Besluit van de Vlaamse Regering houdende de toekenning van een subsidie voor een vernieuwend project werknemersstatuut van de kinderbegeleider gezinsopvang

Datum 22/02/2019

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
  2. HOOFDSTUK 2. Bedrag van de subsidie
  3. HOOFDSTUK 3. Selectieprocedure
  4. HOOFDSTUK 4. Subsidievoorwaarden
  5. [HOOFDSTUK 5. Oproep, aanvraag en toekenning van de subsidie (verv. BVR 14 januari 2022, art. 4, I: 12 april 2022)]
  6. HOOFDSTUK 6. Evaluatie
  7. HOOFDSTUK 7. Toezicht
  8. HOOFDSTUK 8. Slotbepalingen

Inhoud

(... - ...)

DE VLAAMSE REGERING,

Gelet op het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, artikel 6, gewijzigd bij de decreten van 22 december 2006 en 20 april 2012, en artikel 8, § 2;

Gelet op het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, artikel 14;

Gelet op het akkoord van de minister bevoegd voor begroting, gegeven op 18 december 2018;

Gelet op advies 65.091/1 van de Raad van State, gegeven op 1 februari 2019, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. (18/04/2019- 31/03/2023)

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° agentschap: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie dat is opgericht bij artikel 3 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien Regie.
1°/1 organisator die onder de private sector valt: een organisator die geen lokaal bestuur of overheidsinstantie is;
2° organisator die onder de publieke sector valt: een organisator die een lokaal bestuur of overheidsinstantie is, vertegenwoordigd door de vakverenigingen van de openbare sector.

Artikel 2. (18/04/2019- 31/03/2023)

Het agentschap kan conform de bepalingen van dit besluit een subsidie toekennen aan organisatoren met een vergunning voor gezinsopvang zoals bedoeld in het decreet van 20 april 2012, die met kinderbegeleiders in het sociaal statuut van de aangesloten onthaalouders werken.

Artikel 3. (01/04/2021- 31/03/2023)

De subsidie, vermeld in artikel 4, kan ten vroegste ingaan vanaf 1 april 2019 en kan uiterlijk lopen tot en met 31 maart 2023.

In afwijking van het eerste lid, gaat de subsidie in vanaf 1 januari 2019 voor de kinderbegeleiders gezinsopvang die al onder het werknemersstatuut werken in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 2015 houdende de regeling van de toekenning van een subsidie voor een vernieuwend project betreffende het werknemersstatuut van de kinderbegeleider gezinsopvang aan organisatoren met een vergunning.

HOOFDSTUK 2. Bedrag van de subsidie

Artikel 4. (12/04/2022- 31/03/2023)

De subsidie bedraagt:
1° voor de organisator die onder de private sector valt: 14.698,54 euro per voltijdsequivalent kinderbegeleider per kalenderjaar;
2° voor de organisator die onder de publieke sector valt: 18.410,00 euro per voltijdsequivalent kinderbegeleider per kalenderjaar.

Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt verhoudingsgewijze verminderd als een voltijdsequivalent of een fractie ervan niet wordt ingevuld gedurende een periode van meer dan dertig dagen. Als blijkt dat vanaf het moment dat de tewerkstelling wijzigt, geen of geen volledig loon verschuldigd is aan de werknemer in kwestie, wordt de subsidie verrekend met het saldo of door de organisator terugbetaald.

Artikel 4/1. (12/04/2022- 31/03/2023)

De organisator verliest het recht op de subsidie, vermeld in artikel 4, als een voltijdsequivalent of een fractie ervan uit het vernieuwende project stapt en niet vervangen wordt door een nieuwe kinderbegeleider in een werknemersstatuut binnen zes maanden vanaf de eerste dag van de maand waarin de gewijzigde situatie zich heeft voorgedaan.

Het agentschap kan de vrijgekomen voltijdsequivalenten of fracties ervan opnieuw invullen door die toe te kennen op basis van de reservelijst, vermeld in artikel 15, achtste lid, binnen de publieke of private sector al naargelang de oorspronkelijke toekenning.

Artikel 5. (01/01/2019- 31/03/2023)

De bedragen, vermeld in het artikel 4 van dit besluit, worden aangepast aan de afgevlakte gezondheidsindex, vermeld in artikel 8 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013.

Artikel 6. (18/04/2019- 31/03/2023)

De subsidie wordt betaald met voorschotten van 80% per kwartaal, behalve in geval van een vermoeden van ernstige problemen, en minstens als er een risico is op plotse stopzetting van de opdrachten of bij een vermoeden van fraude. In dat geval kan het agentschap beslissen om geen voorschot of een lager voorschot te betalen. Het saldo wordt afgerekend uiterlijk op 1 april van het jaar dat volgt op het kalenderjaar in kwestie, behalve als de opdrachten niet meer worden opgenomen. In dat geval wordt het saldo afgerekend in het kwartaal dat volgt op de stopzetting van de opdrachten.

Artikel 7. (01/01/2019- 31/03/2023)

De subsidies worden toegekend met inachtneming van het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.

Artikel 8. (01/01/2019- 31/03/2023)

De organisator houdt een overzicht bij van de ontvangen subsidie en de kosten van de specifieke dienstverlening, vermeld in dit besluit.

Artikel 9. (01/01/2019- 31/03/2023)

De organisator mag met de ontvangen subsidie, vermeld in dit besluit, geen reserves opbouwen.

HOOFDSTUK 3. Selectieprocedure

Artikel 10. (01/01/2019- 31/03/2023)

Om geselecteerd te kunnen worden voor het vernieuwende project, voldoet de organisator aan al de volgende voorwaarden:
1° de organisator verbindt zich ertoe zijn kinderbegeleiders voldoende te informeren over wat het werknemersstatuut inhoudt en wat de voor- en nadelen ervan zijn, alsook over het feit dat de mogelijkheid bestaat dat ze niet geselecteerd worden;
2° de organisator verbindt zich ertoe een weloverwogen selectiebeleid te voeren, met het oog op een objectieve en eerlijke selectie van de kinderbegeleiders. De organisator kan de gegevens met betrekking tot zijn selectiebeleid voorleggen en kan hier toelichting bij geven.

HOOFDSTUK 4. Subsidievoorwaarden

Artikel 11. (01/01/2019- 31/03/2023)

De organisator voldoet aan al de volgende subsidievoorwaarden:
1° de organisator selecteert voor het vernieuwende project alleen:
a) kinderbegeleiders die een kwalificatie als vermeld in artikel 43, § 2, eerste lid, 4°, a), van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, hebben of een bewijs van een kwalificerend traject leveren als vermeld in artikel 8 van het ministerieel besluit van 25 november 2016 tot uitvoering van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013;
b) kinderbegeleiders die beschikbaar zijn om per voltijdsequivalent gemiddeld vier kinderen op te vangen per kwartaal;
c) kinderbegeleiders die bereid zijn om mee te werken aan de evaluatie, vermeld in artikel 16 van dit besluit;
2° de organisator engageert zich voor de tewerkstelling van het aantal toegekende voltijdsequivalenten werknemers. Dit impliceert dat de organisator in staat moet zijn om op te treden als werkgever en op organisatorisch vlak moet voldoen aan de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, titel 6, met betrekking tot de overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders;
3° de organisator werkt samen met een pool gezinsopvang als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2019 houdende de toekenning van een subsidie aan pools gezinsopvang;
4° de organisator verbindt zich ertoe om mee te werken aan de evaluatie van het vernieuwende project, vermeld in artikel 16 van dit besluit.

Artikel 12. (18/04/2019- 31/03/2023)

De organisator meldt aan het agentschap de effectieve vermindering van het toegekende contingent voltijdsequivalenten, uiterlijk drie maanden na de eerste dag van de maand nadat de verminderde invulling van het toegekende contingent voltijdsequivalent zich heeft voorgedaan.

[HOOFDSTUK 5. Oproep, aanvraag en toekenning van de subsidie (verv. BVR 14 januari 2022, art. 4, I: 12 april 2022)]

Artikel 12/1. (29/10/2021- 31/03/2023)

Het agentschap maakt in 2021 een oproep bekend voor de toekenning van bijkomende subsidies in het kader van het vernieuwende project voor de aanwerving van 244 voltijdsequivalente kinderbegeleiders in de private sector en 27,77 voltijdsequivalente kinderbegeleiders in de publieke sector en voor de vervanging van de vrijgekomen voltijdsequivalente kinderbegeleiders, vermeld in artikel 4/1.

Artikel 13. (29/10/2021- 31/03/2023)

De aanvraag van de subsidie, vermeld in dit besluit, wordt uiterlijk negentig dagen na het versturen van de oproep, vermeld in artikel 12/1, ingediend bij het agentschap, met een aanvraagformulier dat het agentschap ter beschikking stelt.

Het aanvraagformulier, vermeld in het eerste lid, bevat de volgende gegevens:
1° de naam, de rechtsvorm, het adres en het ondernemingsnummer van de organisator;
2° de identificatiegegevens en de contactgegevens van de contactpersoon van de organisator, waaronder minstens de voor- en achternaam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de contactpersoon;
3° het dossiernummer van de kinderopvanglocaties van de kinderbegeleiders die deelnemen aan het vernieuwend project;
4° het minimaal en maximaal gewenst aantal voltijdsequivalenten, met aanduiding van de verdeling van die voltijdsequivalenten over het aantal voltijdse en deeltijdse posten;
5° de naam en een handtekening van de organisator.

In afwijking van het eerste en tweede lid dient de organisator geen aanvraag in voor de kinderbegeleiders gezinsopvang die al onder het werknemersstatuut werken in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 2015 houdende de regeling van de toekenning van een subsidie voor een vernieuwend project betreffende het werknemersstatuut van de kinderbegeleider gezinsopvang aan organisatoren met een vergunning. Voor de voormelde kinderbegeleiders wordt de organisator geacht het betreffende aantal voltijdsequivalenten toegekend te hebben gekregen.

Artikel 14. (18/04/2019- 31/03/2023)

Naast het aanvraagformulier, vermeld in artikel 13, bezorgt de organisator de volgende documenten aan het agentschap:
1° voor de organisator die onder de private sector valt: een bewijs dat de persoon die de aanvraag indient, gemachtigd is om te handelen in naam van de organisator;
2° voor de organisator die onder de publieke sector valt: een bewijs waaruit blijkt dat de beslissing tot deelname aan het vernieuwende project, vermeld in dit besluit, genomen is door het bevoegde orgaan.

Artikel 15. (01/01/2022- 31/03/2023)

Het agentschap beslist uiterlijk negentig dagen na de laatste dag van de termijn voor het indienen van de aanvragen, vermeld in artikel 13, eerste lid, over de toekenning van de subsidie.

De aanvraag is ontvankelijk als ze voldoet aan al de volgende criteria:
1° de aanvraag werd tijdig ingediend conform artikel 13, eerste lid;
2° het aanvraagformulier dat het agentschap ter beschikking stelt op haar website, is ingevuld;
3° de aanvraag is naar het e-mailadres gestuurd dat vermeld wordt op het aanvraagformulier;
4° de aanvraag werd ingediend door een organisator die werkt als organisator gezinsopvang met kinderbegeleiders in het sociaal statuut van de aangesloten onthaalouders.

De aanvraag wordt uitgesloten als aan een of meer van de volgende criteria is voldaan:
1° er zijn ernstige dossiermatige indicaties die erop wijzen dat de vergunningsvoorwaarden of de subsidievoorwaarden niet nageleefd kunnen worden;
2° er is geen duidelijk en realistisch perspectief waaruit blijkt dat de organisator in staat is om negentig dagen na de datum van de toewijzingsbeslissing van de bijkomende voltijdsequivalente werknemers als werkgever op te treden;
3° ...

Bij de beoordeling van de aanvragen gelden de volgende voorrangscriteria:
1° in een eerste fase wordt voorrang gegeven aan de organisatoren die voor minder dan 5% van hun vergunde locaties gezinsopvang en groepsopvang als vermeld in artikel 73, derde lid van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, kinderbegeleiders in het werknemersstatuut in het werknemersstatuut kregen toegekend. Het agentschap kent voltijdsequivalente kinderbegeleiders toe tot een maximum van 5%, met een minimum van één voltijdsequivalente kinderbegeleider, of met een veelvoud ervan;
2° in een tweede fase wordt voorrang gegeven aan de organisatoren die voor minder dan 10% van hun vergunde locaties gezinsopvang en groepsopvang als vermeld in artikel 73, derde lid van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, kinderbegeleiders in het werknemersstatuut kregen toegekend. Het agentschap kent voltijdsequivalente kinderbegeleiders toe tot een maximum van 10%, met een minimum van één voltijdsequivalente kinderbegeleider, of met een veelvoud ervan;
3° in een derde fase wordt voorrang gegeven aan de organisatoren die voor minder dan 15% van hun vergunde locaties gezinsopvang en groepsopvang als vermeld in artikel 73, derde lid van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, kinderbegeleiders in het werknemersstatuut kregen toegekend. Het agentschap kent voltijdsequivalente kinderbegeleiders toe tot een maximum van 15%, met een minimum van één voltijdsequivalent kinderbegeleider, of met een veelvoud ervan;
4° in een vierde fase wordt voorrang gegeven aan de organisatoren die voor minder dan 20% van hun vergunde locaties gezinsopvang en groepsopvang als vermeld in artikel 73, derde lid van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, kinderbegeleiders in het werknemersstatuut kregen toegekend. Het agentschap kent voltijdsequivalente kinderbegeleiders toe tot een maximum van 20%, met een minimum van één voltijdsequivalente kinderbegeleider, of met een veelvoud ervan;
5° in een vijfde fase wordt voorrang gegeven aan de organisatoren die voor minder dan 25% van hun vergunde locaties gezinsopvang en groepsopvang als vermeld in artikel 73, derde lid van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, kinderbegeleiders in het werknemersstatuut kregen toegekend. Het agentschap kent voltijdsequivalente kinderbegeleiders toe tot een maximum van 25% met een minimum van één voltijdsequivalente kinderbegeleider, of met een veelvoud ervan.

Het aantal vergunde locaties per organisator worden vastgelegd op 1 september 2021.

Als er binnen een bepaalde fase als vermeld in het vierde lid, meer aanvragen zijn dan kunnen worden toegekend, worden de beschikbare voltijdsequivalente kinderbegeleiders pro rata verdeeld over het aantal organisatoren die een aanvraag hebben ingediend voor de fase in kwestie. Als geen pro-rataverdeling mogelijk is in de fase in kwestie, wordt voorrang gegeven aan de aanvragen met de hoogste score op de scores op basis van de gegrondheid, vermeld in het zevende lid.

Het agentschap beoordeelt de gegrondheid van de aanvragen op basis van de som van de volgende scores:
1° de score van het agentschap voor de bezetting in 2020 op drie punten. De bezetting wordt berekend conform artikel 21 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, en de scores worden op de volgende wijze toegekend:
a) 0 punten voor een bezettingspercentage lager dan 80%;
b) 1 punt voor een bezettingspercentage vanaf 80% en minder dan 90%;
c) 2 punten voor een bezettingspercentage vanaf 90% en minder dan 100%;
d) 3 punten voor een bezettingspercentage vanaf 100%;
2° de score van het agentschap op 1 september 2021 voor de verhouding van het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen met de subsidie voor inkomenstarief voor gezinsopvang ten opzichte van het aantal vergunde locaties gezinsopvang van de organisator, hierna plaats-locatieratio te noemen, op 3 punten en waarbij de scores op de volgende wijze worden toegekend:
a) een score van 3 punten als de organisator een plaats-locatieratio heeft van maximaal 4;
b) een score van 2 punten als de organisator een plaats-locatieratio heeft van maximaal 5;
c) een score van 1 punt als de organisator een plaats-locatieratio heeft van maximaal 6;
d) een score van 0 punten als de organisator een plaats-locatieratio heeft van meer dan 6;
3° de score van het agentschap voor het bereiken van de voorrangsgroepen, vermeld in artikel 22 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013 op 2 punten en waarbij de scores op de volgende wijze worden berekend:
a) een score van 0 punten als het percentage bereikte voorrangsgroepen in 2019 en 2020 minder dan 20% bedraagt;
b) een score van 1 punt als het percentage bereikte voorrangsgroepen in 2019 of 2020 meer dan 20% en minder dan 30% bedraagt;
c) een score van 2 punten als het percentage voorrangsgroepen in 2019 of 2020 meer dan 30% bedraagt.

Op basis van de pro-rataverdeling en op basis van de scores, vermeld in het zesde en zevende lid, maakt het agentschap een reservelijst op voor de toekenning van de vrijgekomen voltijdsequivalente kinderbegeleiders, vermeld in artikel 4/1, en voor de toekenning van de bijkomende subsidies voor voltijdsequivalente kinderbegeleiders, vermeld in artikel 12/1. De subsidies worden toegekend in volgorde van de reservelijst en rekening houdend met het beschikbare budget.

Artikel 15/1. (12/04/2022- 31/03/2023)

Het agentschap bezorgt op digitale wijze het voornemen tot het nemen van de beslissing, vermeld in artikel 4/1, aan de organisator. De organisator beschikt over tien dagen vanaf de datum van kennisgeving van het voornemen om te reageren op het voornemen.

Het agentschap beslist binnen tien dagen na de dag waarop het antwoord van de organisator heeft ontvangen, of na het verlopen van de termijn, vermeld in het tweede lid.

Het agentschap bezorgt de beslissing op digitale wijze uiterlijk tien dagen na de datum van de beslissing. De beslissing vermeldt de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen en de wijze waarop dat moet gebeuren.

Artikel 15/2. (12/04/2022- 31/03/2023)

De organisator kan uiterlijk tien dagen na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in artikel 15/1, derde lid, een bezwaar aantekenen bij het agentschap. Het bezwaar bevat al de volgende gegevens:
1° de naam en het ondernemingsnummer van de organisator;
2° de naam en het adres van de opvanglocatie;
3° het dossiernummer;
4° de motivering van het bezwaar;
5° de datum en handtekening van de organisator.

Het bezwaar is ontvankelijk als het tijdig is verstuurd op de wijze, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 15/1, tweede lid, en als ze alle elementen bevat als vermeld in dit artikel.

Het agentschap beslist over de ontvankelijkheid van het bezwaar uiterlijk tien dagen na de dag waarop het het bezwaar heeft ontvangen en informeert de organisator daarover op digitale wijze.

Artikel 15/3. (12/04/2022- 31/03/2023)

Het bezwaar wordt ten gronde behandeld volgens de regels die zijn vastgelegd in of ter uitvoering van hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-) pleegzorgers.

Het bezwaar schort de beslissing, vermeld in artikel 15/1, tweede lid, niet op.

HOOFDSTUK 6. Evaluatie

Artikel 16. (18/04/2019- 31/03/2023)

Het agentschap evalueert minstens de volgende elementen van het vernieuwende project:
1° de impact op de organisatoren en de kinderbegeleiders;
2° de impact op de dienstverlening aan de gezinnen;
3° de kostprijs voor de overheid.

Het agentschap werkt het evaluatiekader verder uit, in overleg met de sociale partners.

HOOFDSTUK 7. Toezicht

Artikel 17. (12/04/2022- 31/03/2023)

Het agentschap beslist tot terugvordering van de subsidie conform artikel 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, en artikel 18 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 betreffende de algemene regels inzake subsidiëring.

HOOFDSTUK 8. Slotbepalingen

Artikel 18. (13/11/2020- 31/03/2023)

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019 en houdt op uitwerking te hebben op 31 maart 2023.

Artikel 19. (01/01/2019- 31/03/2023)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.