Decreet houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten

Datum 03/05/2019

Versie geldig op 01/09/2020

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
  2. HOOFDSTUK 2. Regie, samenwerking en kwaliteit
    1. Afdeling 1. Regie
    2. Afdeling 2. Samenwerking
    3. Afdeling 3. Kwaliteit
  3. HOOFDSTUK 3. Subsidie
  4. HOOFDSTUK 4. Verwerking van persoonsgegevens
  5. HOOFDSTUK 5. Slotbepalingen
    1. Afdeling 1. Overgangsbepalingen
    2. Afdeling 2. Wijzigingsbepalingen
    3. Afdeling 3. Inwerkingtredingsbepaling

Inhoud

HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Artikel 2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

In dit decreet wordt verstaan onder:
1° buitenschoolse activiteiten: het geheel van formeel georganiseerde activiteiten voor kinderen, met inbegrip van de kleuteropvang en de opvang lager onderwijs;
2° gebruikers: ouders en andere opvoedingsverantwoordelijken, en hun kinderen;
3° kleuteropvang: opvang die op structurele basis en gedurende een minimale tijdsduur wordt georganiseerd voor kinderen die naar de kleuterschool, vermeld in artikel 5 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, kunnen gaan en nog niet naar het lager onderwijs, vermeld in artikel 6, § 1, van hetzelfde decreet, gaan;
4° Kind en Gezin: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, opgericht bij het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
5° kinderen: kinderen vanaf de leeftijd waarop ze naar de kleuterschool, vermeld in artikel 3, 26°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, kunnen gaan;
6° lokaal bestuur: het gemeentebestuur en het bestuur van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of, wat het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad betreft, de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
7° meerjarenplanning: de meerjarenplanning, vermeld in artikel 254 en 255 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
8° opvang lager onderwijs: de activiteiten voor kinderen die naar het lager onderwijs, vermeld in artikel 6, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, gaan, met uitzondering van de activiteiten van het jeugdwerk of van de sportverenigingen;
9° organisator: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een aanbod van buitenschoolse activiteiten organiseert.

Onder meer de volgende activiteiten worden niet beschouwd als buitenschoolse activiteiten en vallen bijgevolg niet onder de toepassing van dit decreet:
1° het verstrekken van onderwijs of het organiseren van middagopvang op school, met uitzondering van het deeltijds kunstonderwijs;
2° het aanbieden van dagbesteding of begeleiding in internaten of semi-internaten;
3° het verlenen van jeugdhulp als vermeld in artikel 2, § 1, 30°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;
4° het bieden van exclusieve zorg aan kinderen met een handicap;
5° het bieden van gezondheidszorg aan kinderen;
6° het passen op kinderen van klanten of bezoekers.

Artikel 3.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

De Vlaamse overheid beoogt een geïntegreerd aanbod van buitenschoolse activiteiten voor kinderen via samenwerking tussen relevante actoren en met een regierol voor de lokale besturen. Zo draagt ze bij tot de verwezenlijking van de rechten van het kind.

Dit decreet regelt de organisatie van buitenschoolse opvang, meer bepaald kleuteropvang en opvang lager onderwijs, en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten vanuit de volgende doelstellingen:
1° kinderen ontplooiingskansen en speelmogelijkheden aanbieden buiten de schooluren en buiten de middagopvang op school;
2° ouders de kans geven om te participeren aan de arbeidsmarkt of om een opleiding te volgen;
3° sociale cohesie en gelijke kansen bevorderen.

HOOFDSTUK 2. Regie, samenwerking en kwaliteit

Afdeling 1. Regie

Artikel 4.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

Het lokaal bestuur neemt de regie op van buitenschoolse activiteiten en vervult daartoe de volgende opdrachten:
1° het ontwikkelen van een lokaal beleid dat rekening houdt met de doelstellingen, vermeld in artikel 3, tweede lid, en dat deel uitmaakt van de meerjarenplanning;
2° het beslissen over de besteding en de verdeling van de beschikbare financiële, personele, logistieke en infrastructurele middelen, waaronder de subsidie, vermeld in artikel 12.

Het lokaal bestuur realiseert de opdrachten, vermeld in het eerste lid, in samenspraak met actoren die relevant zijn voor buitenschoolse activiteiten en geeft daarbij bijzondere aandacht aan kleuteropvang, aan kwetsbare gezinnen en kinderen met een specifieke zorgbehoefte, en aan het stimuleren van het multifunctioneel en efficiënt gebruik van infrastructuur.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels en stelt vast wat wordt verstaan onder meerjarenplanning voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

Artikel 5.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

Het lokaal bestuur kan een lokaal beleid als vermeld in artikel 4 ontwikkelen in samenwerking met andere lokale besturen.

Artikel 6.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

Het lokaal bestuur treedt neutraal op bij de toepassing van de opdrachten, vermeld in artikel 4, onder andere door het scheiden van de rol van lokale regisseur en de rol van organisator die het eventueel opneemt.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.

Afdeling 2. Samenwerking

Artikel 7.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

Binnen het grondgebied van het lokaal bestuur wordt er samengewerkt in één lokaal samenwerkingsverband, dat divers is samengesteld uit actoren die relevant zijn voor buitenschoolse activiteiten.

De deelname aan het lokaal samenwerkingsverband mag geen voorwaarde zijn voor erkenning of voor financiële, personele, logistieke of infrastructurele ondersteuning van actoren door het lokaal bestuur.

In afwijking van het eerste lid is er één gezamenlijk lokaal samenwerkingsverband voor het grondgebied van de gemeenten waarvoor lokale besturen samenwerken met toepassing van artikel 5.

Artikel 8.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

Het lokaal bestuur neemt het initiatief voor het lokaal samenwerkingsverband en organiseert het.

In afwijking van het eerste lid kan het lokaal bestuur de organisatie van het lokaal samenwerkingsverband volledig of gedeeltelijk overlaten aan een of meer andere actoren die relevant zijn voor buitenschoolse activiteiten.

Bij gebrek aan initiatief van het lokaal bestuur kunnen een of meer andere actoren die relevant zijn voor buitenschoolse activiteiten, het initiatief nemen voor het lokaal samenwerkingsverband.

Actoren treden neutraal op, onder andere door het scheiden van hun rol bij de uitvoering van opdrachten als vermeld in het eerste tot en met het derde lid, en hun eventuele rol van organisator.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de voorwaarden waaronder een of meer andere actoren dan het lokaal bestuur vanuit het principe van een gelijke behandeling het initiatief kunnen nemen voor het lokaal samenwerkingsverband of de organisatie ervan kunnen overnemen, en voor de scheiding van de rol van actor en organisator.

Artikel 9.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

Het lokaal samenwerkingsverband heeft de volgende opdrachten:
1° het niet-bindend adviseren, op vrijwillige basis, van het lokaal bestuur bij de opdrachten, vermeld in artikel 4, en uitvoeren van de meerjarenplanning, vermeld in artikel 4, eerste lid, 1° ;
2° het ontwikkelen van gezamenlijke operationele doelstellingen en het coördineren van operationele acties binnen de beschikbare middelen, vermeld in artikel 4, eerste lid, 2°.

Het lokaal samenwerkingsverband realiseert de opdrachten, vermeld in het eerste lid, in samenspraak met andere actoren die relevant zijn voor buitenschoolse activiteiten.

Het lokaal samenwerkingsverband stimuleert het gebruik van het Nederlands als verbindende taal.

Afdeling 3. Kwaliteit

Artikel 10.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

De Vlaamse overheid zorgt in samenspraak met relevante actoren en rekening houdend met de doelstellingen, vermeld in artikel 3, tweede lid, voor een inspiratiekader voor een geïntegreerd aanbod van buitenschoolse activiteiten.

Artikel 11.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

Kind en Gezin kent een kwaliteitslabel toe aan organisatoren van kleuteropvang die dat kwaliteitslabel aanvragen en die voldoen aan de kwaliteitsvoorwaarden.

De kwaliteitsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, hebben minimaal betrekking op de volgende elementen:
1° het aanbod van buitenschoolse activiteiten;
2° de toegankelijkheid, met bijzondere aandacht voor kwetsbare gezinnen en kinderen met een specifieke zorgbehoefte;
3° de kwaliteitsvolle interacties tussen de medewerkers en de kinderen, waarbij de medewerkers beschikken over de nodige competenties en voldoende kennis van het Nederlands;
4° het beschikken voor de medewerkers over een recent uittreksel uit het strafregister, vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, of over een gelijkwaardig document voor wie niet in België gedomicilieerd is, waaruit onberispelijk gedrag in de omgang met kinderen blijkt. Als de organisator een rechtspersoon is, beschikt de organisator over een uittreksel uit het centraal strafregister op naam van de rechtspersoon;
5° het gebruik van het Nederlands.

De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden bepalen.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot het kwaliteits-label, waaronder het toezicht op de naleving van de kwaliteitsvoorwaarden.

HOOFDSTUK 3. Subsidie

Artikel 12.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

De Vlaamse Regering kent, binnen de grenzen van de kredieten die daartoe op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap worden ingeschreven, aan de lokale besturen een subsidie toe op basis van de volgende parameters en indicatoren:
1° eerste parameter: het aantal kinderen van 2 tot en met 12 jaar dat gedomicilieerd is binnen de gemeente of ingeschreven is in het verblijfsregister van de gemeente;
2° tweede parameter: het aantal kinderen dat naar een basisschool gaat die op het grondgebied van de gemeente ligt;
3° eerste indicator: de mate waarin het lokaal bestuur kwetsbare gezinnen bereikt;
4° tweede indicator: de mate waarin het lokaal bestuur kinderen met een specifieke zorgbehoefte bereikt.

De Vlaamse Regering kent daarnaast, binnen de grenzen van de kredieten die daartoe op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap worden ingeschreven, op basis van de parameters en indicatoren, vermeld in het eerste lid, aan de lokale besturen een subsidie toe die bij voorrang wordt besteed aan het aanbod van kleuteropvang met een kwaliteitslabel.

De subsidie, vermeld in het eerste lid, wordt uitbetaald overeenkomstig de regeling in artikel 13 van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels en stelt vast wat wordt verstaan onder kwetsbare gezinnen en onder kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Ze bepaalt ook de wijze waarop de subsidie, vermeld in het tweede lid, zal worden uitbetaald.

Artikel 13.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

De bepalingen van het decreet van 15 juli 2011 houdende vaststelling van de algemene regels waaronder in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest periodieke plan- en rapporteringsverplichtingen aan lokale besturen kunnen worden opgelegd, zijn van toepassing.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de periodieke plan- en rapporteringsverplichtingen die van toepassing zijn voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

HOOFDSTUK 4. Verwerking van persoonsgegevens

Artikel 14.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

§ 1. Kind en Gezin, de toezichthouders, organisatoren en lokale besturen, verwerken alle noodzakelijke persoonsgegevens over organisatoren, medewerkers, kinderen en hun gezinnen die gebruikmaken van buitenschoolse activiteiten, om de doelstellingen, geformuleerd in artikel 3, te kunnen realiseren.

§ 2. De organisatoren van kleuteropvang verwerken met het oog op de toekenning van een kwaliteitslabel als vermeld in artikel 11, de volgende categorieën van persoonsgegevens over de medewerkers van kleuteropvang en over de kinderen en hun gezinnen die gebruikmaken van kleuteropvang:
1° identificatiegegevens van de kinderen;
2° gegevens over de gezondheid van de kinderen;
3° gegevens over de kwetsbaarheid van de gezinnen;
4° gegevens over de deelname van kinderen aan het aanbod buitenschoolse activiteiten;
5° identificatiegegevens, gegevens over de competenties en de voldoende kennis van het Nederlands van medewerkers;
6° gegevens over het uittreksel uit het strafregister, vermeld in artikel 11, tweede lid, 4°.

De organisatoren van kleuteropvang zijn de verwerkingsverantwoordelijken voor bovenvermelde persoonsgegevens. Zij bezorgen de gegevens uit punt 1° tot en met punt 3°, punt 5° en punt 6° aan Kind en Gezin met het oog op de toepassing en de handhaving van de kwaliteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 11.

De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 4°, worden bewaard tot vijf jaar nadat het kind geen gebruik meer maakt van kleuteropvang bij de betrokken organisator. De persoonsgegevens in het eerste lid, 5° en 6°, worden bewaard tot vijf jaar nadat de medewerker niet langer verbonden is aan de betrokken organisator van kleuteropvang.

§ 3. Kind en Gezin verwerkt met het oog op de toepassing en de handhaving van de kwaliteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 11, de volgende categorieën van persoonsgegevens van medewerkers van kleuteropvang, kinderen en gezinnen die gebruikmaken van kleuteropvang en van organisatoren van kleuteropvang:
1° identificatiegegevens van de organisator van kleuteropvang en gegevens over de kwaliteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 11, tweede lid, waaraan deze organisator moet voldoen;
2° de gegevens uit paragraaf 2, eerste lid, 1° tot en met 3°, 5° en 6°.

Kind en Gezin is de verwerkingsverantwoordelijke voor de bovenvermelde persoonsgegevens.

De persoonsgegevens voorzien in het eerste lid worden bewaard tot vijf jaar na de verwerking ervan.

§ 4. De toezichthouders verwerken met het oog op de toepassing en de handhaving van de kwaliteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 11, de volgende categorieën van persoonsgegevens van medewerkers, kinderen en gezinnen die gebruikmaken van kleuteropvang en van organisatoren van kleuteropvang:
1° identificatiegegevens van de organisator van kleuteropvang en gegevens over de kwaliteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 11, tweede lid, waaraan deze organisator moet voldoen;
2° de gegevens uit paragraaf 2, eerste lid, 1° tot en met 6°.

De toezichthouders zijn verwerkingsverantwoordelijken voor de bovenvermelde persoonsgegevens.

De persoonsgegevens voorzien in het eerste lid worden bewaard tot drie jaar nadat hun verslag in het kader van het toezicht definitief is geworden.

§ 5. Organisatoren verwerken op vraag van het lokaal bestuur, in het kader van de regie buitenschoolse activiteiten, vermeld in artikel 4, en de toekenning van subsidies, vermeld in artikel 12, de volgende categorieën van persoonsgegevens van de kinderen en hun gezinnen die gebruikmaken van buitenschoolse activiteiten en de medewerkers:
1° identificatiegegevens van de kinderen;
2° gegevens over de gezondheid van de kinderen;
3° gegevens over de kwetsbaarheid van de gezinnen;
4° gegevens over de vraag naar en de deelname van kinderen aan het aanbod buitenschoolse activiteiten;
5° identificatiegegevens, gegevens over de competenties en de voldoende kennis van het Nederlands van medewerkers;
6° gegevens van een recent uittreksel uit het strafregister, vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, of een gelijkwaardig document voor wie niet in België gedomicilieerd is, waaruit onberispelijk gedrag in de omgang met kinderen blijkt, voor hun medewerkers.

De organisatoren zijn verwerkingsverantwoordelijken voor de bovenvermelde persoonsgegevens. De organisator bezorgt deze persoonsgegevens aan het lokaal bestuur, op vraag van het lokaal bestuur en dit in het kader van hun regie inzake buitenschoolse activiteiten.

De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 4°, worden bewaard tot vijf jaar nadat het kind geen gebruik meer maakt van buitenschoolse activiteiten bij de betrokken organisator. De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 5° en 6°, worden bewaard tot vijf jaar nadat de medewerker niet langer verbonden is aan de betrokken organisator.

§ 6. Lokale besturen verwerken met het oog op de vervulling van de regie van buitenschoolse activiteiten, de volgende categorieën van persoonsgegevens over de kinderen en hun gezinnen die gebruikmaken van buitenschoolse activiteiten en medewerkers:
1° identificatiegegevens van de organisator en gegevens over de voorwaarden waaraan deze organisator moet voldoen;
2° de gegevens uit paragraaf 5, eerste lid, 1° tot en met 6°.

Het lokaal bestuur is de verwerkingsverantwoordelijke voor de bovenvermelde persoonsgegevens.

De persoonsgegevens voorzien in het eerste lid worden bewaard tot vijf jaar na de verwerking ervan.

§ 7. Lokale besturen, en desgevallend de actor aangeduid overeenkomstig artikel 8, tweede lid, verwerken met het oog op de organisatie van het lokaal samenwerkingsverband, vermeld in artikel 7, identificatiegegevens van organisatoren, of de persoon die deze vertegenwoordigt, die deel uitmaken van het samenwerkingsverband.

Het lokaal bestuur, desgevallend de aangeduide actor, is de verwerkingsverantwoordelijke voor de bovenvermelde persoonsgegevens.

De persoonsgegevens voorzien in het eerste lid worden bewaard tot vijf jaar na de verwerking ervan.

HOOFDSTUK 5. Slotbepalingen

Afdeling 1. Overgangsbepalingen

Artikel 15.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

De Vlaamse Regering keurt een overgangsplan goed voor een periode van zes jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit artikel, met de mogelijkheid tot tussentijdse bijsturing. Het overgangsplan heeft minstens betrekking op de volgende elementen:
1° een budgettaire meerjarenplanning;
2° de bepaling van wetenschappelijk onderbouwde indicatoren om artikel 12, eerste lid, 3° en 4°, te operationaliseren.

Het lokaal bestuur geeft in zijn meerjarenplanning aan wat de gekozen beleidsopties zijn om de continuïteit van het aanbod van kleuteropvang en opvang lager onderwijs tijdens de overgangstermijn zo veel mogelijk te verzekeren.

Artikel 16.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

In afwachting van de operationalisering van de indicatoren, vermeld in artikel 12, eerste lid, 3° en 4°, en uiterlijk tot drie jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, wordt in de plaats daarvan de subsidie in elk geval mee gebaseerd op het aantal kwetsbare gezinnen dat in de gemeente is gedomicilieerd.

De Vlaamse Regering bepaalt wat wordt verstaan onder de kwetsbare gezinnen, vermeld in het eerste lid.

Artikel 17.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

De organisator die een subsidie als vermeld in de onderstaande besluiten ontvangt, behoudt die subsidie gedurende een overgangstermijn van zes jaar:
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de subsidievoorwaarden voor buitenschoolse gezinsopvang en groepsopvang;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 betreffende subsidiëring van projecten vanuit het vroegere Fonds voor Collectieve Uitrusting en Diensten en voor personeelsleden met een gewezen gescostatuut;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 houdende de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van gemandateerde voorzieningen, coördinatiepunten en flexibele opvangpools van doelgroepwerknemers, de voorwaarden voor de toestemming en de subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte buitenschoolse opvang, en de voorwaarden voor een aanvullende subsidie voor organisatoren met een vergunning groepsopvang en een plussubsidie;
4° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017 betreffende de subsidiëring van de organisatoren kinderopvang en buitenschoolse opvang ter uitvoering van het Vlaams Intersectoraal Akkoord.

In afwijking van het eerste lid kunnen het lokaal bestuur en de organisatoren een kortere overgangstermijn overeenkomen. In dat geval wordt aan het lokaal bestuur voor de rest van de termijn een subsidie toegekend, waarvan het bedrag minstens gelijk is aan de totaliteit van de subsidies van de organisatoren met betrekking tot het grondgebied van de gemeente.

Gedurende de overgangstermijn, die eventueel wordt verkort op een wijze als vermeld in het tweede lid, behoudt Kind en Gezin de opdracht om de subsidie toe te kennen en uit te betalen aan de organisatoren in kwestie.

Het blijft mogelijk voor een organisator of een kandidaat-organisator om, na overleg met het lokaal bestuur en op voorwaarde van onderlinge toestemming, de gesubsidieerde activiteit volledig of gedeeltelijk over te nemen van een andere organisator.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels die van toepassing zijn gedurende de overgangstermijn, minstens met betrekking tot kwetsbare gezinnen en kinderen met een specifieke zorgbehoefte, en met betrekking tot de eventuele inkorting van de overgangstermijn, vermeld in het tweede lid.

Afdeling 2. Wijzigingsbepalingen

Artikel 18.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

In het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in artikel 2 wordt punt 2° vervangen door wat volgt:

"2° kinderopvang: de kinderopvang, vermeld in artikel 2 van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters;";

2° aan artikel 2 worden een punt 12° tot en met 14° toegevoegd, die luiden als volgt:

"12° buitenschoolse activiteiten: de buitenschoolse activiteiten, vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten;
13° kleuteropvang: de kleuteropvang, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten;
14° opvang lager onderwijs: de opvang lager onderwijs, vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten.";

3° aan artikel 5, § 1, 1°, wordt een punt i) toegevoegd, dat luidt als volgt:

"i) de buitenschoolse activiteiten.";

4° in artikel 5, § 2, wordt de zinsnede "de in paragraaf 1, 1°, a) tot en met h), vermelde domeinen" vervangen door de zinsnede "de in paragraaf 1, 1°, a) tot en met i), vermelde domeinen";

5° er wordt een artikel 6/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:

"Art. 6/1. De taak inzake de regie van buitenschoolse activiteiten omvat in elk geval de toekenning van een kwaliteitslabel aan organisatoren van kleuteropvang en het handhaven van de kwaliteitsvoorwaarden zoals vermeld in het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten.

Het agentschap kan in opdracht van de Vlaamse Regering volledig of gedeeltelijk worden belast met het toezicht op de naleving van de kwaliteitsvoorwaarden die bij het kwaliteitslabel behoren.

Het agentschap kan meewerken aan het ontwikkelen van het inspiratiekader voor een geïntegreerd aanbod van buitenschoolse activiteiten.";

6° er wordt een artikel 8/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:

"Art. 8/1. Het agentschap ondersteunt organisatoren en actoren die relevant zijn voor kinderopvang, kleuteropvang, opvang lager onderwijs en preventieve gezinsondersteuning. Het agentschap kan daarvoor samenwerken met andere instanties.

De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de nadere regels.";

7° in artikel 10 wordt in het eerste, tweede en zesde lid de zinsnede "vermeld in artikel 5, 6, 7, 7/1, 7/2, 7/3 en 8" vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 5, 6, 6/1, 7, 7/1, 7/2, 7/3, 8 en 8/1";

8° in artikel 12 wordt de zinsnede "vermeld in artikel 5, 6, 7, 7/1, 7/2, 7/3 en 8" vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 5, 6, 6/1, 7, 7/1, 7/2, 7/3, 8 en 8/1".

Artikel 19.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

In artikel 12 van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers worden in het tweede lid de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in punt 1° wordt de zinsnede "een toelating," vervangen door de zinsnede "een kwaliteitslabel, een toelating,";

2° in punt 2° wordt de zinsnede "een toelating," vervangen door de zinsnede "een kwaliteitslabel, een toelating,".

Afdeling 3. Inwerkingtredingsbepaling

Artikel 20.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2021- ...)

Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2021.

De Vlaamse Regering kan voor ieder artikel van dit decreet een datum voor inwerkingtreding bepalen die voorafgaat aan de datum, vermeld in het eerste lid.