Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor sommige woonzorgvoorzieningen, tot wijziging van diverse bepalingen in dat verband ingevolge het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 en tot wijziging van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot oprichting van een technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Datum 13/12/2019

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
  2. HOOFDSTUK 2. Bouwtechnische en bouwfysische normen
    1. Afdeling 1. Algemene bouwtechnische en bouwfysische normen
    2. Afdeling 2. Specifieke bouwtechnische en bouwfysische normen voor de centra voor dagopvang, de centra voor dagverzorging, de centra voor kortverblijf type 2 en de centra voor kortverblijf type 3
    3. Afdeling 3. Specifieke bouwtechnische en bouwfysische normen voor de lokale dienstencentra
    4. Afdeling 4. Algemene bepaling
  3. HOOFDSTUK 3. Subsidiabele oppervlakte
  4. HOOFDSTUK 4. Investeringssubsidie
  5. HOOFDSTUK 5. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden
  6. HOOFDSTUK 6. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg
  7. HOOFDSTUK 7. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot oprichting van een technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
  8. HOOFDSTUK 8. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2011 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan ouderenvoorzieningen, lokale dienstencentra en centra voor herstelverblijf moeten voldoen en tot bepaling van de procedure voor de uitreiking van het attest van naleving van die normen
  9. HOOFDSTUK 9. Slotbepalingen

Inhoud

(... - ...)

Rechtsgronden

Dit besluit is gebaseerd op:
- het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, artikel 6, § 1, artikel 8, hersteld bij het decreet van 12 februari 2010 en gewijzigd bij de decreten van 15 juli 2011 en 3 juli 2015, artikel 10, gewijzigd bij de decreten van 16 maart 1999 en 12 februari 2010, artikel 11, § 2, eerste lid, en artikel 13, gewijzigd bij het decreet van 16 maart 1999;
- het decreet van 20 maart 2009 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, artikel 4;
- het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019, artikel 38, tweede lid.

Vormvereisten

De volgende vormvereisten zijn vervuld:
- De Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, heeft haar akkoord gegeven op 21 mei 2019;
- De Raad van State heeft advies 66.276/3 gegeven op 26 juni 2019, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

Juridisch kader

Dit besluit sluit aan bij de volgende regelgeving:
- het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019.

Initiatiefnemer

Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding.

Na beraadslaging,

DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:

HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. (01/01/2020- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° besluit van 28 juni 2019: het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers;
2° centrum voor dagopvang: een centrum voor dagopvang van een dienst voor gezinszorg als vermeld in artikel 13 en 14 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
3° centrum voor dagverzorging: een centrum als vermeld in artikel 23 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
4° centrum voor kortverblijf type 2: een centrum als vermeld in artikel 26, § 1, tweede lid, 2°, van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
5° centrum voor kortverblijf type 3: een centrum als vermeld in artikel 26, § 1, tweede lid, 3°, van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
6° lokaal dienstencentrum: een centrum als vermeld in artikel 9 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019.

Dit besluit is van toepassing op de volgende woonzorgvoorzieningen:
1° de centra voor dagopvang;
2° de centra voor dagverzorging;
3° de centra voor kortverblijf type 2;
4° de centra voor kortverblijf type 3;
5° de lokale dienstencentra.

HOOFDSTUK 2. Bouwtechnische en bouwfysische normen

Afdeling 1. Algemene bouwtechnische en bouwfysische normen

Artikel 2. (01/01/2020- ...)

De algemene bouwtechnische en bouwfysische normen waaraan de infrastructuur van de woonzorgvoorzieningen, vermeld in artikel 1, tweede lid, moet voldoen om voor een investeringssubsidie in aanmerking te komen, zijn:
1° de regelgeving over de brandveiligheid;
2° de regelgeving over de toegang van personen met een handicap tot gebouwen die toegankelijk zijn voor het publiek;
3° de regelgeving over de eisen en handhavingsmaatregelen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat voor gebouwen en tot invoering van een energieprestatiecertificaat;
4° de regelgeving over ruimtelijke ordening en milieu;
5° als dat van toepassing is, de regelgeving over de integratie van kunstwerken in gebouwen van openbare diensten en daarmee gelijkgestelde diensten en van door de overheid gesubsidieerde inrichtingen, verenigingen en instellingen die tot de Vlaamse Gemeenschap behoren.

Afdeling 2. Specifieke bouwtechnische en bouwfysische normen voor de centra voor dagopvang, de centra voor dagverzorging, de centra voor kortverblijf type 2 en de centra voor kortverblijf type 3

Artikel 3. (01/01/2020- ...)

De infrastructuur van een centrum voor dagopvang moet voldoen aan de specifieke bouwtechnische en bouwfysische normen, vermeld in artikel 47 van bijlage 2 bij het besluit van 28 juni 2019, om voor een investeringssubsidie in aanmerking te komen.

Artikel 4. (01/01/2020- ...)

De infrastructuur van een centrum voor dagverzorging moet voldoen aan de specifieke bouwtechnische en bouwfysische normen, vermeld in artikel 46 tot en met 49 van bijlage 7 bij het besluit van 28 juni 2019, om voor een investeringssubsidie in aanmerking te komen.
 

Artikel 5. (01/01/2020- ...)

De infrastructuur van een centrum voor kortverblijf type 2 moet voldoen aan de specifieke bouwtechnische en bouwfysische normen, vermeld in artikel 94 tot en met 96 van bijlage 8 bij het besluit van 28 juni 2019, om voor een investeringssubsidie in aanmerking te komen.

Artikel 6.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(31/12/2025- ...)

De infrastructuur van een centrum voor kortverblijf type 3 moet voldoen aan de specifieke bouwtechnische en bouwfysische normen, vermeld in artikel 148 en 149 van bijlage 8 bij het besluit van 28 juni 2019, om voor een investeringssubsidie in aanmerking te komen.

Afdeling 3. Specifieke bouwtechnische en bouwfysische normen voor de lokale dienstencentra

Artikel 7. (01/01/2020- ...)

De infrastructuur van een lokaal dienstencentrum moet voldoen aan de normen, vermeld in artikel 18 en 19 van bijlage 1 bij het besluit van 28 juni 2019, en aan de volgende bijkomende specifieke bouwtechnische en bouwfysische normen om voor een investeringssubsidie in aanmerking te komen:
1° er is ten minste op één locatie een bijkomende activiteitenruimte van 60 m2;
2° het akoestisch comfort is gegarandeerd;
3° de ontvangstruimte en de activiteitenruimte zijn opdeelbaar afhankelijk van de behoeften;
4° als de waarschuwingsfase van het Vlaams Warmteactieplan wordt opgestart, wordt een geklimatiseerde ruimte beschikbaar gemaakt die voldoende groot is voor alle gebruikers. Deze geklimatiseerde ruimte moet minstens 60 m2 zijn, conform de minimale oppervlakte van een activiteitenruimte;
5° in elke sanitaire cel is een vast oproepsysteem aanwezig;
6° in elke leefruimte of gebruikersruimte bedraagt het raamoppervlak ten minste 1/6 van het nettovloeroppervlak. In een leefruimte met een nettovloeroppervlakte van meer dan 30 m2 bedraagt het raamoppervlak ten minste 1/7 van de nettovloeroppervlakte. Het glasoppervlak van het raam in elke leefruimte begint op maximaal 85 cm hoogte, gemeten vanaf het vloeroppervlak. Er is zittend altijd een ongehinderd zicht naar buiten mogelijk;
7° er is ten minste op één locatie voldoende buitenruimte beschikbaar in functie van de noden en de activiteiten van het lokaal dienstencentrum.

Afdeling 4. Algemene bepaling

Artikel 8. (01/01/2020- ...)

De bouwfysische normen, vermeld in artikel 2 tot en met 7, gelden met behoud van de toepassing van de wetgeving over veiligheid, hygiëne, comfort en bescherming van de arbeid.

HOOFDSTUK 3. Subsidiabele oppervlakte

Artikel 9. (01/01/2020- ...)

In dit artikel wordt verstaan onder subsidiabele oppervlakte: de som van de per bouwlaag berekende nuttige vloeroppervlakte, buitenmuren inbegrepen, die in aanmerking wordt genomen voor subsidiëring.

De subsidiabele oppervlakte bedraagt maximaal:
1° voor een centrum voor dagopvang: 300 m2 per centrum;
2° voor een centrum voor dagverzorging: 300 m2 per centrum;
3° voor een centrum voor kortverblijf type 2: 65 m2 per woongelegenheid;
4° voor een centrum voor kortverblijf type 3: 65 m2 per woongelegenheid;
5° voor een lokaal dienstencentrum: de aanvaarde noodzakelijke oppervlakte voor de gemeenschappelijke voorzieningen voor dienstverlening, met een maximum van 600 m2 per dienstencentrum, verdeeld over maximum drie antennes met elk een minimumoppervlakte van 200 m2.

Van de maximale subsidiabele oppervlakte, vermeld in het tweede lid, kan alleen op gemotiveerd verzoek afgeweken worden bij verbouwing of uitbreiding, als de erkennings- en exploitatievoorwaarden dat vereisen.

HOOFDSTUK 4. Investeringssubsidie

Artikel 10. (01/01/2020- ...)

Het basisbedrag van de investeringssubsidie voor nieuwbouw, uitrusting en meubilering inbegrepen, is vastgesteld op:
1° 550 euro per m2 voor een centrum voor dagopvang;
2° 550 euro per m2 voor een centrum voor dagverzorging;
3° 550 euro per m2 voor een centrum voor kortverblijf type 2;
4° 550 euro per m2 voor een centrum voor kortverblijf type 3;
5° 550 euro per m2 voor een lokaal dienstencentrum.

Voor een nieuwbouw kan een subsidiebelofte worden toegekend voor de projectfasen technische uitrusting, afwerking, uitrusting en meubilering, ook al is de projectfase ruwbouw al aangevat of gerealiseerd voordat de subsidiebelofte voor nieuwbouw wordt aangevraagd. De projectfase ruwbouw wordt dan niet gesubsidieerd. Een subsidiebelofte voor de projectfase uitrusting en meubilering alleen is niet mogelijk. Bij de subsidiebelofte wordt de investeringssubsidie voor nieuwbouw, vermeld in het eerste lid, dan verdeeld op de volgende wijze:
1° technische uitrusting: 30 %;
2° afwerking: 25 %;
3° uitrusting en meubilering: 10 %.

De projectfase ruwbouw, vermeld in het tweede lid, omvat de gevelsluiting, bovenbouw, onderbouw en dakwerken, en wordt gerealiseerd conform de bouwtechnische en bouwfysische normen, vermeld in dit besluit.

Artikel 11. (01/01/2020- ...)

§ 1. Het basisbedrag van de investeringssubsidie voor uitbreiding is vastgesteld op:
1° 500 euro per m2 voor een centrum voor dagopvang;
2° 500 euro per m2 voor een centrum voor dagverzorging;
3° 500 euro per m2 voor een centrum voor kortverblijf type 2;
4° 500 euro per m2 voor een centrum voor kortverblijf type 3;
5° 500 euro per m2 voor een lokaal dienstencentrum.

§ 2. Het basisbedrag van de investeringssubsidie voor de eerste uitrusting en meubilering bij uitbreiding is vastgesteld op 60 % van de goedgekeurde raming. Dat basisbedrag wordt verminderd op basis van de eindafrekening als dat nodig is.

De te veel ontvangen investeringssubsidie wordt onmiddellijk terugbetaald.

§ 3. De totale som van het basisbedrag van de investeringssubsidie voor uitbreiding, vermeld in paragraaf 1 en 2, kan niet hoger zijn dan het basisbedrag van de investeringssubsidie voor nieuwbouw, vermeld in artikel 10.

§ 4. Voor een uitbreiding van een voorziening als vermeld in paragraaf 1, kan een subsidiebelofte worden toegekend voor de projectfasen technische uitrusting, afwerking, uitrusting en meubilering, ook al is de projectfase ruwbouw al aangevat of gerealiseerd voordat de subsidiebelofte voor uitbreiding wordt aangevraagd. De projectfase ruwbouw wordt dan niet gesubsidieerd. Een subsidiebelofte voor de projectfase uitrusting en meubilering alleen is niet mogelijk. Bij de subsidiebelofte wordt de investeringssubsidie voor uitbreiding, vermeld in paragraaf 1, dan verdeeld op de volgende wijze:
1° technische uitrusting: 30 %;
2° afwerking: 25 %.

De projectfase ruwbouw, vermeld in het eerste lid, omvat de gevelsluiting, bovenbouw, onderbouw en dakwerken, en wordt gerealiseerd conform de bouwtechnische en bouwfysische normen, vermeld in dit besluit.

Het basisbedrag van de investeringssubsidie voor de uitrusting en meubilering, vermeld in het eerste lid, is vastgesteld op 60 % van de goedgekeurde raming. Dat basisbedrag wordt verminderd op basis van de eindafrekening als dat nodig is.

De te veel ontvangen investeringssubsidie wordt onmiddellijk terugbetaald.

De totale som van het basisbedrag van de investeringssubsidie voor uitbreiding, vermeld in deze paragraaf, kan niet hoger zijn dan het basisbedrag van de investeringssubsidie voor nieuwbouw, vermeld in artikel 10, tweede lid.

Artikel 12. (01/01/2020- ...)

§ 1. Het basisbedrag van de investeringssubsidie voor verbouwingswerken is vastgesteld op 60 % van de goedgekeurde raming. Dat basisbedrag wordt verminderd op basis van de eindafrekening als dat nodig is.

De te veel ontvangen investeringssubsidie wordt onmiddellijk terugbetaald.

§ 2. Het basisbedrag van de totale investeringssubsidie voor verbouwingswerken mag ten hoogste 75 % bedragen van het basisbedrag van de investeringssubsidie voor uitbreiding, vermeld in artikel 11, § 1.

In afwijking van het eerste lid mag het basisbedrag van de totale investeringssubsidie voor verbouwingswerken ten hoogste 100 % bedragen van het basisbedrag van de investeringssubsidie voor uitbreiding van de voorziening in kwestie, vermeld in artikel 11, § 1 en § 3, als het gaat om een ingrijpende duurzame verbouwing waardoor de realisatie gelijkwaardig wordt aan een nieuwbouw. Die verbouwing voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° het betreft een renovatie waarbij de technische installaties om een specifiek binnenklimaat te realiseren, volledig worden vervangen en minstens 75 % van de bestaande en nieuwe scheidingsconstructies die het beschermde volume omhullen en die grenzen aan de buitenomgeving, worden geïsoleerd, behalve bij erfgoedgebouwen waar een dergelijke renovatie niet haalbaar blijkt;
2° het project voldoet aan de minimumeisen en de voorwaarden voor comfort en gebruik van energie, water en materialen, die de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, bepaalt;
3° het gebouw heeft een functionaliteit die gelijkwaardig is aan een nieuwbouw.

In het tweede lid, 1°, wordt verstaan onder erfgoedgebouw:
1° een beschermd monument als vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
2° een gebouw dat deel uitmaakt van een beschermd cultuurhistorisch landschap of van een beschermd stads- of dorpsgezicht als vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
3° een gebouw dat vastgesteld is in de inventaris van het bouwkundig erfgoed, vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
4° een gebouw dat ingeschreven is in de inventaris van het onroerend erfgoed van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest conform het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening.

§ 3. Het basisbedrag van de investeringssubsidie voor de eerste uitrusting en meubilering bij verbouwing is vastgesteld op 60 % van de goedgekeurde raming, tot maximaal 50 euro per m2. Dat basisbedrag wordt verminderd op basis van de eindafrekening als dat nodig is.

De te veel ontvangen investeringssubsidie wordt onmiddellijk terugbetaald.

Artikel 13. (01/01/2020- ...)

Het basisbedrag van de investeringssubsidie voor aankoop met of zonder verbouwing, uitrusting en meubilering inbegrepen, bedraagt maximaal 75 % van het basisbedrag van de investeringssubsidie voor nieuwbouw, vermeld in artikel 10 van dit besluit. Als het gebouw dat het voorwerp uitmaakt van de aankoop, in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad ligt of in een van de centrumsteden, vermeld in artikel 19ter decies van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, bedraagt het basisbedrag van de investeringssubsidie voor aankoop met of zonder verbouwing, uitrusting en meubilering inbegrepen, maximaal 100 % van het basisbedrag van de investeringssubsidie voor de nieuwbouw, vermeld in artikel 10 van dit besluit.

Voor de aankoop kunnen de volgende elementen in aanmerking komen voor de investeringssubsidie:
1° ten hoogste 60 % van de som van de venale waarde van het gebouw zoals die door de Vlaamse Belastingdienst is geschat;
2° de bewezen notariskosten en registratierechten of btw die aan de aankoop verbonden zijn.

In het tweede lid, 1°, wordt verstaan onder de Vlaamse Belastingdienst: de Vlaamse Belastingdienst opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 tot oprichting van het agentschap Vlaamse Belastingdienst.

Artikel 14. (01/01/2020- ...)

Tenzij het anders bepaald is, kan er in een periode van twintig jaar na de ingebruikname van een investering die gesubsidieerd is door het Fonds of door zijn rechtsvoorgangers, geen subsidiebelofte worden verkregen voor hetzelfde project of voor een deel van hetzelfde project, ongeacht de sector van de persoonsgebonden aangelegenheden waarin de subsidie is verkregen.

In afwijking van het eerste lid kan er binnen de periode van twintig jaar, vermeld in het eerste lid, wel een subsidiebelofte worden verkregen als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° een verbouwing wordt noodzakelijk door gewijzigde regelgeving of gewijzigde veiligheidsvoorschriften;
2° de subsidies zijn uitsluitend verleend om brandveiligheidswerkzaamheden uit te voeren;
3° de subsidies zijn volledig teruggestort of hoeven niet te worden teruggestort, als daarvoor vooraf uitdrukkelijk toestemming is verleend conform artikel 41, § 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden.

Artikel 15. (01/01/2020- ...)

De bedragen, vermeld in artikel 10, 11 en 12 worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan de bouwindex. De basisindex is die van 1 januari 1994.

De aanpassing, vermeld in het eerste lid, wordt doorgevoerd aan de hand van de actualisatieformule 0,40 s/S + 0,40 i/I + 0,20, waarbij:
1° s: het officiële loon in de bouwnijverheid voor categorie 2A dat van kracht is op 1 januari van het jaar in kwestie;
2° S: 19,885;
3° i: de index van de bouwmaterialen die van kracht is op 1 november voorafgaand aan het jaar in kwestie;
4° I: 3627.
 

Artikel 16. (01/01/2020- ...)

Behalve voor de aankoop omvat de investeringssubsidie, naast het bedrag dat exclusief btw wordt vastgesteld met toepassing van artikel 10, 11, 12 en 13, een subsidie voor de btw tegen het geldende tarief en voor de algemene onkosten tegen 10 %. De totale investeringssubsidie wordt berekend met de volgende formule: basisbedrag + geldende btw op het basisbedrag + algemene onkosten tegen 10 % op het basisbedrag + geldende btw op de algemene onkosten.

HOOFDSTUK 5. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden

Artikel 17. (01/01/2020- ...)

In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 22° wordt vervangen door wat volgt:
"22° lokaal dienstencentrum: een centrum als vermeld in artikel 9 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;";
2° punt 23° wordt opgeheven;
3° punt 24° wordt vervangen door wat volgt:
"24° centrum voor dagverzorging: een centrum als vermeld in artikel 23 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;";
4° punt 25° wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"25° centrum voor kortverblijf type 2: een centrum als vermeld in artikel 26, § 1, tweede lid, 2°, van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;";
5° punt 26° wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"26° centrum voor kortverblijf type 3: een centrum als vermeld in artikel 26, § 1, tweede lid, 3°, van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;";
6° punt 27° wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"27° centrum voor dagopvang: een centrum voor dagopvang van een dienst voor gezinszorg als vermeld in artikel 13 en 14 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;".

Artikel 18. (01/01/2020- ...)

In artikel 4, § 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 1° wordt de zinsnede "2° tot en met 6° " vervangen door de zinsnede "de aanvragers, vermeld in punt 2° tot en met 9° ";
2° punt 3° wordt vervangen door wat volgt:
"3° voor de centra voor dagverzorging:
a) de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om een investeringssubsidie en eventueel een investeringswaarborg aan te vragen;
b) de vermelding van het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen;
c) de aanvraag tot goedkeuring van het masterplan;";
3° in punt 4° worden de woorden "de regionale dienstencentra en" opgeheven;
4° punt 4° wordt vervangen door wat volgt:
"4° voor de lokale dienstencentra:
a) de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om een investeringssubsidie en eventueel een investeringswaarborg aan te vragen;
b) de vermelding van het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen;
c) de aanvraag tot goedkeuring van het masterplan;";
5° er worden een punt 7° en een punt 8° toegevoegd, die luiden als volgt:
"7° voor de centra voor kortverblijf type 2:
a) de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om een investeringssubsidie en eventueel een investeringswaarborg aan te vragen;
b) de vermelding van het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen;
c) de aanvraag tot goedkeuring van het masterplan;
8° voor de centra voor dagopvang:
a) de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om een investeringssubsidie en eventueel een investeringswaarborg aan te vragen;
b) de vermelding van het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen of de nodige akten, statuten of documenten waaruit blijkt dat de aanvrager over een rechtsvorm beschikt als vermeld in artikel 42, eerste lid, van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019, of in een uitvoeringsbesluit als vermeld in artikel 42, tweede lid, van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
c) de aanvraag tot goedkeuring van het masterplan.";
6° er wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"9° voor de centra voor kortverblijf type 3:
a) de ondertekende notulen van de vergadering van de bevoegde organen van de aanvrager met de beslissing om een investeringssubsidie en eventueel een investeringswaarborg aan te vragen;
b) de vermelding van het ondernemingsnummer uit de Kruispuntbank van Ondernemingen;
c) de aanvraag tot goedkeuring van het masterplan.".

Artikel 19. (01/01/2020- ...)

Aan artikel 15, eerste lid, 1°, n), van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019, wordt een punt 7) toegevoegd, dat luidt als volgt:
"7) artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2019 tot vaststelling van de investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor sommige woonzorgvoorzieningen, tot wijziging van diverse bepalingen in dat verband ingevolge het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 en tot wijziging van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot oprichting van een technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;".
 

Artikel 20. (01/01/2019- ...)

In artikel 16, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 6 juli 2018 en 23 november 2018, worden de woorden "of een regionaal dienstencentrum" opgeheven.

Artikel 21. (01/01/2020- ...)

In artikel 16, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 6 juli 2018 en 23 november 2018, wordt de zinsnede ", voor een dagverzorgingscentrum" vervangen door de zinsnede ", voor een centrum voor dagopvang, voor een centrum voor dagverzorging, voor een centrum voor kortverblijf type 2".

Artikel 22.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(31/12/2025- ...)

In artikel 16, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 januari 2016 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 6 juli 2018, 23 november 2018 en dit besluit, wordt de zinsnede "voor een centrum voor kortverblijf type 2" vervangen door de zinsnede "voor een centrum voor kortverblijf type 2, voor een centrum voor kortverblijf type 3".

HOOFDSTUK 6. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg

Artikel 23. (01/01/2019- ...)

In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009, 10 november 2011 en 15 januari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 14° wordt opgeheven;
2° in punt 19° worden de woorden "of een regionaal dienstencentrum" opgeheven.
 

Artikel 24. (01/01/2019- ...)

In artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009, wordt de zinsnede "regionale dienstencentra," opgeheven.

Artikel 25. (01/01/2019- ...)

In artikel 3, § 2, 2°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009, wordt de zinsnede "VII," opgeheven.

Artikel 26. (01/01/2019- ...)

In artikel 4, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 juni 2010 en 14 september 2012, wordt punt 3° opgeheven.

Artikel 27. (01/01/2019- ...)

In artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 juni 2001, 24 juli 2009, 15 januari 2016 en 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt punt 3° opgeheven;
2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede ", een regionaal dienstencentrum" opgeheven.

Artikel 28. (01/01/2019- ...)

In artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 juni 2001, 24 juli 2009 en 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt punt 3° opgeheven;
2° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zinsnede ", een regionaal dienstencentrum" opgeheven;
3° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zinsnede ", 3° " opgeheven.
 

Artikel 29. (01/01/2019- ...)

In artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid wordt de zinsnede "artikel 6, § 1, 1° tot en met 5° " vervangen door de zinsnede "artikel 6, § 1, eerste lid, 1°, 2°, 4° of 5° ";
2° in het derde lid wordt de zinsnede ", een regionaal dienstencentrum" opgeheven;
3° in het derde lid wordt de zinsnede "artikel 6, § 1, eerste lid, 2°, 3° of 4°, en § 2," vervangen door de zinsnede "artikel 6, § 1, eerste lid, 2° of 4°, en § 2,".

Artikel 30. (01/01/2019- ...)

In artikel 8, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2014, wordt de zinsnede ", een regionaal dienstencentrum" opgeheven.

HOOFDSTUK 7. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot oprichting van een technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Artikel 31. (01/01/2020- ...)

In artikel 5, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot oprichting van een technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
"3° twee brandveiligheidsdeskundigen die actief deel uitmaken van een hulpverleningszone, als vertegenwoordigers voor de brandweerdiensten van het Vlaamse Gewest;".

HOOFDSTUK 8. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2011 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan ouderenvoorzieningen, lokale dienstencentra en centra voor herstelverblijf moeten voldoen en tot bepaling van de procedure voor de uitreiking van het attest van naleving van die normen

Artikel 32. (01/01/2020- ...)

In het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2011 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan ouderenvoorzieningen, lokale dienstencentra en centra voor herstelverblijf moeten voldoen en tot bepaling van de procedure voor de uitreiking van het attest van naleving van die normen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 13 juli 2018, 17 mei 2019 en 28 juni 2019, wordt een artikel 2/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 2/1. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de lokale dienstencentra voor wat betreft het hoofdgebouw.".

HOOFDSTUK 9. Slotbepalingen

Artikel 33. (01/01/2020- ...)

Het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor voorzieningen voor ouderen en voorzieningen in de thuiszorg, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2018, wordt opgeheven.

Artikel 34. (31/12/2019- ...)

Artikel 36 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers wordt opgeheven.
 

Artikel 35. (01/01/2020- ...)

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2020, met uitzondering van:
1° artikel 1, eerste lid, 5°, artikel 1, tweede lid, 4°, artikel 6, artikel 9, tweede lid, 4°, artikel 10, eerste lid, 4°, artikel 11, § 1, 4°, artikel 17, 5°, artikel 18, 6°, en artikel 22, die in werking treden op de datum van de inwerkingtreding van deel 4 van bijlage 8 bij het besluit van 28 juni 2019;
2° artikel 34, dat in werking treedt op 31 december 2019.

Artikel 17, 2°, artikel 18, 3°, artikel 20 en artikel 23 tot en met 30 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2019.

Artikel 36. (01/01/2020- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, de Vlaamse minister, bevoegd voor opgroeien, de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, de Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale bescherming, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de zorginfrastructuur, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.