Besluit van de Vlaamse Regering houdende de subsidiëring van projecten van preventieve infrastructurele maatregelen inzake agressie, vrijheidsbeperking of vrijheidsberoving in bepaalde voorzieningen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Datum 30/11/2018

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1. Definities
  2. HOOFDSTUK 2. Investeringssubsidie
    1. Afdeling 1. Toepassingsgebied
    2. Afdeling 2. Procedure
    3. Afdeling 3. Maximumbedrag van de investeringssubsidie
    4. Afdeling 4. Bedrag van de investeringssubsidie en betaling
    5. Afdeling 5. Evaluatie
    6. Afdeling 6. Toezicht en maatregelen
  3. HOOFDSTUK 3. Slotbepaling

Inhoud

(... - ...)

DE VLAAMSE REGERING,

Gelet op het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, artikel 7bis, ingevoegd bij het decreet van 17 maart 2006 en gewijzigd bij de decreten van 12 februari 2010, 20 december 2013 en 3 juli 2015, artikel 11, § 2, tweede lid, vervangen bij het decreet van 2 juni 2006, en artikel 12, vervangen bij het decreet van 3 juli 2015;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 19 juli 2018;

Gelet op advies 64.062/3 van de Raad van State, gegeven op 8 oktober 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. Definities

Artikel 1. (07/02/2019- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder :
1° decreet van 23 februari 1994: het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden;
2° Fonds : het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, opgericht bij het decreet van 2 juni 2006 tot omvorming van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden tot een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, en tot wijziging van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden;
3° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden.

HOOFDSTUK 2. Investeringssubsidie

Afdeling 1. Toepassingsgebied

Artikel 2. (07/02/2019- ...)

Binnen de beschikbare begrotingskredieten kan het Fonds investeringssubsidies toekennen aan aanvragers voor projecten van preventieve infrastructurele maatregelen inzake agressie, vrijheidsbeperking of vrijheidsberoving.

De volgende voorzieningen komen in aanmerking voor een investeringssubsidie als vermeld in het eerste lid :
1° de multifunctionele centra, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap, voor de ondersteuningsfunctie verblijf;
2° de vergunde zorgaanbieders, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap, die woonondersteuning bieden aan personen die geïnterneerd zijn als vermeld in de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering;
3° de units voor geïnterneerden, vermeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden;
4° de organisaties voor bijzondere jeugdzorg, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand of in de jeugdhulp, die erkend zijn voor typemodules verblijf voor -12-jarigen, verblijf voor +12-jarigen, verblijf voor 0-18 jaar, verblijf voor 0-25-jarigen of beveiligd verblijf;
5° de centra voor integrale gezinszorg, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand of in de jeugdhulp;
6° de onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand of in de jeugdhulp;
7° de forensische K-bedden: de proefprojecten forensische K-bedden, vermeld in artikel 2.5 van de ministeriële omzendbrief nr. 1/2006 van 28 september 2006 betreffende de wetten van 15 mei 2006 en 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;
8° K-dienst: de dienst Neuropsychiatrie voor kinderen als vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd;
9° de (semi)residentiële revalidatiecentra voor kinderen en jongeren met een ernstige medisch-psychologische aandoening en de residentiële revalidatiecentra voor minderjarige verslaafden die vallen onder het beleid inzake longtermcare-revalidatie als vermeld in artikel 5, § 1, I, eerste lid, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Als in uitvoering van dit besluit staatssteun in de zin van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt verleend, wordt die staatssteun toegekend met inachtneming van het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.

Artikel 3. (07/02/2019- ...)

Een aanvrager als vermeld in artikel 2, komt in aanmerking voor een investeringssubsidie als al de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° hij is erkend of hij voldoet aan de wettelijke voorwaarden om zorg- en dienstverlening te organiseren in het kader van de persoonsgebonden aangelegenheden, vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 23 februari 1994;
2° hij beschikt over een genotsrecht op het project als vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994. Als de aanvrager en de eigenaar of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop een project wordt gepland, twee verschillende personen zijn, mag er tussen hen geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaan als vermeld in artikel 4 van dit besluit.

Artikel 4. (07/02/2019- ...)

De aanvrager en de eigenaar van de grond waarop een project wordt uitgevoerd, of de aanvrager en de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop een project wordt uitgevoerd, worden geacht een ongeoorloofde verwantschapsband te hebben als de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond een natuurlijke persoon is of een vennootschap met rechtspersoonlijkheid als vermeld in het Wetboek van Vennootschappen, met uitzondering van een coöperatieve vennootschap die erkend is met toepassing van artikel 5 van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de Coöperatie, en als de ene rechtstreeks of onrechtstreeks de bevoegdheid in rechte of in feite heeft om bij de andere een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van de leden van het bestuursorgaan of op de oriëntatie van het beleid.

De ongeoorloofde verwantschapsband is in rechte en wordt onweerlegbaar vermoed als :
1° de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond in het bezit is van de meerderheid van de stemrechten die verbonden zijn aan het totaal van de deelnamerechten van de aanvrager;
2° de aanvrager in het bezit is van de meerderheid van de stemrechten die verbonden zijn aan het totaal van de effecten van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond;
3° de meerderheid van de bestuurders van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, of de aandeelhouders van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, op persoonlijke titel, alleen of samen, de meerderheid bezitten van de stemrechten die verbonden zijn aan de deelnamerechten van de aanvrager;
4° de meerderheid van de bestuurders of de leden van de aanvrager op persoonlijke titel, alleen of samen, de meerderheid bezitten van de stemrechten die verbonden zijn aan de effecten van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond;
5° de eigenaar van de grond, of de houder van de zakelijke rechten op de grond, of de meerderheid van zijn bestuurders of aandeelhouders, of zijn economische rechthebbenden het recht hebben om de meerderheid van de bestuurders van de aanvrager te benoemen of te ontslaan;
6° de aanvrager, of de meerderheid van zijn bestuurders of leden, of zijn economische rechthebbenden het recht hebben om de meerderheid van de bestuurders van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond te benoemen of te ontslaan;
7° de eigenaar van de grond, of de houder van de zakelijke rechten op de grond, of de meerderheid van zijn bestuurders of aandeelhouders, of zijn economische rechthebbenden krachtens de statuten van de aanvrager of krachtens een gesloten overeenkomst over de bevoegdheid beschikken om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van het bestuursorgaan of op de oriëntatie van het beleid;
8° de aanvrager, of de meerderheid van zijn bestuurders of leden, of zijn economische rechthebbenden krachtens de statuten van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond of krachtens een gesloten overeenkomst over de bevoegdheid beschikken om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van het bestuursorgaan of op de oriëntatie van het beleid;
9° de eigenaar van de grond, of de houder van de zakelijke rechten op de grond, zijn bestuurders of aandeelhouders, op de voorlaatste en laatste algemene vergadering van de aanvrager stemrechten hebben uitgeoefend die de meerderheid vertegenwoordigen van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen die op die algemene vergaderingen vertegenwoordigd zijn;
10° de aanvrager, zijn bestuurders of aandeelhouders op de voorlaatste en laatste algemene vergadering van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond stemrechten hebben uitgeoefend die de meerderheid vertegenwoordigen van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen die op die algemene vergaderingen vertegenwoordigd zijn;
11° de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, en de aanvrager onder een centrale leiding staan. Er wordt vermoed dat ze onder een centrale leiding staan als :
a) de centrale leiding voortvloeit uit de statuten van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, en de aanvrager anderzijds, of uit een overeenkomst tussen alle betrokken entiteiten;
b) de bestuursorganen van respectievelijk de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, en de aanvrager, alsook de entiteit die de centrale leiding voert, voor het merendeel uit dezelfde personen bestaan;
c) de meerderheid van de aandelen of lidmaatschapsrechten van respectievelijk de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, en de aanvrager, alsook de entiteit die de centrale leiding voert, worden gehouden door dezelfde personen;
12° de eigenaar van de grond, of de houder van de zakelijke rechten op de grond, rechtstreeks of onrechtstreeks een invloed van betekenis uitoefent op de oriëntatie van het beleid van de aanvrager door een participatie van minstens tien procent te nemen in het lidmaatschap van de aanvrager;
13° de aanvrager rechtstreeks of onrechtstreeks een invloed van betekenis uitoefent op de oriëntatie van het beleid van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond door een participatie van minstens tien procent te nemen in het kapitaal van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond;
14° de bestuurders of de aandeelhouders van de aanvrager enerzijds, en de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond of zijn bestuurders of de aandeelhouders anderzijds, bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad of echtgenoten zijn. Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een wettelijk samenlevingscontract hebben gesloten, met echtgenoten gelijkgesteld. De onverenigbaarheid wordt geacht op te houden door het overlijden van de persoon door wie ze tot stand is gekomen, door echtscheiding of door het ophouden van het wettelijke samenlevingscontract.

Voor de beoordeling van de gevallen, vermeld in het tweede lid, is het niet belangrijk dat :
1° de bestuurders of aandeelhouders van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond enerzijds, of de bestuurders of leden van de aanvrager anderzijds, alleen of samen handelen. Tenzij het anders wordt bewezen, worden personen die op hetzelfde ogenblik bestuurder of aandeelhouder zijn van de eigenaar van de grond, of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, en bestuurder of lid zijn van de aanvrager, geacht samen te handelen;
2° de verwantschapsband op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze, met tussenplaatsing van andere entiteiten of tussenpersonen, tot stand komt;
3° stemrechten worden geschorst of onderworpen zijn aan stemkrachtbeperking.

De ongeoorloofde verwantschapsband kan in feite worden vermoed door het Fonds op basis van andere elementen dan de elementen, vermeld in het tweede lid. De aanvrager kan dat vermoeden weerleggen.

Het Fonds heeft de mogelijkheid om, in elke fase van de procedure, aan de aanvrager aanvullende gegevens te vragen over de verwantschapsband tussen de aanvrager en de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond.

Het Fonds heeft de mogelijkheid om, in elke fase van de procedure, aan de aanvrager aanvullende gegevens te vragen over de rechtsgeldigheid van zijn rechtsband met de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, en over de marktconformiteit van de vergoedingen die gebaseerd zijn op die rechtsband.

Artikel 5. (07/02/2019- ...)

De volgende preventieve infrastructurele maatregelen inzake agressie, vrijheidsbeperking of vrijheidsberoving komen in aanmerking voor een investeringssubsidie als vermeld in dit besluit :
1° voor de buiteninrichting :
a) de aanleg van sportvelden;
b) de installatie van buitenspeeltoestellen;
c) de realisatie van een buitenrustruimte;
2° voor de herinrichting van leefruimten of kamers :
a) maatregelen om ruimten op te delen of prikkelarm te maken;
b) maatregelen om een veiligere omgeving te realiseren;
c) maatregelen om een ouder mee te laten overnachten;
3° het installeren van zorgtechnologie :
a) in het kader van toezicht, zoals camera's;
b) alarmsystemen en oproepsystemen, zoals deursystemen;
4° de inrichting, herinrichting of bijbehorende uitrusting van de volgende specifieke ruimten :
a) ruimten voor ontspanning;
b) ruimten voor rust en comfort;
c) ruimten voor dagbesteding;
d) ruimten voor afzondering.

De maatregelen, vermeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4°, gelden voor bestaande gebouwen. Bij nieuwbouw of uitbreiding komen de maatregelen, vermeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4°, alleen in aanmerking voor een investeringssubsidie als die gerealiseerd wordt zonder een beroep te doen op de reguliere investeringssubsidies voor nieuwbouw of uitbreiding, vermeld in het decreet van 23 februari 1994.

Voor maatregelen, vermeld in het eerste lid, kan niet tegelijk een investeringssubsidie als vermeld in dit besluit en een andere investeringssubsidie ter uitvoering van het decreet van 23 februari 1994 worden verleend.

Om in aanmerking te komen voor een investeringssubsidie als vermeld in dit besluit, mogen de maatregelen pas uitgevoerd worden na de ontvangst van de beslissing tot toekenning van de investeringssubsidie, conform artikel 10, derde lid.

Afdeling 2. Procedure

Artikel 6. (07/02/2019- ...)

Na een openbare oproep door het Fonds kan een aanvrager op elektronische wijze een investeringssubsidie aanvragen bij het Fonds. Aanvragers kunnen ook een gezamenlijke aanvraag indienen die geldt voor een gemeenschappelijk project voor verschillende voorzieningen. In dat geval wijzen de aanvragers een van de aanvragers als hoofdaanvrager aan en sluiten ze een samenwerkingsovereenkomst.

In de oproep, vermeld in het eerste lid, wordt de uiterste datum voor de indiening van de aanvraag opgenomen.

Artikel 7. (07/02/2019- ...)

De aanvraag van een investeringssubsidie bevat:
1° een ingevuld identificatieformulier op basis van een model dat het Fonds ter beschikking stelt. Dat identificatieformulier bevat de volgende rubrieken :
a) de identificatiegegevens van de aanvrager, waaronder het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen;
b) de identificatiegegevens van de voorziening;
c) de identificatiegegevens van de contactpersoon voor het dossier;
d) een korte beschrijving van het project;
e) de locatie van het project: het adres en de kadastergegevens;
f) het juridische statuut van de gebouwen of de grond waarop het project gerealiseerd zal worden;
g) de aard van de investering, conform artikel 5;
h) de capaciteiten van het project;
i) de eventuele medeaanvragers bij een gezamenlijke aanvraag;
2° als de aanvrager geen ziekenhuis is als vermeld in artikel 2 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, en niet is opgenomen in de Kruispuntbank van Ondernemingen : de nodige bescheiden, statuten of documenten, waaruit blijkt dat de aanvrager een privaatrechtelijke vereniging met rechtspersoonlijkheid is waarvoor het bij wet verboden is haar leden een vermogensvoordeel te bezorgen, of een vennootschap met rechtspersoonlijkheid en met een sociaal oogmerk;
3° als de aanvrager een ziekenhuis is als vermeld in artikel 2 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, en niet is opgenomen in de Kruispuntbank van Ondernemingen: de nodige bescheiden, statuten of documenten, waaruit blijkt dat de aanvrager een van de volgende besturen, verenigingen of instellingen is :
a) een lokaal of provinciaal bestuur;
b) een vereniging zonder winstoogmerk of een stichting van openbaar nut als vermeld in de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, of een andere rechtspersoon die geen materiële winst nastreeft;
c) een instelling, beheerst door :
1) de wet van 12 augustus 1911 waarbij de rechtspersoonlijkheid verleend wordt aan de universiteiten van Brussel en Leuven;
2) het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen en het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen;
3) het bijzonder decreet van 3 februari 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen en het decreet van 3 februari 2017 betreffende de re-integratie van het Universitair Ziekenhuis Gent in de Universiteit Gent;
4° een kopie van de ondertekende beslissing van het bevoegde orgaan van de aanvrager om de investeringssubsidie aan te vragen;
5° een bewijs dat de aanvrager over een genotsrecht als vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994, beschikt of zal beschikken;
6° een visienota, die bestaat uit :
a) de visie op en het beleid van de aanvrager rond de preventie van agressie-incidenten en crisissituaties. Daarbij toont de aanvrager aan dat hij een beleid heeft uitgewerkt ter preventie van agressie-incidenten en crisissituaties. Dat beleid omvat de volgende aspecten :
1) de pedagogische en therapeutische visie;
2) vorming;
3) de-escalatietechnieken;
4) alternatieve maatregelen;
5) debriefing na incidenten;
6) informeren van gebruikers, familie en naasten;
7) de betrokkenheid van gebruikers, familie en naasten bij het individuele traject en bij het afdelingsbeleid, om de gebruikerservaringen te verbeteren;
b) de visie op en het beleid van de aanvrager rond maatregelen inzake vrijheidsbeperking of vrijheidsberoving, waar in voorkomend geval op teruggevallen kan worden. Daarbij beschrijft de aanvrager de richtsnoeren voor het handelen en de manier waarop de resultaten van het handelen worden geëvalueerd en er wordt gestreefd naar verbetering;
c) een evaluatie van de bestaande infrastructuur in het kader van preventie van agressie;
d) een beschrijving van de toekomstige infrastructuur in het kader van preventie van agressie;
7° een projectnota, die bestaat uit :
a) een beschrijving van de preventieve infrastructurele maatregelen waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;
b) de manier waarop het project past in het beleid rond preventie van agressie, vrijheidsbeperking of vrijheidsberoving en de verwachte meerwaarde voor de doelgroep;
c) de kwaliteitsaspecten van het project, met onder meer een beschrijving van de volgende aspecten: comfort, privacy, veiligheid, huiselijkheid, duurzaamheid, materiaalkeuze, vernieuwend karakter;
8° de procesmatige aanpak met onder meer een verslag van de besprekingen over het project met de interne belanghebbenden van de aanvrager, zoals personeel en gebruikers, een schets van de multidisciplinaire aanpak en van eventuele samenwerkingsverbanden;
9° de plannen van het project, met daarbij een aanduiding van de geplande maatregelen ten opzichte van de bestaande situatie;
10° als de voorgestelde maatregelen een impact hebben op de brandveiligheid: een advies van de bevoegde brandweerdienst of een verslag van de bespreking met de bevoegde brandweerdienst, dat de aanvrager heeft ondertekend en dat ter kennisgeving is bezorgd aan de bevoegde brandweerdienst;
11° de kostenraming van het project exclusief btw;
12° een verklaring op erewoord dat voor de preventieve infrastructurele maatregelen inzake agressie, vrijheidsbeperking of vrijheidsberoving geen andere investeringssubsidies als vermeld in het decreet van 23 februari 1994 worden verleend;
13° de samenwerkingsovereenkomst bij een gezamenlijke aanvraag;
14° met het oog op de controle van de verwantschapsband, vermeld in artikel 3, eerste lid, 2°, en artikel 4, als de aanvrager niet de eigenaar is van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond waarop het project is gepland, en met behoud van de toepassing van de mogelijkheid van het Fonds om aanvullende gegevens op te vragen conform artikel 4, vijfde en zesde lid :
a) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de eigenaar van de grond of de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
b) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de aanvrager, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
c) de laatst goedgekeurde jaarrekening van de bestuurders met rechtspersoonlijkheid in de raad van bestuur van de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond, als die niet neergelegd hoeft te worden bij de Nationale Bank van België;
d) een verklaring waarvan het origineel ondertekend is door de persoon of de personen die bevoegd zijn om de eigenaar van de grond of van de houder van de zakelijke rechten op de grond te verbinden enerzijds, en de aanvrager anderzijds, dat er geen ongeoorloofde verwantschapsband bestaat tussen de eigenaar van de grond, of de houder van de zakelijke rechten op de grond, en de aanvrager als vermeld in artikel 3 en 4.

Artikel 8. (07/02/2019- ...)

Het Fonds onderzoekt of de aanvraag voldoet aan de bepalingen van artikel 2, 3, 4, 6 en 7. Het Fonds stuurt binnen dertig dagen nadat het de aanvraag heeft ontvangen, een ontvangstbewijs naar de aanvrager, met de vermelding of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is. De ontvankelijkheid houdt in dat de aanvraag tijdig is ingediend en voldoet aan de formele vereisten, vermeld in artikel 2, 3, 4, 6 en 7.

Artikel 9. (07/02/2019- ...)

Het Fonds stuurt de ontvankelijke aanvragen naar een beoordelingscommissie. De beoordelingscommissie bestaat uit :
1° een of meer vertegenwoordigers van het Fonds;
2° een of meer vertegenwoordigers van elk van de functioneel bevoegde agentschappen.

Uiterlijk twee maanden na de uiterste datum voor de indiening van de aanvragen komt de beoordelingscommissie een eerste keer samen.

De beoordelingscommissie toetst de ontvankelijke aanvragen aan de volgende beoordelingscriteria :
1° de functionele aspecten: de manier waarop het project past in het beleid en de visie van de aanvrager;
2° de kwaliteit van het project betreffende het preventieve karakter van de voorgestelde maatregelen, de meerwaarde voor de gebruikers en de doelgerichtheid;
3° de kwaliteit van de uitwerking van het project, onder meer op het vlak van comfort, privacy, veiligheid, huiselijkheid, duurzaamheid, vernieuwend karakter en kostenraming;
4° de procesmatige aanpak, onder meer op het vlak van gedragenheid van het project, betrokkenheid van gebruikers, multidisciplinaire aanpak en eventuele samenwerkingsverbanden.

Op verzoek van de beoordelingscommissie kan het Fonds aanvullende inlichtingen vragen aan de aanvrager.

De beoordelingscommissie maakt een advies op, met daarbij een lijst van de aanvragen die volgens haar in aanmerking komen voor subsidiëring, met vermelding van de voorgestelde subsidiebedragen. De beoordelingscommissie houdt daarbij rekening met de beschikbare begrotingskredieten en maakt, in voorkomend geval, een rangschikking op van de aanvragen.

Het advies van de beoordelingscommissie, vermeld in het vijfde lid, is gemotiveerd. Na advies van de Inspectie van Financiën legt het Fonds het advies van de beoordelingscommissie voor aan de minister ter beslissing.

Artikel 10. (07/02/2019- ...)

De minister beslist of de investeringssubsidie toegekend wordt, rekening houdend met de beoordelingscriteria, vermeld in artikel 9, derde lid, met het advies van de beoordelingscommissie en met de beschikbare begrotingskredieten.

Het Fonds brengt de aanvrager op de hoogte van de beslissing.

Nadat de aanvrager de beslissing tot toekenning van de investeringssubsidie heeft ontvangen, kan de aanvrager het bevel geven tot aanvang van de werkzaamheden of kan hij de bestelling plaatsen.

De aanvrager voltooit het project binnen twee jaar nadat hij de beslissing tot toekenning van de investeringssubsidie heeft ontvangen. De aanvrager meldt de datum van voltooiing aan het Fonds. Als het project niet is voltooid binnen de voormelde termijn, vervalt de beslissing tot toekenning van de investeringssubsidie. De voormelde termijn kan, op gemotiveerd verzoek van de aanvrager, door de minister worden verlengd in geval van overmacht.

Artikel 11. (07/02/2019- ...)

Als de aanvrager alle facturen voor het project heeft ontvangen, kan hij aan het Fonds de uitbetaling van de investeringssubsidie vragen.

De aanvrager bezorgt bij zijn aanvraag, vermeld in het eerste lid, de volgende stukken aan het Fonds :
1° een overzicht van de gemaakte kosten;
2° alle facturen;
3° een verslag, onder meer aan de hand van beeldmateriaal, over de uitvoering van het project zoals vooropgesteld, in voorkomend geval met een duiding van de eventuele wijzigingen;
4° in voorkomend geval een of meer ontwerpstudies als vermeld in artikel 12.

Afdeling 3. Maximumbedrag van de investeringssubsidie

Artikel 12. (19/09/2019- ...)

§ 1. Het maximale bedrag van de investeringssubsidie per voorziening is vastgesteld op 175.000 euro voor voorzieningen met een verblijfscapaciteit van minder dan 50. Voor voorzieningen met een verblijfscapaciteit van 50 of meer wordt dat maximale bedrag van de investeringssubsidie per voorziening vermeerderd met 2500 euro per verblijfsplaats voor de plaatsen vijftig en meer.

Bij een gezamenlijke aanvraag worden de bedragen, vermeld in het eerste lid, per voorziening in rekening gebracht.

§ 2. De maximale bedragen, vermeld in paragraaf 1, gelden per voorziening en kunnen gespreid worden over verschillende projecten of verschillende oproepen.

Afdeling 4. Bedrag van de investeringssubsidie en betaling

Artikel 13. (07/02/2019- ...)

§ 1. De investeringssubsidie bedraagt 75% van de kostenraming van het project, met behoud van de toepassing van artikel 12.

Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt verhoogd met 10% als een of meer ontwerpstudies van een onafhankelijk studiebureau worden voorgelegd over de voorgenomen preventieve infrastructurele maatregelen. Voor de eventuele verhoging met 10% is het maximale bedrag, vermeld in artikel 12, niet van toepassing.

De kosten van de btw worden niet gesubsidieerd.

§ 2. Het Fonds controleert de aanvraag, vermeld in artikel 11. Als blijkt dat de gemaakte kosten lager zijn dan de kostenraming, wordt het bedrag van de investeringssubsidie aangepast en berekend rekening houdend met de uiteindelijke kosten en niet met de kostenraming.

Het Fonds betaalt de investeringssubsidie uit.

Afdeling 5. Evaluatie

Artikel 14. (07/02/2019- ...)

De aanvrager maakt een zelfevaluatie op van het project vanaf een jaar na de ingebruikname. Bij die zelfevaluatie worden de meerwaarde en effectiviteit van het project voor de preventie van agressie en vrijheidsbeperkende en vrijheidsberovende maatregelen geschetst. Het Fonds kan daarvoor een model ter beschikking stellen.

De zelfevaluatie, vermeld in het eerste lid, wordt bezorgd aan het Fonds binnen twee jaar na de ingebruikname.

Afdeling 6. Toezicht en maatregelen

Artikel 15. (07/02/2019- ...)

De bevoegde personeelsleden van de Vlaamse administratie, bevoegd voor het beleidsdomein waartoe het Fonds behoort, oefenen toezicht uit op de naleving van dit besluit.

Artikel 16. (07/02/2019- ...)

De aanvrager is ertoe gehouden om voor de gesubsidieerde onroerende en roerende goederen gedurende de concrete minimumperiode, vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994, elke vervreemding, elke bezwaring met een zakelijk recht of genotsrecht, of elke concrete bestemmingswijziging van het gesubsidieerde goed aan de uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming te onderwerpen, ofwel van het Fonds als het gesubsidieerde goed een bestemming krijgt in het kader van de persoonsgebonden aangelegenheden, vermeld in artikel 5 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, als die aangelegenheden vallen onder het beleidsdomein waartoe het Fonds behoort, ofwel van de minister in de andere gevallen. De minister kan alleen toestemming geven na gunstig advies van de Inspectie van Financiën.

De gesubsidieerde onroerende en roerende goederen worden als een goed huisvader beheerd en onderhouden gedurende de concrete minimumperiode, vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994.

Artikel 17. (07/02/2019- ...)

Bij overtreding van de bepalingen van artikel 16, eerste lid, of als de aanvrager een onjuiste verklaring aflegt over de voorwaarden, vermeld in artikel 3, 2°, en artikel 4, zullen de verleende investeringssubsidies worden teruggevorderd overeenkomstig artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.

Bij overtreding van de bepalingen van artikel 16, tweede lid, zal het Fonds de aanvrager aanmanen zich te conformeren aan die bepaling binnen een termijn die het Fonds bepaalt. Als de aanvrager niet het nodige gevolg geeft aan die aanmaning, zullen de verleende investeringssubsidies worden teruggevorderd overeenkomstig artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.

Artikel 18. (07/02/2019- ...)

§ 1. Minstens om de drie jaar en aansluitend op het verlopen van de concrete minimumperiode, vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 februari 1994, controleren het Fonds of de personen, belast met het toezicht, de boekhouding van de aanvrager. In de boekhouding van de aanvrager worden de inkomsten en kosten die verband houden met het project transparant afgezonderd.

Als, rekening houdend met een redelijke winst, het totaal van de inkomsten, vermeld in het eerste lid, hoger is dan de kosten, vermeld in eerste lid, en een passend aandeel in de gemeenschappelijke kosten van de aanvrager, vordert het Fonds het verschil terug.

§ 2. In deze paragraaf wordt onder ROCE de return on capital employed verstaan.

Een voorziening wordt geacht op het project een redelijke winst, vermeld in paragraaf 1, te boeken als de ROCE op het project niet hoger is dan de toelaatbare ROCE voor het project. De toelaatbare ROCE voor het project wordt jaarlijks bepaald op basis van de toelaatbare ROCE voor eigen vermogen en voor vreemd vermogen, gewogen volgens de verhoudingen van eigen en vreemd vermogen voor het project.

Het Fonds bepaalt jaarlijks bij het begin van het jaar de toelaatbare ROCE voor eigen vermogen en voor vreemd vermogen.

Artikel 19. (19/09/2019- ...)

Met toepassing van artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof worden de investeringssubsidies geheel of ten dele teruggevorderd voor zover daartoe aanleiding bestaat na de controle, vermeld in artikel 18 van dit besluit.

Artikel 20. (07/02/2019- ...)

De aanvrager houdt de documenten, inclusief de boekhouding, die verband houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van de vereisten van artikel 3, uit de toepassing van de maatregelen, vermeld in artikel 5 en uit de toepassing van de beoordelingscriteria, vermeld in artikel 9, ter beschikking van het Fonds. Hij bezorgt die documenten aan het Fonds op verzoek van het Fonds.

HOOFDSTUK 3. Slotbepaling

Artikel 21. (07/02/2019- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, is belast met de uitvoering van dit besluit.