrip van strafrechtelijke veroordelingen;
14° alle informatie over de retributies door de instellingen die het terugkommoment organiseren en de lesgevers die een onderdeel van het terugkommoment geven;
15° alle informatie over de subsidies voor de instellingen die het terugkommoment organiseren;
16° alle informatie over het toezicht, de vaststellingen, de sancties en de maatregelen ter uitvoering van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
17° de contactgegevens en identificatiegegevens, met inbegrip van handtekeninen, rijksregistergegevens en ondernemingsgegevens als dat van toepassing is, die noodzakelijk zijn bij de verwerking van de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 16°.
De Vlaamse Regering kan de lijst van gegevens, vermeld in het eerste lid, verder preciseren.
§2. De gegevens, vermeld in paragraaf 1, worden verzameld en verwerkt voor de volgende doeleinden:
1° de uitvoering van de bevoegdheden en de taken, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° het administratieve beheer door het bestuur van het systeem van de erkenningen en de subsidies;
3° het toezicht op en de handhaving van de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;
4° statistische doeleinden.
De gegevens die verzameld en verwerkt worden voor het doeleinde, vermeld in het eerste lid, 4°, worden geanonimiseerd.
De Vlaamse Regering kan, onverminderd de doeleinden, vermeld in het eerste lid, de nadere doeleinden van de verwerking vaststellen.
§3. De volgende personen en instellingen kunnen gegevens invoeren in de gegevensbank, vermeld in paragraaf 1:
1° het bestuur;
2° de erkende instellingen, vermeld in artikel 2, 2°;
3° de lesgevers die erkend zijn om een onderdeel van het terugkommoment te geven;
4° de opleidingsverstrekkers.
De Vlaamse Regering bepaalt welke persoon of instelling welke soort gegevens in de gegevensbank, vermeld in paragraaf 1, invoert en ook de frequentie van de invoering.
§4. De gegevensbank, vermeld in paragraaf 1, is onderworpen aan een strikt gebruikers- en toegangsbeheer. De toegang tot de gegevensbank is beperkt tot de gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, rekening houdend met de rol van de toegangsgerechtigde.
De Vlaamse Regering kan bepalen tot welke gegevens uit de gegevensbank de personen of de instellingen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, toegang hebben.
De Vlaamse Regering kan bepalen welke gegevens als vermeld in paragraaf 1 kunnen worden uitgewisseld tussen of met andere overheidsinstanties en entiteiten die belast zijn met een taak van openbaar belang ter uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, en voor welke doeleinden, vermeld in paragraaf 2. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden en nadere regels voor de gegevensuitwisseling bepalen.
§5. De Vlaamse Regering stelt de maximale bewaartermijn van de gegevens vast. De persoonsgegevens die verbonden zijn aan een erkenning of goedkeuring worden niet langer bewaard dan vijf jaar nadat de geldigheid van die erkenning of goedkeuring is verstreken. Persoonsgegevens die geen betrekking hebben op een erkenning of goedkeuring kunnen worden bewaard gedurende de levensloop van de betrokken persoon of tot op het moment dat de instelling de activiteiten vrijwillig of onvrijwillig stopzet. De gegevens van een dossier over de handhaving van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden niet langer bewaard dan twintig jaar na vaststelling van de inbreuk. De persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt.
§6. Het bestuur is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
Artikel 12. ( 01/07/2018 - ... )
Aan artikel 601ter van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 mei 1999 en gewijzigd bij de wetten van 24 juni 2013 en 15 juli 2013 en bij het decreet van 27 november 2015, wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"7° het beroep tegen de beslissing om een bestuurlijke geldboete op te leggen, vermeld in artikel 11, § 3, van het decreet van 9 maart 2018 houdende het terugkommoment in het kader van de rijopleiding categorie B.".
Artikel 13. ( 01/07/2018 - ... )
Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum en uiterlijk op 1 juli 2018.
De Vlaamse Regering bepaalt op welke categorieën van bestuurders de verplichting om het terugkommoment te volgen van toepassing is in de tijd.
Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 31/10/2026