Besluit van de Vlaamse Regering houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld

Datum 20/04/2018

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen
  2. HOOFDSTUK 2 Fase 1
  3. HOOFDSTUK 3 Fase 2
  4. HOOFDSTUK 4 [... (opgeh. BVR 24 april 2020, art. 11, I: 4 juni 2020)]
  5. HOOFDSTUK 5 Wijzigingsbepalingen
  6. HOOFDSTUK 6 Slotbepalingen

Inhoud

(... - ...)

DE VLAAMSE REGERING,

Gelet op het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, artikel 8, 1° en artikel 8, 3°, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014;

Gelet op het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap, artikel 46;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016 over de oprichting van een regionale prioriteitencommissie, de toekenning van prioriteitengroepen, de vaststelling van de maatschappelijke noodzaak, de toeleiding naar ondersteuning, de afstemming en planning in het kader van persoonsvolgende financiering;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 22 december 2017;

Gelet op advies 62.777/1 van de Raad van State, gegeven op van 2 februari 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

Besluit :
 

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. (01/01/2019- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° besluit van 27 november 2015: het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget;
2° besluit van 26 februari 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van flexibele aanbodcentra voor meerderjarige personen met een handicap;
3° besluit van 24 juni 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten;
4° budget: een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap aan meerderjarige personen met een handicap;
5° dagondersteuning: de dagondersteuning, vermeld in artikel 1, 3°, van het besluit van 27 november 2015;
6° FAM: een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarige personen met een handicap als vermeld in artikel 2 van het besluit van 26 februari 2016, zoals van toepassing op 31 december 2016;
7° individuele dienstverleningsovereenkomst: de individuele dienstverleningsovereenkomst, vermeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap;
8° ...;
9° ...;
10° thuisbegeleidingsdienst: een thuisbegeleidingsdienst als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1996 betreffende de erkenning en subsidiëring van thuisbegeleidingsdiensten voor personen met een handicap zoals van toepassing op 31 december 2016;
11° vergunde zorgaanbieder: een aanbieder van zorg en ondersteuning die conform het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap, vergund is door het agentschap;
12° woonondersteuning: de woonondersteuning, vermeld in artikel 1, 23°, van het besluit van 27 november 2015;
13° zorgzwaarte: de mate waarin een persoon ondersteuning nodig heeft om zo adequaat mogelijk te kunnen functioneren in het dagelijkse leven. Het gaat daarbij om de ondersteuning die een persoon nodig heeft om te kunnen leven volgens de gangbare normen en gebruiken binnen de sociaal-maatschappelijke context waarin de persoon leeft. De zorgzwaarte wordt uitgerukt in de parameter begeleiding, die de nood aan ondersteuning door personen overdag uitdrukt en de parameter permanentie, die de nood aan aanwezigheid van en toezicht door personen overdag uitdrukt.
 

Artikel 2. (01/01/2019- ...)

In de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022 wordt het aantal zorggebonden punten dat kan worden besteed als een budget dat het agentschap heeft toegekend aan de meerderjarige personen met een handicap die op 31 december 2016 gebruikmaakten van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst, in twee fasen bijgesteld, rekening houdend met het gebruik van ondersteuning en de zorgzwaarte van de betrokken personen met een handicap.

Het aantal zorggebonden punten, vermeld in het eerste lid, is als volgt bepaald:
1° als de som van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17 van het besluit van 24 juni 2016, van de meerderjarige gebruikers van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 18, eerste lid, van het voormelde besluit, groter was dan het aantal zorggebonden middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het voormelde besluit, werd het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17 van het voormelde besluit, verminderd met een percentage dat het verschil weergeeft tussen de som van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17 van het voormelde besluit, van de meerderjarige gebruikers van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst, met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 18, eerste lid, van het voormelde besluit, en het aantal zorggebonden middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het voormelde besluit;
2° als het aantal zorggebonden middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid van het besluit van 24 juni 2016, groter was dan de som van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten vermeld in artikel 17 van het besluit van 24 juni 2016, van de meerderjarige gebruikers van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 18, eerste lid, van het voormelde besluit, werd het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17 van het voormelde besluit, vermeerderd met een percentage dat het verschil weergeeft tussen het aantal zorggebonden middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het voormelde besluit, en de som van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17 van het voormelde besluit, van de meerderjarige gebruikers van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst, met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 18, eerste lid, van het voormelde besluit.
 

HOOFDSTUK 2 Fase 1

Artikel 3. (01/01/2018- ...)

Het agentschap verhoogt het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, eerste lid, van dit besluit, voor de personen met een handicap die op 31 december 2016 gebruikmaakten van de ondersteuning van een FAM die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° het FAM was op 31 december 2015 niet uitsluitend erkend als een van de volgende diensten:
a) een dienst voor zelfstandig wonen, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende de vaststelling van de erkenningsvoorwaarden, de werkings- en subsidiëringsmodaliteiten voor diensten voor zelfstandig wonen van gehandicapte personen zoals bedoeld in artikel 3, § 1bis, van het koninklijk besluit nr. 81 van 10 november 1967 tot instelling van een Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten;
b) een dienst voor zelfstandig wonen als vermeld in punt a), en als een pilootproject diensten Inclusieve Ondersteuning als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010 betreffende de vergunning, erkenning en subsidiëring van een pilootproject diensten Inclusieve Ondersteuning door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
c) een dienst voor begeleid wonen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor begeleid wonen voor personen met een handicap;
d) een dienst voor beschermd wonen, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1998 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor beschermd wonen voor personen met een handicap;
e) een dienst voor begeleid wonen als vermeld in punt c), en als een dienst voor beschermd wonen als vermeld in punt d);
2° het aantal zorggebonden middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het besluit van 24 juni 2016, dat voor het FAM beschikbaar is voor de niet rechtstreeks toegankelijke ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap is kleiner dan 85% van de som van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17, eerste lid, van het voormelde besluit, van de meerderjarige gebruikers van het FAM, met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 18, eerste lid, van het voormelde besluit.
 

Artikel 4. (01/01/2018- ...)

Het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, eerste lid, van dit besluit, dat is toegekend aan personen met een handicap die op 31 december 2016 gebruikmaakten van ondersteuning door een FAM, dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3 van dit besluit, wordt verhoogd tot 85% van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten dat het agentschap conform artikel 17 van het besluit van 24 juni 2016 heeft bepaald, behalve als het agentschap heeft vastgesteld dat het FAM de ondersteuning die het biedt aan de meerderjarige personen met een handicap, niet conform de richtlijnen van het agentschap, vermeld in artikel 14, vijfde lid, van het besluit van 24 juni 2016, heeft vertaald in ondersteuningsfuncties als vermeld in artikel 1, 14°, van het besluit van 27 november 2015, met vermelding van de frequentie, vermeld in artikel 7, eerste lid, 8°, van het besluit van 27 november 2015.
 

Artikel 5. (01/01/2018- ...)

Het agentschap stelt het conform artikel 4 verhoogde aantal zorggebonden punten ter beschikking met ingang van 1 juli 2018.
 

HOOFDSTUK 3 Fase 2

Artikel 6. (01/01/2019- ...)

Het agentschap herrekent het aantal zorggebonden punten dat is bepaald conform artikel 2 van dit besluit voor de personen die aan al de navolgende voorwaarden voldoen:
1° ze zijn op 31 december 2016 ondersteund door een FAM met de subsidies die een FAM ontvangt conform hoofdstuk 4 van het besluit van 26 februari 2016 of met inzet van de middelen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 houdende maatregelen om tegemoet te komen aan de noodzaak tot leniging van dringende behoeften van personen met een handicap zoals van toepassing op 31 december 2016, of ze zijn op die datum ondersteund door een thuisbegeleidingsdienst;
2° het agentschap heeft hen een aantal zorggebonden punten toegekend als vermeld in artikel 2 van dit besluit;
3° ze hebben geen beslissing van het agentschap ontvangen over de terbeschikkingstelling van een budget:
a) na het doorlopen van de procedure om een budget aan te vragen, vermeld in hoofdstuk 2 en 3, en in hoofdstuk 5 van het besluit van 27 november 2015;
b) met toepassing van artikel 32 van het besluit van 27 november 2015;
c) na een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 16, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering zoals van toepassing op 30 april 2018;
d) na een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 16, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering;
e) na een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 24 van het besluit van 24 juni 2016 van de zorggebonden punten, vermeld in artikel 2 van dit besluit;
f) na een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 19, eerste lid, 1°, van dit besluit;
4° het agentschap heeft met toepassing van artikel 32 van het besluit van 27 november 2015 beslist dat de noodsituatie niet tijdelijk van aard is.

Artikel 7. (01/01/2019- ...)

In dit artikel wordt verstaan onder:
1° ondersteuningsvorm: een van de navolgende diensten waarvoor de FAM erkend is op 31 december 2016:
a) een dienst voor zelfstandig wonen, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende de vaststelling van de erkenningsvoorwaarden, de werkings- en subsidiëringsmodaliteiten voor diensten voor zelfstandig wonen van gehandicapte personen zoals bedoeld in artikel 3, § 1bis, van het koninklijk besluit nr. 81 van 10 november 1967 tot instelling van een Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten zoals van toepassing op 31 december 2016;
b) een dienst voor zelfstandig wonen als vermeld in punt a), en als een pilootproject diensten Inclusieve Ondersteuning als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010 betreffende de vergunning, erkenning en subsidiëring van een pilootproject diensten Inclusieve Ondersteuning door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016;
c) een dienst voor begeleid wonen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor begeleid wonen voor personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016;
d) een dienst voor beschermd wonen, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1998 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor beschermd wonen voor personen met een handicap;
e) een tehuis, met toepassing van het koninklijk besluit van 23 december 1970 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden van de residentiële en semi-residentiële voorzieningen voor personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016;
f) een dagcentrum, met toepassing van het koninklijk besluit van 2 juli 1973 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van dagcentra voor meerderjarige niet werkende personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016;
g) een tehuis voor kortverblijf voor meerderjarigen, met toepassing van het koninklijk besluit van 25 januari 1971 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van de tehuizen van kortverblijf ten behoeve van gehandicapten, zoals van toepassing op 31 december 2016;
h) een geïntegreerde woonproject, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2006 betreffende de goedkeuring en subsidiëring van geïntegreerde woonprojecten voor personen met een handicap;
2° individuele dienstverleningsovereenkomst: de individuele dienstverleningsovereenkomst die bij het agentschap is geregistreerd oor het jaar 2016.

Het agentschap gaat bij de herrekening, vermeld in artikel 6, voor de ondersteuning die op 31 december 2016 is geboden door het FAM of de thuisbegeleidingsdienst, uit van het zorggebruik dat resulteert uit de vertaling die de FAM en thuisbegeleidingsdiensten conform artikel 14 van het besluit van 24 juni 2016, hebben gemaakt van de ondersteuning die ze bieden aan meerderjarige personen met een handicap, in ondersteuningsfuncties als vermeld in artikel 1, 14°, van het besluit van 27 november 2015, met vermelding van de frequentie, vermeld in artikel 7, eerste lid, 8°, van het voormelde besluit zoals deze werd geconsolideerd op 1 december 2017.

Het agentschap kan verder onderzoek instellen als het bij nazicht van de gegevens, vermeld in het tweede lid, voor een FAM of een thuisbegeleidingsdienst een van de volgende elementen vaststelt:
1° de ondersteuning die gemiddeld aan de cliënten van een ondersteuningsvorm wordt geboden is niet mogelijk of is niet realistisch;
2° er zijn voor de ondersteuning die is geboden door een FAM of een thuisbegeleidingsdienst procentueel grote afwijkingen tussen de gegevens, vermeld in het tweede lid, en de gegevens, vermeld in de individuele dienstverleningsovereenkomsten, en de gegevens die bij het agentschap zijn geregistreerd over de ondersteuning die in het jaar 2016 is geboden;
3° er zijn voor het aantal cliënten van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst procentueel grote afwijkingen tussen de gegevens, vermeld in het tweede lid, en de gegevens, die in de individuele dienstverleningsovereenkomsten zijn vermeld en de gegevens die bij het agentschap zijn geregistreerd over de ondersteuning die in het jaar 2016 is geboden;
4° als er in het kader van de vertaling van de ondersteuning oproepbare permanentie in aanmerking is genomen, en van de volgende elementen:
a) het percentage van de cliënten van een ondersteuningsvorm waarvoor een FAM of een thuisbegeleidingsdienst oproepbare permanentie heeft in aanmerking genomen is hoger dan het gemiddelde voor die ondersteuningsvorm over alle FAM's of thuisbegeleidingsdiensten;
b) er wordt oproepbare permanentie in aanmerking genomen voor cliënten waarvoor de FAM of een thuisbegeleidingsdienst in het kader van de inschatting van de zorgzwaarte conform artikel 15 van het besluit van 24 juni 2016 een waarde lager dan drie heeft ingeschat voor de parameter permanentie;
c) er wordt oproepbare permanentie in aanmerking genomen voor cliënten van de ondersteuningsvormen, vermeld in het eerste lid, punt 1°, c) tot en met h);
5° het percentage van de cliënten van een ondersteuningsvorm waarvoor dagondersteuning in aanmerking is genomen hoger is dan het gemiddelde voor die ondersteuningsvorm over alle FAM of thuisbegeleidingsdiensten;
6° het percentage van de cliënten van een ondersteuningsvorm waarvoor woonondersteuning in aanmerking is genomen hoger is dan het gemiddelde voor die ondersteuningsvorm over alle FAM of thuisbegeleidingsdiensten;
7° er wordt dagondersteuning in aanmerking genomen voor de ondersteuningsvormen, vermeld in het eerste lid, punt 1°, c) of d);
8° er wordt woonondersteuning in aanmerking genomen voor de ondersteuningsvormen, vermeld in het eerste lid, punt 1°, c), d), of f).

Als het agentschap een of meerdere elementen, vermeld in het derde lid, vaststelt voor een vergunde zorgaanbieder die op 31 december 2016 is erkend als een FAM of als een thuisbegeleidingsdienst, overlegt het agentschap met de betrokken vergunde zorgaanbieder.

Het gebruik van ondersteuning dat in aanmerking is genomen voor de uitwerking van de budgetten conform hoofdstuk 3 is het zorggebruik, vermeld in het tweede lid behalve als het agentschap een nader onderzoek heeft ingesteld als vermeld in het derde lid en de vergunde zorgaanbieder geen afdoende verklaring kan geven voor de afwijkingen die het agentschap heeft vastgesteld. Als de vergunde zorgaanbieder geen afdoende verklaring kan geven voor de vastgestelde afwijkingen, stelt het agentschap het gebruik van ondersteuning voor de cliënten van de vergunde zorgaanbieder die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, vast op basis van de volgende elementen:
1° de ondersteuning en de frequentie van ondersteuning vermeld in de individuele dienstverleningsovereenkomsten;
2° de gegevens die over de ondersteuning die in het jaar 2016 is geboden, geregistreerd zijn bij het agentschap;
3° de facturen over financiële bijdragen, vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap voor het jaar 2016;
4° de facturen over de woon- en leefkosten, vermeld in artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van flexibele aanbodcentra voor meerderjarige personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016, voor het jaar 2016.

Artikel 8. (01/01/2019- ...)

Het agentschap gaat bij de herrekening, vermeld in artikel 6, voor de zorgzwaarte, uit van de inschattingen van de zorgzwaarte die de FAM's en thuisbegeleidingsdiensten hebben uitgevoerd conform artikel 15 van het besluit van 24 juni 2016.

Artikel 9. (01/01/2019- ...)

Het agentschap stelt voor de personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, een budgetcategorie vast, als vermeld in tabel 1 die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd conform artikel 10.

Artikel 10. (01/01/2020- ...)

§ 1. Het agentschap stelt een aantal zorggebonden punten vast voor elke ondersteuningsfunctie die voor een persoon conform artikel 7 in aanmerking is genomen, met uitzondering van oproepbare permanentie. Dat gebeurt op basis van de frequenties die conform artikel 7 voor de ondersteuningsfuncties in aanmerking zijn genomen conform tabel 3 tot en met tabel 7, die zijn opgenomen in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd.

Als voor een persoon conform artikel 7 psychosociale begeleiding in aanmerking is genomen wordt voor de berekening van het overeenstemmende aantal zorggebonden punten, voor maximaal twee uren een aantal zorggebonden punten vastgesteld conform tabel 6, die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, en wordt in afwijking van het eerste lid, het aantal zorggebonden punten voor de overige uren vastgesteld conform tabel 7, die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.

In afwijking van het eerste lid wordt geen aantal personeelspunten vastgesteld voor woonondersteuning of dagondersteuning als de budgetcategorie die conform tabel 2, die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, overeenstemt met de inschatting van de zorgzwaarte, vermeld in artikel 8, voor de parameters begeleidingsintensiteit en permanentie lager is dan budgetcategorie 3.

Als er conform artikel 7 verschillende ondersteuningsfuncties in aanmerking zijn genomen wordt het aantal zorggebonden punten dat is vastgesteld voor de verschillende gevraagde ondersteuningsfuncties, opgeteld.

Als oproepbare permanentie wordt gevraagd, wordt het aantal zorggebonden punten voor oproepbare permanentie, vermeld in tabel 8, die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, opgeteld bij het aantal zorggebonden punten dat conform het eerste tot en met het vierde lid is vastgesteld.

§ 2. Als het totaal aantal zorggebonden punten dat is vastgesteld conform paragraaf 1 lager is dan de ondergrens van het aantal zorggebonden punten voor budgetcategorie 1, conform tabel 2, die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, wordt geen budgetcategorie vastgesteld.

Voor de personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, en die op 31 december 2016 de ondersteuning van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst combineren met een persoonlijke-assistentiebudget als vermeld in artikel 1, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap zoals van toepassing op 31 december 2016, wordt het aantal zorggebonden punten dat is vastgesteld conform paragraaf 1 voor de toepassing van het eerste lid samengevoegd met de zorggebonden punten die resulteren uit de vertaling van het persoonlijkeassistentiebudget conform artikel 4 tot en met 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten.

Behalve in het geval, vermeld in het eerste lid, wordt een budgetcategorie vastgesteld op basis van een vergelijking tussen de volgende budgetcategorieën:
1° de budgetcategorie die conform tabel 2, die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, overeenstemt met het totaal van de zorggebonden punten die zijn vastgesteld conform paragraaf 1, in het geval, vermeld in het tweede lid en de zorggebonden punten die resulteren uit de vertaling conform artikel 4 tot en met 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten;
2° de budgetcategorie die conform de voormelde tabel 2 overeenstemt met de inschatting van de zorgzwaarte, vermeld in artikel 8, voor de parameters begeleidingsintensiteit en permanentie.

Als de budgetcategorie, vermeld in het tweede lid, 1°, hoger is dan de budgetcategorie, vermeld in het tweede lid, 2°, wordt de budgetcategorie, vermeld in het tweede lid, 2°, in aanmerking genomen.

Als de budgetcategorie, vermeld in het tweede lid, 1°, lager is dan de budgetcategorie, vermeld in tweede lid, 2°, wordt de budgetcategorie, vermeld in het tweede lid, 1°, in aanmerking genomen.

§ 3. Als de optelsom van het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1en paragraaf 2 is vastgesteld voor alle personen die voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 6, hoger is dan de optelsom van het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, voor deze personen, wordt het aantal zorggebonden punten dat voor die personen conform paragraaf 1 en paragraaf 2 is vastgesteld verminderd met een aantal zorggebonden punten dat wordt berekend door het verschil tussen de voormelde optelsommen te delen door het aantal personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6 en waarvoor conform paragraaf 1 en paragraaf 2 een budgetcategorie is vastgesteld.

Als de optelsom van het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1 en paragraaf 2 is vastgesteld voor alle personen die voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 6, lager is dan de optelsom van het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, voor deze personen, wordt het aantal zorggebonden punten dat voor die personen conform paragraaf 1 en paragraaf 2 is vastgesteld verhoogd met een aantal zorggebonden punten dat wordt berekend door het verschil tussen de voormelde optelsommen te delen door het aantal personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6 en waarvoor conform paragraaf 1 en paragraaf 2 een budgetcategorie is vastgesteld.

§ 4. Als het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1 tot en met 3 is vastgesteld, voor de personen met een handicap voor wie met toepassing van paragraaf 1 tot en met 3 een budgetcategorie is vastgesteld, meer dan 15 % lager is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, wordt het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1 tot en met 3 is vastgesteld, verhoogd totdat het verschil met de zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, 15 % bedraagt.

Artikel 11. (01/01/2020- ...)

§ 1. Als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld voor een persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, niet meer dan 15 % hoger of lager is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2023 het aantal zorggebonden punten vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, naar gelang van het geval verhoogd of verlaagd totdat er geen verschil is met het aantal zorggebonden punten, dat conform artikel 10 is vastgesteld.

§ 2. Als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld, voor een persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, meer dan 15 % hoger is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2023 het aantal zorggebonden punten waarover die persoon conform artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, beschikt, naar gelang van het geval verhoogd of verlaagd totdat het verschil met de zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, 15 % bedraagt.

Als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld, voor een persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, 20 of minder dan 20 % hoger is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt het aantal zorggebonden punten dat werd vastgesteld conform het eerste lid, met ingang van 1 januari 2024 aangepast zodat er geen verschil meer is met het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld.

Als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld, voor een persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, meer dan 20 % hoger is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt het aantal zorggebonden punten dat werd vastgesteld conform het eerste lid in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2027 naar gelang van het geval verhoogd of verlaagd totdat er geen verschil meer is met het aantal zorggebonden punten, dat conform artikel 10 is vastgesteld.
 

Artikel 11/1. (01/01/2020- ...)

§ 1. Het agentschap deelt de beslissing tot toewijzing van het aantal zorggebonden punten, dat is vastgesteld conform artikel 10 mee aan de persoon met een handicap.

Het aantal zorggebonden punten, dat is vastgesteld conform artikel 10 wordt gefaseerd in de tijd aangepast en ter beschikking gesteld.

In het geval, vermeld in artikel 11, § 1, wordt het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 op 1 januari 2020, 1 januari 2021, 1 januari 2022 en 1 januari 2023 naar gelang van het geval telkens verhoogd of verlaagd met 25 % van het verschil tussen het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in het eerste lid, en het aantal zorggebonden punten vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2.

In het geval vermeld in artikel 11, § 2, wordt het aantal zorggebonden punten, dat conform artikel 10 is vastgesteld, als volgt gefaseerd in de tijd aangepast:
1° het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt op 1 januari 2020, 1 januari 2021, 1 januari 2022 en 1 januari 2023, naar gelang van het geval telkens verhoogd of verlaagd met 25 % van het verschil tussen het aantal zorggebonden punten vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, en naar gelang van het geval verhoogd of verlaagd met 15 en het aantal zorggebonden punten vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit;
2° als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld, 20 of minder dan 20 % hoger is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt dit aantal zorggebonden punten na de aanpassingen ervan, vermeld in punt 1°, met ingang van 1 januari 2024 verder aangepast zodat er geen verschil meer is met het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld;
3° als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld, meer dan 20 % hoger is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt het aantal zorggebonden punten na de aanpassingen ervan, vermeld in punt 1°, op 1 januari 2024, 1 januari 2025, 1 januari 2026 en 1 januari 2027 naar gelang van het geval telkens verhoogd of verlaagd met 25 % van het verschil tussen het aantal zorggebonden punten, dat conform artikel 10 is vastgesteld en het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, na de aanpassingen ervan, vermeld in punt 1°.

§ 2. De personen met een handicap die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, maar voor wie conform artikel 10, § 2, eerste lid geen budgetcategorie is vastgesteld worden met ingang van 1 januari 2020 toegeleid naar rechtstreeks toegankelijke hulp als vermeld in artikel 1, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2013 betreffende rechtstreeks toegankelijke hulp voor personen met een handicap. De beslissing van het agentschap waarbij hen een aantal zorggebonden punten als vermeld in artikel 2 van dit besluit ter beschikking is gesteld vervalt op 1 januari 2020.

De vergunde zorgaanbieders die op 1 november 2019 ondersteuning bieden aan de personen met een handicap, vermeld in het eerste lid, worden met ingang van 1 januari 2020, van rechtswege erkend voor de uitbouw van rechtstreeks toegankelijke hulp als vermeld in artikel 2 van het voormelde besluit van 22 februari 2013 voor het aantal personeelspunten dat nodig is om de ondersteuning van de personen, vermeld in het eerste lid, voort te zetten binnen rechtstreeks toegankelijke hulp ongeacht of voldaan is aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3 van het besluit van 22 februari 2013 betreffende rechtstreeks toegankelijke hulp voor personen met een handicap.

Artikel 11/2. (01/01/2019- ...)

Als de personen met een handicap aan wie het agentschap een aantal zorggebonden punten heeft toegewezen conform artikel 7 tot en met artikel 11/1, aanspraak willen maken op meer zorggebonden punten dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 11/1, § 1, moeten ze een herziening van de beslissing vragen conform artikel 35, § 1, van het besluit 27 november 2015.

Als de budgetcategorie van het budget dat door het agentschap wordt toegewezen na herziening, groter is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 11/1, § 1, legt het agentschap het dossier voor aan de regionale prioriteitencommissie, vermeld in artikel 23 van het besluit van 27 november 2015, voor het deel van de budgetcategorie dat het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 11, § 1, overschrijdt.

Als de budgetcategorie van het budget dat door het agentschap wordt toegewezen na herziening, lager is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 11/1, § 1, kunnen de betrokkenen nog gedurende drie maanden vanaf de datum, vermeld in de beslissing van het agentschap tot toewijzing na herziening, beschikken over het deel van de zorggebonden punten dat de budgetcategorie van het budget dat door het agentschap wordt toegewezen, overschrijdt.

Artikel 11/3. (09/05/2021- ...)

...

Artikel 11/4. (01/01/2019- ...)

Het agentschap bezorgt na afloop van elke fase van de bijstelling van het aantal zorggebonden punten dat het agentschap heeft toegekend aan de meerderjarige personen met een handicap die op 31 december 2016 gebruikmaakten van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst, een verslag aan de Vlaamse Regering waarin het agentschap uiteenzet in welke mate de voormelde meerderjarige personen met een handicap met een gelijkaardig zorggebruik op 31 december 2016 en een gelijkaardige zorgzwaarte op dat ogenblik kunnen beschikken over een gelijkaardig aantal zorggebonden punten. De Vlaamse Regering kan op basis van dit verslag beslissen tot het nemen van verdere stappen met het oog op de gelijke behandeling van de de meerderjarige personen met een handicap die op 31 december 2016 gebruikmaakten van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst.

Artikel 12. (01/01/2019- ...)

Als de budgetcategorie die is vastgesteld conform artikel 10, lager of % hoger is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, eerste lid, garanderen de vergunde zorgaanbieders die ondersteuning boden op 31 december 2016, dat ze aan de betrokken persoon met een handicap dezelfde ondersteuningsfuncties met dezelfde frequentie blijven bieden als vermeld in de individuele dienstverleningsovereenkomst tussen de betrokken persoon met een handicap en de betrokken vergunde zorgaanbieders die van toepassing was op 31 december 2016.

De vergunde zorgaanbieders zijn in afwijking van het eerste lid niet gehouden tot de garantie, vermeld in het eerste lid, als de individuele dienstverleningsovereenkomst die van toepassing was op 31 december 2016, sinds die datum op verzoek van de betrokken persoon met een handicap is opgezegd of is gewijzigd. De garantie, vermeld in het eerste lid, vervalt vanaf het ogenblik dat de individuele dienstverleningsovereenkomst op verzoek van de betrokken persoon met een handicap wordt opgezegd of wordt gewijzigd.
 

HOOFDSTUK 4 [... (opgeh. BVR 24 april 2020, art. 11, I: 4 juni 2020)]

Artikel 13. (04/06/2020- ...)

...

Artikel 14. (04/06/2020- ...)

...

Artikel 15. (04/06/2020- ...)

...

Artikel 16. (04/06/2020- ...)

...

HOOFDSTUK 5 Wijzigingsbepalingen

Artikel 17. (01/01/2018- ...)

In artikel 13, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016 over de oprichting van een regionale prioriteitencommissie, de toekenning van prioriteitengroepen, de vaststelling van de maatschappelijke noodzaak, de toeleiding naar ondersteuning, de afstemming en planning in het kader van persoonsvolgende financiering, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het tweede lid wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van personen met een handicap die met toepassing van artikel 16, § 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld, een ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering hebben ingediend, binnen elke prioriteitengroep gerangschikt met de datum waarop het aanvraagformulier, vermeld in artikel 14, § 1, eerste lid, van het voormelde besluit, is bezorgd aan het agentschap, op voorwaarde dat het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering wordt bezorgd binnen drie maanden na de datum van het verzoek van het agentschap, vermeld in artikel 16, § 2, eerste lid, van het voormelde besluit, en op voorwaarde dat het agentschap vaststelt dat het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering volledig is ingevuld conform artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget.".
 

Artikel 18. (01/01/2018- ...)

In het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten worden de volgende artikelen opgeheven:
1° artikel 25, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017;
2° artikel 25/1 en 25/2 en artikel 29/1 en 29/5, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017.
 

HOOFDSTUK 6 Slotbepalingen

Artikel 19. (01/01/2018- ...)

Bij wijze van overgangsmaatregel kunnen de personen met een handicap die aan de volgende voorwaarden voldoen, op de wijze, vermeld in het tweede en derde lid, aanspraak maken op de terbeschikkingstelling van een budget voor zeven dagen per week woon- en dagondersteuning:
1° ze hebben een aanvraag tot herziening van het toegekende aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, eerste lid, van dit besluit, ingediend;
2° in het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering, vermeld in artikel 1, 15°, van het besluit van 27 november 2015, dat wordt ingediend in het kader van de aanvraag tot herziening wordt zeven nachten per week woonondersteuning en zeven dagen per week dagondersteuning vermeld als ondersteuningsfuncties waarvoor financiering van het agentschap wordt gevraagd;
3° ze hebben gedurende een periode van minstens zes maanden die is gestart voor 1 januari 2018 effectief en onafgebroken gebruikgemaakt van zeven nachten per week woonondersteuning en zeven dagen per week dagondersteuning en maken op het moment dat het aanvraagformulier, vermeld in artikel 14, § 1, tweede lid, aan het agentschap wordt bezorgd nog steeds onafgebroken en effectief gebruik van zeven nachten per week woonondersteuning en zeven dagen per week dagondersteuning;
4° de vergunde zorgaanbieder toont aan dat hij gedurende de periode, vermeld in punt 3°, effectief en onafgebroken zeven nachten per week woonondersteuning en zeven dagen per week dagondersteuning heeft geboden;
5° de aanvrager, vermeld in artikel 1, 1°, van het besluit van 27 november 2015, heeft een aanvraagformulier als vermeld in artikel 14, § 1, tweede lid, van dit besluit, bezorgd aan het agentschap.

Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan, wordt het budget dat resulteert uit de aanvraag tot herziening, vermeld in het eerste lid, 1°, ter beschikking gesteld, vanaf de datum van het aanvraagformulier, vermeld in het eerste lid, 5°, als het agentschap voor die datum een beslissing tot toewijzing van het budget heeft genomen en de periode van zes maanden, vermeld in het eerste lid, 3°, voor die datum is afgelopen.

Als de periode van zes maanden, vermeld in het eerste lid, 3°, nog niet is verstreken op de datum van het aanvraagformulier, vermeld in het eerste lid, 5°, of als het agentschap op die datum nog geen beslissing tot toewijzing van het budget dat resulteert uit de aanvraag tot herziening, vermeld in het eerste lid, 1°, heeft genomen, wordt het budget dat resulteert uit de herziening, ter beschikking gesteld met ingang van de eerste dag die volgt op de periode van zes maanden, vermeld in eerste lid, 3°.
 

Artikel 19/1. (01/01/2020- ...)

De vergunde zorgaanbieders en de personen met een handicap of hun vertegenwoordigers, voor wie conform artikel 10 een budgetcategorie is vastgesteld, passen, in voorkomend geval, in onderling overleg de individuele dienstverleningsovereenkomsten aan uiterlijk op 1 juli 2020.

Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 houdende de methodiek voor de berekening van de subsidies voor personeelskosten wordt om het totale aantal zorggebonden personeelspunten te berekenen dat bij de vergunde zorgaanbieder wordt ingezet in de vorm van een voucher als vermeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders, en het aantal extra personeelspunten dat is bepaald conform artikel 3, § 5, van het voormelde besluit, voor de personen met een handicap, vermeld in het eerste lid, voor de periode van 1 januari 2020 tot op de datum van de aanpassing van de individuele dienstverleningsovereenkomst rekening gehouden met het aantal zorggebonden punten dat is opgenomen in de aangepaste individuele dienstverleningsovereenkomst.

Artikel 19/2. (01/01/2020- ...)

In afwijking van artikel 37 tot en met 41 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap vervallen de individuele dienstverleningsovereenkomsten met de personen met een handicap, vermeld in artikel 11/1, § 2, eerste lid, van dit besluit, van rechtswege met ingang van 1 januari 2020.

Artikel 19/3. (01/01/2020- ...)

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder
1° besluit van 24 juni 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders;
2° budgethouder: de budgethouder, vermeld in artikel 1, 6°, van het besluit van 24 juni 2016;
3° cashbudget: een cashbudget als vermeld in artikel 1, 7°, van het besluit van 24 juni 2016;
4° voucher: een voucher als vermeld in artikel 1, 10°, van het besluit van 24 juni 2016.

De budgethouder van de personen, vermeld in artikel 11/1, § 2, van dit besluit, die het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2 van dit besluit, in voorkomend geval verhoogd conform artikel 3 tot en met 5 van dit besluit, op 1 november 2019 gedeeltelijk besteedt bij andere zorgaanbieders dan een vergunde zorgaanbieder, maakt voor het deel van de zorggebonden punten die hij besteedt als een cashbudget, een laatste kostenstaat op als vermeld in artikel 22 van het besluit van 24 juni 2016, met vermelding van alle kosten voor zorg en ondersteuning tot uiterlijk 31 december 2019, met inbegrip van de wettelijk verplichte opzegvergoedingen. Hij bezorgt die kostenstaat uiterlijk op 1 maart 2020 aan het agentschap. Nadat het agentschap de laatste kostenstaat heeft ontvangen, maakt het de eindafrekening van het gebruik van het cashbudget.

Het agentschap betaalt de bedragen, vermeld op de laatste kostenstaat, die de budgethouder heeft ingediend, tot het jaarlijkse aantal zorggebonden punten, vermeld in het tweede lid, volledig is opgebruikt, rekening houdend met het gedeelte van het jaarlijkse aantal zorggebonden punten dat op jaarbasis als voucher is vastgelegd en het gedeelte dat al is besteed als cashbudget.

Als met kostenstaten aangetoond wordt dat het jaarlijkse aantal zorggebonden punten niet volstaat om de wettelijke opzegvergoedingen te betalen, kan het agentschap maximaal een vierde van het jaarlijkse aantal zorggebonden punten extra toekennen om de opzegvergoedingen te betalen.

Artikel 19/4. (01/01/2020- ...)

Aan de personen, vermeld in artikel 11/1, § 2, die het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform artikel 3 tot en met 5, op 1 november 2019 volledig besteden als een cashbudget, wordt in afwijking van artikel 10, § 2, eerste lid, en artikel 11/1, § 2, eerste lid, een aantal zorggebonden punten toegekend dat als een budget kan worden besteed en dat op basis van de ondersteuningsfuncties en de frequenties voor die ondersteuningsfuncties die conform artikel 7 in aanmerking worden genomen voor de betrokken persoon, met de volgende elementen wordt berekend:
1° dagondersteuning: 0,087 punten per dag;
2° woonondersteuning: 0,13 punten per nacht;
3° psychosociale begeleiding: 0,22 punten per begeleiding;
4° globale individuele ondersteuning: 0,22 punten per begeleiding.

Het totale aantal zorggebonden punten wordt omgezet in euro aan de hand van de omslagsleutel, vermeld in artikel 17, derde lid, van het besluit van 27 november 2015.

Het jaarlijkse bedrag in euro, dat wordt berekend conform het eerste en het tweede lid, wordt ter beschikking gesteld met ingang van 1 januari 2020.

Artikel 20. (01/01/2018- ...)

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2018.

Artikel 21. (01/01/2018- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
 

BIJLAGE (01/01/2019- ...)

Bijlage 2