Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp

Datum 05/04/2019

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
  2. HOOFDSTUK 2. Erkenningsvoorwaarden
    1. Afdeling 1. Algemene erkenningsvoorwaarden
    2. Afdeling 2. Bijzondere erkenningsvoorwaarden
      1. Onderafdeling 1. Organisaties voor bijzondere jeugdzorg
      2. Onderafdeling 2. Centra voor integrale gezinszorg
      3. Onderafdeling 3. Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra
      4. Onderafdeling 4. Diensten voor crisishulp aan huis
      5. Onderafdeling 5. Diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling
      6. Onderafdeling 6. Diensten voor naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn
  3. HOOFDSTUK 3. Kwaliteitsbeleid
  4. HOOFDSTUK 4. Subsidiëring van de voorzieningen
    1. Afdeling 1. Forfaitaire subsidie
    2. Afdeling 2. Bijkomende subsidie
    3. Afdeling 3. Reserves
    4. Afdeling 4. Bezetting
  5. HOOFDSTUK 5. Erkenningsprocedure en toezicht op de naleving van de erkenningsvoorwaarden
    1. Afdeling 1. Procedure voor het verlenen van een erkenning van een voorziening
    2. Afdeling 2. Procedure voor het wijzigingen van een erkenning van een voorziening
    3. Afdeling 3. Procedure voor het intrekken van een erkenning van een voorziening
    4. Afdeling 4. Toezicht op de naleving van de erkenningsvoorwaarden
  6. HOOFDSTUK 6. Gelijkgestelde voorzieningen en projecten
  7. HOOFDSTUK 7. Wijzigingsbepalingen
  8. HOOFDSTUK 8. Opheffings-, Overgangs- en Slotbepalingen

Inhoud

(... - ...)

DE VLAAMSE REGERING,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, artikel 20, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;

Gelet op het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, artikel 5, §§ 1 tot 4 en artikel 6, §§ 1 en 2;

Gelet op het decreet van 12 juli 2013 betreffende integrale jeugdhulp, artikel 72 § 1, tweede lid, artikel 78/1, § 2, artikel 78/2, eerste lid en artikel 78/4;

Gelet op het decreet van 15 juni 2018 betreffende het onderwijs XVIII, artikel 70;

Gelet op het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, artikel 12, § 1, derde lid, artikel 13, § 1, vijfde lid, artikel 18, § 5, artikel 24, vierde lid, artikel 42, § 1 en artikel 44, vijfde lid;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2015 betreffende de subsidiëring van naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 28 mei 2018;

Gelet op advies 63.881/1/V van de Raad van State, gegeven op 19 september 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en de Vlaamse minister van Onderwijs;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. (01/01/2019- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° administrateur-generaal: het personeelslid dat belast is met de leiding van de administratie en van het fonds;
2° administratie: het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn, vermeld in artikel 59 van het decreet van 7 maart 2008;
3° afdeling: een gedeelte van een voorziening of van een organisatie voor bijzondere jeugdzorg dat qua vestigingsplaats, organisatie, materiële infrastructuur of pedagogisch beleid verschilt van een ander gedeelte van de voorziening of van de organisatie voor bijzondere jeugdzorg;
4° bemiddeling: de bemiddeling, vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 15 februari 2019;
5° betrokken partij: de minderjarige, de ouders, en in voorkomend geval zijn opvoedingsverantwoordelijken, betrokken personen uit zijn leefomgeving en de betrokken jeugdhulpaanbieders;
6° capaciteit: het aantal minderjarigen dat een erkende voorziening mag opnemen of begeleiden;
7° centraal permanent crisismeldpunt: het centraal permanent crisismeldpunt, vermeld in artikel 44, § 2, 1°, van het decreet van 12 juli 2013;
8° contextbegeleiding: de breedsporige ondersteuning van de minderjarige en alle relevante betrokkenen uit zijn gezins- en opvoedingsmilieu en andere belangrijke levensdomeinen;
9° dagbegeleiding: de breedsporige ondersteuning van de minderjarige gedurende een bepaald deel van de dag in een aangepaste omgeving;
10° decreet van 17 oktober 2003: het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van gezondheids- en welzijnsvoorzieningen;
11° decreet van 7 mei 2004: het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp;
12° decreet van XX: het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht;
13° decreet van 12 juli 2013: het decreet van 12 juli 2013 betreffende integrale jeugdhulp ;
14° departement Onderwijs en Vorming: het departement opgericht bij artikel 22 § 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
15° erkende voorzieningen: de voorzieningen die conform de bepalingen van hoofdstuk 2 van dit besluit zijn erkend;
16° fonds: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Fonds Jongerenwelzijn, vermeld in artikel 54 van het decreet van 7 maart 2008;
17° gebruiker: een gebruiker als vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 17 oktober 2003;
18° gemeenschapsdienst: de gemeenschapsdienst, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 15 februari 2019 ;
19° gemeenschapsinstelling: een door de overheid ingerichte instelling met een gesloten aanbod, als vermeld in artikel 2, 4° van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht;
20° handelingsplan: een document als vermeld in artikel 58 van het decreet van 12 juli 2013, dat wordt opgemaakt door een jeugdhulpaanbieder;
21° herstelgericht groepsoverleg: het overleg, vermeld in artikel 2, 6°, van het decreet van 15 februari 2019;
22° inputgebieden: de organisatorisch gerichte aandachtsgebieden die betrekking hebben op de activiteiten die het mogelijk maken dat de organisatie bepaalde resultaten behaalt op het vlak van leiderschap, personeelsbeleid, beleid en strategie en middelen en partnerschappen;
23° inrichtende macht: een openbaar bestuur of rechtspersoon die geen winst nastreeft en onder de verantwoordelijkheid waarvan een erkende voorziening functioneert;
24° jeugdhulpaanbieders: een natuurlijke persoon of een voorziening die jeugdhulpverlening aanbiedt als vermeld in artikel 3 van het decreet van 12 juli 2013, in de vorm van rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening of beide, en het ondersteuningscentrum Jeugdzorg, vermeld in artikel 33 van het voormelde decreet;
25° kernprocessen: de basisprocessen en -procedures volgens dewelke een organisatie haar hulpverlening vormgeeft, die bestaat uit:
a) onthaal van de gebruiker;
b) doelstellingen en handelingsplan;
c) afsluiting en nazorg;
d) pedagogisch profiel;
e) gebruikersdossier;
26° kwaliteitsbeleid: het kwaliteitsbeleid, vermeld in artikel 5, § 1, van het decreet van 17 oktober 2003;
27° kwaliteitshandboek: het kwaliteitshandboek, vermeld in artikel 5, § 4, van het decreet van 17 oktober 2003;
28° kwaliteitsmanagementsysteem: het kwaliteitsmanagementsysteem, vermeld in artikel 5, § 2, van het decreet van 17 oktober 2003;
29° kwaliteitszorg: de kwaliteitszorg, vermeld in artikel 4 van het decreet van 17 oktober 2003;
30° leerproject: een gestructureerd leerprogramma, als vermeld in artikel 2, 8° van het decreet van 15 februari 2019
31° minderjarige: elke natuurlijke persoon voor wie hulpverlening wordt georganiseerd met toepassing van het decreet van 12 juli 2013;
32° minderjarige delictpleger: een minderjarige als vermeld in artikel 2, 11°, van het decreet van 15 februari 2019;
33° minderjarige verdachte: een minderjarige als vermeld in artikel 2, 12° van het decreet van 15 februari 2019;
34° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;
35° module: een duidelijk afgelijnde eenheid van jeugdhulpverlening, op basis van de hulpvraag. Een module wordt aangeboden door een jeugdhulpaanbieder, en is gebaseerd op één enkele typemodule, die afzonderlijk, gelijktijdig of consecutief kan worden aangeboden met andere eenheden van jeugdhulpverlening, op een manier waarbij de flexibiliteit gewaarborgd is;
36° ondersteunende begeleiding: de breedsporige ondersteuning die zich richt op specifieke problematieken waarmee de minderjarige en zijn context in een lopend hulpverleningstraject te maken krijgen;
37° onderwijsinspectie: de inspectie, vermeld in artikel 32 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
38° opvoedingsverantwoordelijken: andere natuurlijke personen dan de ouders die de minderjarige op duurzame wijze in feite onder hun bewaring hebben of bij wie de minderjarige geplaatst is door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid;
39° outputgebieden: de resultaatgerichte aandachtsgebieden die betrekking hebben op de verschillende aspecten van de organisatievoering;
40° personeelsleden: personen die, al dan niet bezoldigd en al dan niet in beroepsverband, prestaties leveren in een voorziening;
41° positief project: een project als vermeld in artikel 2,16 ° van het decreet van 15 februari 2019.
42° sociale dienst: de sociale dienst Jeugdrechtbank, vermeld in artikel 56, van het decreet van 12 juli 2013;
43° toegangspoort: de toegangspoort, vermeld in artikel 17 van het decreet van 12 juli 2013;
44° typemodule: een afgelijnde eenheid van jeugdhulpverlening die gebaseerd is op één functie of op een specifiek omschreven kernproces van hulpverlening, die deel uitmaakt van een intersectoraal opgemaakte set van typemodules en die tot doel heeft de kernopdrachten van de sectoren in eenzelfde taal te formuleren en op elkaar af te stemmen;
45° verblijf: een aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding;
46° vereffeningsfonds: een fonds dat minderjarige delictplegers in een bemiddelingsprocedure of binnen een herstelgericht groepsoverleg in staat stelt de mogelijkheid om schade die ze veroorzaakt hebben, te vergoeden bij het slachtoffer. Daarvoor doen ze een wederdienst naar de samenleving, in de vorm van vrijwilligerswerk;
47° zelfevaluatie: een zelfevaluatie als vermeld in artikel 5, § 3, van het decreet van 17 oktober 2003;
48° Zorginspectie: de Zorginspectie, vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein.

Artikel 2. (01/01/2019- ...)

§ 1. De erkende voorzieningen worden ingedeeld in de volgende categorieën:
1° categorie 1: de organisaties voor bijzondere jeugdzorg;
2° categorie 2: de centra voor integrale gezinszorg;
3° categorie 3: de onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra;
4° categorie 4: de diensten voor crisishulp aan huis;
5° categorie 5: de diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling;
6° categorie 6: de organisaties voor naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn.

§ 2. De administrateur-generaal legt van elke erkende voorziening, met uitzondering van de voorzieningen van de categorie 5, voor elke typemodule waarvoor ze erkend is de capaciteit vast.

Artikel 3. (01/01/2019- ...)

Een organisatie voor bijzondere jeugdzorg organiseert, al dan niet op beslissing van een jeugdrechter of een jeugdrechtbank, veranderings- en krachtgerichte hulpverlening voor al dan niet gemotiveerde minderjarigen en hun gezinnen met duidelijk gemanifesteerde problemen en noden.

De hulpverlening die wordt georganiseerd door een organisatie voor bijzondere jeugdzorg heeft als finaliteit de ontwikkelings- en ontplooiingskansen van de minderjarige te vrijwaren en te versterken, en zijn maatschappelijke integratie te bevorderen. Daarbij worden zijn gezin en zijn ruimer familiaal, sociaal en professioneel netwerk betrokken.

Een organisatie voor bijzondere jeugdzorg organiseert haar aanbod op basis van de typemodules verblijf voor -12-jarigen, verblijf voor +12-jarigen, verblijf voor 0-25-jarigen, beveiligend verblijf, contextbegeleiding kortdurend krachtgericht, contextbegeleiding laagintensief, contextbegeleiding breedsporig, contextbegeleiding kortdurend intensief, dagbegeleiding in groep, contextbegeleiding in functie van autonoom wonen basisintensiteit, contextbegeleiding in functie autonoom wonen middenintensiteit, ondersteunende begeleiding en delictgerichte contextbegeleiding, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

Een organisatie voor bijzondere jeugdzorg die erkend is om modules contextbegeleiding en modules contextbegeleiding in functie van autonoom wonen aan te bieden, kan, op basis van de reële noden van de gebruikers, zelf de verhouding tussen het effectieve aantal ingezette modules contextbegeleiding en contextbegeleiding in functie van autonoom wonen bepalen.

De administrateur-generaal kan bepalen dat een organisatie voor bijzondere jeugdzorg op jaarbasis een welbepaald aantal minderjarigen die in een gemeenschapsinstelling verblijven, moet begeleiden of opvangen.

Artikel 4. (01/01/2019- ...)

Een centrum voor integrale gezinszorg organiseert, al dan niet op beslissing van een jeugdrechter of een jeugdrechtbank, veranderings- en krachtgerichte hulpverlening en het verblijf van ouders, al dan niet alleenstaand, en hun kinderen, en van aanstaande ouders van wie de gezinscohesie, de zorg voor de komende generatie en de maatschappelijke integratie in het gedrang komt of al verstoord is.

De hulpverlening die wordt georganiseerd door een centrum voor integrale gezinszorg heeft als finaliteit het verbeteren van de opvoedingscontext en van de relationele, individuele, familiale en maatschappelijke context en is gericht op maatschappelijke integratie.

Een centrum voor integrale gezinszorg wordt erkend op basis van de typemodules verblijf, contextbegeleiding kortdurend intensief, contextbegeleiding breedsporig en contextbegeleiding laagintensief, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 5. (01/01/2019- ...)

Een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum organiseert, al dan niet op beslissing van een jeugdrechter of een jeugdrechtbank, voor het ene gedeelte van zijn totale capaciteit diagnostiek als vermeld in artikel 2, § 1, 12°, van het decreet van 12 juli 2013, al dan niet gecombineerd met verblijf, en zet het andere gedeelte van zijn capaciteit in voor het hulpprogramma crisisjeugdhulpverlening als vermeld in artikel 44 van het voormelde decreet.

Een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum wordt erkend op basis van de typemodules handelingsgerichte diagnostiek en verblijf in het kader van diagnostiek, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 6. (01/01/2019- ...)

Een dienst voor crisishulp aan huis organiseert kortdurende, intensieve, ambulante en mobiele crisishulpverlening voor minderjarigen in een acute perspectiefloze opvoedingssituatie en de gezinnen waartoe ze behoren.

De hulpverlening die wordt georganiseerd door een dienst voor crisishulp aan huis heeft als finaliteit het herwinnen van een opvoedingsperspectief door in een acute opvoedingscrisis de crisis samen met de minderjarige en zijn gezin aan te pakken.

Een dienst voor crisishulp aan huis wordt erkend op basis van de typemodule contextbegeleiding in functie van crisis, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 7. (01/01/2019- ...)

Een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling organiseert bemiddeling, herstelgericht groepsoverleg, gemeenschapsdienst en leerprojecten voor minderjarige delictplegers en minderjarige verdachten en ondersteunt hen bij het tot stand komen en de uitvoering van een positief project.

Artikel 8. (01/01/2019- ...)

Een organisatie voor naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn organiseert trajecten die preventief of curatief ingezet worden voor leerlingen bij wie schooluitval of ongekwalificeerde uitstroom dreigt vanwege pedagogische, juridische, sociale of persoonlijke redenen.

Een organisatie voor naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn heeft als finaliteit het versterken van secundaire onderwijsinstellingen in hun omgang met de leerlingen, vermeld in het eerste lid, of het bevorderen van de reïntegratie van die leerlingen in het onderwijs. Een traject is qua duur, methodiek en invulling afgestemd op de behoeften en leeftijd van de individuele leerling of leerlingengroep.

Een naadloos flexibel traject wordt altijd doorlopen met een of meer leerlingen, met een of meer onderwijsinstellingen, of met beide.

Een organisatie voor naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn wordt erkend op basis van de typemodule begeleiding in functie van onderwijs-welzijnstrajecten, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 9. (01/01/2019- ...)

Een voorziening kan een aanvraag indienen om maximaal 10 % van haar erkende capaciteit flexibel of innovatief in te zetten.

De aanvraag moet worden ingediend op een door de administratie ter beschikking gesteld formulier.

Artikel 10. (01/01/2019- ...)

Elke voorziening sluit een convenant af met de administratie. De voorzieningen van de categorie 6, sluiten een convenant af met de administratie en met het departement Onderwijs en Vorming. Dat convenant bevat:
1° een omschrijving van het werkgebied van de voorziening;
2° uitsluitend voor voorzieningen die met toepassing van artikel 3, vijfde lid, een welbepaald aantal minderjarigen opvangen of begeleiden die in een gemeenschapsinstelling verblijven, de wijze waarop wordt samengewerkt met de gemeenschapstelling, de sociale dienst en de toegangspoort;
3° in voorkomend geval, de beschrijving van de manier waarop een voorziening een deel van haar capaciteit flexibel of innovatief inzet, met toepassing van artikel 9. Die beschrijving bevat:
a) het soort en het aantal modules dat flexibel of innovatief ingezet wordt;
b) het beoogde effect van de flexibele of innovatieve inzet;
c) de duurtijd van de flexibele of innovatieve inzet;
d) de opvolging van de flexibele of innovatieve inzet.

HOOFDSTUK 2. Erkenningsvoorwaarden

Afdeling 1. Algemene erkenningsvoorwaarden

Artikel 11. (01/01/2019- ...)

In dit artikel wordt verstaan onder:
1° gemandateerde voorziening: het ondersteuningscentrum Jeugdzorg en de vertrouwenscentra kindermishandeling, vermeld in respectievelijk artikel 33 en 42 van het decreet van 12 juli 2013;
2° jeugdhulpverleningsplan: een document dat wordt opgemaakt door de gemandateerde voorziening of de sociale dienst en waarin de doelstellingen en verwachtingen zijn opgenomen ten aanzien van de minderjarige, zijn ouders en, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken jeugdhulpaanbieder of jeugdhulpaanbieders.
Om erkend te worden en te blijven, moet een voorziening aan al de volgende algemene erkenningsvoorwaarden voldoen:
1° de voorziening mag uitsluitend minderjarigen opnemen en begeleiden. Die beperking is niet van toepassing op een centrum voor integrale gezinszorg voor wat de opname en begeleiding van meerderjarige ouders en meerderjarige aanstaande ouders betreft;
2° alleen als door de individuele situatie van een minderjarige een opname of een begeleiding door de voorziening pedagogisch wenselijk is en als de materiële mogelijkheden van een voorziening die opname of begeleiding toelaten, mag een voorziening minderjarigen opnemen of begeleiden boven haar totaal erkende capaciteit. Die opname van minderjarigen boven haar totaal erkende capaciteit verleent geen aanspraak op een aanpassing van de subsidie, met uitzondering van de subsidie, vermeld in de artikel 42 en 43;
3° alleen als het door de individuele situatie van een minderjarige pedagogisch wenselijk is, mag een voorziening een minderjarige, van wie de leeftijd en het geslacht niet in overeenstemming is met haar erkenning, opnemen of begeleiden. Een dergelijke opname of begeleiding geeft geen aanspraak op een aanpassing van de subsidie;
4° de voorziening waakt erover dat haar personeelsleden van goed zedelijk gedrag zijn en dat hun gezondheidstoestand geen gevaar inhoudt voor de minderjarigen met wie ze in contact komen. Ze vraagt daarvoor minstens bij de aanwerving van elke nieuwe medewerker een attest van medische geschiktheid en een uittreksel uit het strafregister dat een model als vermeld in artikel 596, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering omvat. Een gelijkwaardig document als het voormelde uittreksel uit het strafregister dat is verleend door andere lidstaten van de Europese Unie of door staten die ermee gelijkgesteld zijn op het vlak van de toegang tot het uitoefenen van beroepswerkzaamheden, wordt ook in aanmerking genomen;
5° de voorziening maakt op basis van de gegevens waarover ze beschikt, binnen vijfenveertig dagen na de opname van de minderjarige in de voorziening of vanaf de begeleiding, een handelingsplan op met de betrokken partijen.
Deze verplichting is niet van toepassing op de voorzieningen van de categorieën 4 tot en met 6;
6° het handelingsplan, dat de leidraad vormt voor het pedagogisch handelen door de voorziening, bevat de volgende delen:
a) de identiteit van de minderjarige en van de andere partijen die betrokken zijn bij de hulpverlening;
b) de tussentijdse en concrete doelstellingen, in voorkomend geval ter uitvoering van de algemene doelstellingen die geformuleerd zijn in het jeugdhulpverleningsplan;
c) de aandachtspunten en de klemtonen die in de hulpverlening gelegd moeten worden en waarbij de minderjarige, het gezin, de school, het werkmilieu en het bredere sociale netwerk worden betrokken;
d) de acties die individueel aangewend zullen worden om de doelstellingen, gelet op de aandachtspunten en klemtonen, te realiseren;
e) de afspraken over de bezoekregeling, de briefwisseling en het opvoedingsregime, rekening houdend met hetgeen in voorkomend geval werd beslist door de gemandateerde voorziening of door de jeugdrechtbank;
f) de taakverdeling en de samenwerkingsafspraken tussen de betrokken partijen;
7° een kopie van het handelingsplan wordt gecommuniceerd aan de minderjarige, rekening houdend met de bepalingen in het decreet van 7 mei 2004 en wordt, als hij jonger dan 18 jaar is, bezorgd aan zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken. In voorkomend geval wordt een kopie van het handelingsplan onmiddellijk opgestuurd naar de gemandateerde voorziening of naar de jeugdrechtbank en de sociale dienst;
8° het handelingsplan kan binnen de voorziening, na evaluatie en samenspraak met de betrokken partijen, worden bijgestuurd. Die bijsturing wordt schriftelijk vastgelegd. Punt 7° is van overeenkomstige toepassing;
9° de voorziening maakt minstens om de zes maanden een evolutieverslag op, dat aan de minderjarige gecommuniceerd wordt, rekening houdend met de bepalingen in het decreet van 7 mei 2004 en bezorgt het verslag aan de ouders of opvoedingsverantwoordelijken indien de minderjarige jonger is dan achttien jaar. In voorkomend geval wordt het evolutieverslag verstuurd naar de gemandateerde voorziening of naar de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de sociale dienst.
Deze verplichting is niet van toepassing op de voorzieningen van de categorieën 3 tot en met 6, en in situaties waarin alleen een module contextbegeleiding kortdurend krachtgericht wordt ingezet in de voorzieningen van de categorie 1;
10° de voorziening zorgt ervoor dat de minderjarigen de gelegenheid hebben om zich moreel te verdiepen en hun eventuele godsdienst te beoefenen volgens de voorschriften en de verplichtingen ervan;
11° sancties worden aangepast aan de persoonlijkheid van de minderjarige. Ze zijn er altijd op gericht de opvoeding te bevorderen en hebben geen traumatische uitwerking. Lichamelijke straffen en geestelijk geweld, alsook onthouding van maaltijden, zijn verboden;
12° de voorziening legt over elke minderjarige en eventueel over het gezin waartoe hij behoort, een dossier aan dat alle nuttige gegevens voor de hulp- en dienstverlening bevat. In dat dossier worden de volgende gegevens en documenten opgenomen:
a) inlichtingen van administratieve aard, met inbegrip van de stukken die ter beschikking gesteld zijn door de administratie, de toegangspoort, de gemandateerde voorziening of de jeugdrechtbank en de sociale dienst;
b) de gegevens over de toestand van de minderjarige en het gezin waartoe hij behoort, en hun mening daarover;
c) het handelingsplan, vermeld in punt 5°, elke bijsturing ervan, vermeld in punt 8°, en de evolutieverslagen, vermeld in 9°.
Deze verplichting is niet van toepassing op de diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling;
13° de voorziening bewaart het dossier van de minderjarige tot hij de volle leeftijd van vijfendertig jaar heeft bereikt. Bij het afsluiten van het dossier wordt hij hiervan op de hoogte gebracht.
14° Zorginspectie, en, voor de voorzieningen van de categorie 6, ook de onderwijsinspectie, kan het dossier van de minderjarige uitsluitend ter plaatse inzien;
15° naast de wettelijk verplichte verzekeringen wordt een verzekering afgesloten voor:
a) de burgerlijke aansprakelijkheid van de voorziening en van de personen die er tewerkgesteld zijn of die er verblijven;
b) de burgerlijke aansprakelijkheid van elke opgenomen of begeleide minderjarige;
c) de lichamelijke schade waarvan een opgenomen of begeleide minderjarige het slachtoffer kan zijn;
16° de voorziening dient jaarlijks voor 1 juni bij de administratie, en voor wat de voorzieningen van de categorie 6 betreft ook bij het departement Onderwijs, een kwaliteitsverslag in over het voorbije jaar, dat de volgende gegevens bevat:
a) de resultaten van de zelfevaluatie;
b) de geformuleerde verbeteracties;
c) de wijze waarop de verbeteracties zijn uitgevoerd;
d) de kwaliteitsplanning voor het lopende jaar;
e) een inhoudelijk en kwantitatief activiteitenverslag over het voorgaande jaar;
17° elke ernstige gebeurtenis wordt onverwijld en binnen achtenveertig uur gemeld aan de administratie en, in voorkomend geval, aan de gemandateerde voorziening of aan de jeugdrechtbank en de sociale dienst;
18° de voorziening beschikt over een geschreven referentiekader voor grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van de minderjarigen. De voorziening hanteert een procedure voor preventie van, detectie van en gepast reageren op grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van de minderjarigen. In die procedure is een registratiesysteem opgenomen. Grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van minderjarigen wordt onverwijld gemeld aan de administratie;
19° de voorziening maakt gebruik van een registratiesysteem dat de administratie beschikbaar stelt.
20° het personeel in dienst van de voorziening moet voldoen aan de voorwaarde van artikel 24 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie. Deze bepaling is niet van toepassing op voorzieningen of afdelingen van voorzieningen die uitsluitend minderjarigen met een migratieachtergrond opnemen of begeleiden.

De administratie kan nadere vormvoorwaarden bepalen voor het kwaliteitsverslag, vermeld in het tweede lid, 16°.

Afdeling 2. Bijzondere erkenningsvoorwaarden

Onderafdeling 1. Organisaties voor bijzondere jeugdzorg

Artikel 12. (01/01/2019- ...)

Een voorziening van de categorie 1 moet aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
1° de voorziening vertaalt hulpverlening in cliënttrajecten, waarbij modules naadloos worden ingezet naargelang van een evoluerende hulpvraag. Naargelang van de noden in een individueel traject kunnen modules gecombineerd worden;
2° de voorziening bekijkt op regelmatige basis of de georganiseerde hulp nog aansluit bij de noden van de betrokken personen. Als vraagverheldering resulteert in de behoefte om een traject te wijzigen, wordt het traject bijgesteld, na overleg met alle betrokken partijen en binnen de toepassing van het decreet van 12 juli 2013;
3° in de voorziening wordt voor elke cliënt een interne regie geactiveerd, die het verloop van het traject binnen de voorziening opvolgt, alle betrokken partijen op de hoogte houdt en de naadloosheid en eenduidigheid van het traject garandeert;
4° de voorziening coördineert op organisatieniveau het beheer van het aanbod, waardoor naadloze schakelingen in de trajecten mogelijk zijn en breukmomenten vermeden worden.

Artikel 13. (01/01/2019- ...)

Een voorziening van de categorie 1 die erkend is om een module verblijf aan te bieden moet, met behoud van de toepassing van artikel 12, aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
1° bij aanwezigheid van minderjarigen staat de voorziening en elke afdeling ervan onder toezicht;
2° in overleg met de minderjarige en zijn ouders zorgt de voorziening ervoor dat een medisch dossier van de minderjarige wordt bijgehouden en beheerd door een arts;
3° de voorziening voorziet in een passende medische verzorging en leeft medische voorschriften na;
4° de voeding is evenwichtig en afwisselend;
5° de kledij van de minderjarige is verzorgd;
6° de voorziening houdt per minderjarige die eigen inkomsten heeft, een individuele rekening bij;
7° de voorziening ziet toe op de naleving van de sociale wetgeving over de minderjarige;
8° als de voorziening op de hoogte is van het bestaan van een of meer spaarrekeningen op naam van de minderjarige, worden de minderjarige en zijn de ouders of wettelijke vertegenwoordiger daarover ingelicht.

Artikel 14. (01/01/2019- ...)

De administrateur-generaal kan een opnameplicht opleggen aan een voorziening van de categorie 1, of een afdeling ervan, die erkend is om tot uitputting van haar capaciteit uitsluitend minderjarigen vanaf twaalf jaar op te nemen, als de minderjarigen vooraf in een voorziening van de categorie 3 zijn opgenomen.

Artikel 15. (01/01/2019- ...)

Een voorziening van de categorie 1 die erkend is om de typemodule beveiligend verblijf aan te bieden, moet, met behoud van de toepassing van artikel 13, aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
1° de voorziening neemt in de typemodule beveiligend verblijf uitsluitend minderjarigen op die zich aan de hulpverlening willen onttrekken en onder invloed van een negatieve context grensoverschrijdend gedrag stellen, en daarom tijdelijk uit hun omgeving weggehaald moeten worden;
2° de voorziening beschikt over onderbouwde vraagverhelderings- en risicotaxatie-instrumenten die bij de start van elke begeleiding ingezet worden opdat haar aanbod ingezet wordt op maat van de minderjarige en zijn noden;
3° de voorziening organiseert een permanente opvoedkundige aanwezigheid op maat van de minderjarige, die zich vertaalt in:
a) een doorgedreven individuele begeleiding met een invulling van de intensiteit van het verblijf naargelang van de noden en de veiligheid van de minderjarige;
b) een planmatige en op continuïteit gefocuste begeleiding met extra aandacht voor de veiligheid;
c) leefgroepen van maximaal zes minderjarigen;
4° de voorziening organiseert binnen een individueel handelingsplan voor elke jongere structureel extra ondersteuning, in het bijzonder op de volgende domeinen:
a) herstel van normale gezagshiërarchieën;
b) investeren in beschermende factoren en wegnemen van risicofactoren;
c) agressiebeheersing en afleren van destructief gedrag;
d) beleving van relaties en seksualiteit;
e) activeren, herstellen en creëren van een positieve en ondersteunende context;
f) inzetten op schools functioneren;
g) sterke afstemming met medische actoren;
h) veiligheid in al zijn facetten is een rode draad doorheen de begeleiding;
i) werken aan re-integratie en (her)aansluiting bij de reguliere hulpverlening;
5° de voorziening organiseert alternatieve dagbesteding bij schooluitval en aangepaste interne en externe time-outmogelijkheden;
6° de voorziening werkt structureel samen met de volgende partners:
a) politie;
b) gemeenschapsinstellingen;
c) de gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg;
d) jeugdrechters en sociale diensten;
e) onderwijs- en tewerkstellingsactoren;
f) vrijetijdsactoren;
g) partners uit de gezondheidszorg;
7° de voorziening neemt infrastructurele en personeelsmatige maatregelen die drempelverhogend zijn voor ontvluchtingen;
8° de voorziening voert een duidelijk beleid rond de veiligheid van het personeel en de minderjarigen;
9° de voorziening zorgt voor een professionalisering door intensieve coaching, vorming en permanente ondersteuning van het personeel.

Artikel 16. (01/01/2019- ...)

Een voorziening van de categorie 1 die erkend is om de typemodule delictgerichte contextbegeleiding aan te bieden, moet aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
1° de voorziening zet de typemodule alleen in voor minderjarige delictplegers of minderjarige verdachten;
2° de voorziening gebruikt onderbouwde methodieken die de criminogene noden van de minderjarige centraal stellen en die responsief en contextgericht zijn.

Onderafdeling 2. Centra voor integrale gezinszorg

Artikel 17. (01/01/2019- ...)

Een voorziening van de categorie 2 moet aan al de volgende bijzondere voorwaarde voldoen:
1° de voorwaarden, vermeld in artikel 12 en 13;
2° de voorziening vordert voor elke verblijfsdag een financiële bijdrage van de ouder of de aanstaande ouder die in de voorziening verblijft, als deelname in de kosten voor het gebruik van een ingerichte kamer of studio, gemeenschappelijke ruimtes, sanitair en kookfaciliteiten.

Artikel 18. (01/01/2019- ...)

De bijdrage, vermeld in artikel 17, 2°, wordt bepaald op basis van het actuele maandinkomen van de ouders of de aanstaande ouders. Als beide ouders van een gezin in de voorziening verblijven, wordt het gezamenlijke actuele maandinkomen in aanmerking genomen.

De bijdrage bedraagt 25 % van het leefloon dat de ouders of de aanstaande ouders ontvangen of dat ze zouden ontvangen, als ze niet over andere inkomsten beschikken.

Als de ouders of de aanstaande ouders een eigen inkomen hebben, wordt de bijdrage verhoogd met 15 % van het gedeelte van het inkomen dat het leefloon overstijgt.

De minister kan een lijst opstellen met de eigen inkomsten die mee in rekening genomen zullen worden voor het berekenen van het inkomen.

De voorziening expliciteert de modaliteiten van de bijdrage in een huishoudelijk reglement en transparante procedures, die aan de gebruikers worden gecommuniceerd.

Als opgenomen personen weigeren om de bewijsstukken voor te leggen die nodig zijn om de bijdrage te bepalen, kan de voorziening zelf de gepaste bijdrage bepalen.

Onderafdeling 3. Onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra

Artikel 19. (01/01/2019- ...)

Een voorziening van de categorie 3 moet aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
1° de voorziening voldoet aan al de voorwaarden, vermeld in artikel 12 en 13;
2° de voorziening voert diagnostiek in residentieel of mobiel verband uit, overeenkomstig de beslissing van de verwijzende instantie;
3° de voorziening hanteert actuele en wetenschappelijk onderbouwde instrumenten om haar diagnostische opdracht uit te voeren;
4° het team dat belast is met de diagnostiek van de minderjarigen, is multidisciplinair samengesteld en bestaat minimaal uit een master in de psychologische of pedagogische wetenschappen en een bachelor in het sociaal werk;
5° de voorziening die het vanuit haar pedagogisch concept noodzakelijk vindt om minderjarigen soms tijdelijk af te zonderen of in hun vrijheid te beperken, om hun eigen veiligheid, de veiligheid van andere minderjarigen of die van het personeel te verzekeren, beschikt daarvoor over een door de administratie goedgekeurd huishoudelijk reglement. In dat reglement worden minstens de volgende elementen beschreven: de inrichting van de beveiligingskamer, het aanleggen van een beveiligingsdossier voor elke beveiliging die zich voordoet, de duur van de beveiligingssituatie en het toezicht op en de mogelijkheden tot contact van de minderjarige in kwestie. Het huishoudelijk reglement wordt bij de opname bekendgemaakt aan de betrokken partijen;
6° elke minderjarige wordt na zijn opname in de voorziening medisch onderzocht.

Onderafdeling 4. Diensten voor crisishulp aan huis

Artikel 20. (01/01/2019- ...)

Een voorziening van de categorie 4 begeleidt uitsluitend minderjarigen en hun gezinnen die doorverwezen worden door een centraal permanent crisismeldpunt.

Onderafdeling 5. Diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling

Artikel 21. (01/01/2019- ...)

Een voorziening van de categorie 5 moet voldoen aan al de volgende bijzondere voorwaarden:
1° de voorziening betrekt in de uitvoering van haar opdracht de slachtoffers, de ouders of, in voorkomend geval, de opvoedingsverantwoordelijken en, als dat aangewezen is, de ruimere omgeving van het familiale, sociale en professionele netwerk van de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger;
2° de voorziening organiseert in haar werkgebied een samenwerkingsverband met de actoren die betrokken zijn bij de uitvoering van haar opdracht.

Artikel 22. (01/01/2019- ...)

Voor de uitvoering van bemiddeling en herstelgericht groepsoverleg moet een voorziening van de categorie 5 voldoen aan al de volgende aanvullende voorwaarden:
1° in het kader van de bemiddeling die is voorgesteld door de procureur des Konings, moet de voorziening:
a) contact opnemen met de betrokken personen als die zelf nog geen enkel initiatief genomen hebben ten aanzien van de voorziening binnen 10 kalenderdagen na de ontvangst van het afschrift van het schriftelijke voorstel van de procureur des Konings;
b) zich gedurende de gehele bemiddeling verzekeren van de uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming van de personen die eraan deelnemen;
c) de procureur des Konings inlichten zodra blijkt dat bemiddeling niet of niet langer mogelijk is, onmiddellijk en uiterlijk binnen twee maanden. In dat geval richt de voorziening een bondig verslag tot de procureur des Konings, dat een van de volgende vermeldingen bevat:
1) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat minstens een van de betrokken personen niet werd bereikt;
2) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat minstens een van de betrokken personen niet wil dat de bemiddeling een aanvang neemt;
3) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat de betrokken personen al een akkoord hebben of het slachtoffer geen eisen meer formuleert;
4) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat een van de voorwaarden voor een bemiddeling niet meer is vervuld;
5) de bemiddeling heeft geen resultaat opgeleverd. In dat geval vermeldt het verslag de naam van de betrokken personen die gecontacteerd werden, met de informatie dat tussen hen geen overeenkomst werd bereikt, en elke andere informatie waarvan de mededeling voor akkoord getekend werd door alle partijen;
d) binnen twee maanden na haar aanwijzing door de procureur des Konings, een bondig verslag richten aan de procureur des Konings over de voortgang van de bemiddeling . Dat verslag verduidelijkt dat de bemiddeling een aanvang genomen heeft, maar nog niet afgerond is. De informatie die schade kan berokkenen aan de minderjarige verdachte of aan het slachtoffer, wordt niet opgenomen;
e) als de bemiddeling afgerond wordt, het akkoord dat is ondertekend door de betrokken personen, bezorgen aan de procureur des Konings, opdat die het zou goedkeuren;
f) een verslag opstellen over de uitvoering van het akkoord en dat richten aan de procureur des Konings. Het verslag wordt besproken met de ouders of, in voorkomend geval, met de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte. Aldus worden ze ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die, met akkoord van alle partijen, bij het verslag worden toegevoegd;
2° in het kader van de bemiddeling die is voorgesteld door de jeugdrechter of door de jeugdrechtbank, moet de voorziening:
a) contact opnemen met de betrokken personen als die zelf nog geen enkel initiatief genomen hebben ten aanzien van de voorziening binnen 10 kalenderdagen na de ontvangst van het afschrift van het voorstel van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank;
b) zich gedurende de gehele bemiddeling verzekeren van de uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming van de personen die eraan deelnemen;
c) de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de sociale dienst inlichten zodra blijkt dat bemiddeling niet of niet langer mogelijk is, onmiddellijk en uiterlijk binnen twee maanden. In dat geval richt de voorziening een bondig verslag tot de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en aan de sociale dienst, dat een van de volgende vermeldingen bevat:
1) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat minstens een van de betrokken personen niet is bereikt;
2) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat minstens een van de betrokken personen niet wil dat de bemiddeling een aanvang neemt;
3) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat de betrokken personen al een akkoord hebben of het slachtoffer geen eisen meer formuleert;
4) de bemiddeling heeft geen aanvang genomen omdat een van de voorwaarden voor een bemiddeling niet meer is vervuld;
5) de bemiddeling heeft geen resultaat opgeleverd. In dat geval vermeldt het verslag de naam van de betrokken personen die gecontacteerd zijn, met de informatie dat tussen hen geen overeenkomst is bereikt;
d) binnen twee maanden na haar aanwijzing door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, een bondig verslag over de voortgang van de bemiddeling richten aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en aan de sociale dienst. Dat verslag verduidelijkt dat de bemiddeling een aanvang heeft genomen, maar nog niet afgerond is. De informatie die schade kan berokkenen aan de minderjarige verdachte of aan de minderjarige delictpleger, wordt niet opgenomen;
e) het door de betrokken partijen ondertekende akkoord bezorgen aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, opdat die het zou homologeren, en aan de sociale dienst;
f) een bondig verslag opstellen over de uitvoering van het akkoord en dat richten aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, opdat die het zou homologeren, en aan de sociale dienst. Het verslag wordt besproken met de ouders of, in voorkomend geval, met de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger. Aldus worden ze ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die, met akkoord van alle partijen, bij het verslag worden toegevoegd;
3° in het kader van het herstelgerichte groepsoverleg dat is voorgesteld door de jeugdrechter of door de jeugdrechtbank, moet de voorziening:
a) contact opnemen met de betrokken personen als die zelf nog geen enkel initiatief genomen hebben ten aanzien van de voorziening binnen tien kalenderdagen na de ontvangst van het afschrift van het voorstel van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank;
b) zich gedurende het gehele herstelgerichte groepsoverleg verzekeren van de uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming van de personen die eraan deelnemen;
c) de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de sociale dienst inlichten zodra blijkt dat herstelgericht groepsoverleg niet of niet langer mogelijk is, onmiddellijk en uiterlijk binnen twee maanden. In dat geval richt de voorziening een bondig verslag aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en aan de sociale dienst, dat een van de volgende vermeldingen bevat:
1) het herstelgerichte groepsoverleg zal geen aanvang nemen omdat minstens een van de betrokken personen niet is bereikt;
2) het herstelgerichte groepsoverleg zal geen aanvang nemen omdat minstens één van de betrokken personen niet wil dat de bemiddeling een aanvang neemt;
3) het herstelgerichte groepsoverleg zal geen aanvang nemen omdat de betrokken personen al een akkoord hebben of het slachtoffer geen eisen meer formuleert;
4) het herstelgerichte groepsoverleg zal geen aanvang nemen omdat een van de voorwaarden voor een herstelgericht groepsoverleg niet meer is vervuld;
5) het herstelgerichte groepsoverleg heeft geen resultaat opgeleverd. In dat geval vermeldt het verslag de naam van de betrokken personen die gecontacteerd werden, met de informatie dat tussen hen geen overeenkomst is bereikt, en elke andere informatie waarvan de mededeling voor akkoord getekend is door alle partijen. De informatie die schade kan berokkenen aan de minderjarige verdachte of aan het slachtoffer, wordt niet opgenomen;
d) als het herstelgerichte groepsoverleg afgerond wordt, het door de betrokken partijen ondertekende akkoord, bezorgen aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, opdat die het zou homologeren, en aan de sociale dienst. Een intentieverklaring van de minderjarige verdachte of aan de minderjarige delictpleger wordt ook toegevoegd. Daarin verklaart die welke stappen hij zal ondernemen om de relationele en materiële schade en de schade aan de gemeenschap te herstellen en om verdere feiten in de toekomst te voorkomen. De intentieverklaring wordt voor akkoord door alle betrokken partijen ondertekend;
e) een bondig verslag opstellen over de uitvoering van het akkoord en dat richten aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en aan de sociale dienst. Het verslag wordt besproken met de ouders of, in voorkomend geval, met de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger. Aldus worden ze ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die bij het verslag worden toegevoegd;
4° de voorziening legt een dossier aan dat de volgende gegevens en documenten bevat:
a) inlichtingen van administratieve aard, met inbegrip van de stukken die ter beschikking gesteld zijn door de administratie, de jeugdrechtbank en de sociale dienst;
b) de gegevens over de toestand van de minderjarige en het gezin waartoe hij behoort en hun mening daarover;
c) het bondige verslag, vermeld in 1°, d), 2°, d) en f) en 3°, e);
d) de door de dienst op te stellen stukken ter uitvoering van het samenwerkingsakkoord herstelrechtelijk aanbod;
e) in voorkomend geval de overeenkomst en intentieverklaring;
5° de voorziening zoekt naar permanente overlegstructuren met de bemiddelingsdiensten voor meerderjarigen;
6° de voorziening besteedt bij het vervullen van de voorwaarden, vermeld in dit besluit, bijzondere aandacht aan de principes van vrijwilligheid, vertrouwelijkheid en meervoudige partijdigheid.

Artikel 23. (01/01/2019- ...)

Voor de organisatie van een vereffeningsfonds moet een voorziening van de categorie 5 aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
1° als er meerdere voorzieningen van de categorie 5 actief zijn in haar werkgebied, organiseren de betrokken voorzieningen het vereffeningsfonds samen;
2° de voorziening stelt een provinciale commissie samen die minimaal uit de volgende leden bestaat:
a) een personeelslid van de administratie;
b) een vertegenwoordiger van de Orde van Advocaten;
c) een vertegenwoordiger van een dienst voor slachtofferzorg die werkzaam is in het werkgebied van de voorziening;
3° de voorziening maakt samen met de commissie, vermeld in punt 2°, een huishoudelijk reglement op waarin de samenstelling, de taken en de werking van de commissie, de behandelingsprocedure en de toekenningscriteria van aanvragen wordt geregeld;
4° een aanvraag die de voorziening indient bij de commissie, vermeld in punt 2°, moet het resultaat zijn van een bemiddelingsproces of een herstelgericht groepsoverleg en bevat de volgende elementen:
a) een beschrijving van de verzekerbaarheid van de schade die de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger heeft aangericht;
b) het standpunt van de ouders of, in voorkomend geval, de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger;
c) de grootte van de schade en de opportuniteit van de vergoedingsmodaliteit voor het slachtoffer;
d) de motivatie van de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger om de schade te vergoeden;
e) een overzicht van de doorlopen stappen in het kader van de subsidiariteit, waarbij voorrang gegeven wordt aan andere mogelijkheden om de schade te vergoeden;
5° de commissie, vermeld in punt 2°, beslist over de aanvragen, vermeld in punt 4°. Per uur vrijwilligerswerk dat de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger presteert, bedraagt de toelage 6,70 euro. Dat bedrag is gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen, die van toepassing is op 1 januari 2019. Het aantal uur vrijwilligerswerk is afhankelijk van de leeftijd waarop de feiten zijn gepleegd en mag niet meer bedragen dan:
a) voor een twaalfjarige: 38 uur;
b) voor een dertienjarige: 76 uur;
c) voor een veertienjarige: 152 uur;
d) voor een vijftienjarige: 228 uur;
e) voor een zestienjarige en ouder: 319 uur;
6° de voorziening bezorgt de administratie een overzicht van de beslissingen van de commissie, vermeld in punt 2°, en het bedrag dat werkelijk aan het slachtoffer is uitgekeerd. Dat laatste bedrag kan nooit hoger zijn het bedrag dat de commissie heeft vastgelegd.

Artikel 24. (01/01/2019- ...)

Bij de uitvoering van gemeenschapsdiensten moet de voorziening voldoen aan al de volgende bijkomende voorwaarden:
1° voor de aanvang van de gemeenschapsdienst stelt de voorziening een rapport op dat de volgende gegevens bevat:
a) de identiteit van de minderjarige;
b) het aantal uren gemeenschapsdienst dat is opgelegd;
c) afspraken over de uitvoering van de gemeenschapsdienst, rekening houdend met de eventuele beslissingen van de jeugdrechtbank;
2° de voorziening stelt een verslag op over de uitvoering van de gemeenschapsdienst overeenkomstig het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht en haar uitvoeringsbesluiten, en stuurt dat verslag naar de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de sociale dienst. Het verslag wordt besproken met de ouders of, in voorkomend geval, de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger. Die personen worden ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die bij het verslag worden gevoegd;
3° de voorziening legt, in overeenstemming met de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, een dossier aan dat de volgende gegevens en documenten bevat:
a) inlichtingen van administratieve aard, met inbegrip van de stukken die ter beschikking gesteld zijn door de administratie, de jeugdrechtbank en de sociale dienst;
b) de gegevens over de toestand van de minderjarige en het gezin waartoe hij behoort, en hun mening daarover;
c) het rapport, vermeld in punt 1° ;
d) het verslag over de uitvoering van de gemeenschapsdienst, vermeld in punt 2°.

Een kopie van het rapport, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt onmiddellijk opgestuurd naar de jeugdrechtbank en de sociale dienst.

Artikel 25. (01/01/2019- ...)

Voor de uitvoering van leerprojecten moet de voorziening voldoen aan al de volgende aanvullende voorwaarden:
1° de voorziening stelt voor de aanvang van het leerproject een rapport op dat de volgende gegevens bevat:
a) de identiteit van de minderjarige;
b) het aantal uren leerproject dat is opgelegd;
c) afspraken over de uitvoering van het leerproject, rekening houdend met de eventuele beslissingen van de verwijzende instantie;
2° de voorziening stelt een verslag op over de uitvoering van het leerproject en de inzet van de minderjarige overeenkomstig het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht en haar uitvoeringsbesluiten, en stuurt dat verslag, in voorkomend geval, naar de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de sociale dienst. Het verslag wordt besproken met de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen ten aanzien van de minderjarige verdachte, en met zijn ouders of, in voorkomend geval, opvoedingsverantwoordelijken. Die personen worden ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die bij het verslag worden gevoegd;
3° de voorziening legt, in overeenstemming met de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, een dossier aan dat de volgende gegevens en documenten bevat:
a) inlichtingen van administratieve aard, met inbegrip van de stukken die ter beschikking gesteld zijn door de administratie, de jeugdrechtbank en de sociale dienst;
b) de gegevens over de toestand van de minderjarige en het gezin waartoe hij behoort en hun mening daarover;
c) het rapport, vermeld in punt 1° ;
d) het verslag over de uitvoering van het leerproject en de inzet van de minderjarige, vermeld in punt 2° ;

Een kopie van het rapport, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt onmiddellijk opgestuurd naar de jeugdrechtbank en de sociale dienst.

Artikel 26. (01/01/2019- ...)

Voor de uitvoering van een positief project moet de voorziening aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
1° de voorziening onderneemt de volgende acties:
a) ze informeert de jongere en zijn context actief en laagdrempelig over het aanbod;
b) ze biedt actieve procesbegeleiding bij het tot stand komen van een positief project;
c) ze waarborgt de opvolging tijdens de uitvoeringsfase;
2° ze neemt contact op met de betrokken personen als die zelf nog geen enkel initiatief genomen hebben ten aanzien van de voorziening binnen acht dagen na de ontvangst van het afschrift van het voorstel van de, in voorkomend geval, de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank;
3° ze verzekert zich gedurende de volledige uitvoering van het positieve project van de uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming van de personen die eraan deelnemen;
4° in voorkomend geval licht ze de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank erover in dat de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger geen positief project zal voorstellen;
5° ze bezorgt het positieve project onmiddellijk aan de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank;
6° ze stelt een bondig verslag op over de uitvoering van het positieve project en de inzet van de minderjarige overeenkomstig het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht en haar uitvoeringsbesluiten en richt dat aan, in voorkomend geval, de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de sociale dienst. Het verslag wordt besproken met de ouders of, in voorkomend geval, met de opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige verdachte of de minderjarige delictpleger. Aldus worden ze ertoe uitgenodigd om hun bedenkingen te formuleren, die bij het verslag worden toegevoegd.

Onderafdeling 6. Diensten voor naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn

Artikel 27. (01/01/2019- ...)

Een voorziening van de categorie 6 moet aan al de volgende bijzondere voorwaarden voldoen:
1° de voorziening mag, binnen de modules waarvoor ze is erkend, alleen leerlingen uit het secundair onderwijs of secundaire onderwijsinstellingen begeleiden die zijn aangemeld door een centrum voor leerlingenbegeleiding;
2° de voorziening stelt samen met het aanmeldende centrum voor leerlingenbegeleiding, de leerling en zijn context, en eventuele andere betrokkenen doelstellingen op en maakt afspraken over de opvolging en evaluatie ervan. Minimaal om de twee maanden worden de doelstellingen met alle betrokkenen geëvalueerd en in voorkomend geval bijgestuurd;
3° de voorziening gaat binnen elk traject na welke leerling of leerlingen, en/of welke onderwijsinstellingen betrokken moet(en) worden en welke acties nodig zijn om tegemoet te komen aan de vraag die bij de aanmelding of bij de verdere vraagverheldering is gesteld;
4° per module waarvoor een organisatie voor naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn is erkend, wordt één traject georganiseerd. Binnen dat traject kan er met één leerling, met meerdere leerlingen, met één onderwijsinstelling, met meerdere onderwijsinstellingen of een combinatie van de voorgaande gewerkt worden.

HOOFDSTUK 3. Kwaliteitsbeleid

Artikel 28. (01/01/2019- ...)

Met toepassing van artikel 5, § 1, van het decreet van 17 oktober 2003 heeft de voorziening een kwaliteitsbeleid dat de volgende elementen bevat:
1° de missie van de voorziening;
2° de visie van de voorziening;
3° de waarden;
4° de te creëren maatschappelijke meerwaarde, alsook de strategische doelstellingen om die meerwaarde te realiseren;
5° de omschrijving van de volgende aandachtsgebieden:
a) kwaliteitszorg;
b) inputgebieden:
1) leiderschap;
2) personeelsbeleid;
3) beleid en strategie;
4) middelen en partnerschappen;
c) kernprocessen;
d) outputgebieden:
1) gebruikersresultaten;
2) medewerkersresultaten;
3) samenlevingsresultaten.

Artikel 29. (01/01/2019- ...)

Met toepassing van artikel 6, § 2, van het decreet van 17 oktober 2003 heeft de voorziening in haar kwaliteitsbeleid aandacht voor:
1° gelijke kansen, op het gebied van toegankelijkheid, diversiteit en non-discriminatie;
2° goed bestuur, in het bijzonder wat de diversiteit in samenstelling, de deskundigheid, de opdrachten en de verantwoordelijkheden van de bestuursorganen betreft.

Artikel 30. (01/01/2019- ...)

Conform artikel 5, § 2, van het decreet van 17 oktober 2003 beschikt de voorziening over een kwaliteitsmanagementsysteem dat minimaal de organisatorische structuur, de bevoegdheden, de verantwoordelijkheden en de processen en procedures, in het bijzonder van de aandachtsgebieden, vermeld in artikel 29, bevat.

Artikel 31. (01/01/2019- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 5, § 3, van het decreet van 17 oktober 2003 evalueert de voorziening systematisch zelf haar werking en minimaal de aandachtsgebieden kwaliteitszorg, de kernprocessen en de outputgebieden, vermeld in artikel 28, 5°, van dit besluit, op basis van het schema, opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

Op basis van de zelfevaluatie, vermeld in het eerste lid, formuleert de voorziening verbeteracties die betrekking kunnen hebben op alle elementen van het kwaliteitsbeleid, vermeld in artikel 28

Artikel 32. (01/01/2019- ...)

De voorziening beschikt over een borgend kwaliteitshandboek dat de volgende elementen bevat:
1° het kwaliteitsbeleid, vermeld in artikel 28;
2° het kwaliteitsmanagementsysteem, vermeld in artikel 30;
3° de zelfevaluatie en verbeteracties, vermeld in artikel 31.

Het kwaliteitshandboek, vermeld in het eerste lid, is gebruiksvriendelijk en toegankelijk en wordt door alle geledingen van de voorziening gedragen.

HOOFDSTUK 4. Subsidiëring van de voorzieningen

Afdeling 1. Forfaitaire subsidie

Artikel 33. (01/01/2019- ...)

Voor de uitvoering van hun opdrachten ontvangen de voorzieningen van categorie 1 tot en met 4 en 6 per module waarvoor ze erkend zijn, een forfaitaire subsidie, als vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd

Artikel 34. (01/01/2019- ...)

Een erkende voorziening van de categorie 2 ontvangt 88,1 % van de forfaitaire subsidie, vermeld in artikel 33.

Artikel 35. (01/01/2019- ...)

§ 1. Een erkende voorziening van categorie 5 ontvangt een forfaitaire subsidie op basis van een aantal punten dat vastgelegd is bij de erkenning.

§ 2. Om het aantal punten, vermeld in paragraaf 1, te bepalen, worden de afhandelingsvormen als volgt geteld:
1° twee punten voor elke bemiddeling waarvoor de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een aanmelding van een minderjarige heeft gedaan;
2° drie punten voor elke gemeenschapsdienst waarvoor de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een aanmelding heeft gedaan of dat in een door de jeugdrechtbank of de jeugdrechter gehomologeerd positief project is opgenomen;
3° vier punten voor elk positief project waarvoor de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een aanmelding van een minderjarige heeft gedaan;
4° vijf punten voor elk herstelgericht groepsoverleg waarvoor de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een aanmelding heeft gedaan.
5° vijf punten voor elk leerproject van maximaal dertig uur waarvoor de procureur des Konings een aanmelding heeft gedaan of dat in een door de jeugdrechter of jeugdrechtbank gehomologeerd positief project opgenomen is;
6° negen punten voor elk leerproject van maximaal zestig uur waarvoor de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een aanmelding heeft gedaan of dat in een door de jeugdrechter of jeugdrechtbank gehomologeerd positief project opgenomen is;
7° dertien punten voor elk leerproject van maximaal 220 uur waarvoor de jeugdrechtbank een aanmelding heeft gedaan of dat in een door de jeugdrechter of jeugdrechtbank gehomologeerd positief project opgenomen is.

§ 3. Als de som van de punten van het effectieve aantal aangemelde dossiers van een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling, opgeteld met toepassing van paragraaf 2, twee jaar na elkaar minder dan 80 % bedraagt van het aantal waarvoor de dienst erkend is, wordt het aantal punten waarvoor hij erkend is, het volgende jaar ambtshalve verminderd tot 110 % van het gemiddelde van de voorbije twee jaar.

§ 4. Als de som van de punten van het effectieve aantal aangemelde dossiers van een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling, opgeteld met toepassing van paragraaf 2, twee jaar na elkaar meer dan 105 % bedraagt van het aantal waarvoor de dienst erkend is, wordt, binnen de beschikbare begrotingskredieten, het aantal punten waarvoor hij erkend is, het volgende jaar verhoogd tot het gemiddelde van de voorbije twee jaar.

§ 5. Een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling ontvangt per punt waarvoor hij erkend is, een forfaitaire subsidie van 563,15 euro. Per jaar dat de gemiddelde anciënniteit van de gesubsidieerde personeelsleden van een dienst voor herstelgerichte en constructieve afhandeling hoger ligt dan vijf jaar, wordt deze subsidie per punt verhoogd met 12,32 euro.

De bedragen, vermeld in het eerste lid, zijn gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen, die van toepassing is op 1 januari 2019.

Artikel 36. (01/01/2019- ...)

Boven de subsidie, vermeld in artikel 35, ontvangt een erkende voorziening van de categorie 5, binnen de perken van de begroting, een bijkomende subsidie voor de organisatie van het vereffeningsfonds.

De subsidie, vermeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op basis van het overzicht, vermeld artikel 23, 6°.

De subsidie, vermeld in het eerste lid, wordt integraal aangewend voor de vergoeding van slachtoffers.

Artikel 37. (01/01/2019- ...)

Voor de bepaling van de anciënniteitscorrectie, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, en in artikel 35, § 5, wordt jaarlijks de situatie van 1 januari van het jaar in kwestie als basis genomen.

De erkende voorziening dient daarvoor uiterlijk op 15 januari van het jaar in kwestie een overzicht in van het tewerkgestelde personeel op een door de administratie ter beschikking gesteld formulier.

Van een inrichtende macht waaraan erkenning is verleend voor twee of meer voorzieningen, wordt de anciënniteitscorrectie bepaald op basis van de gemiddelde anciënniteit van het tewerkgestelde personeel van die voorzieningen.

Artikel 38. (01/01/2019- ...)

Minimaal 70 % van de subsidie, vermeld in artikel 33 tot en met 35, wordt aangewend voor personeelskosten.

De minister kan op basis van een gemotiveerde aanvraag door de inrichtende macht voor een voorziening een afwijking toestaan van het percentage, vermeld in het eerste lid.

Artikel 39. (01/01/2019- ...)

Minimaal twee derde van het gesubsidieerde personeel wordt ingezet in begeleidende functies.

Artikel 40. (01/01/2019- ...)

De subsidie wordt in maandelijkse voorschotten uitgekeerd. Het bedrag van het maandelijkse voorschot wordt berekend op een twaalfde van 90 % van de jaarlijkse subsidie-enveloppe. Het saldo wordt uitbetaald in het eerste kwartaal van het volgende jaar.

Afdeling 2. Bijkomende subsidie

Artikel 41. (01/01/2019- ...)

Personeelskosten die voortvloeien uit de toepassing van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag worden gesubsidieerd op basis van de effectieve uitgaven.

Om in aanmerking te komen voor de subsidie, vermeld in het eerste lid, dient de erkende voorziening een aanvraag in op een door de administratie ter beschikking gesteld formulier.

Artikel 42. (01/01/2019- ...)

Aan erkende voorzieningen van de categorieën 1 en 3 worden op maandbasis subsidies toegekend om zakgeld te betalen aan minderjarigen bij wie een module met de functie verblijf geactiveerd is door een beslissing van een toegangspoort of een doorverwijzing van een centraal permanent crisismeldpunt. De tarieven van het zakgeld zijn opgenomen in bijlage 3, die bij besluit is gevoegd.

De betaling van het zakgeld wordt gestaafd met een ontvangstbewijs dat door de minderjarigen wordt gedateerd en ondertekend.

De subsidies, vermeld in het eerste lid, worden niet verleend voor de minderjarigen die over een maandelijks netto-inkomen beschikken van meer dan 202,39 euro. Dat bedrag is gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen, die van toepassing is op 1 januari 2019.

Artikel 43. (01/01/2019- ...)

Voor personen die begeleid worden met een module contextbegeleiding in functie van autonoom wonen, kan, na uitputting van de procedure waaruit blijkt dat de betrokkene geen recht heeft op het leefloon en niet over voldoende eigen inkomsten beschikt, per begeleidingsdag een subsidie worden uitbetaald die 1/365 bedraagt van het bedrag, vermeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. De minister bepaalt de wijze waarop aan de organisatie voor bijzondere jeugdzorg voorschotten worden verleend gedurende de periode waarin de procedure loopt.

De subsidies, vermeld in het eerste lid, worden verminderd met de eigen inkomsten waarover de betrokkene beschikt. Voor inkomsten uit arbeid geldt op die vermindering een vrijstelling als vermeld in artikel 35, § 1, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

Artikel 44. (01/01/2019- ...)

Aan erkende voorzieningen van de categorieën 1 tot en met 3 kan een subsidie voor bijzondere kosten toegekend worden om bijzondere kosten te vergoeden voor verstrekte buitengewone medische en paramedische verzorging aan minderjarigen bij wie een verblijfsmodule geactiveerd is.

Aan de erkende voorzieningen van categorieën 1 en 3 kunnen, onder de voorwaarden, vermeld in artikel 46, ook subsidies worden toegekend om de kosten te vergoeden voor het herstellen van schade die is veroorzaakt door minderjarigen in crisissituatie.

De administrateur-generaal kan in uitzonderlijke omstandigheden, om de fysieke of psychische integriteit van de betrokken minderjarige te behouden of te herstellen, aan de erkende voorzieningen van categorie 1 tot en met 3 subsidies verlenen voor bijzondere uitgaven die niet vermeld zijn in het eerste of het tweede lid.

Geen enkele subsidie voor bijzondere kosten kan worden verleend:
1° als een natuurlijke of rechtspersoon, wettelijk, bij overeenkomst of door een rechterlijke beslissing, verplicht is om die kosten te betalen of terug te betalen;
2° als de kosten het gevolg zijn van een fout, nalatigheid of onvoorzichtigheid van een personeelslid van de voorziening.

Voor elke aanvraag van een subsidie voor bijzondere kosten geldt een vrijstelling van 1.000 euro.

Artikel 45. (01/01/2019- ...)

De buitengewone medische of paramedische verzorgingen, vermeld in artikel 44, worden betaald of terugbetaald naar rata van de bedragen die vastgesteld zijn door de wettelijke en reglementaire bepalingen over de ziekte- en invaliditeitsverzekering.

Bij opname in het ziekenhuis komt alleen het verblijf in een gemeenschappelijke kamer voor subsidiëring in aanmerking, tenzij het verblijf in een afzonderlijke kamer wegens uitzonderlijke omstandigheden verantwoord is.

Artikel 46. (01/01/2019- ...)

Voor elk schadegeval, vermeld in artikel 44, tweede lid, moeten de volgende documenten worden overgelegd:
1° een omstandig verslag van de feiten, dat opgesteld is door de directie van de voorziening en dat de crisissituatie staaft;
2° een becijferde inventaris van de beschadigingen.

Afdeling 3. Reserves

Artikel 47. (01/01/2019- ...)

Een erkende voorziening kan op de volgende wijze reserves opbouwen met de subsidies, vermeld in dit besluit:
1° de reserves worden aangewend om de specifieke dienstverlening, vermeld in dit besluit, te kunnen realiseren;
2° maximaal 20 % van de jaarlijkse subsidiebedragen, vermeld in dit besluit, kan als reserve overgedragen worden naar het volgende kalenderjaar;
3° de gecumuleerde reserve, opgebouwd uit de jaarlijkse subsidiebedragen, vermeld in punt 2°, is maximaal 50 % van de jaarlijkse subsidiebedragen, vermeld in punt 2° ;
4° als het maximum, vermeld in punt 2° en 3°, overschreden wordt, wordt het overschreden bedrag teruggestort aan de administratie, tenzij de voorziening een aanwendingsplan of aanzuiveringsplan heeft dat voldoet aan de volgende criteria:
a) het aanwendingsplan of aanzuiveringsplan is aangevraagd en door de administratie bevestigd, uiterlijk voor het afsluiten van het boekjaar waarin de toegelaten reserve overschreden zou worden;
b) het aanwendingsplan of aanzuiveringsplan toont aan dat de aanwending uiterlijk tien jaar na de aanvraag, vermeld in a), volledig gerealiseerd zal zijn;
c) het aanwendingsplan of aanzuiveringsplan toont aan dat het gaat om de compensatie van een verlies van maximaal vijf boekjaren die het boekjaar in kwestie voorafgaan;
d) het voorafgaand advies van de Inspectie van Financiën over het aanwendingsplan of aanzuiveringsplan is hierbij verplicht.

Naast de reserve, vermeld in het eerste lid, kan de erkende voorziening een sociaal passief vastleggen, dat wordt beperkt tot 25 % van de jaarlijkse personeelskosten.

Als aan een inrichtende macht erkenning is verleend voor twee of meer voorzieningen, worden de bepalingen in het eerste en het tweede lid toegepast op de som van de subsidie die aan die voorzieningen uitgekeerd.

Afdeling 4. Bezetting

Artikel 48. (01/01/2019- ...)

Als de bezetting van de modules van een erkende voorziening twee opeenvolgende jaren voor elk van die jaren geen 80 % bereikt, wordt de erkende capaciteit verminderd tot 110 % van de gemiddelde bezetting van de voorgaande twee jaar.

De 80 %, vermeld in het eerste lid, wordt herleid tot 70 % voor de erkende voorzieningen van de categorie 3.

Artikel 49. (01/01/2019- ...)

Voor de berekening van de bezetting van een module contextbegeleiding wordt bij een mobiele begeleiding maar één module per gezin geteld.

Artikel 50. (01/01/2019- ...)

Voor de berekening van de bezetting van een erkende voorziening van de categorie 2 worden alleen de modules die voor minderjarigen ingezet worden, in rekening gebracht.

Voor de berekening van de bezetting van de modules verblijf van een voorziening van de categorie 2 wordt een zwangere minderjarige als twee personen geteld en een zwangere meerderjarige als één persoon.

Artikel 51. (01/01/2019- ...)

De minister kan nadere regels uitvaardigen over de berekening van de bezetting.

HOOFDSTUK 5. Erkenningsprocedure en toezicht op de naleving van de erkenningsvoorwaarden

Afdeling 1. Procedure voor het verlenen van een erkenning van een voorziening

Artikel 52. (01/01/2019- ...)

Elke inrichtende macht die minderjarigen in een voorziening wil opnemen of door een voorziening wil laten begeleiden, laat die voorziening vooraf erkennen conform de regels, vermeld in artikel 53 tot en met artikel 60.

Artikel 53. (01/01/2019- ...)

Een erkenning kan alleen worden verleend:
1° als daarvoor een ontvankelijke aanvraag wordt ingediend;
2° als voldaan is aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in dit besluit;
3° als de begrotingskredieten dat mogelijk maken.

Artikel 54. (01/01/2019- ...)

Een aanvraag van erkenning van een voorziening is alleen ontvankelijk als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de inrichtende macht dient de aanvraag bij de administratie in met een beveiligde zending;
2° de aanvraag bevat al de volgende gegevens:
a) de identiteit van de inrichtende macht;
b) de categorie of categorieën waarvoor erkenning wordt gevraagd;
c) de typemodules waarvoor erkenning wordt gevraagd;
d) het aantal modules waarvoor erkenning wordt gevraagd;
e) het werkgebied;
f) per typemodule de leeftijdscategorie en het geslacht van de minderjarigen voor wie de erkenning wordt gevraagd;
g) de verschillende afdelingen waaruit de voorziening zal bestaan of de voorzieningen zullen bestaan;
h) het pedagogische profiel van de voorziening of de voorzieningen;
i) voor een organisatie voor bijzondere jeugdzorg die modules verblijf wil aanbieden met toepassing van artikel 14: het aantal minderjarigen en het geslacht van de minderjarigen voor wie de erkenning wordt gevraagd;
j) voor een organisatie voor bijzondere jeugdzorg die structureel minderjarigen wil opnemen of begeleiden die in een gemeenschapsinstelling verblijven: het aantal minderjarigen dat ze op jaarbasis willen opnemen of begeleiden;
k) voor een centrum voor integrale gezinszorg: het maximale aantal gebruikers dat het centrum voor integrale gezinszorg per afdeling residentieel kan opnemen.

Artikel 55. (01/01/2019- ...)

De minister legt de verdeling van de erkende en te erkennen capaciteit over de regio's vast in een programmatie die gebaseerd is op de punten, vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 56. (01/01/2019- ...)

Per gerechtelijk arrondissement wordt één voorziening van categorie 5 erkend. De minister kan daarvan afwijken vanwege de grootte van het arrondissement of het aantal dossiers.

Artikel 57. (01/01/2019- ...)

§ 1. Als de aanvraag van erkenning van een voorziening niet ontvankelijk is, stuurt de administratie die aanvraag met een aangetekende zending en uiterlijk dertig dagen na ontvangst aan de aanvragende, inrichtende macht terug. In die zending wordt de reden van de niet-ontvankelijkheid vermeld.

§ 2. Als de aanvraag van erkenning van een voorziening ontvankelijk is, en als de administrateur-generaal voorneemt om de erkenning te weigeren, betekent de administratie dat voornemen aan de inrichtende macht.

De betekening, vermeld in het eerste lid, gebeurt met een aangetekende zending met kennisgeving van ontvangst. In die zending worden de mogelijkheid en de voorwaarden vermeld waarop een bezwaarschrift als vermeld in artikel 59, kan worden ingediend.

§ 3. De beslissing van de administrateur-generaal om de erkenning te verlenen wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag betekend aan de inrichtende macht. Die beslissing wordt betekend met een aangetekende zending.

Artikel 58. (01/01/2019- ...)

Als de beslissing van de administrateur-generaal, vermeld in artikel 57, niet is betekend aan de inrichtende macht, binnen de termijn vermeld in artikel 57, § 3, wordt ervan uitgegaan dat de erkenning van de voorziening wordt geweigerd.

Artikel 59. (01/01/2019- ...)

§ 1. De inrichtende macht kan tot uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van het voornemen van de administrateur-generaal om de erkenning van de voorziening te weigeren of, in geval van toepassing van artikel 57, na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 57, § 3, een bezwaarschrift indienen. Na die termijn van dertig dagen is het bezwaarschrift niet meer ontvankelijk. Om het bezwaarschrift te kunnen indienen, stuurt de inrichtende macht een aangetekende zending aan de administratie met vermelding van de motieven waarom ze de weigering ongegrond acht.

Het bezwaarschrift wordt behandeld volgens de regels die zijn vastgesteld bij of ter uitvoering van hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

§ 2. Als de inrichtende macht geen bezwaarschrift heeft ingediend conform paragraaf 1, eerste lid, wordt de beslissing van de administrateur-generaal om de erkenning te weigeren, betekend aan de inrichtende macht. De administratie betekent die beslissing met een aangetekende zending binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.

Artikel 60. (01/01/2019- ...)

De administrateur-generaal kan een voornemen tot erkenning bekendmaken met het oog op een volwaardige erkenning, indien de voorziening voldoet aan de erkenningsvoorwaarden.

In de periode tussen het voornemen tot erkenning en het verlenen van een volwaardige erkenning kan de inrichtende macht geen aanspraak maken op subsidies op grond van dit besluit noch minderjarigen begeleiden of opvangen.

Als de inrichtende macht binnen achttien maanden, te rekenen vanaf de bekendmaking van het voornemen tot erkenning van de administrateur-generaal, niet het bewijs kan leveren dat de voorziening aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, wordt het voornemen tot erkenning ambtshalve ingetrokken.

Artikel 61. (01/01/2019- ...)

Als de administrateur-generaal de erkenning weigert, kan de inrichtende macht de aanvraag niet onmiddellijk opnieuw indienen. Er moet minstens één jaar verstreken zijn sinds de betekening van de beslissing tot weigering, of de inrichtende macht moet aantonen dat de reden voor de weigering niet langer bestaat.

Afdeling 2. Procedure voor het wijzigingen van een erkenning van een voorziening

Artikel 62. (01/01/2019- ...)

Artikel 53 tot en met 61 zijn van overeenkomstige toepassing voor het wijzigen van de categorie, de capaciteit, de leeftijd en het geslacht van de doelgroep, alsook voor een verhuizing van de voorziening of een afdeling ervan naar een ander bestuurlijk arrondissement.

Artikel 63. (01/01/2019- ...)

De administrateur-generaal kan op elk ogenblik de andere voorwaarden dan de voorwaarden van de erkenning, vermeld in artikel 62, wijzigen, nadat de inrichtende macht daarvoor een aanvraag heeft ingediend.

Afdeling 3. Procedure voor het intrekken van een erkenning van een voorziening

Artikel 64. (01/01/2019- ...)

Als een voorziening niet langer voldoet aan een of meer erkenningsvoorwaarden, kan de administratie de inrichtende macht ertoe aanmanen zich binnen acht dagen tot zes maanden naar die voorwaarden te schikken.

De inrichtende macht wordt aangemaand met een aangetekende zending met kennisgeving van ontvangst. In die zending wordt vermeld welke erkenningsvoorwaarden niet worden nageleefd.

Artikel 65. (01/01/2019- ...)

§ 1. Als ondanks de aanmaning de voorziening de erkenningsvoorwaarden niet naleeft, kan de administrateur-generaal zich voornemen de erkenning in te trekken. De administratie betekent dat voornemen met een aangetekende zending met kennisgeving van ontvangst aan de inrichtende macht. In die zending worden de mogelijkheid en de voorwaarden vermeld waarop de inrichtende macht een bezwaarschrift kan indienen.

§ 2. Artikel 59 is van overeenkomstige toepassing als de administrateur-generaal definitief beslist een erkenning in te trekken.

Als de beslissing, vermeld in het eerste lid, niet aan de inrichtende macht is betekend binnen de termijn die daarvoor is bepaald conform artikel 59, blijft de voorziening erkend.

Artikel 66. (01/01/2019- ...)

In afwijking van artikel 64 en 65 kan de administrateur-generaal, na de inrichtende macht te hebben gehoord, de erkenning onmiddellijk intrekken als blijkt dat de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van minderjarigen binnen een voorziening ernstig in het gedrang komt.

Afdeling 4. Toezicht op de naleving van de erkenningsvoorwaarden

Artikel 67. (01/01/2019- ...)

Personeelsleden van Zorginspectie bij het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, en voor wat voorzieningen van de categorie 6 betreft ook de onderwijsinspectie, oefenen ter plaatse of op basis van stukken toezicht uit op de naleving van de erkenningsvoorwaarden door de voorzieningen.

De voorzieningen verlenen hun medewerking aan de uitoefening van het toezicht. Ze bezorgen aan de personeelsleden, vermeld in het eerste lid, op hun eenvoudig verzoek, de stukken die verband houden met de erkenningsaanvraag of de erkenning.

HOOFDSTUK 6. Gelijkgestelde voorzieningen en projecten

Artikel 68. (01/01/2019- ...)

Alleen voor de toelating om minderjarigen op te nemen, worden de volgende voorzieningen gelijkgesteld met erkende voorzieningen:
1° de voorzieningen die erkend zijn in het kader van het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap of van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
2° de voorzieningen die erkend zijn in het kader van het decreet van 29 mei 1984 houdende de oprichting van de instelling Kind en Gezin of het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
3° de ziekenhuizen, vermeld in het koninklijk besluit van 7 augustus 1987 houdende coördinatie van de wet op de ziekenhuizen;
4° de voorzieningen die buiten het Nederlands taalgebied liggen en waarvoor een overeenkomst is gesloten met de Vlaamse Gemeenschap;
5° de schoolinternaten.

De gelijkstelling, vermeld in het eerste lid, kan worden ingetrokken na advies van de inspectiedienst van de administratie of van de betrokken sector.

Artikel 69. (01/01/2019- ...)

§ 1. De residentiële voorzieningen, vermeld in artikel 68, eerste lid, 3° en 5°, kunnen, nadat ze een factuur of ander verantwoordingsstuk hebben voorgelegd, per minderjarige subsidies ontvangen voor de noodzakelijke kosten die verbonden zijn aan het verblijf, met een maximum per dag conform het tarief vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.

De minister kan subsidies verlenen aan de voorzieningen, vermeld in het eerste lid, om aan de minderjarigen zakgeld te betalen conform bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.

§ 2. Er worden geen subsidies toegekend als andere instanties al subsidiëren of als overheidskredieten ter beschikking worden gesteld voor het onderhoud van de minderjarigen.

De beperking, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor de psychiatrische ziekenhuizen.

Artikel 70. (01/01/2019- ...)

Voor de organisatie en coördinatie van een project, vermeld in artikel 46° /1, van het decreet van 12 juli 2013 kan ten laste van het fonds en binnen de begrotingskredieten, aan een of meer inrichtende machten, op hun aanvraag, een subsidie worden verleend.

Een subsidieaanvraag is alleen ontvankelijk:
1° als ze door de inrichtende macht(en) bij de administratie wordt ingediend met een beveiligde zending;
2° als ze de volgende elementen bevat:
a) de identiteit en het adres van de inrichtende macht;
b) een omschrijving van het project die de volgende elementen bevat:
1) de probleemstelling die aan de grondslag ligt van het project;
2) de manier waarop het project op de probleemstelling ingrijpt;
3) de verhouding van het project tot het bestaande aanbod;
4) de maatschappelijke relevantie van het project;
5) de doelgroep en het aantal minderjarigen op wie het project betrekking zal hebben;
6) verwijzingen naar bestaand onderzoek als die beschikbaar zijn;
7) de beoogde effecten van het project;
8) de indicatoren en meetfactoren om de beoogde effecten te meten;
9) de wijze waarop en door wie het project opgevolgd en geëvalueerd zal worden;
10) de wijze waarop het project structureel gemaakt kan worden;
11) de duurtijd en fasering van het project;
12) een begroting van alle inkomsten en uitgaven die betrekking hebben op de realisatie van het project.

Artikel 11 en artikel 28 tot en met 32 zijn van overeenkomstige toepassing op de projecten.

De duurtijd vermeld in het tweede lid, 2°, b), 11), bedraagt maximaal vijf jaar. Overschrijding van die termijn kan alleen op beslissing van de minister, nadat de inrichtende macht daarvoor een aanvraag indient die, behalve de elementen, vermeld in het tweede lid, 2°, een motivatie voor de verlenging bevat.

De subsidie wordt verleend in het kader van een overeenkomst die wordt gesloten met de minister. De overeenkomst bevat:
1° de identiteit en het adres van de contracterende partijen;
2° de omschrijving van het project, vermeld in het tweede lid, 2°, b);
3° een verwijzing naar het vierde lid;
4° een verwijzing naar de specifieke criteria, vermeld in het derde lid;
5° de wijze waarop over de voortgang van het project wordt gerapporteerd, zowel inhoudelijk als financieel;
6° de opgave van de subsidiebedragen en van de bestemming van de bedragen;
7° de vermelding van de uitbetalingsmodaliteiten van de subsidies;
8° de looptijd van de overeenkomst;
9° de vermelding hoe de overeenkomst wordt beëindigd.

De subsidie wordt verleend op voorwaarde dat:
1° ze uitsluitend wordt aangewend voor de personeelskosten en de werkingskosten die nodig zijn voor de realisatie van het project;
2° er een boekhoudplan wordt gebruikt conform een rekeningstelsel dat wordt bepaald door de minister;
3° toezicht van de administratie mogelijk is op de boekhouding en op de aanwending van de subsidies, zowel op basis van stukken als ter plaatse.

HOOFDSTUK 7. Wijzigingsbepalingen

Artikel 71. (01/01/2019- ...)

Artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp wordt vervangen door wat volgt:

"Art. 4. Onder de integrale jeugdhulp valt de volgende jeugdhulpverlening die met toepassing van het decreet van 12 maart 2013 wordt aangeboden door:
1° de gemeenschapsinstellingen, vermeld in artikel 2, 4° van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht;
2° de erkende voorzieningen, vermeld in artikel 1, 15° van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen voor jeugdhulp.

Onder de integrale jeugdhulp valt ook de jeugdhulpverlening in het raam van projecten als vermeld in artikel 70 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen voor jeugdhulp.".

Artikel 72. (01/01/2019- ...)

In artikel 35 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1, punt 2° vervangen door wat volgt:

"2° : de onthaal-, observatie- en oriëntatiecentra, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen voor jeugdhulp.".

Artikel 73. (01/01/2019- ...)

In artikel 74, paragraaf 1 van hetzelfde besluit wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:

"De vergoeding wordt niet toegekend voor de crisisinterventie, -begeleiding of -opvang gepresteerd door de diensten voor crisishulp aan huis, vermeld in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen voor jeugdhulp."

HOOFDSTUK 8. Opheffings-, Overgangs- en Slotbepalingen

Artikel 74. (01/01/2019- ...)

De volgende regelingen worden opgeheven:
1° het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand, het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 22 januari 2016 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2015 betreffende de subsidiëring van naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn.

Artikel 75. (01/01/2019- ...)

Elke wijziging aan dit besluit, voor wat erkenning, organisatie en subsidiëring van de voorzieningen van de categorie 6 betreft, kan uitsluitend door de Vlaamse Regering worden doorgevoerd op gezamenlijk voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs, en de minister.

Artikel 76. (01/01/2019- ...)

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019.

Artikel 77. (01/01/2019- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, en de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE (01/01/2019- ...)

Bijlage 1

BIJLAGE (01/01/2019- ...)

Bijlage 2

BIJLAGE (01/01/2019- ...)

Bijlage 3

BIJLAGE (01/01/2019- ...)

Bijlage 4