Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 (citeeropschrift: Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021)

Datum 11/09/2020

Inhoudstafel

  1. Boek 1. Inleidende bepalingen
    1. Deel 1. Citeeropschrift
    2. Deel 2. Algemene definities
  2. Boek 2. Organisatie van het woonbeleid
    1. Deel 1. Proactieve betrokkenheid van stakeholders
    2. Deel 2. Lokaal woonbeleid
      1. Titel 1. Definities
      2. Titel 2. Gemeente als regisseur van het lokaal woonbeleid
      3. Titel 3. Vlaamse beleidsprioriteiten en opdrachten van gemeenten op het vlak van wonen
      4. Titel 4. Subsidiëring van intergemeentelijke projecten ter ondersteuning van het lokaal woonbeleid
        1. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
        2. Hoofdstuk 2. Subsidievoorwaarden en berekeningswijze van de subsidie
        3. Hoofdstuk 3. Procedure voor de aanvraag, toekenning en uitbetaling van de subsidie
        4. Hoofdstuk 4. Uitvoering en opvolging van de projecten
        5. Hoofdstuk 5. Herziening van het pakket aanvullende activiteiten, toetreding en uittreding van gemeenten
        6. Hoofdstuk 6. Fusies van gemeenten
      5. Titel 5. Bijzondere subsidie voor projecten met een vernieuwend of experimenteel karakter
    3. Deel 3. Planning en monitoring
      1. [Titel 1. Planning en programmatie van projecten (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]
        1. [Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]
        2. [Hoofdstuk 2. Projectopvolging (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]
        3. [Hoofdstuk 3. Renovatietoets en lokale woontoets (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]
        4. [Hoofdstuk 4. Programmatie en toewijzing van verrichtingen (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]
          1. [Afdeling 1. Algemene bepalingen (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]
          2. Afdeling 2. Fase 1. Opname in de meerjarenplanning (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]
          3. [Afdeling 3. Fase 2. Opname in de kortetermijnplanning (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]
          4. [Afdeling 4. Fase 3. Toewijzing op het jaarbudget (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]
        5. [Hoofdstuk 5. Beoordelingscommissie (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]
        6. [Hoofdstuk 6. Beroepsmogelijkheden (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]
        7. [Hoofdstuk 7. Indexatiebepaling (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]
      2. [Titel 1/1. Vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging (verv. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]
        1. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
        2. Hoofdstuk 2. Procedure voor de aanvraag en beoordeling van een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging
        3. Hoofdstuk 3. Criteria voor de beoordeling van de aanvraag tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging
          1. Afdeling 1. Gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging conform artikel 2.32, §2, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021
          2. Afdeling 2. Gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging conform artikel 2.32, §2, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021
          3. Afdeling 3. Vermindering van de specifieke inhaalbeweging conform artikel 2.32, §2, eerste lid, 3°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021
            1. Onderafdeling 1. Woningen en voorzieningen die bestemd zijn voor het begeleid wonen van jongeren, en opvangtehuizen voor daklozen, ex-gedetineerden en ex-psychiatrische patiënten
            2. Onderafdeling 2. Open en gesloten asielcentra
            3. Onderafdeling 3. Doortrekkersterreinen en residentiële terreinen voor woonwagenbewoners
          4. Afdeling 4. Vermindering van de specifieke inhaalbeweging conform artikel 2.32, §2, eerste lid, 4°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021
      3. Titel 2. Monitoring
        1. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
        2. Hoofdstuk 2. Monitoring van het sociaal woonaanbod, de sociale eigendomsverwerving en het aanbod van standplaatsen voor woonwagens
          1. Afdeling 1. Gegevensverstrekking over het geplande sociaal woonaanbod
          2. Afdeling 2. Gegevensverstrekking over de toe- en afname van het sociaal woonaanbod
          3. Afdeling 3. Gegevensverstrekking over de sociale eigendomsverwerving
          4. Afdeling 4. Gegevensverstrekking over het aanbod van standplaatsen voor woonwagens
        3. Hoofdstuk 3. Voortgangstoets over de implementatie van het bindend sociaal objectief
        4. Hoofdstuk 4. Beoordeling of het bindend sociaal objectief van een gemeente bereikt is
          1. Afdeling 1. Ambtshalve door het agentschap
          2. Afdeling 2. Op initiatief van de gemeente
      4. Titel 3. Territoriale planning
      5. [Titel 4. Behoeftebepaling van woonmaatschappijen die woningen inhuren op de private huurmarkt in het kader van een SVK Pro-oproep (ing. BVR 10 november 2022, art. 35, I: 1 januari 2023)]
  3. Boek 3. Woningkwaliteitsbewaking
    1. Deel 1. Definities [en algemene bepalingen (ing. BVR 14 oktober 2022, art. 3)]
    2. Deel 2. Veiligheids-, gezondheids- en woningkwaliteitsnormen
    3. Deel 3. Conformiteitsonderzoek
    4. Deel 4. Conformiteitsattest
    5. Deel 5. Waarschuwing
    6. Deel 6. Ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring
      1. Titel 1. Procedure tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring
        1. Hoofdstuk 1. Procedure
        2. Hoofdstuk 2. Vrijstelling van de adviesverplichting
      2. Titel 2. Inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen
    7. Deel 7. Overbewoondverklaring
      1. Titel 1. Procedure
      2. Titel 2. Vrijstelling van de adviesverplichting
    8. Deel 8. Herstel en sloop
    9. Deel 9. Herhuisvesting
    10. Deel 10. Strafrechtelijke handhaving
    11. [Deel 11. Erkenning van woningcontroleurs (ing. BVR 10 december 2021, art. 20, I: 1 april 2022)]
      1. [Titel 1. Erkenning als woningcontroleur (ing. BVR 10 december 2021, art. 20, I: 1 april 2022)]
      2. [Titel 2. Gebruikseisen voor de erkenning als woningcontroleur (ing. BVR 10 december 2021, art. 20, I: 1 april 2022)]
      3. [Titel 3. Evaluatie van conformiteitsonderzoeken en coaching (ing. BVR 10 december 2021, art. 20, I: 1 april 2022)]
      4. [Titel 4. Sancties
      5. [Titel 5. Erkenning als woningcontroleur na opheffing van de erkenning als woningcontroleur (ing. BVR 10 december 2021, art. 20, I: 1 april 2022)]
      6. [Titel 6. Bescherming van persoonsgegevens (ing. BVR 10 december 2021, art. 20, I: 1 april 2022)]
  4. Boek 4. Woonactoren
    1. Deel 1. Sociale woonorganisaties
      1. Titel 1. Gemeenschappelijke bepalingen
        1. [Hoofdstuk 1. Normen en bouwtechnische en conceptuele richtlijnen (ing. BVR 17 december 2021, art. 22, I: 25 april 2022)]
        2. [Hoofdstuk 2. Herinvesteringsverplichting (ing. BVR 17 december 2021, art. 26, I: 25 april 2022)]
      2. Titel 2. Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen
        1. Hoofdstuk 1. Rechtsopvolging van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij
        2. [Hoofdstuk 1/1. Raad van bestuur (ing. BVR 10 november 2022, art. 41, I: 1 januari 2023)]
        3. Hoofdstuk 2. Opdrachten
          1. [Afdeling 1. Verstrekken van leningen aan Vlabinvest apb (verv. BVR 10 november 2022, art. 42, I: 1 januari 2023)]
          2. [Afdeling 1/1. Beheer van de PPS-overeenkomsten (ing. BVR 10 november 2022, art. 42, I: 1 januari 2023)]
            1. [Onderafdeling 1. Algemene bepalingen (ing. BVR 10 november 2022, art. 42, I: 1 januari 2023)]
            2. [Onderafdeling 2. Tegemoetkomingen voor de bouw en uitbating van PPS-woningen (ing. BVR 10 november 2022, art. 42, I: 1 januari 2023)]
            3. [Onderafdeling 3. Financiële tegemoetkomingen (ing. BVR 10 november 2022, art. 42, I: 1 januari 2023)]
            4. [Onderafdeling 4. Indeplaatsstelling van de VMSW als de LHI in gebreke blijft (ing. BVR 10 november 2022, art. 42, I: 1 januari 2023)]
            5. [Onderafdeling 5. Verhuring van PPS-woningen (ing. BVR 10 november 2022, art. 42, I: 1 januari 2023)]
          3. Afdeling 2. [Beheer van de eigen middelen van woonmaatschappijen (verv. BVR 17 december 2021, art. 36, I; 25 april 2022)]
          4. Afdeling 3. Rollend Grondfonds
          5. Afdeling 4. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 43, I: 1 januari 2023)]
          6. [Afdeling 5. Projectportaal (verv. BVR 10 november 2022, art. 46, I: 1 januari 2023)]
          7. Afdeling 6. Voorwaarden en procedurele regels voor de overname van een verplichting tot betaling
            1. Onderafdeling 1. Verplichting tot betaling van de huurprijs
            2. Onderafdeling 2. Verplichting tot betaling van de vergoeding van de huurschade
          8. Afdeling 7. Uitbetaling van subsidies
        4. Hoofdstuk 3. Bevoegdheden
          1. Afdeling 1. Overdracht van onroerende goederen
          2. Afdeling 2. [Algemeen reglement van de leningen van de VMSW aan woonmaatschappijen (verv. BVR 17 december 2021, art. 52, I: 25 april 2022)]
            1. [Onderafdeling 1. - Definities en toepassingsgebied (ing. BVR 25 september 2020, art. 19, I: 1 januari 2021)]
            2. [Onderafdeling 2. - Voorwaarden voor de toekenning, de uitbetaling en de terugbetaling van de leningen die de VMSW verstrekt (ing. BVR 25 september 2020, art. 19, I: 1 januari 2021)]
            3. Onderafdeling 3. [Voorwaarden voor het verstrekken van leningen om tijdelijke liquiditeitstekorten op te vangen van woonmaatschappijen, ter uitvoering van artikel 4.24, 2°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 (verv. BVR 17 december 2021, art. 58, I: 25 april 2022)]
        5. Hoofdstuk 4. Financiering
          1. Afdeling 1. Beheersvergoeding
            1. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]
            2. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]
              1. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]
              2. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]
              3. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]
              4. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]
              5. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]
              6. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]
            3. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]
            4. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]
            5. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]
          2. Afdeling 2. Toelage
          3. Afdeling 3. Giften en legaten
      3. Titel 3. [Woonmaatschappijen (verv. BVR 17 december 2021, art. 70, I: 25 april 2022)]
        1. [Hoofdstuk 1. Definities (ing. BVR 17 december 2021, art. 71, I: 25 april 2022)]
        2. [Hoofdstuk 1/1. (verv. BVR 17 december 2021, art. 71, I: 25 april 2022)] Erkenning
          1. Afdeling 1. [De erkenning en de intrekking van de erkenning als woonmaatschappij en de statuten van de woonmaatschappij (verv. BVR 17 december 2021, art. 72, I: 25 april 2022)]
            1. Onderafdeling 1. [Erkenning als woonmaatschappij (verv. BVR 17 december 2021, art. 72, I: 25 april 2022)]
            2. Onderafdeling 2. [Intrekking en afstand van de erkenning (verv. BVR 17 december 2021, art. 72, I: 25 april 2022)]
            3. Onderafdeling 3. [Statuten van de woonmaatschappijen (verv. BVR 17 december 2021, art. 72, I: 25 april 2022)]
            4. [Onderafdeling 4. Samenwerking met en deelneming in andere rechtspersonen (ing. BVR 17 december 2021, art. 72, I: 25 april 2022)]
            5. [Onderafdeling 5. Procedure tot vaststelling en wijziging van de stemverhoudingen, vermeld in artikel 4.39/2, § 2, tweede lid, Vlaamse Codex Wonen van 2021 (ing. BVR 17 december 2021, art. 72, I: 25 april 2022)]
          2. Afdeling 2. [Prestatiebeoordeling van woonmaatschappijen (verv. BVR 17 december 2021, art. 73, I: 25 april 2022)]
            1. Onderafdeling 1. Algemene bepalingen
            2. Onderafdeling 2. Gegevensverstrekking
            3. Onderafdeling 3. [Beoordeling van de prestaties van woonmaatschappijen (verv. BVR 17 december 2021, art. 80, I: 25 april 2022)]
            4. Onderafdeling 4. Maatregelen die aan de prestatiebeoordeling verbonden kunnen worden
            5. Onderafdeling 5. Bijzondere bepaling in geval van een fusie
        3. Hoofdstuk 2. [Bestuur en werking (verv. BVR 17 december 2021, art. 95, I: 25 april 2022)]
          1. Afdeling 1. Algemene bepalingen
          2. Afdeling 2. Systeem van interne controle
          3. [Afdeling 2/1. Jaarverslag, boekhouding en rapportering (ing. BVR 17 december 2021, art. 102, I: 25 april 2022)]
          4. Afdeling 3. Aanwerving en bezoldigingsvoorwaarden van de directeur
          5. Afdeling 4. [Presentiegelden en onkostenvergoedingen voor de leden van het bestuursorgaan (verv. BVR 17 december 2021, art. 113, I: 25 april 2022)]
        4. Hoofdstuk 3. [Opdrachten in het kader van onderverhuring (verv. BVR 17 december 2021, art. 114, I: 25 april 2022)]
        5. Hoofdstuk 4. Bevoegdheden
          1. Afdeling 1. Onroerende transacties
          2. Afdeling 2. Overdracht van sociale huurwoningen en niet-residentiële ruimten
            1. Onderafdeling 1. Algemene bepalingen
            2. Onderafdeling 2. Sociale huurwoningen
            3. Onderafdeling 3. Niet-residentiële ruimten
            4. Onderafdeling 4. Onderzoek naar het voldoen aan de voorwaarden en verplichtingen en de bescherming van persoonsgegevens
        6. [Hoofdstuk 4/1. Modaliteiten bij de overdracht van sociale huurwoningen en onbebouwde gronden in het kader van de vorming van woonmaatschappijen (ing. BVR 17 december 2021, art. 121, I: 25 april 2022)]
        7. Hoofdstuk 5. Financiering
          1. Afdeling 1. [Toelage voor de volledige of gedeeltelijke compensatie van de eventuele nadelige financiële gevolgen voor een woonmaatschappij door haar rechtsvorm, organisatie, werking en vermogen in overeenstemming te brengen met de bepalingen, vermeld in het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen (verv. BVR 17 december 2021, art. 122, I: 25 april 2022)]
          2. Afdeling 2. [Aanvullende subsidie voor de kosten die verbonden zijn aan externe bijstand voor een woonmaatschappij (verv. BVR 17 december 2021, art. 123, I: 25 december 2022)]
          3. [Afdeling 3. Invulling van de verplichtingen uit het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 bij de vorming van woonmaatschappijen (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 25 april 2022)]
          4. [Afdeling 3/1. Invulling van de verplichtingen uit het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaal kringlopen en afvalstoffen bij de vorming van woonmaatschappijen (ing. BVR 10 november 2022, art. 61, I: 3 december 2022)]
          5. [Afdeling 4. Subsidiëring van de opdrachten, vermeld in artikel 4.40, 4°, 5° en 6° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 25 april 2022)]
            1. [Onderafdeling 1. Voorwaarden (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 25 april 2022)]
            2. [Onderafdeling 2. Subsidieaanvraag (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 25 april 2022)]
            3. [Onderafdeling 3. Subsidie, uitbetaling van de subsidie en vorming van reserves (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 25 april 2022)]
            4. [Onderafdeling 4. Jaarverslag en financiële planning (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 25 april 2022)]
            5. [Onderafdeling 5. Sancties (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 25 april 2022)]
          6. [Afdeling 5. Algemene bepaling over steunmaatregelen (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 22 april 2022)]
        8. Hoofdstuk 6. Sancties
        9. [Hoofdstuk 7. Subsidiëring ondersteuningsstructuur (ing. BVR 17 december 2021, art. 127, I: 25 april 2022)]
      4. Titel 4. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
        1. Hoofdstuk 1. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
        2. Hoofdstuk 2. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
          1. Afdeling 1. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
          2. Afdeling 2. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
          3. Afdeling 3. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
        3. Hoofdstuk 3. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
          1. Afdeling 1. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
          2. Afdeling 2. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
        4. Hoofdstuk 4. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
          1. Afdeling 1. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
          2. Afdeling 2. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
          3. Afdeling 3. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
          4. Afdeling 4. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
        5. Hoofdstuk 5. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
          1. Afdeling 1. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
          2. Afdeling 2. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
        6. Hoofdstuk 6. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
        7. Hoofdstuk 7. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]
      5. Titel 5. Vlaams Woningfonds
        1. Hoofdstuk 1. Toelage
        2. Hoofdstuk 2. Voorwaarden waaronder de toelating wordt verstrekt om leningen aan te gaan
        3. Hoofdstuk 3. De aanwending van de kapitalen uit Fonds B2
      6. Titel 6. Huurdersbonden
        1. Hoofdstuk 1. Erkenning
          1. Afdeling 1. Voorwaarden
          2. Afdeling 2. Erkenningsaanvraag
        2. Hoofdstuk 2. Opdrachten
        3. Hoofdstuk 3. Subsidie
          1. Afdeling 1. Voorwaarden
          2. Afdeling 2. Subsidieaanvraag
          3. Afdeling 3. Subsidie en uitbetaling
          4. Afdeling 4. Jaarverslag, boekhouding en rapportering
        4. Hoofdstuk 4. Sancties
        5. Hoofdstuk 5. Ondersteuningsstructuur
          1. Afdeling 1. Opdrachten
          2. Afdeling 2. Erkenning en subsidie
          3. Afdeling 3. Sancties
    2. Deel 2. Andere woonactoren
      1. Titel 1. Verhuurdersorganisaties
        1. Titel 1. Verhuurdersorganisaties
          1. Hoofdstuk 1. Definitie
          2. Hoofdstuk 2. Erkenning
            1. Afdeling 1. Voorwaarden
            2. Afdeling 2. Erkenningsaanvraag
          3. Hoofdstuk 3. Opdrachten
          4. Hoofdstuk 4. Subsidie
            1. Afdeling 1. Basissubsidie
            2. Afdeling 2. Projectsubsidie
            3. [Afdeling 2/1. Bepaling over de de-minimissteun (ing. BVR 22 januari 2021, art.2, I: 22 februari 2021)]
            4. Afdeling 3. Jaarverslag en boekhouding
          5. Hoofdstuk 5. Sancties
      2. Titel 2. (Voorbehouden voor toekomstig gebruik)
    3. Deel 3. Toezicht
      1. Titel 1. Definities
      2. Titel 2. Toezicht op woonactoren
      3. Titel 3. Profiel, statuut en ambtsgebied van de toezichthouder
      4. Titel 4. Uitoefening van het toezicht
      5. Titel 5. Maatregelen en sancties
        1. Hoofdstuk 1. Schorsing en vernietiging
        2. Hoofdstuk 2. Administratieve geldboete
  5. Boek 5. Instrumenten van het woonbeleid
    1. Deel 1. Fondsen
      1. Titel 1. Fonds voor de Huisvesting
      2. Titel 2. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]
        1. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]
        2. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]
        3. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]
        4. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]
        5. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]
          1. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]
          2. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]
        6. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]
        7. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]
      3. Titel 3. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 75, I: 1 januari 2023)]
        1. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 75, I: 1 januari 2023)]
        2. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 75, I: 1 januari 2023)]
        3. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 75, I: 1 januari 2023)]
        4. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 75, I: 1 januari 2023)]
      4. Titel 4. Fonds ter bestrijding van de uithuiszettingen
    2. Deel 2. Financiering van woonprojecten
      1. Titel 1. Sociale woonprojecten
        1. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
        2. Hoofdstuk 2. Verrichtingen voor de realisatie en de instandhouding van sociale huurwoningen waarvoor een tussenkomst in de leningslast wordt verstrekt
        3. Hoofdstuk 3. Verwervingen voor de realisatie van sociale huurwoningen waarvoor een tussenkomst in de prefinanciering wordt verstrekt
        4. Hoofdstuk 4. Indexatiebepaling
      2. Titel 2. Bevordering van rationeel energieverbruik
      3. Titel 3. Aanleg en aanpassing van wooninfrastructuur
        1. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
        2. Hoofdstuk 2. Verrichtingen voor de realisatie en de instandhouding van sociale huurwoningen, en voor de realisatie en de instandhouding van sociale huurwoningen, sociale koopwoningen of bescheiden huurwoningen in een gemengd sociaal woonproject, waarvoor een tenlasteneming of een subsidie wordt verleend
          1. Afdeling 1. Tenlasteneming en subsidiëring van de aanleg of aanpassing van wooninfrastructuur
          2. Afdeling 2. Beoordeling van de ligging in een bestaande woonkern
        3. Hoofdstuk 3. Toezicht, controle en handhaving
        4. Hoofdstuk 4. Indexatiebepaling
      4. Titel 4. Huurverminderingen
        1. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
        2. Hoofdstuk 2. De inkomsten
        3. Hoofdstuk 3. Uitgaven
        4. Hoofdstuk 4. Toezicht, controle en handhaving
        5. Hoofdstuk 5. Indexatiebepaling
      5. [Titel 4/1. Algemene bepaling over steunmaatregelen (ing. BVR 17 december 2021, art. 160, I: 25 april 2022)]
      6. Titel 5. Sociaal woonbeleidsconvenant
    3. Deel 3. Subsidie voor woonwagenterreinen
      1. Titel 1. Algemene bepalingen
      2. Titel 2. Initiatiefnemers en subsidievoorwaarden
      3. Titel 3. Aanvraag, toekenning en uitbetaling van de subsidie
    4. Deel 4. Leningen en waarborgen
      1. Titel 1. Sociale leningen met gewestwaarborg
        1. Hoofdstuk 1. [... (opgeh. BVR 4 februari 2022, art. 2, I: 1 januari 2022)]
        2. Hoofdstuk 2. Erkenning van kredietmaatschappijen en kredietinstellingen
          1. Afdeling 1. Algemene bepaling
          2. Afdeling 2. Kredietmaatschappijen
            1. Onderafdeling 1. Erkenning
            2. Onderafdeling 2. Toezicht
          3. Afdeling 3. [... (opgeh. BVR 4 februari 2022, art. 9, I: 1 januari 2022)]
            1. Onderafdeling 1. [... (opgeh. BVR 4 februari 2022, art. 9, I: 1 januari 2022)]
            2. Onderafdeling 2. [... (opgeh. BVR 4 februari 2022, art. 9, I: 1 januari 2022)]
      2. Titel 2. Bijzondere sociale leningen
      3. Titel 3. Huurwaarborglening
        1. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
        2. Hoofdstuk 2. Toekenningsvoorwaarden
        3. Hoofdstuk 3. Aanvraagprocedure
        4. Hoofdstuk 4. Terugbetaling
        5. Hoofdstuk 5. Onderzoek naar het voldoen aan de voorwaarden en verplichtingen en de bescherming van de persoonsgegevens
      4. Titel 4. Verzekering gewaarborgd wonen
        1. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
        2. Hoofdstuk 2. Voorwaarden
        3. Hoofdstuk 3. Verzekering
        4. Hoofdstuk 4. Tegemoetkoming
      5. [Titel 5. Verbouwlening (ing. BVR 8 juli 2022, art. 10, I: 1 september 2022)]
    5. Deel 5. Tegemoetkomingen
      1. Titel 1. Tegemoetkoming in de huurprijs voor woonbehoeftige huurders
        1. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
        2. Hoofdstuk 2. Voorwaarden waaraan de woningen moeten voldoen
        3. Hoofdstuk 3. Voorwaarden waaraan de huurder moet voldoen
        4. Hoofdstuk 4. Procedure
        5. Hoofdstuk 5. Berekening van de tegemoetkoming en betalingsprocedure
        6. Hoofdstuk 6. Controle en sancties
      2. Titel 2. Tegemoetkoming voor kandidaat-huurders
        1. Hoofdstuk 1. Definities
        2. Hoofdstuk 2. Toelatingsvoorwaarden
        3. Hoofdstuk 3. Administratieve afhandeling
        4. Hoofdstuk 4. Beslissing over de tegemoetkoming
        5. Hoofdstuk 5. Vaststelling en uitbetaling van de tegemoetkoming
        6. Hoofdstuk 6. Opschorting van de tegemoetkoming
        7. Hoofdstuk 7. Stopzetting en terugvordering van de tegemoetkoming
      3. Titel 3. Tegemoetkoming voor te bouwen, te renoveren, te verbeteren of aan te passen woningen
        1. [Hoofdstuk 1. Tegemoetkoming voor te renoveren of te verbeteren bestaande woning of voor te realiseren nieuwe woning (verv. BVR 4 februari 2022, art. 36, I: 1 juli 2022)]
          1. [Afdeling 1. Algemene bepalingen (verv. BVR 4 februari 2022, art. 36, I: 1 juli 2022)]
          2. [Afdeling 2. Inkomens- en eigendomsvoorwaarden (verv. BVR 4 februari 2022, art. 36, I: 1 juli 2022)]
          3. [Afdeling 3. Voorwaarden voor de premiewoning en de in aanmerking te nemen werkzaamheden (verv. BVR 4 februari 2022, art. 36, I: 1 juli 2022)]
          4. [Afdeling 4. Procedure en berekening van de tegemoetkoming (verv. BVR 4 februari 2022, art. 36, I: 1 juli 2022)]
          5. [Afdeling 5. Cumulatiebeperking, controle en sancties (verv. BVR 4 februari 2022, art. 36, I: 1 juli 2022)]
        2. Hoofdstuk 2. Aanpassingspremie
          1. Afdeling 1. Algemene bepalingen
          2. Afdeling 2. Voorwaarden voor de 65-plusser
          3. Afdeling 3. Voorwaarden voor de werkzaamheden
          4. Afdeling 4. Procedure en berekening van de aanpassingspremie
          5. Afdeling 5. Cumulatiebeperking en controle
    6. Deel 6. Recht van voorkoop
      1. Titel 1. Bestemming
      2. Titel 2. Bijzondere gebieden
      3. Titel 3. Volgorde
    7. Deel 7. Sociaal beheer van woningen
    8. Deel 8. Overdracht van onroerende goederen
    9. Deel 9. Bescheiden woonaanbod
      1. Titel 1. Normen en lasten
      2. Titel 2. Indicatieve streefprijzen en toewijzingsregels
        1. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
        2. Hoofdstuk 2. Inschrijvingsvoorwaarden
        3. Hoofdstuk 3. Inschrijvingsregister
        4. Hoofdstuk 4. Toelatingsvoorwaarden en toewijzing van bescheiden huurwoningen
          1. Afdeling 1. Bevoegd beslissingsorgaan
          2. Afdeling 2. Toelatingsvoorwaarden
          3. Afdeling 3. Algemene toewijzingsregels
          4. Afdeling 4. Lokale toewijzingsregels
          5. Afdeling 5. Toezicht
        5. Hoofdstuk 5. Verhuring
        6. Hoofdstuk 6. Verhaal
        7. Hoofdstuk 7. Onderzoek naar het voldoen aan de voorwaarden en verplichtingen en de bescherming van de persoonsgegevens
  6. Boek 6. Sociale huur
    1. Deel 1. Algemene bepalingen
    2. Deel 2. Woningregister
    3. Deel 3. Inschrijvingsregister en inschrijvingsvoorwaarden
      1. [Titel 1. Centraal inschrijvingsregister (verv. decr. 17 december 2021, art. 28, I: 1 oktober 2023)]
      2. Titel 2. Inschrijvingsvoorwaarden
    4. Deel 4. Toelatingsvoorwaarden en toewijzing
      1. Titel 1. Toelatingsvoorwaarden
      2. [Titel 2. Toewijzing (verv. BVR 17 december 2021, art. 33, I: 1 oktober 2023)]
        1. [Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen (verv. BVR 17 december 2021, art. 33, I: 1 oktober 2023)]
        2. [Hoofdstuk 2. Toewijzingsraad, toewijzingsreglement en huishoudelijk reglement (verv. BVR 17 december 2021, art. 33, I: 1 oktober 2023)]
        3. [Hoofdstuk 3. Toewijzingsregels (ing. BVR 17 december 2021, art. 33, I: 1 oktober 2023)]
          1. [Afdeling 1. Standaardtoewijzingsregels (ing. BVR 17 december 2021, art. 33, I: 1 oktober 2023)]
          2. [Afdeling 2. Versnelde toewijzingen (ing. BVR 17 december 2021, art. 33, I: 1 oktober 2023)]
          3. [Afdeling 3. Toewijzingsregels voor specifieke doelgroepen (ing. BVR 17 december 2021, art. 33, I: 1 oktober 2023)]
          4. [Afdeling 4. Interne mutaties en bijzondere toewijzingsregels (ing. BVR 17 december 2021, art. 33, I: 1 oktober 2023)]
        4. [Hoofdstuk 4. Weigering van de toewijzing (ing. BVR 17 december 2021, art. 33, I: 1 oktober 2023)]
    5. Deel 5. Verhaal
    6. Deel 6. Huurovereenkomst
      1. Titel 1. Vereiste van een geschrift
      2. Titel 2. Plaatsbeschrijving
    7. Deel 7. Verplichtingen van de verhuurder
    8. Deel 8. Verplichtingen van de huurder
    9. Deel 9. Financiële aspecten van de huurovereenkomst
      1. Titel 1. Huurprijs
        1. Hoofdstuk 1. Vaststelling van de huurprijs voor de sociale huurwoningen, met uitzondering van de [ingehuurde sociale huurwoningen (verv. BVR 17 december 2021, art. 41, I: 1 januari 2023)]
        2. Hoofdstuk 2. Vaststelling van de huurprijs voor de [ingehuurde sociale huurwoningen (verv. BVR 17 december 2021, art. 44, I: 1 januari 2023)]
        3. Hoofdstuk 3. Onderbezettingsvergoeding
        4. Hoofdstuk 4. Bepalingen die van toepassing zijn als een verhuurder een verhuurde woning verwerft
      2. Titel 2. Kosten en lasten
      3. Titel 3. Huurwaarborg
    10. Deel 10. Duur en einde van [het woonrecht en (ing. BVR 17 december 2021, art. 50, I: 1 januari 2023)] de huurovereenkomst
      1. Titel 1. Negenjarige duur
      2. Titel 2. Opzegging door de verhuurder
      3. Titel 3. Opzegging door de huurder
      4. Titel 4. [Beëindiging (verv. BVR 17 december 2021, art. 54, I: 1 maart 2022)] van rechtswege
      5. Titel 5. Wederverhuringsvergoeding
    11. [Deel 11. Verhuring buiten het sociale huurstelsel (verv. BVR 17 december 2021, art. 56, I: 1 maart 2022)]
    12. Deel 12. Toezicht, maatregelen en sancties
    13. Deel 13. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 57, I: 1 oktober 2023)]
  7. Boek 7. Slotbepalingen
    1. Deel 1. Toekomstige wijziging van dit besluit
    2. Deel 2. Wijzigingsbepalingen
      1. Titel 1. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Wonen-Vlaanderen
      2. Titel 2. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de declaratieve attestering van het bestaan, het niet-bestaan of het verval van het woonrecht in de zin van artikel 5.4.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
      3. Titel 3. Wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010
      4. Titel 4. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2012 betreffende de groepen van assistentiewoningen
      5. Titel 5. Wijzigingen van het Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van 20 december 2013
      6. Titel 6. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juni 1998 tot aanmoediging van projecten inzake het zelfstandig wonen van personen met een fysieke handicap in sociale woonwijken en het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode
      7. Titel 7. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 ter uitvoering van het Vlaams Woninghuurdecreet
    3. Deel 3. Opheffingsbepalingen
    4. Deel 4. Overgangsbepalingen
    5. Deel 5. Inwerkingtredingsbepalingen
    6. Deel 6. Uitvoeringsbepaling

Inhoud

(... - ...)

Rechtsgrond
Dit besluit is gebaseerd op:
- de Huisvestingscode, gevoegd bij het koninklijk besluit van 10 december 1970 en bekrachtigd door de wet van 2 juli 1971, artikel 80, ingevoegd bij de wet van 1 augustus 1978 en vervangen bij het decreet van 8 juli 1996, artikel 94 en 95, ingevoegd bij de wet van 1 augustus 1978 en vervangen bij het decreet van 5 juli 1989, en artikel 96, § 3, ingevoegd bij de wet van 1 augustus 1978 en vervangen bij het decreet van 23 oktober 1991;
- de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20 en 87, § 1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;
- het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, artikel 24, 3°, vervangen bij het decreet van 23 december 2016;
- het decreet van 18 juli 2003 betreffende publiek-private samenwerking, gewijzigd bij de decreten van 23 december 2005, 15 december 2006 en 30 november 2018;
- het decreet van 21 december 2007 houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2008, artikel 12, gewijzigd bij de decreten van 21 november 2008 en 5 december 2008;
- het Energiedecreet van 8 mei 2009, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 mei 2020;
- de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, artikel 5.4.3, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014;
- het decreet van 15 juli 2011 houdende vaststelling van de algemene regels waaronder in de Vlaamse Gemeenschap en in het Vlaamse Gewest periodieke plan- en rapporteringsverplichtingen aan lokale besturen kunnen worden opgelegd, artikel 4, § 1;
- de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 juni 2020;
- het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant, artikel 6 en 10;
- het Vlaams Woninghuurdecreet van 9 november 2018, artikel 13, derde lid en artikel 84;
- de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, artikel 75 en 76;
- de Vlaamse Codex Wonen van 2021, artikel 1.3, tweede lid, § 2, artikel 2.2, 2.3, 2.4, 2.21, 2.22, 2.23, § 2, artikel 2.31, 2.32, § 2, artikel 2.35, tweede lid, artikel 2.36, 2.37, 3.1, 3.2, derde lid, artikel 3.3, 3.6, § 1, tweede lid, artikel 3.7, § 2, tweede lid, artikel 3.10, 3.11, artikel 3.12, § 2 en § 3, artikel 3.18, 3.19, § 1, tweede lid, artikel 3.21, § 1, artikel 3.29, 3.30, 3.32, eerste lid, artikel 3.44, § 1, derde lid, artikel 3.46, tweede lid, artikel 3.52, 3.54, 4.2, 4.6, 2° en 3°, artikel 4.7, 4.8, 4.9, 4.13, § 2, tweede en derde lid, artikel 4.16, 4.17, eerste en tweede lid, artikel 4.19, 2° en 7°, artikel 4.20, § 2, vierde lid, artikel 4.21, § 2, vierde lid, artikel 4.25, 4.27, 4.31, 4.33, 4.34, 4.35, 4.36, § 1, tweede lid, 3°, 5° en 13°, derde lid, § 4 en § 5, artikel 4.37, derde en vierde lid, artikel 4.39, 4.42, 4.43, vierde lid, artikel 4.44, 4.45, 4.46, 4.47, 4.50, 4.51, 4.54, 4.55, vierde lid, artikel 4.56, 4.57, 4.59, 4.61, 4.62, 4.63, 4.64, 4.65, 4.66, 4.68, 4.70, 4.71, 4.72, 4.74, 4.75, 4.77, 4.78, 4.80, 4.81, 4.85, 4.86, 4.87, 4.88, 4.89, 4.90, 5.4, 5.6, 5.7, 5.9, 5.10, 5.13, eerste lid, artikel 5.15, zesde lid, artikel 5.17, 5.19, 1°, artikel 5.20, 5.21, 5.22, 5.23, 5.24, 5.26, § 2, artikel 5.27, 5.28, 5.32, 5.33, 5.36, eerste lid, artikel 5.37, 5.52, eerste lid, artikel 5.56, tweede lid, artikel 5.57, 5.58, 5.59, 5.60, 5.61, 5.62, 5.65, 5.66, 5.68, 5.69, 5.71, 5.72, 5.73, 5.74, 5.75, 5.76, 5.78, 5.80, tweede lid, artikel 5.85, § 2, artikel 5.87, tweede lid, artikel 5.88, tweede lid, artikel 5.90, 5.91, 5.92, 5.103, eerste lid, artikel 5.106, 6.2, eerste lid, artikel 6.3, artikel 6.6, 6.8, § 1, artikel 6.12, eerste, derde en vierde lid, artikel 6.13, eerste lid, artikel 6.15, 6.16, tweede lid, artikel 6.18, 6.19, 6.20, 6.21, 6.23, eerste lid, artikel 6.24, 6.25, 6.26, 6.28, eerste en derde lid, artikel 6.30, § 1, eerste lid, artikel 6.31, 6.36, 6.42, 6.43, § 1, en artikel 7.5.

Vormvereisten
De volgende vormvereisten zijn vervuld:
- De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 13 mei 2020.
- De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, heeft zijn akkoord gegeven op 3 juni 2020.
- Er is op 11 juni 2020 bij de Raad van State een aanvraag ingediend voor een advies binnen dertig dagen, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Het advies is niet meegedeeld binnen die termijn. Daarom wordt artikel 84, § 4, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toegepast.

Initiatiefnemer
Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed.

Na beraadslaging,

DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:

Boek 1. Inleidende bepalingen

Deel 1. Citeeropschrift

Artikel 1.1. (01/01/2021- ...)

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Deel 2. Algemene definities

Artikel 1.2. (03/12/2022- 31/12/2022)

In dit besluit wordt verstaan onder:
1°       65-plusser: de persoon die minstens 65 jaar oud is op de aanvraagdatum en de premiewoning op de aanvraagdatum als hoofdverblijfplaats bewoont;
2°       aangroei van de waarde: het verschil tussen de verkoopwaarde van de woning na en voor de uitvoering van de werkzaamheden;
3°       ...;
4°       actualisatiebestand: het elektronische bestand van de wachtlijsten van kandidaat-huurders, dat de VMSW bijhoudt op basis van de periodieke actualisatie van de inschrijvingsregisters;
5°       ADL-centrum: het centrale dienstlokaal waar de hulpaanvraag aankomt en vanwaaruit een vergunde zorgaanbieder assistentie bij de activiteiten van het dagelijkse leven verstrekt en coördineert;
6°       ADL-cluster: een geheel van twaalf tot vijftien ADL-woningen dat geïntegreerd is in een sociale woonwijk en dat verbonden is met een ADL-centrum via een communicatie- en oproepsysteem;
7°       ADL-woning: een woongelegenheid die aangepast en uitgerust is om de activiteiten van het dagelijkse leven en het zelfstandig wonen van personen met een handicap te ondersteunen, die gesubsidieerd is op basis van artikel 5.40 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en die zich bevindt in een ADL-cluster;
8°       afdeling Toezicht: de afdeling Toezicht van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Wonen-Vlaanderen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005;
9°       agentschap: het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Wonen-Vlaanderen dat is opgericht bij het besluit van de Vlaamse regering van 16 december 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Wonen-Vlaanderen;
10°     ...;
11°     appartement: woning in een gebouw waarin zich minimaal twee woningen in verschillende bouwlagen boven elkaar bevinden, en die geen duplex is;
11° /1. appartementsgebouw: elk bebouwd onroerend goed bestaande uit meerdere premiewoningen of bestaande uit een premiewoning en een of meerdere eenheden zonder woonfunctie;
12°     arbeidsongeschiktheid: elke toestand die aanleiding geeft tot het verkrijgen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, en waarbij de persoon in kwestie geen andere belastbare beroepsinkomsten heeft, noch als werknemer, noch als zelfstandige;
13°     archeologische opgraving: het gebruik van wetenschappelijke methoden en technieken waarmee doelbewust de ondergrondse, aan de oppervlakte of onder water aanwezige archeologische artefacten en archeologische sites worden opgespoord, vrijgelegd en door opgraving worden onderzocht, waarbij de archeologische artefacten en onderzoeksdocumenten archeologische ensembles vormen;
14°     archeologisch vooronderzoek: het gebruik van wetenschappelijke methoden en technieken waarmee doelbewust archeologische artefacten en archeologische sites worden opgespoord en gewaardeerd zonder de erfgoedwaarden in situ wezenlijk aan te tasten. Er zijn twee soorten archeologisch vooronderzoek, namelijk archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem dat mogelijk effect heeft op de erfgoedwaarden in situ zoals de aanleg van proefsleuven, proefputten, vlakken of andere intrusieve methoden met grondverzet en archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem, waarbij geen grondwerkzaamheden of activiteiten worden verricht die effect hebben op de erfgoedwaarden in situ. Voorbeelden van archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem zijn veldprospectie, luchtfotografische prospectie, geofysische prospectie en archivalisch onderzoek;
15°     bad: een lig- of zitbad dat voorzien is van koud- en warmwatertoevoer en dat aangesloten is op het rioleringsnet;
16°     basistaalvaardigheid Nederlands: het niveau van het Nederlands dat overeenstemt met niveau A1 van het Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen;
17°     beheersorgaan: een van de twee volgende soorten organen:
a)     elk van de volgende organen van een woonmaatschappij die bindende beheerbeslissingen kunnen nemen:
1)     de algemene vergadering;
2)     het bestuursorgaan;
3)     het orgaan van dagelijks bestuur;
b)     elk orgaan dat conform het intern reglement uitdrukkelijk aangewezen is om specifieke beslissingen te nemen of te bekrachtigen;
18°     beheersvergoeding: de bijdrage die een sociale woonactor betaalt om de werking van de VMSW te financieren;
19°     behoeftebepaling: de vaststelling van de behoefte aan de inhuurneming van bijkomende woningen in het werkingsgebied van een woonmaatschappij;
20°     beoordelingscommissie: de commissie, vermeld in artikel 4.30;
21°     beraadslagende vergadering: elke samenkomst van een orgaan waarbij beslissingen genomen worden die al dan niet achteraf conform het intern reglement worden bekrachtigd door het orgaan van dagelijks bestuur of het directiecomité of het bestuursorgaan en waarvan een verslag wordt opgesteld, waaronder het toewijzingscomité en het aanbestedingscomité;
21° /1 beroepskwalificatie woningcontroleur: de beroepskwalificatie, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2021 tot erkenning van de beroepskwalificatie woningcontroleur;
22°     bindend sociaal objectief: het gemeentelijk objectief, vermeld in artikel 2.27 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
23°     bouwrijp maken: het voor bebouwing geschikt maken van bouwpercelen bestemd voor het woonproject, inbegrepen de opmaak van een stedenbouwkundige studie, met uitzondering van de sloop en de infrastructuurwerken;
24°     bouwtechnische en conceptuele richtlijnen: de richtlijnen, vermeld in artikel 4.3, eerste lid;
25°     CBO-oproep: een periodieke oproep die het agentschap lanceert bij private actoren om voorstellen in te dienen voor de gunning van een of meer aannemingsovereenkomsten, in de vorm van een mededingingsprocedure met onderhandeling, met private inbreng van onbebouwde grond, voor het ontwerp en de bouw van sociale huur- of koopwoningen, of met private inbreng van bebouwde grond, voor het ontwerp en de vervangingsbouw, renovatie, verbetering of aanpassing van het onroerend goed tot sociale huur- of koopwoningen;
26°     Centrale voor kredieten aan particulieren: de centrale, vermeld in artikel I.9, 69°, van het Wetboek van Economisch Recht;
27°     collectief dienstgebouw: een of meer als een geheel te beschouwen gebouwvolumes met voorzieningen voor het gemeenschappelijke gebruik door woonwagenbewoners;
28°     collectieve verwarmingsinstallatie: de gemeenschappelijke voorziening om verschillende wooneenheden te voorzien van verwarming, al dan niet in combinatie met sanitair warm water;
29°     conformiteitsattest: het attest, vermeld in artikel 3.6 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
30°     conformiteitsonderzoek: het onderzoek, vermeld in artikel 3.4;
31°     consolidatie: de overgang van de investeringsfase (periode van geldopname) naar de aflossingsfase (de terugbetaling van het krediet);
32°     dakloze: een persoon die niet over een eigen woongelegenheid beschikt, die niet de middelen heeft om daar op eigen kracht voor te zorgen en daardoor geen verblijfplaats heeft, of die tijdelijk in een instelling of opvanginitiatief verblijft, in afwachting dat aan hem een eigen woongelegenheid ter beschikking wordt gesteld;
33°     decreet van 15 juli 2011: het decreet van 15 juli 2011 houdende vaststelling van de algemene regels waaronder in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest periodieke plan- en rapporteringsverplichtingen aan lokale besturen kunnen worden opgelegd;
34°     decreet van 22 december 2017: het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
35°     Design and Build-oproep: een periodieke oproep bij private actoren om voorstellen in te dienen voor de gunning, in de vorm van een openbare of niet-openbare procedure of een mededingingsprocedure met onderhandeling, voor het ontwerp en de bouw van sociale huur- of koopwoningen;
36°     douche: een stortbad dat voorzien is van koud- en warmwatertoevoer en dat aangesloten is op het rioleringsnet;
37°     duplex: woning in een gebouw waarin zich twee woningen in verschillende bouwlagen boven elkaar bevinden, waarvan iedere woning toegankelijk is via een gescheiden ingang of trap die uitkomtop het openbare domein op het gelijkvloerse niveau;
38°     entiteiten van het beleidsveld Wonen: het agentschap en de VMSW;
38° /1 erkenning als woningcontroleur: de erkenning als woningcontroleur, vermeld in artikel 3.48;
39°     experimentele actie: een actie met een vernieuwend karakter, die beantwoordt aan maatschappelijk relevante behoeften en die erop gericht is de private huursector te professionaliseren;
40°     financieel kader: het kader voor de financiële toets op het niveau van de verrichting, dat uitvoering geeft aan de decretale bepalingen over de financiering van het Vlaamse woonbeleid;
41°     Financieringsfonds: het Vlaams Financieringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant, vermeld in artikel 5.11, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
42°     frictieleegstand: de leegstand van woningen of kamers als gevolg van verhuizingen, verkopen of verbouwingen, die noodzakelijk is om de woningmarkt naar behoren te laten functioneren;
43°     garage: niet-residentiële ruimte die bestemd is om een voertuig te stallen;
44°     gemeenschappelijk sanitair lokaal: een gemeenschappelijk lokaal dat uitsluitend bestemd is voor de persoonlijke hygiëne van de kamerbewoners;
45°     gemeenschappelijk wc-lokaal: een gemeenschappelijk sanitair lokaal met een wc;
46°     gemeenschappelijke badkamer of douche: een gemeenschappelijk sanitair lokaal met een bad of een douche;
47°     gemeenschappelijke kookruimte: een gemeenschappelijk woonlokaal of deel ervan dat bestemd is om te koken, dat uitgerust is met een of meer gootstenen, dat voorzien is van koudwatertoevoer met een aansluiting op het rioleringsnet, en dat over een of meer kooktoestellen op gas of elektriciteit beschikt;
48°     gemeenschappelijke ruimte: een gemeenschappelijk deel van de kamerwoning dat gebruikt wordt als zitplaats, keuken, interne circulatieruimte of gemeenschappelijk sanitair lokaal;
49°     gemeentelijke woningcontroleur: een woningcontroleur die conformiteitsonderzoeken uitvoert in opdracht van een gemeente of een intergemeentelijk samenwerkingsverband;
50°     gewestwaarborg: de waarborg zoals bepaald in artikel 5.58 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 zoals van kracht voor 1 januari 2022;
50° /1 gezinsbijslagen: de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 3, § 1, 19°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;
51°     goede woning: een bebouwd onroerend goed dat in aanmerking komt voor een onmiddellijke verhuring als sociale huurwoning of dat als sociale huurwoning verhuurd kan worden na een investering van maximaal 15.000 euro, exclusief btw;
52°     groeipad: het ritme van de programmatie van sociale huurwoningen in de periode 2009-2025, opgenomen in bijlage 1 die bij dit besluit is gevoegd;
53°     grondige renovatie: energetische renovatie, waarbij een of meer van de maatregelen, vermeld in artikel 5.49, met een periode van maximaal twaalf maanden tussen de bestelling van de eerste en de laatste fase worden toegepast, waardoor het gebouw in kwestie minstens voldoet aan al de volgende voorwaarden:
a)       het gebouw heeft dak- of zoldervloerisolatie;
b)       het gebouw heeft geen enkelvoudige beglazing meer;
c)       de verwarmingsketels hebben een thermisch rendement bij vollast van minstens 90% van de bovenste verbrandingswaarde. De gaskachels hebben een thermisch rendement bij vollast van minstens 80% van de bovenste verbrandingswaarde;
d)       het gebouw wordt niet verwarmd door elektrische weerstandsverwarming;
e)       het gebouw heeft geen actieve luchtkoeling;
54°     GSC: de gewestelijke sociale correctie;
55°     huurdersbonden: de organisaties die erkend zijn conform boek 4, deel 1, titel 6;
56°     huurwaarborglening: de lening, vermeld in boek 5, deel 4, titel 3, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
57°     individueel dienstgebouw: een of meer gebouwvolumes met voorzieningen voor het individuele gebruik door woonwagenbewoners;
58°     individuele verwarmingsinstallatie: individuele voorziening om een woning te voorzien van verwarming, al dan niet in combinatie met sanitair warm water;
59° infrastructuurwerken : de volgende werken als ze noodzakelijk zijn voor de woningen in kwestie :
a) werken aan de wegenuitrusting, namelijk het aanleggen of aanpassen en het geschikt maken van :
1) de toegangs- en circulatieruimten voor alle verkeersdeelnemers;
2) de parkeerplaatsen, fietsenstallingen;
3) de vaste constructies binnen de toegangs- en circulatieruimten;
b) werken aan de inrichtingen voor afvoer en zuivering van afvalwater, namelijk het aanleggen of aanpassen en het geschikt maken van :
1) de waterafvoerleiding tot het dichtstbijzijnde lozingspunt, de wachtbuizen voor de aansluiting van de woningen;
2) de gemalen, zuiveringsstations en andere voorzieningen die op advies van de VMSW noodzakelijk worden geacht voor de normale waterafvoer of ter voorkoming van de verontreiniging door afvalwater;
c) openbare verlichting en de daarbij horende netuitbreiding aanleggen of aanpassen;
d) werken aan het openbare watervoorzieningsnet, namelijk het aanleggen of aanpassen en het uitrusten van de uitbreiding van het waterbedelingsnet, uitgezonderd de huisaansluitingen, maar met inbegrip van de hydranten;
e) omgevingswerken, namelijk werken aan :
1) groenvoorzieningen;
2) verhardingen voor niet-gemotoriseerd verkeer en recreatief gebruik;
3) al dan niet vast straatmeubilair en speeltuigen;
4) vaste constructies voor plant-, water- en speelvakken;
5) andere bijkomende werken, zoals plaatselijke draineringen, beperkte parkeeroppervlakten, met uitsluiting van werken van burgerlijke bouwkunde;
60°     inrichting: de volgende werken:
a)       infrastructuurwerken als vermeld in punt 59°;
b)       de oprichting van collectieve dienstgebouwen;
c)       de oprichting van individuele dienstgebouwen;
61°     instandhouding: de investering in de renovatie, verbetering of aanpassing van bestaande woningen, gebouwen of niet-residentiële ruimten;
62°     intergemeentelijk project lokaal woonbeleid: een project waaraan een subsidie wordt verleend met toepassing van boek 2, deel 2;
63°     intergemeentelijk samenwerkingsverband: een intergemeentelijk samenwerkingsverband als vermeld in deel 3, titel 3, van het decreet van 22 december 2017;
64°     intermediaire instelling: openbare besturen, welzijns- of gezondheidsvoorziening of organisaties die de Vlaamse Regering daarvoor erkent als vermeld in artikel 6.36, 1°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
65°     intern auditcomité: een comité dat als opdracht heeft het bestuursorgaan bij te staan in zijn toezichtfunctie, meer in het bijzonder bij het controleren van de financiële informatie, alsook bij het controleren van de effectiviteit en de efficiëntie van de operationele activiteiten en de naleving van de toepasselijke wetten en reglementen;
66°     ...
67°     kamerwoning: elk gebouw of deel ervan dat bestaat uit een of meer kamers en gemeenschappelijke ruimten;
68°     kandidaat-koper: een of meer woonbehoeftige particuliere personen die een woning of kavel willen aankopen;
69°     kernsteden: Aalst, Antwerpen, Boom, Brugge, Dendermonde, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas, Turnhout en Vilvoorde;
69° /1 keuringsinstelling: een vennootschap die geaccrediteerd is als keuringsinstelling van het type A door BELAC of een gelijkwaardig accreditatiesysteem om conformiteitsonderzoeken in woningen uit te voeren;
70°     kookruimte: een lokaal of deel ervan dat bestemd is om te koken, waarin een kooktoestel op gas of elektriciteit geplaatst kan worden en dat uitgerust is met een gootsteen met koudwatertoevoer en een aansluiting op het rioleringsnet;
71°     koopprijs van de woning: de prijs die de ontlener aan de verkoper van de woning heeft betaald, exclusief de bijbehorende kosten, te verhogen met de btw als de woning nog niet is ingeschreven in het kohier voor de onroerende voorheffing;
72°     kortetermijnplanning: de planning van verrichtingen waarvan de uitvoering of plaatsingsprocedure binnen een termijn van vier maanden opgestart kan worden, vermeld in artikel 4.26;
73°     kredietinstelling: de kredietinstelling, vermeld in artikel 1, §3, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen;
74°     kredietmaatschappij: de hypothecaire kredietmaatschappij voor sociaal woonkrediet waaraan een erkenning is verleend conform artikel 5.58, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
75°     Kruispuntbank Inburgering: de Kruispuntbank Inburgering, vermeld in artikel 1, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 januari 2016 houdende de uitvoering van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid;
76°     kwaliteitskamer: het orgaan, vermeld in artikel 4.4;
77°     leningsaanbod: het aanbod, vermeld in artikel VII.127, §3, van het Wetboek van Economisch Recht;
78°     LHI: lokale huisvestingsinstantie: gemeente, intergemeentelijk samenwerkingsverband, OCMW of woonmaatschappij;
79°     lokale woontoets: de toets, vermeld in artikel 4.16;
80°     mantelzorg: de activiteiten die een mantelzorger als vermeld in artikel 2, §1, 6°, van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019, verleent;
81°     meerjarenplanning: de planning van verrichtingen waarvan de uitvoering of plaatsingsprocedure binnen een termijn van drie jaar opgestart kan worden, vermeld in artikel 4.23;
82°     met een sociale huurwoning gelijkgestelde woning:
a)       een huurwoning die deel uitmaakt van een woonproject met sociaal karakter;
b)       een huurwoning die vrijwillig verhuurd wordt conform de bepalingen, vermeld in boek 6;
83°     met een sociale kavel gelijkgestelde kavel:
a)       een kavel die deel uitmaakt van een woonproject met sociaal karakter;
b)       een kavel die vrijwillig overgedragen wordt conform de bepalingen, vermeld in boek 5, deel 8;
84°     met een sociale koopwoning gelijkgestelde woning:
a)       een koopwoning die deel uitmaakt van een woonproject met sociaal karakter;
b)       een koopwoning die vrijwillig overgedragen wordt conform de bepalingen, vermeld in boek 5, deel 8;
85°     minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het woonbeleid;
86°     nieuwe premiewoning: een premiewoning die wordt of werd gerealiseerd door werkzaamheden uit te voeren in een deel van een opgesplitste bestaande woning of in een bestaand gebouw;
87°     noodwoning: woning die op verzoek van de burgemeester te huur of ter beschikking wordt gesteld als een tijdelijke en voorwaardelijke oplossing voor personen die zich in een specifieke problematische woonsituatie bevinden;
88°     nulmeting: de nulmeting op het vlak van het bestaande sociaal woonaanbod, opgenomen in de bijlage die bij de Vlaamse Codex Wonen van 2021 is gevoegd;
89°     onbewoonbaar verklaarde woning: de woning die onbewoonbaar is verklaard, hetzij met toepassing van artikel 3.12, §1, of artikel 3.16, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, hetzij met toepassing van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet;
90°     ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven: de samenwerkings- en overlegstructuur voor de initiatieven ter bevordering van de positie van de kandidaat-huurders en de huurders op de private huurmarkt en in de sociale huisvesting, conform artikel 4.72 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
91°     ongeschikt verklaarde woning: de woning die met toepassing van artikel 3.12, §1, of artikel 3.16, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 ongeschikt is verklaard;
92°     onvrijwillige werkloosheid: elke toestand van onvrijwillige volledige werkloosheid die aanleiding geeft tot werkloosheidsuitkeringen van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, waarbij de persoon in kwestie geen andere belastbare beroepsinkomsten heeft, noch als werknemer, noch als zelfstandige. Bruggepensioneerden worden niet als werklozen beschouwd;
93°     oorspronkelijke rentevoet: de rentevoet die de kredietgever op de referentiedatum bij het aangaan van de lening aanrekent aan de ontlener;
94°     openbaar bestuur: een gemeente, een intergemeentelijk samenwerkingsverband, een OCMW of een welzijnsvereniging;
95°     operationele doelstellingen: de doelstellingen voor woonmaatschappijen die uit de Vlaamse Codex Wonen van 2021 zijn afgeleid, en die zo veel mogelijk geformuleerd zijn als indicatoren die specifiek, meetbaar, acceptabel, resultaatgericht en tijdsgebonden zijn;
96°     oppervlakte: de vloeroppervlakte gemeten tussen de begrenzende bouwdelen, die berekend wordt als het verschil van de bruto-vloeroppervlakte en de constructieoppervlakte;
97°     organisaties, belast met de uitvoering van het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid: het Agentschap Integratie en Inburgering, vermeld in artikel 17, §2, 7°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, het gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap Integratie en Inburgering Antwerpen vzw, het gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap Integratie en Inburgering Gent vzw en het Huis van het Nederlands Brussel vzw;
98°     overbewoond verklaarde woning: de woning die conform boek 3, deel 6, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 overbewoond is verklaard;
99°     perceel, bestemd voor woningbouw: onbebouwde percelen in het woongebied, met uitsluiting van woonuitbreidingsgebied, vermeld op de ruimtelijke uitvoeringsplannen of op de plannen van aanleg, die aan een uitgeruste weg liggen als vermeld in artikel 4.3.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, alsook alle percelen waarvoor een niet-vervallen verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden bestaat;
100°   plat dak: dak met een aaneengesloten membraanvormige waterkering met een helling die kleiner dan 15° is.
101°   potentieel rechthebbende: de kandidaat-huurder die op basis van de gegevens waarover het agentschap of de woonmaatschappij beschikt, op korte termijn blijkt te kunnen voldoen aan de voorwaarden, vermeld in boek 5, deel 5, titel 2;
102°   PPS: publiek-private samenwerking tussen vier partijen, namelijk het Vlaamse Gewest, het Garantiefonds, de LHI en de private partner, ter uitvoering van het model van PPS-overeenkomst, dat als bijlage 15 bij dit besluit is gevoegd;
103°   PPS-overeenkomst: het als bijlage 15 bij dit besluit gevoegde model van vierpartijenovereenkomst tussen het Vlaamse Gewest, het Garantiefonds, de LHI en een private partner, waarin de wederzijdse verbintenissen zijn beschreven. Deze overeenkomst bestaat uit een samenwerkingsovereenkomst, een opstalovereenkomst en een erfpachtovereenkomst;
104°   PPS-woning: een sociale huurwoning die opgericht is ter uitvoering van een PPS-overeenkomst;
105°   premiewoning: het onroerend goed, of het zelfstandig deel ervan, dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande, waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitsluiting van de kamer, vermeld in artikel 1.3, §1, eerste lid, 25°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
106°   prestatiebeoordeling: de procedure om de prestaties van een woonmaatschappij te beoordelen, in voorkomend geval in vergelijking met een voorgaande beoordeling, die bestaat uit de volgende stappen die achtereenvolgens doorlopen worden:
a)       een meting van de prestaties van de woonmaatschappij;
b)       een visitatie van de woonmaatschappij;
c)       de opmaak van een visitatierapport waarin de prestaties van de woonmaatschappij worden beoordeeld;
107°   prestatiedatabank: de databank, vermeld in artikel 4.17, eerste lid, 9°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
108°   privaat huishouden: hetzij een persoon die gewoonlijk alleen leeft, hetzij twee of meer personen die, al dan niet door familiebanden verbonden, gewoonlijk dezelfde woning betrekken en er samen leven, uitgezonderd de personen die in een collectief huishouden verblijven, zoals kloostergemeenschappen, rusthuizen, weeshuizen, studenten- of arbeidershomes, verplegingsinrichtingen en gevangenissen;
109°   projectenlijst: de lijst, vermeld in artikel 4.17;
110°   projectportaal: het digitale projectplatform, vermeld in artikel 4.12;
111°   realisatie: de nieuwbouw of vervangingsbouw van woningen en niet-residentiële ruimten, en de inrichting van kavels;
112°   referentiebestand: het uittreksel uit het actualisatiebestand dat alle kandidaat-huurders bevat van wie het inkomen, rekening houdende met het aantal personen ten laste conform boek 6, de grenzen, vermeld in artikel 6.13, eerste lid, niet overschrijdt;
113°   referentiejaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de berekening van de GSC plaatsvindt;
114°   referentierentevoet: de rentevoet die maandelijks wordt vastgesteld op basis van de evolutie van de OLO20, de lineaire obligatie met een resterende looptijd van twintig jaar;
115°   regionaal steunpunt: een deelwerking van een erkende huurdersbond met een centraal secretariaat;
116°   rekening-courant bij de VMSW: de rekening bij de VMSW waarop de middelen van de woonmaatschappij beheerd worden, vermeld in artikel 4.34 tot en met artikel 4.38;
117°   renovatietoets: de toets, vermeld in artikel 4.14;
118°   rijwoning: een woning waarvan twee zijden verbonden zijn met andere gebouwen of bestaan uit wachtgevels;
119°   schattingsprijs: de raming van de waarde van een onroerend goed door een van de volgende personen of instanties, op voorwaarde dat een raming van een persoon of instantie als vermeld in punt a), primeert op een raming van een persoon of instantie als vermeld in punt b), c) en d):
a)       een commissaris van de Vlaamse Belastingdienst die bevoegd is voor schattingen;
b)       een notaris;
c)       een landmeter-expert, na gezamenlijk akkoord over de schatter;
d)       een ambtenaar die de VMSW gemachtigd heeft, als de VMSW zelf geen partij is bij de onroerende transactie waarvoor het schattingsverslag wordt opgemaakt;
120°   seizoenarbeider: de gelegenheidsarbeider vermeld in artikel 8bis, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, voor de duur van zijn tewerkstelling als gelegenheidsarbeider;
121°   sloop: de sloop van een of meer constructies, alsook de uitvoering van werken die er integrerend deel van uitmaken, zoals onder meer het wegnemen van leidingen, het uitvoeren van beveiligingswerken en het afwerken van de door de sloop vrijgekomen gevels van belendende gebouwen;
122°   sociale assistentiewoning: een woning als vermeld in artikel 4, §1, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers;
123°   sociale lening voor het behouden van een woning: een lening die voldoet aan de voorwaarden van een sociale lening en die aangegaan wordt ter financiering van vroeger aangegane schulden voor de renovatie, de koop of de bouw van een bescheiden woning;
124°   specifieke inhaalbeweging: de specifieke inhaalbeweging, vermeld in artikel 2.32, §1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
125°   standplaats: een afgebakende ruimte op een woonwagenterrein om een woonwagen te plaatsen;
126°   strategische doelstellingen: de doelstellingen die afgeleid zijn uit de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en die de algemene beleidskeuzen aangeven;
127°   strategische grondaankoop: de aankoop van een grond waarvan de aankoopprijs minder dan de helft bedraagt van de reële verkoopwaarde op de vrije markt van vergelijkbare bouwrijpe gronden in die regio en:
a)       die pas op middellange termijn voor bebouwing in aanmerking komt omdat hij gelegen is in een woonuitbreidingsgebied dat pas op middellange termijn mag worden aangesneden, of;
b)       die volgens de huidige bestemming van het gewestplan niet onmiddellijk voor woningbouw in aanmerking komt maar waar een ruimtelijk structuurplan of een ontwerp ruimtelijk uitvoeringsplan een woonbestemming in het vooruitzicht stelt, of;
c)       die gelegen is in een niet-uitgeruste woonzone;
128°   structurele leegstand: een leegstaande woning die gedurende minimaal zes maanden leegstaat of zal leegstaan als gevolg van de geplande uitvoering van een renovatie- of bouwproject;
129°   stuurgroepvergadering: het overleg op regelmatige basis over de uitvoering en de voortgang van een project, vermeld in artikel 2.26;
130°   ...
131°   SVK Pro-oproep: een periodieke oproep die de VMSW lanceert op de markt om voorstellen te verkrijgen voor de verhuring van woningen aan een woonmaatschappij voor een duurtijd van achttien jaar;
132°   technisch verslag: het verslag dat een woningcontroleur in het kader van een conformiteitsonderzoek opstelt aan de hand van de modellen die opgenomen zijn in bijlage 4 tot en met 6, die bij dit besluit zijn gevoegd;
133°   tenlasteneming: de rechtstreekse betaling van kosten door een subsidiërende overheid aan aannemers van opdrachten van werken, leveringen en diensten in het kader van een subsidieaanvraag;
134°   thematische actie: een actie met een aanvullend karakter, die in de lijn van het gevoerde beleid ligt en die beantwoordt aan maatschappelijk relevante behoeften;
135°   toekenning van de lening: de datum van ondertekening van de notariële leningsakte of van de onderhandse overeenkomst in het kader van een akte van kredietopening of van een akte van een hypotheek voor alle sommen;
136°   toezichthouder: de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
137°   vergunde zorgaanbieder: een zorgaanbieder die conform artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap vergund is om niet rechtsreeks toegankelijke zorg en ondersteuning aan te bieden;
138°   verwerving van een onroerend goed: het verkrijgen van het zakelijk recht van eigendom, erfpacht of opstal op het onroerend goed;
139°   verzekeraar: een private instelling waaraan het Vlaamse Gewest de verzekeringsopdracht, vermeld in artikel 5.153, heeft uitbesteed;
140°   verzekerde: de aanvrager die een aanvraag, conform artikel 5.157, §1, heeft ingediend, waarvan het agentschap heeft beslist dat die in aanmerking komt voor de verzekering, conform artikel 5.157, §4;
141°   verzoek tot overname van de verplichting tot betaling van de huurprijs: het verzoek tot overname van de verplichting tot betaling van de huurprijs, vermeld in artikel 4.20 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
142°   verzoek tot overname van de verplichting tot betaling van de vergoeding van de huurschade: het verzoek tot overname van de verplichting tot betaling van de vergoeding van de huurschade, vermeld in artikel 4.21 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
143°   VIVAS: de Vereniging Inwoners Van Sociale Woningen;
144°   Vlaams Loket Woningkwaliteit, afgekort VLOK: het digitaal dossieropvolgingssysteem dat ter beschikking staat van het agentschap, de Vlaamse steden en gemeenten en de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, voor het bijhouden van gegevens die verzameld worden in het kader van de procedures, vermeld in boek 3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en boek 3 van dit besluit, en voor het beheer en het automatiseren van de processen, vermeld in boek 3 van de voormelde codex en boek 3 van dit besluit;
145°   Vlaamse beleidsprioriteiten: de Vlaamse beleidsprioriteiten, vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 15 juli 2011;
146°   Vlabinvest-gebied: het werkgebied van Vlabinvest apb;
147°   VMSW: de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, vermeld in artikel 4.7 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
148°   voortgangstoets: de voortgangstoets over de implementatie van het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.23, §2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
149°   VWF: het Vlaams Woningfonds, vermeld in artikel 4.60 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
150°   wc: een toilet met waterspoeling en reukafsnijder dat is aangesloten op het rioleringsnet;
151°   woningbouwgebied: een gebied als vermeld in bijlage 3 die bij dit besluit is gevoegd;
152°   woningcontroleur: een persoon als vermeld in artikel 3.48;
152° /1 woonlokaal: een lokaal dat bestemd is om te worden gebruikt als keuken, woon- of slaapkamer, met uitsluiting van de voorhal, de gangen, de wc's en sanitaire lokalen, de wasruimten, de bergplaatsen, de niet voor bewoning ingerichte kelders, zolders en bijgebouwen, de garages en de lokalen voor beroepsbezigheden;
153°   woonproject met sociaal karakter: het woonproject, vermeld in artikel 4.41 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
154°   woonvernieuwingsgebied: een gebied als vermeld in bijlage 2 die bij dit besluit is gevoegd;
155°   woonwagenterrein: een residentieel woonwagenterrein of een doortrekkersterrein voor woonwagenbewoners;
156°   zelfstandige woning: een woning die beschikt over een toilet, een bad of douche en een kookgelegenheid;
157°   zittende huurder: een huurder van een sociale huurwoning als vermeld in artikel 6.1, 1°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
 
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, 51°, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast aan de evolutie van de ABEX-index van november van het voorgaande jaar, met als basis de ABEX-index van november 2017. Het resultaat wordt afgerond naar het eerstvolgende veelvoud van 100 euro.

Boek 2. Organisatie van het woonbeleid

Deel 1. Proactieve betrokkenheid van stakeholders

Artikel 2.1. (01/01/2021- ...)

Voorbehouden voor toekomstig gebruik

Deel 2. Lokaal woonbeleid

Titel 1. Definities

Artikel 2.2. (01/01/2021- ...)

In dit deel wordt verstaan onder:
1°       initiatiefnemer: een intergemeentelijk samenwerkingsverband als vermeld in deel 3, titel 3, van het decreet van 22 december 2017;
2°       lokaal woonoverleg: het overleg tussen de lokale woonactoren onder verantwoordelijkheid van de gemeente, voor de voorbereiding of de uitvoering van het lokaal woonbeleid;
3°       lokale woonactoren: de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de sociale woonorganisaties, vermeld in artikel 1.3, §1, eerste lid, 53°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
4°       partner: elke derde die samenwerkt met de initiatiefnemer;
5°       project: het geheel van de activiteiten waaraan het Vlaamse Gewest subsidies toekent in het kader van het subsidiebesluit;
6°       projectuitvoerder: de initiatiefnemer of een partner die belast is met de uitvoering van een project;
7°       subsidiebesluit: de beslissing van de minister waarbij een subsidie die ingesteld is bij dit deel, wordt verleend met het oog op de uitvoering van een project;
8°       werkingsgebied: het ruimtelijk gebied in het Vlaamse Gewest waarin het project wordt uitgevoerd.

Titel 2. Gemeente als regisseur van het lokaal woonbeleid

Artikel 2.3. (01/01/2021- ...)

De gemeenten hebben conform artikel 2.2, §1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 de regierol voor het woonbeleid op hun grondgebied. Dat betekent dat ze binnen de grenzen van het subsidiariteitsbeginsel zorgen voor de uitwerking, sturing, afstemming en uitvoering van het lokaal woonbeleid.

Artikel 2.4. (01/01/2021- ...)

Elke gemeente organiseert ten minste twee keer per jaar een lokaal woonoverleg waarop ze de lokale woonactoren, de lokale welzijnsorganisaties en het agentschap uitnodigt.
 
De gemeente maakt een verslag op van het lokaal woonoverleg en bezorgt het verslag aan de leden en aan het agentschap.

Artikel 2.5. (01/01/2021- 31/12/2022)

Een bespreking op het lokaal woonoverleg is verplicht voor:
1°       een lokaal toewijzingsreglement voor sociale huurwoningen als vermeld in artikel 6.11, vierde lid, 3°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
2°       een lokaal toewijzingsreglement voor bescheiden huurwoningen als vermeld in artikel 5.106, §2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
3°       een gemeentelijk woningkwaliteitsreglement;
4°       elke nieuwe inplanting of uitbreiding van een bestaand woonwagenterrein, met het oog op de indiening van een subsidieaanvraag conform boek 5, deel 3;
5°       elk project als vermeld in artikel 4.15, §1, eerste lid, met het oog op de opname ervan in de Projectenlijst, vermeld in artikel 4.17;
6°       de lokale woonbehoeften en de lijsten van de kandidaat-huurders voor een sociale of bescheiden huurwoning in de gemeente, conform artikel 4.15, §3.
 
Een mededeling op het lokaal woonoverleg is verplicht voor de aspecten, vermeld in artikel 4.15, §2.

Titel 3. Vlaamse beleidsprioriteiten en opdrachten van gemeenten op het vlak van wonen

Artikel 2.6. (01/01/2021- ...)

Krachtens artikel 4, §1, van het decreet van 15 juli 2011 worden voor de lokale beleidscyclus 2020 - 2025 de volgende Vlaamse beleidsprioriteiten voor het woonbeleid vastgesteld:
1°       de gemeente zorgt voor een divers en betaalbaar woonaanbod afhankelijk van de woonnoden;
2°       de gemeente werkt aan de kwaliteit van het woningpatrimonium en de woonomgeving;
3°       de gemeente informeert, adviseert en begeleidt inwoners met vragen over wonen.
 
In het eerste lid wordt verstaan onder de lokale beleidscyclus: de beleidscyclus, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 15 juli 2011.
Rekening houdend met de Vlaamse beleidsprioriteiten, vermeld in het eerste lid, die geconcretiseerd worden aan de hand van de activiteiten, vermeld in artikel 2.7 tot en met 2.9, voert de gemeente haar eigen lokaal woonbeleid, met bijzondere aandacht voor:
1°       de meest woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden;
2°       transversale en bovenlokale thema's die raakpunten hebben met wonen.

Artikel 2.7. (25/04/2022- 31/12/2022)

In het kader van de Vlaamse beleidsprioriteit ‘De gemeente zorgt voor een divers en betaalbaar woonaanbod in functie van de woonnoden’ voert de gemeente minstens de volgende activiteiten uit:
1°       de lokale woningmarkt in kaart brengen, zowel de vraag- als de aanbodzijde;
2°       kerncijfers over de woningmarkt periodiek op het lokaal woonoverleg bespreken;
3°       het ruimtelijk beleid betrekken bij het lokaal woonoverleg;
4°       voorzien in een aanbod van nood- of doorgangswoningen op lokaal of bovenlokaal niveau, of samenwerken met een partner om in een aanbod van nood- of doorgangswoningen te kunnen voorzien;
5°       een gecoördineerd lokaal sociaal woonbeleid voeren, dat de volgende aspecten bevat:
a)       een visie op sociaal wonen uitwerken en toepassen;
b)       een partnerschap waarmaken met de woonmaatschappij die actief is in de gemeente;
c)       een beleid voeren rond de activering van gronden en panden voor sociaal wonen;
d)       de opdrachten, vermeld in deel 3, titel 2, van dit boek uitvoeren;
e)       de opdrachten, vermeld in boek 4, deel 1, titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 1, uitvoeren, en het Projectportaal gebruiken, vermeld in artikel 4.12;
f)        de toewijzingspraktijk van sociale woningen minstens één keer per jaar op het lokaal woonoverleg bespreken.

Artikel 2.8. (01/04/2022- ...)

In het kader van de Vlaamse beleidsprioriteit ‘De gemeente werkt aan de kwaliteit van het woningpatrimonium en de woonomgeving’ voert de gemeente minstens de volgende activiteiten uit:
1° kerncijfers over de bewaking van de kwaliteit van het woningpatrimonium periodiek op het lokaal woonoverleg bespreken;
2° een gecoördineerd lokaal woningkwaliteitsbeleid voeren, dat de volgende aspecten omvat:
a) de decretaal toegekende opdrachten op het vlak van de bewaking van de kwaliteit van het woningpatrimonium correct uitvoeren;
b) beschikken over voldoende gemeentelijke woningcontroleurs.

Artikel 2.9. (01/01/2021- ...)

In het kader van de Vlaamse beleidsprioriteit ‘De gemeente informeert, adviseert en begeleidt inwoners met vragen over wonen’ voert de gemeente minstens de volgende activiteiten uit:
1°       kerncijfers over Vlaamse, provinciale en gemeentelijke woonpremies periodiek op het lokaal woonoverleg bespreken;
2°       gestructureerde basisinformatie aanbieden aan elke inwoner over:
a)       de Vlaamse tegemoetkomingen aan en ondersteuningsmaatregelen voor gezinnen en alleenstaanden op het vlak van wonen;
b)       sociaal huren, sociaal kopen en sociaal lenen;
c)       de veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsnormen en de bewaking van de kwaliteit van het woningpatrimonium en de woonomgeving;
3°       inwoners ondersteunen bij de administratieve procedure ongeschikt-, onbewoonbaar- en overbewoondverklaring van een woning;
4°       een partnerschap aangaan met het energiehuis dat actief is in de gemeente.

Artikel 2.10. (01/01/2021- ...)

Voor de realisatie van de Vlaamse beleidsprioriteiten, vermeld in artikel 2.5, eerste lid, en de uitvoering van de daarmee verbonden activiteiten, vermeld in artikel 2.7 tot en met 2.9, kunnen gemeenten een beroep doen op:
1°       het agentschap dat conform artikel 2.3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 de gemeenten begeleidt en ondersteunt bij de uitwerking van het lokaal woonbeleid en het lokaal woonoverleg;
2°       intergemeentelijke projecten ter ondersteuning van het lokaal woonbeleid, die conform titel 4 van dit deel gesubsidieerd kunnen worden.

Titel 4. Subsidiëring van intergemeentelijke projecten ter ondersteuning van het lokaal woonbeleid

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 2.11. (01/01/2021- ...)

Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbaar zijn, kan de minister een subsidie verlenen aan de initiatiefnemer van projecten met een werkingsgebied van minstens twee gemeenten.
 
De projecten, vermeld in het eerste lid, mogen geen afbreuk doen aan de verantwoordelijkheid van de gemeente als regisseur van het lokaal woonbeleid, noch aan de taakstelling van de sociale woonorganisaties, vermeld in de Vlaamse Codex Wonen van 2021. Ze voldoen aan de volgende voorwaarden:
1°       ze passen binnen de uitwerking van het lokaal woonbeleid door de deelnemende gemeenten;
2°       ze zijn complementair aan de begeleiding en ondersteuning van het lokaal woonbeleid door het agentschap.

Hoofdstuk 2. Subsidievoorwaarden en berekeningswijze van de subsidie

Artikel 2.12. (01/01/2021- ...)

De initiatiefnemer kan voor een project een subsidieaanvraag indienen. Voor de uitvoering van het project kan de initiatiefnemer een beroep doen op een partner.

Artikel 2.13. (01/01/2021- ...)

§1. Om in aanmerking te komen voor een subsidie wordt het project uitgevoerd met het oog op de realisatie, in elk van de deelnemende gemeenten, van de Vlaamse beleidsprioriteiten, vermeld in artikel 2.6, eerste lid.
 
Bij de uitvoering van het project wordt voor elk van de voormelde Vlaamse beleidsprioriteiten bijzondere aandacht besteed aan de meest woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden.
 
§2. Het activiteitenpakket van het project bevat de verplichte activiteiten, vermeld in artikel 2.14, eerste lid, artikel 2.15, eerste lid, en artikel 2.16, eerste lid.
 
De verplichte activiteiten worden in elke deelnemende gemeente van het werkingsgebied uitgevoerd.
 
§3. Het activiteitenpakket van het project kan een of meer aanvullende activiteiten bevatten. De aanvullende activiteiten zijn afgestemd op de lokale huisvestingssituatie van de deelnemende gemeenten.
 
De selectie van de aanvullende activiteiten kan gebeuren op basis van de lijst van aanvullende activiteiten, vermeld in artikel 2.14, tweede lid, artikel 2.15, tweede lid, en artikel 2.16, derde lid. De initiatiefnemer kan ook opteren voor een of meer eigen voorstellen van aanvullende activiteiten.
 
De aanvullende activiteiten hoeven niet in elke deelnemende gemeente van het werkingsgebied uitgevoerd te worden.

Artikel 2.14. (25/04/2022- ...)

Voor de Vlaamse beleidsprioriteit ‘De gemeente zorgt voor een divers en betaalbaar woonaanbod in functie van de woonnoden’ bevat het activiteitenpakket van het project de volgende verplichte activiteiten:
1°       de activiteiten, vermeld in artikel 2.7, uitvoeren;
2°       de woningmarkt in het werkingsgebied van het project in kaart brengen, zowel de vraag- als de aanbodzijde;
3°       leegstaande gebouwen en woningen opsporen, registreren en aanpakken.
 
Het activiteitenpakket van het project kan voor de voormelde Vlaamse beleidsprioriteit een of meer van de volgende aanvullende activiteiten bevatten:
1°       een ruimtelijk beleid voeren op basis van een visie om het beschikbare aanbod aan panden op het grondgebied te activeren voor wonen;
2°       de woonprogrammatie afstemmen op de woonbehoefte, zowel op het niveau van de gemeente als op het niveau van het project en zijn randgemeenten;
3°       inspelend op de maatschappelijke noden een instrument uitwerken en toepassen dat alternatieve woonvormen mogelijk maakt;
4°       zorgen voor de herhuisvesting van kwetsbare inwoners die wonen op een plaats waar dat stedenbouwkundig niet is toegestaan;
5°       samen met de woonmaatschappij die actief is in de gemeente, een bescheiden woonaanbod realiseren;
6°       de verplichting om de huurprijs en de gemeenschappelijke lasten van private huurwoningen bekend te maken, opvolgen en inbreuken op die verplichting beboeten.
 
Het activiteitenpakket van het project kan een of meer eigen voorstellen van aanvullende activiteit bevatten.

Artikel 2.15. (25/04/2022- ...)

Voor de Vlaamse beleidsprioriteit ‘De gemeente werkt aan de kwaliteit van het woningpatrimonium en de woonomgeving’ bevat het activiteitenpakket van het project de volgende verplichte activiteiten:
1°       de activiteiten, vermeld in artikel 2.8, uitvoeren;
2°       een strategie uitwerken voor de toepassing van de gemeentelijke instrumenten om de kwaliteit van het woningpatrimonium te bewaken;
3°       gemeentelijke woningkwaliteitsreglementen op het lokaal woonoverleg bespreken;
4°       het Vlaams Loket Woningkwaliteit (VLOK) gebruiken, ten minste voor de volgende doeleinden:
a)       de resultaten van conformiteitsonderzoeken verwerken;
b)       gegevens uitwisselen tussen het Vlaamse Gewest, de gemeenten en het project;
5°       bij verzoeken van huurders om een woning ongeschikt of onbewoonbaar te verklaren:
a)       de verzoeken registreren;
b)       de huurders een ontvangstbewijs bezorgen en hen informeren over hun rechten.
 
Het activiteitenpakket van het project kan voor de voormelde Vlaamse beleidsprioriteit een of meer van de volgende aanvullende activiteiten bevatten:
1°       op eigen initiatief conformiteitsonderzoeken uitvoeren en kosteloos conformiteitsattesten afgeven;
2°       een verordening vaststellen en toepassen waarbij het conformiteitsattest verplicht wordt gesteld in bepaalde situaties;
3°       een verordening vaststellen en toepassen waarbij de geldigheidsduur van het conformiteitsattest beperkt wordt, en woningen met dergelijke conformiteitsattesten opvolgen;
4°       een verordening vaststellen en toepassen met strengere veiligheids- en kwaliteitsnormen voor kamers;
5°       een vrijstelling vragen van de adviesverplichting in de administratieve procedures tot ongeschikt-, onbewoonbaar- en overbewoondverklaring van een woning en, als de vrijstelling wordt verleend, de procedures toepassen;
6°       verwaarloosde gebouwen en woningen opsporen, registreren en aanpakken;
7°       een afsprakenkader met de minister en de woonmaatschappij dat actief is in de gemeente, aanvragen en, als het afsprakenkader wordt gesloten, conformiteitsonderzoeken uitvoeren met het oog op de inhuurneming van woningen en kamers door de woonmaatschappij;
8°       de lokale partners via structurele samenwerking betrekken bij het lokale woningkwaliteitsbeleid;
9°       in een budget voorzien op de begroting van de gemeente voor de toepassing van het sociaal beheersrecht en zo nodig de procedure toepassen;
10°     de ongeschiktheid en onbewoonbaarheid en de datum van vaststelling aanbrengen op de gevel van private huurwoningen.
 
Het activiteitenpakket van het project kan een of meer eigen voorstellen van aanvullende activiteit bevatten.

Artikel 2.16. (25/04/2022- ...)

Voor de Vlaamse beleidsprioriteit ‘De gemeente informeert, adviseert en begeleidt inwoners met vragen over wonen’ bevat het activiteitenpakket van het project de volgende verplichte activiteiten:
1°       kerncijfers over Vlaamse, provinciale en gemeentelijke woonpremies minstens één keer per jaar op het lokaal woonoverleg bespreken;
2°       informatie over de gemeentelijke woonpremies beschikbaar stellen via www.premiezoeker.be;
3°       in elke gemeente een laagdrempelig woonloket aanbieden waar inwoners terechtkunnen met hun vragen over wonen;
4°       gestructureerde basisinformatie aanbieden aan elke inwoner, zowel individueel als via infomomenten, over:
a)       de Vlaamse tegemoetkomingen aan en ondersteuningsmaatregelen voor gezinnen en alleenstaanden op het vlak van wonen;
b)       privaat huren en verhuren;
c)       sociaal huren, sociaal kopen en sociaal lenen;
d)       de veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsnormen en de bewaking van de kwaliteit van het woningpatrimonium en de woonomgeving;
e)       federale, Vlaamse, provinciale en gemeentelijke beleidsmaatregelen op het vlak van wonen en het respectieve dienstverleningsaanbod;
5°       inwoners ondersteunen bij:
a)       de aanvraag, zowel digitaal als op papier, van de Vlaamse tegemoetkomingen aan en ondersteuningsmaatregelen voor gezinnen en alleenstaanden op het vlak van wonen;
b)       de inschrijving voor een sociale huurwoning bij een woonmaatschappij, en de actualisatie van de inschrijving in het inschrijvingsregister;
c)       de administratieve procedure ongeschikt-, onbewoonbaar- en overbewoondverklaring van een woning;
6°       meldpunten installeren voor problematische situaties op het vlak van wonen, waar minstens meldingen van discriminatie op de private huurmarkt gedaan kunnen worden;
7°       een partnerschap aangaan met het energiehuis dat actief is in de gemeente.
 
De activiteiten, vermeld in het eerste lid, 3° tot en met 6°, worden uitgevoerd in openbare lokalen.
 
Het activiteitenpakket van het project kan voor de voormelde Vlaamse beleidsprioriteit een of meer van de volgende aanvullende activiteiten bevatten:
1°       een uniek loket installeren voor alle lokale woonactoren die werkzaam zijn in de gemeente;
2°       sociaal en/of technisch begeleiden op maat van kwetsbare inwoners;
3°       samenwerken met het vredegerecht en de deurwaarder in het kader van de procedure gerechtelijke uithuiszetting.
 
Het activiteitenpakket van het project kan een of meer eigen voorstellen van aanvullende activiteit bevatten.

Artikel 2.17. (01/01/2021- ...)

In elk van de deelnemende gemeenten van het project wordt minstens twee keer per jaar een lokaal woonoverleg georganiseerd.

Artikel 2.18. (01/01/2021- ...)

Het project wordt gecoördineerd door een coördinator die minstens halftijds werkzaam is voor het project. Hij of zij fungeert als contactpersoon van het project voor het agentschap.

Artikel 2.19. (01/01/2021- ...)

§1. Het subsidiebedrag van een project is gelijk aan de subsidie voor de verplichte activiteiten, vermeld in paragraaf 2, in voorkomend geval verhoogd met de subsidie voor de aanvullende activiteiten, vermeld in paragraaf 3.

De subsidie wordt berekend op basis van een puntensysteem, waarbij een subsidiepunt overeenstemt met 12.000 euro per werkingsjaar.

Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van de indexatieparameters die de Vlaamse Regering hanteert bij de opmaak van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.

§2. De subsidie voor de verplichte activiteiten bedraagt vijf subsidiepunten, cumulatief te verhogen met:

1°       een toeslag op basis van het aantal private huishoudens binnen het werkingsgebied;

2°       een toeslag op basis van het aantal gemeenten binnen het werkingsgebied die niet hebben deelgenomen aan een project waaraan een subsidie is verleend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2007 houdende subsidiëring van projecten ter ondersteuning van het lokaal woonbeleid of met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2016 houdende subsidiëring van intergemeentelijke projecten ter ondersteuning van het lokaal woonbeleid;

3°       een toeslag op basis van het aantal gemeenten binnen het werkingsgebied met minimaal 2500 en maximaal 5000 private huishoudens.

 In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor de verplichte activiteiten:

1°       drie subsidiepunten, cumulatief te verhogen met de toeslagen, vermeld in het eerste lid, voor projecten met een werkingsgebied van twee gemeenten;

2°       zes subsidiepunten, cumulatief te verhogen met de toeslagen, vermeld in het eerste lid, voor projecten met een werkingsgebied van zes of meer gemeenten.

 De toeslag, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt berekend op de volgende wijze:

aantal private huishoudens

aantal subsidiepunten

20.001 - 30.000

1

30.001 - 40.000

2

vanaf 40.001

3

         

De toeslag, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt berekend op de volgende wijze:

aantal gemeenten zonder IGS-verleden

aantal subsidiepunten

1 - 2

1

3 of meer

2

         

De toeslag, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt toegekend voor de eerste drie werkingsjaren van de subsidiëringsperiode van het project.

 

De toeslag, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt berekend op de volgende wijze:

aantal gemeenten met 2500 - 5000 private huishoudens

aantal subsidiepunten

1 - 3

1

4 of meer

2

     

De subsidie voor de verplichte activiteiten kan niet meer bedragen dan twaalf subsidiepunten.

§3. De subsidie voor de aanvullende activiteiten wordt berekend als een percentage van de subsidie voor de verplichte activiteiten op basis van een weging van de aanvullende activiteiten die in het activiteitenpakket van het project zijn opgenomen.

 Een aanvullende activiteit wordt gewogen op basis van de volgende criteria:

1°       een aanvullende activiteit uit de lijst van aanvullende activiteiten, vermeld in artikel 2.14, tweede lid, 2.15, tweede lid, en artikel 2.16, derde lid, stemt overeen met 5% van de subsidie voor de verplichte activiteiten;

2°       een eigen voorstel van aanvullende activiteit stemt overeen met 3% van de subsidie voor de verplichte activiteiten.

Als een aanvullende activiteit niet in elke deelnemende gemeente wordt uitgevoerd, wordt het gewicht van de activiteit bepaald in verhouding tot het aantal private huishoudens in de gemeenten van het werkingsgebied waar de activiteit wordt uitgevoerd.

De subsidie voor de aanvullende activiteiten is maximaal gelijk aan twee derde van de subsidie voor de verplichte activiteiten.

Artikel 2.20. (01/01/2021- ...)

De subsidie wordt toegekend voor een periode van zes werkingsjaren, met een vaste einddatum op 31 december 2025, als de geplande startdatum 1 januari 2020 is.
 
De subsidie wordt toegekend voor een periode van drie werkingsjaren, met een vaste einddatum op 31 december 2025, als de geplande startdatum 1 januari 2023 is.
 
De subsidiëringsperiode van het project gaat in op de geplande startdatum van het project. Als er op de geplande startdatum nog geen projectcoördinator als vermeld in artikel 2.18, in dienst is getreden, wordt alleen een subsidie uitbetaald voor de periode die start vanaf de indiensttreding van de coördinator. De indiensttreding van de coördinator wordt aan het agentschap gemeld.

Hoofdstuk 3. Procedure voor de aanvraag, toekenning en uitbetaling van de subsidie

Artikel 2.21. (01/01/2021- ...)

Voordat een subsidieaanvraag wordt ingediend, nodigt de initiatiefnemer het agentschap uit voor een verkennend overleg over het project en over de eigen voorstellen van aanvullende activiteit die het activiteitenpakket van het project zal bevatten. De initiatiefnemer kan de provincie mee uitnodigen voor het verkennende overleg, met het oog op eventuele samenwerking of cofinanciering.
 
De uitnodiging voor het verkennende overleg wordt minstens twee weken vooraf verstuurd. Minstens vijf werkdagen voor het verkennende overleg bezorgt de initiatiefnemer het agentschap een ontwerp van projectvoorstel.
 
De initiatiefnemer maakt een verslag op van het verkennende overleg over het project en bezorgt het verslag binnen drie weken aan het agentschap. Het agentschap kan opmerkingen formuleren bij het verslag. In voorkomend geval bezorgt het agentschap het verslag met de opmerkingen binnen drie weken na de ontvangst aan de initiatiefnemer.

Artikel 2.22. (01/01/2021- ...)

De initiatiefnemer dient de subsidieaanvraag in bij het agentschap:
1°       uiterlijk op 30 juni 2019 als de geplande startdatum 1 januari 2020 is;
2°       uiterlijk op 30 juni 2022 als de geplande startdatum 1 januari 2023 is.
 
De subsidieaanvraag wordt via e-mail aan het agentschap bezorgd op het e-mailadres lokalebesturen.woonbeleid@vlaanderen.be. Het agentschap bevestigt de ontvangst van de subsidieaanvraag.
 
In afwijking van het eerste lid heeft de initiatiefnemer de tijd tot en met 30 september 2019, respectievelijk tot en met 30 september 2022 om de documenten, vermeld in artikel 2.23, eerste lid, 7°, 8° en 9°, aan het agentschap te bezorgen.

Artikel 2.23. (01/01/2021- ...)

De subsidieaanvraag bevat al de volgende gegevens en documenten:
1°       de titel van het project;
2°       de contactgegevens van de initiatiefnemer en, in voorkomend geval van de partners, en het nummer van de financiële rekening waarop de subsidie moet worden gestort;
3°       de contactgegevens van de projectuitvoerder;
4°       een beschrijving van het werkingsgebied van het project;
5°       een verklaring dat de deelnemende gemeenten akkoord gaan met de uitvoering van de verplichte activiteiten;
6°       een beschrijving van de aanvullende activiteiten voor de volledige subsidiëringsperiode, die bestaat uit:
a)       een schematisch overzicht van de aanvullende activiteiten, waarbij wordt aangegeven in welke van de deelnemende gemeenten de activiteiten worden uitgevoerd;
b)       een verantwoording van de keuze voor de aanvullende activiteiten;
c)       voor elke activiteit afzonderlijk een omschrijving van de huidige situatie, het beoogde resultaat en de acties voor het eerste en het tweede werkingsjaar;
7°       een kopie van de besluiten van de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten, waaruit het akkoord met de subsidieaanvraag blijkt;
8°       de ledenlijst van de stuurgroep die het project begeleidt en ondersteunt conform artikel 2.26;
9°       een bewijs van de oprichting van het intergemeentelijk samenwerkingsverband, vermeld in deel 3, titel 3, van het decreet van 22 december 2017;
10°     de geplande startdatum van de subsidiëringsperiode.
 
De minister kan een model van subsidieaanvraag vaststellen.

Artikel 2.24. (01/01/2021- ...)

Binnen een maand vanaf de datum van de ontvangst van de subsidieaanvraag deelt het agentschap de initiatiefnemer mee of de subsidieaanvraag ontvankelijk is en in voorkomend geval, op welke wijze de subsidieaanvraag moet worden aangepast om ontvankelijk te zijn.
 
Nadat een subsidieaanvraag ontvankelijk is verklaard, oordeelt het agentschap of de subsidieaanvraag voldoet aan de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 2. Het agentschap legt het dossier voor aan de minister. Het dossier bevat het verslag van het verkennend overleg tussen de initiatiefnemer en het agentschap, vermeld in artikel 2.21, in voorkomend geval met de opmerkingen die het agentschap geformuleerd heeft.
 
Uiterlijk in de maand december van het jaar dat aan de geplande startdatum van de subsidiëringsperiode voorafgaat, neemt de minister een beslissing over de toekenning van een subsidie. Het agentschap brengt de initiatiefnemer op de hoogte van de beslissing van de minister.

Artikel 2.25. (01/01/2021- ...)

§1. Voor elk werkingsjaar van de subsidiëringsperiode van het project betaalt het agentschap het subsidiebedrag in twee schijven uit: een voorschot van 70% en een saldo van 30%.
 
Het voorschot van 70% van het subsidiebedrag wordt uitbetaald in de tweede maand van het werkingsjaar.
 
Het saldo van het subsidiebedrag wordt uitbetaald na de beoordeling van het werkingsjaar. De beoordeling gebeurt op basis van de verslagen van de stuurgroepvergaderingen in het werkingsjaar en van het verslag van de eerste stuurgroepvergadering in het volgende werkingsjaar.
 
§2. Als uit de beoordeling van een werkingsjaar blijkt dat de subsidie onterecht is uitbetaald of moet worden verminderd, wordt dat bedrag in mindering gebracht van het saldo van het subsidiebedrag voor dat werkingsjaar en, als het in mindering te brengen bedrag groter is dan het saldo, teruggevorderd.

Hoofdstuk 4. Uitvoering en opvolging van de projecten

Artikel 2.26. (01/01/2021- ...)

§1. De projecten worden begeleid en ondersteund door een stuurgroep waarin elke deelnemende gemeente is vertegenwoordigd door een gemeenteraadslid of een lid van het college van burgemeester en schepenen.
 
De stuurgroep komt minstens twee keer per werkingsjaar bijeen. Hij plant de activiteiten van het project en volgt de uitvoering ervan op. Het agentschap wordt uitgenodigd voor de vergaderingen van de stuurgroep.
 
§2. De uitnodiging voor een stuurgroepvergadering wordt minstens twee weken vooraf verstuurd en bevat de te bespreken agendapunten. Minstens twee werkdagen voor de stuurgroepvergadering beschikken de leden van de stuurgroep en het agentschap over de voorbereidende stukken bij de agendapunten.
 
De projectuitvoerder maakt een verslag op van een stuurgroepvergadering en bezorgt het verslag binnen drie weken aan de leden van de stuurgroep en aan het agentschap. De verslagen van de stuurgroepvergaderingen vormen de rapportering over de lopende subsidiëringsperiode.
 
Het agentschap kan opmerkingen formuleren bij het verslag van de stuurgroepvergadering. In voorkomend geval bezorgt het agentschap het verslag met de opmerkingen binnen drie weken na de ontvangst aan de projectuitvoerder. De opmerkingen worden besproken op de eerstvolgende stuurgroepvergadering.
 
§3. Op de eerste stuurgroepvergadering van een werkingsjaar, die plaatsvindt in het eerste kwartaal, evalueert de stuurgroep de werking tijdens het afgelopen werkingsjaar.
 
Op de laatste stuurgroepvergadering van een werkingsjaar bespreekt de stuurgroep de planning van de acties en de beoogde resultaten per activiteit voor het volgende werkingsjaar.

Artikel 2.27. (01/01/2021- ...)

De projectuitvoerder gebruikt de subsidie uitsluitend voor de financiering van de activiteiten die het Vlaamse Gewest heeft goedgekeurd.

Artikel 2.28. (01/01/2021- ...)

De initiatiefnemer brengt het agentschap onmiddellijk op de hoogte van elke gebeurtenis of omstandigheid die een belangrijke invloed heeft op de zorgvuldige en ononderbroken uitvoering van het project.

Artikel 2.29. (01/01/2021- ...)

Het agentschap kan de subsidiëring van het project eenzijdig en effectief stopzetten of herzien als wordt vastgesteld dat de doelstellingen die met het project gerealiseerd moeten worden, in het gedrang komen. In voorkomend geval kan het agentschap op eigen initiatief een stuurgroepvergadering samenroepen.

Hoofdstuk 5. Herziening van het pakket aanvullende activiteiten, toetreding en uittreding van gemeenten

Artikel 2.30. (01/01/2021- ...)

§1. De initiatiefnemer van een project waaraan een subsidie wordt verleend met toepassing van dit besluit, kan voor de periode 2023-2025 een herziening vragen van een of elk van de volgende zaken:
1°       het werkingsgebied van het project;
2°       de aanvullende activiteiten in zijn activiteitenpakket.
 
§2. Uiterlijk op 30 juni 2022 dient de initiatiefnemer een herzieningsaanvraag in bij het agentschap. De herzieningsaanvraag bevat al de volgende gegevens en documenten:
1°       de titel van het project;
2°       de contactgegevens van de initiatiefnemer en, in voorkomend geval van de partners, en het nummer van de financiële rekening waarop de subsidie moet worden gestort;
3°       de contactgegevens van de projectuitvoerder;
4°       als het project een herziening van het werkingsgebied aanvraagt:
a)       een beschrijving van het werkingsgebied van het project voor de periode van 1 januari 2023 tot 31 december 2025;
b)       als een of meer gemeenten willen toetreden tot het project:
1)       het akkoord van de andere deelnemende gemeenten van het project met de toetreding;
2)       een verklaring dat de toetredende gemeenten akkoord gaan met de uitvoering van de verplichte activiteiten;
c)       als een of meer gemeenten willen uittreden uit het project, het akkoord van de andere deelnemende gemeenten van het project met de uittreding;
d)       de aangepaste ledenlijst van de stuurgroep die het project begeleidt en ondersteunt conform artikel 2.26;
e)       een bewijs van de oprichting van het intergemeentelijk samenwerkingsverband, vermeld in deel 3, titel 3, van het decreet van 22 december 2017;
5°       als het project een herziening van de aanvullende activiteiten in zijn activiteitenpakket aanvraagt, een beschrijving van de aanvullende activiteiten voor de periode van 1 januari 2023 tot 31 december 2025, die bestaat uit:
a)       een schematisch overzicht van de aanvullende activiteiten, waarbij wordt aangegeven in welke van de deelnemende gemeenten de activiteiten worden uitgevoerd;
b)       een verantwoording van de keuze voor de aanvullende activiteiten;
c)       voor elke activiteit afzonderlijk een omschrijving van de huidige situatie, het beoogde resultaat en de acties voor 2023 en 2024;
6°       een kopie van de besluiten van de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten, waaruit het akkoord met de herzieningsaanvraag blijkt.
 
De minister kan een model van herzieningsaanvraag vaststellen.
 
De aanvraag tot herziening wordt via e-mail aan het agentschap bezorgd op het e-mailadres lokalebesturen.woonbeleid@vlaanderen.be. Het agentschap bevestigt de ontvangst van de aanvraag.
 
In afwijking van het eerste lid heeft de initiatiefnemer de tijd tot en met 30 september 2022 om de documenten, vermeld in het eerste lid, 4°, b), 1), c) en d), en 6°, aan het agentschap te bezorgen.
 
§3. Binnen een maand vanaf de datum van de ontvangst van de herzieningsaanvraag deelt het agentschap de initiatiefnemer mee of de aanvraag ontvankelijk is en, in voorkomend geval, op welke wijze de aanvraag moet worden aangepast om ontvankelijk te zijn.
 
Nadat een herzieningsaanvraag ontvankelijk is verklaard, oordeelt het agentschap of de aanvraag voldoet aan de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 2. Het agentschap legt het dossier voor aan de minister.
 
Uiterlijk in de maand december 2022 neemt de minister een beslissing over de herziening. Het agentschap brengt de initiatiefnemer op de hoogte van de beslissing van de minister.
 
Als de minister beslist om de aanvraag tot herziening geheel of gedeeltelijk goed te keuren, wordt de subsidie van het project herberekend conform artikel 2.19 voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2025.
 
Als de minister beslist om de aanvraag tot herziening af te keuren, blijft het oorspronkelijke subsidiebedrag behouden.

Hoofdstuk 6. Fusies van gemeenten

Artikel 2.31. (01/01/2021- ...)

Dit artikel is van toepassing in geval van een samenvoeging van gemeenten als vermeld in deel 2, titel 8 en 9, van het decreet van 22 december 2017, waarbij de samenvoegingsdatum 1 januari 2019 is.
 
In dit artikel wordt verstaan onder:
1°       nieuwe gemeente: de nieuwe gemeente, vermeld in artikel 343, 2°, van het voormelde decreet;
2°       samengevoegde gemeenten: de samengevoegde gemeenten, vermeld in artikel 343, 4°, van het voormelde decreet;
3°       samenvoegingsdatum: de samenvoegingsdatum, vermeld in artikel 343, 8°, van het voormelde decreet.
 
In afwijking van artikel 2.19, §2, van dit besluit wordt voor de volgende projecten waaraan een of meer nieuwe gemeenten deelnemen en waarvoor een subsidieaanvraag wordt ingediend voor een project met een ongewijzigd werkingsgebied, voor de berekening van de subsidie voor de verplichte activiteiten rekening gehouden met het aantal samengevoegde gemeenten en met het aantal private huishoudens per samengevoegde gemeente:
1°       Lokaal Woonbeleid GAOZ;
2°       Wooncentrum Meetjesland;
3°       Wonen in Hamont-Achel, Neerpelt en Overpelt;
4°       Goed Wonen in Nevele en Wachtebeke;
5°       Wonen in Klein-Brabant.

Artikel 2.32. (01/01/2021- ...)

§1. Dit artikel is van toepassing in geval van een samenvoeging van gemeenten als vermeld in deel 2, titel 8 en 9, van het decreet van 22 december 2017, waarbij de samenvoegingsdatum vastgesteld wordt op een latere datum dan 1 januari 2019.
 
In dit artikel wordt verstaan onder:
1°       nieuwe gemeente: de nieuwe gemeente, vermeld in artikel 343, 2°, van het voormelde decreet;
2°       samengevoegde gemeenten: de samengevoegde gemeenten, vermeld in artikel 343, 4°, van het voormelde decreet;
3°       samenvoegingsdatum: de samenvoegingsdatum, vermeld in artikel 343, 8°, van het voormelde decreet.
 
§2. Als een of meer samengevoegde gemeenten deelnemen aan een bepaald project waaraan een subsidie wordt verleend met toepassing van dit deel, zonder dat een of meer andere samengevoegde gemeenten deelnemen aan een ander dergelijk project, neemt de nieuwe gemeente vanaf de samenvoegingsdatum deel aan dat project op voorwaarde dat de andere deelnemende gemeenten van het project akkoord gaan met de toetreding van de nieuwe gemeente.
 
In afwijking van het eerste lid kunnen de samengevoegde gemeenten uiterlijk twee maanden voor de samenvoegingsdatum samen beslissen om uit het project, vermeld in het eerste lid, te treden op voorwaarde dat:
1°       minstens een van de samengevoegde gemeenten voor de samenvoegingsdatum niet deelneemt aan het voormelde project, en
2°       de andere deelnemende gemeenten van het project akkoord gaan met de uittreding van de nieuwe gemeente.
 
Als de samengevoegde gemeenten niet tot overeenstemming komen, beslist de minister, nadat de betrokken actoren zijn gehoord, over de deelname van de nieuwe gemeente aan het project, vermeld in het eerste lid.
 
§3. Als twee of meer samengevoegde gemeenten deelnemen aan verschillende projecten waaraan een subsidie wordt verleend met toepassing van dit deel, beslissen de samengevoegde gemeenten uiterlijk twee maanden voor de samenvoegingsdatum samen uit welk project ze treden en tot welk project ze toetreden. De nieuwe gemeente neemt vanaf de samenvoegingsdatum deel aan het project waartoe de samengevoegde gemeenten hebben beslist toe te treden op voorwaarde dat:
1°       de andere deelnemende gemeenten van het project waartoe de nieuwe gemeente zal toetreden, akkoord gaan met de toetreding;
2°       de andere deelnemende gemeenten van het project waaruit de nieuwe gemeente zal uittreden, akkoord gaan met de uittreding.
 
In afwijking van het eerste lid kunnen de samengevoegde gemeenten uiterlijk twee maanden voor de samenvoegingsdatum samen beslissen om uit de verschillende projecten, vermeld in het eerste lid, te treden op voorwaarde dat de andere deelnemende gemeenten van het project akkoord gaan met de uittreding van de nieuwe gemeente.
 
Als de samengevoegde gemeenten niet tot overeenstemming komen, worden ze geacht samen te hebben beslist om uit de verschillende projecten te treden.
 
§3. In elk van de gevallen, vermeld in paragraaf 1 en 2, wordt het subsidiebedrag herberekend conform artikel 2.19 voor de periode vanaf de samenvoegingsdatum tot de einddatum van de subsidiëringsperiode.
 
§4. Als een project waaraan een subsidie wordt verleend met toepassing van dit deel, als gevolg van een samenvoeging van gemeenten niet meer voldoet aan de voorwaarde van een werkingsgebied met minstens twee gemeenten, vermeld in artikel 2.11, eerste lid, wordt de subsidiëringsperiode automatisch stopgezet op de dag voor de samenvoegingsdatum.

Titel 5. Bijzondere subsidie voor projecten met een vernieuwend of experimenteel karakter

Artikel 2.33. (01/01/2021- ...)

§1. Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbaar zijn, kan de minister een bijzondere subsidie toekennen.
 
Een bijzondere subsidie kan worden toegekend aan projecten waaraan een subsidie wordt verleend met toepassing van titel 4 van dit deel, en aan samenwerkingsverbanden van gemeenten als vermeld in artikel 388, 1°, van het decreet van 22 december 2017, die aan al de volgende voorwaarden voldoen:
1°       ze hebben een vernieuwend of experimenteel karakter;
2°       ze hebben een beperkte tijdsduur die niet langer is dan drie jaar en die niet verlengd kan worden;
3°       de kennis en ervaring die in het project worden opgedaan, zijn overdraagbaar naar andere regio's of kunnen gedeeld worden met andere samenwerkingsverbanden.
 
Het vernieuwende of experimentele karakter, vermeld in het tweede lid, 1°, kan blijken uit:
1°       de doelgroep tot wie het project zich richt, die onvoldoende door andere ondersteunende maatregelen wordt opgevangen;
2°       de methodologische aanpak van het project;
3°       de bevordering van de afstemming en samenwerking met andere actoren die actief zijn op het vlak van wonen.
 
Voor de uitvoering van de projecten kunnen de initiatiefnemers, vermeld in het tweede lid, een beroep doen op een of meer partners.
 
§2. De bijzondere subsidies kunnen alleen aangewend worden om personeelskosten en werkingskosten van het ingediende project te financieren.
 
In de aanvraag van de bijzondere subsidie wordt aangetoond dat deze personeelskosten en werkingskosten, vermeld in het eerste lid, daadwerkelijk dienen voor de uitvoering van het project.
 
Projecten die in aanmerking kunnen komen voor een andere subsidieregeling die wordt uitgevaardigd door het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap, komen niet in aanmerking voor de subsidie, vermeld in dit artikel.
 
§3. De minister kan een oproep tot inschrijving voor de toekenning van bijzondere subsidies organiseren.
 
De minister stelt de modaliteiten vast waaraan de aanvragen van bijzondere subsidies moeten voldoen.
 
Het agentschap onderzoekt of een aanvraag van een bijzondere subsidie voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 en 2, en aan de modaliteiten, vastgesteld krachtens het tweede lid. Als een aanvraag niet voldoet aan de voormelde voorwaarden en modaliteiten, is de aanvraag onontvankelijk.
 
Het agentschap onderzoekt de ingediende ontvankelijke aanvragen en verleent advies aan de minister over de toekenning en de grootte van de bijzondere subsidie.
 
De minister neemt een beslissing over de toekenning en over de grootte van de bijzondere subsidie uiterlijk drie maanden na de uiterste indieningsdatum van de aanvragen tot subsidiëring. Het agentschap brengt de initiatiefnemer op de hoogte van de beslissing van de minister.
 
§4. De initiatiefnemer dient jaarlijks een verantwoordingsdossier in bij het agentschap. Als de initiatiefnemer een project is waaraan een subsidie wordt verleend met toepassing van titel 4, wordt het verantwoordingsdossier besproken op de stuurgroep van het project.
 
§5. De bijzondere subsidie wordt als volgt beschikbaar gesteld:
1°       een voorschot van 70% van het subsidiebedrag wordt uitbetaald in de eerste maand van het werkingsjaar. Voor het eerste werkingsjaar wordt het voorschot van 70% van het subsidiebedrag uitbetaald na de kennisgeving van de beslissing waarin de bijzondere subsidie wordt toegekend;
2°       het saldo van het subsidiebedrag wordt uitbetaald na de beoordeling van het werkingsjaar. De beoordeling gebeurt op basis van een verantwoordingsdossier.
 
Als uit de beoordeling van een werkingsjaar blijkt dat de subsidie onterecht is uitbetaald of moet worden verminderd, worden die bedragen in mindering gebracht van het saldo van het subsidiebedrag voor dat werkingsjaar en, als het in mindering te brengen bedrag groter is dan het saldo, teruggevorderd.

Deel 3. Planning en monitoring

[Titel 1. Planning en programmatie van projecten (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]

[Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]

Artikel 2.33/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
1°       bouwverrichting: een verrichting als vermeld in punt 9°, c);
2°       financiering: een van de volgende financieringswijzen:
a)       eigen middelen van de initiatiefnemer;
b)      een marktconforme lening op 33 jaar bij de VMSW, gekoppeld aan een tussenkomst in de leningslast als vermeld in artikel 5.44, §3;
c)    een bulletlening op tien jaar bij de VMSW, gekoppeld aan een tussenkomst in de prefinanciering als vermeld in artikel 5.46;
d)       een lening als vermeld in artikel 4.40, tweede lid, 6°;
e)          een tenlasteneming of een subsidie als vermeld in boek 5, deel 2, titel 3, hoofdstuk 2;
f)        een tenlasteneming of een subsidie als vermeld in artikel 7.26, en in artikel 27, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2015 houdende stopzetting van de subsidiëring van sociale koopwoningen en sociale kavels en houdende de aanpassing van diverse besluiten met betrekking tot het woonbeleid in Vlaanderen;
g)       een andere lening bij de VMSW dan de lening, vermeld in punt b), c) en d);
h)       een lening bij een andere financiële instelling dan de VMSW;
i)           elke combinatie van de financieringswijzen, vermeld in punt a) tot en met h);
3°       infrastructuurverrichting: een verrichting als vermeld in punt 9°, b);
4°       initiatiefnemer:
a)       de VMSW;
b)      een woonmaatschappij als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
c)     initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.29 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, die de Vlaamse Regering als initiatiefnemer erkend heeft;
d)     het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant, opgericht bij artikel 1 van het besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 22 oktober 2013;
e)       private actoren, alleen voor CBO-oproepen;
5°       investeringsverrichting: een verrichting als vermeld in punt 9°, d);
6°          jaarbudget: het investeringsvolume dat voor een bepaald begrotingsjaar kan worden ingezet, conform artikel 2.33/2, tweede lid, te verdelen over de financieringswijzen, vermeld in punt 2°;
7°          lokaal woonoverleg: een gemeentelijk overleg als vermeld in artikel 2.3, §2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, waarbij de gemeente, samen met sociale woonorganisaties en, in voorkomend geval, andere woon- en welzijnsactoren die op haar grondgebied werken, de doelstellingen bespreekt op het vlak van wonen op korte of middellange termijn en de relatie daarvan met sociale en andere woonprojecten;
8°         project: een of meer verrichtingen die betrekking hebben op een of meer van de volgende typen woonprojecten:
a)       een sociaal woonproject;
b)       een woonproject met sociaal karakter;
c)          een project voor de realisatie of de instandhouding van een bescheiden woonaanbod;
d)        een project voor de realisatie of de instandhouding van niet-residentiële ruimten;
9°      verrichtingen:
a)       de verwerving van een of meer onroerende goederen;
b)       de aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur, waarbij de volgende deelverrichtingen worden onderscheiden:
1)       gronden bouwrijp maken;
2)       een of meer constructies slopen;
3)       infrastructuurwerken uitvoeren;
4)       gemeenschapsvoorzieningen oprichten;
5)       aanpassingswerken aan de woonomgeving uitvoeren;
c)       de nieuwbouw of vervangingsbouw van een of meer woningen;
d)       de investering in de renovatie, verbetering of aanpassing van een of meer woningen of de omvorming van een niet-residentieel gebouw tot een woongebouw met sociale woningen.

Artikel 2.33/2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

Na mededeling aan de Vlaamse Regering stelt de minister de volgende zaken vast:
1°       het kader voor de renovatietoets en de lokale woontoets;
2°       het financiële kader.
 
De minister verdeelt voor een begrotingsjaar het jaarbudget over de financieringswijzen, vermeld in artikel 2.33/1, 2°. De minister kan beslissen om een deel van het jaarbudget te reserveren voor bepaalde types van verrichtingen.
 

[Hoofdstuk 2. Projectopvolging (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]

Artikel 2.33/3.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

De initiatiefnemers brengen het agentschap via het Projectportaal op de hoogte van de geplande projecten. Ze melden ook eventuele latere wijzigingen van het project via het Projectportaal aan het agentschap.
 
Met het oog op de uitvoering van de renovatietoets voor een project voert de initiatiefnemer in het Projectportaal de volgende gegevens in:
1°       de initiatiefnemer;
2°       de locatie van het project, GIS-gekoppeld als daarin voorzien is;
3°       het huidige aantal huurwoningen en het aantal huurwoningen na de uitvoering van het project;
4°       een rapport over de huidige staat van de gebouwen of woningen die deel uitmaken van het project, met de volgende informatie:
a)       de conditiescore van de gebouwen of woningen;
b)       de veiligheids- en gezondheidsaspecten van de gebouwen of woningen;
5°       een toelichtingsnota die de voorgestelde vervangingsbouw of investeringsverrichting onderbouwt en de staat omschrijft van de gebouwen of woningen na de vervangingsbouw of investering.
 
Met het oog op de bespreking van een project op het lokaal woonoverleg, vermeld in artikel 2.33/5, §1, en de uitvoering van de lokale woontoets voert de initiatiefnemer in het Projectportaal de volgende gegevens in:
1°       de initiatiefnemer;
2°       de locatie van het project, GIS-gekoppeld als daarin voorzien is;
3°       het huidige aantal huurwoningen, koopwoningen of kavels, en het aantal huurwoningen, koopwoningen of kavels na de uitvoering van het project;
4°       de volgende informatie als het project de aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur omvat:
a)       in voorkomend geval, het aantal huurwoningen, koopwoningen en kavels dat blijkt uit het rapport van de stedenbouwkundige studie;
b)       de keuze van de aanbestedende overheid voor de aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur, vermeld in artikel 5.58, §1;
c)       in voorkomend geval, het voornemen van de initiatiefnemer om een of meer gemeenschapsvoorzieningen op te richten.
 

[Hoofdstuk 3. Renovatietoets en lokale woontoets (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]

Artikel 2.33/4.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

De initiatiefnemer brengt het agentschap via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot uitvoering van de renovatietoets voor een project dat voorziet in een vervangingsbouw of dat een investeringsverrichting bevat. In de renovatietoets geeft het agentschap op basis van het kader, vermeld in artikel 2.33/2, eerste lid, 1°, een advies over de rationaliteit van de voorgestelde vervangingsbouw of investeringsverrichting.
 
Binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de melding door de initiatiefnemer, vermeld in het eerste lid, brengt het agentschap een advies uit. Het agentschap voert het advies in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
Als het agentschap door de onvolledigheid van de aanvraag bijkomende documenten of inlichtingen moet opvragen, wordt de vervaltermijn, vermeld in het tweede lid, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de zevende kalenderdag nadat het agentschap alle bijkomende documenten of inlichtingen heeft ontvangen.
 
Als het agentschap een gunstig advies geeft en er voor de investeringsverrichting geen vergunning, melding of verhuisbeweging vereist is, komt de verrichting principieel in aanmerking voor programmatie. Als het agentschap een gunstig advies geeft en het project voorziet in een vervangingsbouw of een investeringsverrichting bevat, waarvoor een vergunning, een melding of een verhuisbeweging is vereist, komt de verrichting principieel in aanmerking voor programmatie nadat de lokale woontoets succesvol is doorlopen.
 
Als het agentschap een ongunstig advies geeft, past de initiatiefnemer die aanspraak blijft maken op financiering, met behoud van de toepassing van artikel 2.33/24 zijn project aan en verzoekt het agentschap een nieuwe renovatietoets uit te voeren.
 
Als het advies van het agentschap niet tijdig wordt verleend, wordt de vervangingsbouw of investeringsverrichting geacht een gunstig advies gekregen te hebben. Als voor de investeringsverrichting geen vergunning, melding of verhuisbeweging is vereist, komt de verrichting principieel in aanmerking voor programmatie. Als het project voorziet in een vervangingsbouw of een investeringsverrichting bevat waarvoor een vergunning, een melding of een verhuisbeweging is vereist, komt de verrichting principieel in aanmerking voor programmatie nadat de lokale woontoets succesvol is doorlopen.
 

Artikel 2.33/5.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

§1. Met het oog op de opname ervan in de Projectenlijst bespreekt de initiatiefnemer de volgende projecten op het lokaal woonoverleg van de gemeente waar ze uitgevoerd worden:
1°       een project dat voorziet in de nieuwbouw van sociale huur- of koopwoningen of bescheiden huurwoningen, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur;
2°      een project dat voorziet in een vervangingsbouw of een investeringsverrichting bevat waarvoor een vergunning, een melding of een verhuisbeweging is vereist, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur, voor elk van de volgende types van onroerende goederen:
a)       eigen sociale huur- of koopwoningen of bescheiden huurwoningen;
b)       verworven bebouwde onroerende goederen;
3°       een project dat voorziet in de verwerving van een of meer goede woningen, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur.
 
Voor de toepassing van het eerste lid worden de huurwoningen en de koopwoningen die deel uitmaken van een woonproject met sociaal karakter, respectievelijk gelijkgesteld met sociale huurwoningen en sociale koopwoningen.
 
De bespreking op het lokaal woonoverleg gebeurt op basis van een fiche die de initiatiefnemer uit het Projectportaal genereert, en die de volgende gegevens bevat:
1°       de projectgegevens, vermeld in artikel 2.33/3, derde lid;
2°       als het project voorziet in de nieuwbouw of vervangingsbouw van sociale huurwoningen, het resterende contingent sociale huurwoningen van het bindend sociaal objectief van de gemeente;
3°       als het project voorziet in een vervangingsbouw of een investeringsverrichting bevat, het advies van het agentschap in het kader van de renovatietoets.
 
De gemeente vult de fiche aan met een verslag van de bespreking van het project op het lokaal woonoverleg.
 
Voor de bespreking van een project dat alleen voorziet in de verwerving van een of meer goede woningen, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van wooninfrastructuur, vermeld in het eerste lid, 3°, kan de gemeente de sociale woonorganisaties en het OCMW voor overleg samenroepen. Actoren die niet aanwezig kunnen zijn, bezorgen de gemeente hun opmerkingen schriftelijk. Dat lokaal woonoverleg kan digitaal of via e-mail gehouden worden.
 
§2. Op een lokaal woonoverleg worden de volgende zaken meegedeeld:
1°       recente verwervingen van onbebouwde onroerende goederen met het oog op de realisatie van sociale huur- of koopwoningen of bescheiden huurwoningen;
2°       recente verwervingen van andere bebouwde onroerende goederen dan goede woningen;
3°       een overzicht van de recent verkochte sociale of bescheiden huurwoningen en van de geplande verkopen van sociale of bescheiden huurwoningen;
4°       de omzetting van sociale koopwoningen in sociale huurwoningen.
 
§3. Minstens één keer per jaar worden de lokale woonbehoeften en de lijsten van de kandidaat-huurders voor een sociale of bescheiden huurwoning in de gemeente op het lokaal woonoverleg besproken.
 

Artikel 2.33/6.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

§1. Als de initiatiefnemer bij de bespreking van een project op het lokaal woonoverleg aangeeft dat het project klaar is om opgenomen te worden in de Projectenlijst, voert de gemeente een lokale woontoets uit. In de lokale woontoets neemt de gemeente op basis van het kader, vermeld in artikel 2.33/2, eerste lid, 1°, een beslissing over twee of meer van de volgende aangelegenheden:
1°       de toets aan het gemeentelijke beleid;
2°       de toets aan het bindend sociaal objectief;
3°       in voorkomend geval, de verbintenis om de wooninfrastructuur samen met de grond waarin of waarop ze wordt uitgevoerd, op te nemen in het gemeentelijk openbaar domein.
 
Voor de volgende categorieën van projecten neemt de gemeente een beslissing over de aangelegenheden, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3°:
1°       een project dat voorziet in de nieuwbouw van sociale huurwoningen, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur;
2°       een project dat voorziet in de vervangingsbouw van sociale huurwoningen, waarbij er sprake is van een toename met meer dan 20% ten opzichte van het huidige aantal sociale huurwoningen op projectniveau, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur;
3°       een project dat een investeringsverrichting bevat waarvoor een vergunning, een melding of een verhuisbeweging is vereist, waarbij er sprake is van een toename met meer dan 20% ten opzichte van het huidige aantal sociale huurwoningen op projectniveau, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur;
4°       een project dat voorziet in de verwerving van een of meer goede woningen, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur.
 
Voor de volgende categorieën van projecten neemt de gemeente een beslissing over de aangelegenheden, vermeld in het eerste lid, 1° en 3°:
1°       een project dat voorziet in de vervangingsbouw van sociale huurwoningen zonder dat er sprake is van een toename met meer dan 20% ten opzichte van het huidige aantal sociale huurwoningen op projectniveau;
2°       een project dat een investeringsverrichting bevat waarvoor een vergunning, een melding of een verhuisbeweging is vereist zonder dat er sprake is van een toename met meer dan 20% ten opzichte van het huidige aantal sociale huurwoningen op projectniveau;
3°       een project dat alleen voorziet in de realisatie of de instandhouding van sociale koopwoningen of sociale kavels of van bescheiden huurwoningen, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur.
 
Binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de bespreking van het project op het lokaal woonoverleg, vermeld in het eerste lid, neemt de gemeente een beslissing. De gemeente voert haar beslissing, samen met de aangevulde fiche, vermeld in artikel 2.33/5, §1, vierde lid, in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
Als de gemeente door de onvolledigheid van de aanvraag bijkomende documenten of inlichtingen moet opvragen, wordt de vervaltermijn, vermeld in het derde lid, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de zevende kalenderdag nadat de gemeente alle bijkomende documenten of inlichtingen heeft ontvangen.
 
Als de gemeente beslist dat het project past in het gemeentelijke beleid en vaststelt dat het project past in het bindend sociaal objectief, komen de verrichtingen van het project principieel in aanmerking voor programmatie.
 
Als de gemeente beslist dat het project niet past in het gemeentelijke beleid of vaststelt dat het project niet past in het bindend sociaal objectief, past de initiatiefnemer die aanspraak blijft maken op financiering, zijn project aan en bespreekt het opnieuw op een lokaal woonoverleg.
 
Als de gemeente niet tijdig een beslissing neemt over de lokale woontoets, wordt het project geacht te passen in het gemeentelijke beleid. De verrichtingen van het project komen principieel in aanmerking voor programmatie op voorwaarde dat het agentschap vaststelt dat het project past binnen het bindend sociaal objectief.
 
§2. Het college van burgemeester en schepenen voert de lokale woontoets uit.
 
Als de gemeente beschikt over een goedgekeurde visie op het vlak van lokaal sociaal woonbeleid, kan het college van burgemeester en schepenen de uitvoering van en de beslissing over de lokale woontoets:
1°       delegeren aan een lid van het college of aan een of meer personeelsleden van de gemeente die daarvoor speciaal zijn aangewezen;
2°       toevertrouwen aan een intergemeentelijke administratieve eenheid.
 

Artikel 2.33/7.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

Het agentschap houdt een actuele lijst bij van projecten waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie of een of meer van de fasen, vermeld in artikel 2.33/9, eerste lid, hebben doorlopen, hierna de Projectenlijst te noemen. De lijst bevat de volgende categorieën van projecten:
1°       projecten die de renovatietoets succesvol doorlopen hebben en vrijgesteld zijn van bespreking op het lokaal woonoverleg;
2°       projecten die de lokale woontoets succesvol doorlopen hebben, in voorkomend geval nadat ze de renovatietoets succesvol doorlopen hebben.

Artikel 2.33/8.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

§1. Een gemeente kan beslissen om een project op haar grondgebied dat is opgenomen in de Projectenlijst, tijdelijk stop te zetten als het behoort tot een van de categorieën van projecten, vermeld in artikel 2.33/6, §1, tweede lid, 1°, 2° en 3°. De gemeente voert haar beslissing in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen tot een verrichting die deel uitmaakt van het project, de fase van de opname in de meerjarenplanning of verder heeft doorlopen.

§2. Een gemeente kan na overleg met de initiatiefnemer beslissen om een of meer andere projecten op haar grondgebied, die zijn opgenomen in de Projectenlijst, om te wisselen voor een ander project dat betrekking heeft op maximaal hetzelfde aantal sociale huurwoningen, en waarvoor een lokale woontoets als vermeld in artikel 2.33/6, §1, eerste lid, is aangevraagd, op voorwaarde dat dat andere project behoort tot een van de categorieën van projecten, vermeld in artikel 2.33/6, §1, tweede lid, 1°, 2° en 3°. Voor dat project voert de gemeente een lokale woontoets uit die alleen betrekking heeft op de aangelegenheden, vermeld in artikel 2.33/6, §1, eerste lid, 1° en 3°.

De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen tot een verrichting die deel uitmaakt van het project, de fase van de opname in de meerjarenplanning of een verdere fase heeft doorlopen.

§3. Een gemeente kan beslissen om een nieuwe lokale woontoets uit te voeren voor een project op haar grondgebied waarvan ze in het kader van een eerdere lokale woontoets heeft vastgesteld dat het project niet past binnen het bindend sociaal objectief.
 
De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen in de volgende gevallen:
1°       de gemeente heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid, vermeld in paragraaf 1;
2°       de gemeente heeft een sociaal woonbeleidsconvenant gesloten als vermeld in artikel 5.52, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
 
§4. Het college van burgemeester en schepenen neemt een beslissing over de aangelegenheid, vermeld in paragraaf 1, en voert een nieuwe lokale woontoets uit in de gevallen, vermeld in paragraaf 2.
 
Als de gemeente beschikt over een goedgekeurde visie op het vlak van lokaal sociaal woonbeleid, kan het college van burgemeester en schepenen de opdrachten, vermeld in het eerste lid:
1°       delegeren aan een lid van het college of aan een of meer personeelsleden van de gemeente die daarvoor speciaal zijn aangewezen;
2°       toevertrouwen aan een intergemeentelijke administratieve eenheid.

[Hoofdstuk 4. Programmatie en toewijzing van verrichtingen (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]

[Afdeling 1. Algemene bepalingen (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]

Artikel 2.33/9.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

Met behoud van de toepassing van het tweede tot en met het vierde lid doorloopt een verrichting die deel uitmaakt van een project waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie, achtereenvolgens elk van de volgende fasen:
1°       de opname in de meerjarenplanning, vermeld in afdeling 2;
2°       de opname in de kortetermijnplanning, vermeld in afdeling 3;
3°       de toewijzing van middelen op een jaarbudget, vermeld in afdeling 4.
 
De volgende verrichtingen en deelverrichtingen doorlopen alleen de fase van de toewijzing van middelen op een jaarbudget, vermeld in afdeling 4, ongeacht of ze deel uitmaken van een project waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie:
1°       de verwerving van onbebouwde onroerende goederen en van goede woningen door de uitoefening van:
a)       het recht van voorkoop, vermeld in boek 5, deel 6, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en elk ander wettelijk recht van voorkoop;
b)       een wettelijk recht van wederinkoop;
c)       een conventioneel recht van voorkoop of recht van wederinkoop, op voorwaarde dat de initiatiefnemer de oorspronkelijke verkoper is van het onroerend goed;
2°       de verwerving van onroerende goederen waarvoor een financiering als vermeld in artikel 2.33/1, 2°, d), wordt toegekend;
3°       het bouwrijp maken van gronden, de sloop van een of meer constructies en de uitvoering van archeologisch vooronderzoek;
4°       de opmaak van een stedenbouwkundige studie;
5°       de erelonen, als de VMSW optreedt als aanbestedende of medeaanbestedende overheid van een infrastructuurverrichting;
6°       dringende werkzaamheden aan bestaande constructies ten gevolge van niet te voorziene omstandigheden, na een aanvraag van de initiatiefnemer;
7°       de verrichtingen die volledig gefinancierd worden op de wijze, vermeld in artikel 2.33/1, 2°, g).
 
De volgende verrichtingen en deelverrichtingen doorlopen alleen de fase van de toewijzing van middelen op een jaarbudget, vermeld in afdeling 4, op voorwaarde dat ze deel uitmaken van een project waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie:
1°       de verwerving van onbebouwde onroerende goederen en van andere bebouwde onroerende goederen dan goede woningen, uitgezonderd de verwervingen, vermeld in het tweede lid, 1°;
2°       de contractueel overeengekomen prijsherzieningen;
3°       de meerwerken;
4°       de werkzaamheden voor de openbare verlichting of het watervoorzieningsnet.
 
De volgende verrichtingen doorlopen achtereenvolgens de fase van de opname in de kortetermijnplanning, vermeld in afdeling 3, en de toewijzing van middelen op een jaarbudget, vermeld in afdeling 4, op voorwaarde dat ze deel uitmaken van een project waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie:
1°       de verwerving van goede woningen, uitgezonderd de verwervingen, vermeld in het tweede lid, 1°;
2°       andere investeringsverrichtingen dan de investeringsverrichtingen, vermeld in het tweede lid, 6°, waarbij de geraamde kostprijs voor de uitvoering van de verrichting maximaal 15.000 euro, exclusief btw, per betrokken sociale huurwoning bedraagt.
 
Een bouw- of investeringsverrichting van sociale koopwoningen of bescheiden huurwoningen die deel uitmaakt van een project waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie, wordt automatisch opgenomen in de kortetermijnplanning, vermeld in afdeling 3, en doorloopt alleen de fase van de toewijzing van middelen op een jaarbudget, vermeld in afdeling 4.
 
Verrichtingen die volledig gefinancierd worden op een van de wijzen, vermeld in artikel 2.33/1, 2°, a) of h), of met een combinatie van de voormelde financieringswijzen, doorlopen geen van de fasen, vermeld in het eerste lid, ongeacht of ze deel uitmaken van een project waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie.
 

Artikel 2.33/10.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

Het agentschap en de VMSW kunnen in elk van de fasen, vermeld in artikel 2.33/9, eerste lid, beslissen om een verrichting van een woonmaatschappij tijdelijk stop te zetten als uit de financiële planning die aan de VMSW is bezorgd door een woonmaatschappij of die de VMSW heeft opgemaakt voor een woonmaatschappij, blijkt dat het niet-uitvoeren van de verrichting een rechtstreeks positief effect heeft op de stand van de negatieve rekening-courant van de woonmaatschappij bij de VMSW of op de negatieve vrije cashflow in het eerste, tweede of derde jaar van de financiële planning.

Afdeling 2. Fase 1. Opname in de meerjarenplanning (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]

Artikel 2.33/11.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

§1. De initiatiefnemer brengt het agentschap via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot opname in de meerjarenplanning van een bouwverrichting en van een investeringsverrichting. De initiatiefnemer voegt het voorontwerp bij zijn verzoek met een aanvraag tot advisering. Als de initiatiefnemer een afwijking van de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen of een afwijking als vermeld in artikel 4.2, zevende lid, vraagt, voegt hij een verantwoording bij het voorontwerp. Het agentschap bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
In afwijking van het eerste lid hoeft geen voorontwerp opgemaakt te worden voor investeringsverrichtingen waarvoor noch een vergunning of melding noch een verhuisbeweging is vereist. In dat geval volstaat het dat de initiatiefnemer het agentschap via het Projectportaal op de hoogte brengt van een verzoek tot opname van de verrichting in de meerjarenplanning. Nadat een termijn van zeven kalenderdagen verstreken is, die ingaat op de dag na het verzoek, komt de verrichting principieel in aanmerking voor opname in de meerjarenplanning.
 
Als de initiatiefnemer van een investeringsverrichting waarvoor noch een vergunning of melding noch een verhuisbeweging is vereist, uit eigen beweging een voorontwerp opmaakt en wil laten adviseren door het agentschap, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
 
§2. De initiatiefnemer die zelf optreedt als aanbestedende overheid van een infrastructuurverrichting, brengt het agentschap via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot opname in de meerjarenplanning van die infrastructuurverrichting. De initiatiefnemer voegt het voorontwerp bij zijn verzoek met een aanvraag tot advisering. Als de initiatiefnemer een afwijking van de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen vraagt, voegt hij een verantwoording bij het voorontwerp. Het agentschap bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Als de VMSW of een andere instantie optreedt als aanbestedende overheid van een infrastructuurverrichting, maakt ze zelf een voorontwerp op of laat ze een voorontwerp opmaken door een ontwerper. De aanbestedende overheid brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het voorontwerp klaar is. Vanaf dat moment kan de initiatiefnemer conform het eerste lid het agentschap via het Projectportaal verzoeken om de verrichting in kwestie op te nemen in de meerjarenplanning.
 
§3. Binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het voorontwerp, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en in paragraaf 2, eerste en tweede lid, brengt het agentschap een advies uit. Het agentschap voert het advies in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
Voor infrastructuurverrichtingen begint de termijn voor de advisering van het voorontwerp, vermeld in paragraaf 2, eerste en tweede lid, te lopen op de dag nadat is voldaan aan de vereisten, vermeld in artikel 2.33/12.
 
Als het agentschap door de onvolledigheid van de aanvraag bijkomende documenten of inlichtingen moet opvragen, wordt de vervaltermijn, vermeld in het eerste lid, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de zevende kalenderdag nadat het agentschap alle bijkomende documenten of inlichtingen heeft ontvangen.
 
Als het agentschap in zijn advies vaststelt dat het voorontwerp in overeenstemming is met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, het agentschap of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, komt de verrichting principieel in aanmerking voor opname in de meerjarenplanning op de laatste dag van de termijn, vermeld in het eerste lid, die in voorkomend geval is verlengd conform het derde lid.
 
Als het agentschap in zijn advies vaststelt dat het voorontwerp niet in overeenstemming is met de normen of de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, het agentschap of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, past de initiatiefnemer die aanspraak blijft maken op financiering, met behoud van de toepassing van artikel 2.33/24 zijn voorontwerp aan en bezorgt het opnieuw aan het agentschap conform paragraaf 1, eerste lid.
 
Als het advies van het agentschap niet tijdig wordt verleend, wordt het voorontwerp geacht in overeenstemming te zijn met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, en komt de verrichting principieel in aanmerking voor opname in de meerjarenplanning op de laatste dag van de termijn, vermeld in het eerste lid, die in voorkomend geval is verlengd conform het derde lid. Het agentschap meldt dat in het Projectportaal en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
§4. Paragraaf 1 en 3 zijn niet van toepassing op verrichtingen in het kader van een CBO-oproep.
 

Artikel 2.33/12.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

§ 1. Als voor een project de aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur is vereist, informeert de initiatiefnemer de lokale bevolking op gepaste wijze over de uit te voeren verrichtingen, al dan niet door een informatievergadering te beleggen. De initiatiefnemer bezorgt het agentschap de eventuele opmerkingen van de lokale bevolking of het verslag van de informatievergadering.
 
In afwijking van het eerste lid hoeft de initiatiefnemer de lokale bevolking niet te informeren over een geplande verrichting als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1°       voor de verrichting is noch een stedenbouwkundige studie, noch de uitvoering van infrastructuurwerken of aanpassingswerken aan de woonomgeving vereist;
2°       de kostprijs van de verrichting, exclusief btw, bedraagt maximaal 1.000.000 euro of er zijn maximaal acht woningen of kavels bij de verrichting betrokken.
 
§ 2. Als voor een project de aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur is vereist, belegt de initiatiefnemer een plenaire vergadering waarop de stedenbouwkundige studies en de voorontwerpen besproken worden nadat aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1°       de initiatiefnemer heeft het agentschap, de gemeente, de rioolbeheerder en alle andere uitgenodigde partijen een voorontwerp van de aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur bezorgd;
2°       de bouw- of investeringsverrichting komt principieel in aanmerking voor opname in de meerjarenplanning, of er is voor de bouw- of investeringsverrichting een voorontwerp ingediend bij het agentschap.
 
Op verzoek van de initiatiefnemer kan het agentschap:
1°       vrijstelling verlenen van het beleggen van een plenaire vergadering als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
a)       de aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur omvat geen uitvoering van infrastructuurwerken of aanpassingswerken aan de woonomgeving;
b)       de uit te voeren infrastructuurwerken omvatten alleen nutsvoorzieningen of omgevingswerken;
2°       toestaan dat de initiatiefnemer een plenaire vergadering belegt nadat voldaan is aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°.
 

Artikel 2.33/13.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

§1. Het agentschap neemt, rekening houdend met het financiële kader, een beslissing over de opname in de meerjarenplanning van bouw- en investeringsverrichtingen die principieel in aanmerking komen voor opname in de meerjarenplanning.

Een CBO-oproep waarvan het voorontwerp gunstig is geadviseerd door het agentschap en die tot de onderhandelingsfase kan toetreden, komt principieel in
aanmerking voor opname in de meerjarenplanning.

Het agentschap voert de beslissing over de opname in de meerjarenplanning van een bouw- of investeringsverrichting in het projectportaal in. Het agentschap brengt de initiatiefnemer op de hoogte van de beslissing.
 
§2. Het agentschap neemt, rekening houdend met het financiële kader, een beslissing over de opname in de meerjarenplanning van infrastructuurverrichtingen die principieel in aanmerking komen voor opname in de meerjarenplanning.
 
Het agentschap voert de beslissing over de opname in de meerjarenplanning van een verrichting als vermeld in het eerste lid, in het Projectportaal in. Het agentschap brengt de initiatiefnemer op de hoogte van de beslissing.
 
§3. Als een verrichting conform paragraaf 1 of 2 wordt opgenomen in de meerjarenplanning, gaat de verrichting naar fase 2 als vermeld in afdeling 3.
 

[Afdeling 3. Fase 2. Opname in de kortetermijnplanning (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]

Artikel 2.33/14.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

§ 1. De initiatiefnemer brengt het agentschap via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot opname in de kortetermijnplanning van een bouwverrichting en van een investeringsverrichting die is opgenomen in de meerjarenplanning. De initiatiefnemer voegt de basisaanbesteding bij zijn verzoek en verklaart dat die in overeenstemming is met het geadviseerde voorontwerp van de verrichting, zoals dat is opgenomen in de meerjarenplanning, en met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, het agentschap of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat. Het agentschap bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Als de initiatiefnemer van een investeringsverrichting waarvoor noch een vergunning of melding noch een verhuisbeweging is vereist, conform artikel 2.33/11, §1, derde lid, uit eigen beweging een voorontwerp heeft opgemaakt en heeft laten adviseren door het agentschap, brengt de initiatiefnemer het agentschap via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot opname in de kortetermijnplanning van de investeringsverrichting die is opgenomen in de meerjarenplanning. De initiatiefnemer voegt de basisaanbesteding bij zijn verzoek en verklaart dat die in overeenstemming is met het geadviseerde voorontwerp van de verrichting, zoals dat is opgenomen in de meerjarenplanning, en met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, het agentschap of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat. Het agentschap bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Nadat een termijn van zeven kalenderdagen is verstreken, die ingaat op de dag na het verzoek, vermeld in het eerste en tweede lid, komt de verrichting principieel in aanmerking voor opname in de kortetermijnplanning.
 
§ 2. De initiatiefnemer die zelf optreedt als aanbestedende overheid van een infrastructuurverrichting die is opgenomen in de meerjarenplanning, brengt het agentschap via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot opname in de kortetermijnplanning van die infrastructuurverrichting. De initiatiefnemer voegt de basisaanbesteding bij zijn verzoek en verklaart dat die in overeenstemming is met het geadviseerde voorontwerp van de verrichting, zoals dat is opgenomen in de meerjarenplanning, en met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, het agentschap of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat. Het agentschap bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Als de VMSW of een andere instantie optreedt als aanbestedende overheid van een infrastructuurverrichting, maakt ze zelf een basisaanbesteding op of laat ze een basisaanbesteding opmaken door een ontwerper. De aanbestedende overheid brengt de initiatiefnemer ervan via het Projectportaal op de hoogte dat de basisaanbesteding klaar is. Vanaf dat moment kan de initiatiefnemer het agentschap conform het eerste lid verzoeken om de verrichting in kwestie op te nemen in de kortetermijnplanning. Nadat een termijn van zeven kalenderdagen is verstreken, die ingaat op de dag na het verzoek, komt de infrastructuurverrichting principieel in aanmerking voor opname in de kortetermijnplanning.
 
§ 3. De initiatiefnemer brengt het agentschap via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot opname in de kortetermijnplanning van een investeringsverrichting die is opgenomen in de meerjarenplanning en waarvoor conform artikel 2.33/11, §1, tweede lid, geen voorontwerp is opgemaakt en geadviseerd. De initiatiefnemer voegt het uitvoeringsdossier bij zijn verzoek met een aanvraag tot advisering. Als de initiatiefnemer een afwijking van de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen vraagt, voegt hij een verantwoording bij het uitvoeringsdossier. Het agentschap bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het uitvoeringsdossier, vermeld in het eerste lid, brengt het agentschap een advies uit. Het agentschap voert het advies in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
Als het agentschap door de onvolledigheid van de aanvraag bijkomende documenten of inlichtingen moet opvragen, wordt de vervaltermijn, vermeld in het tweede lid, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de zevende kalenderdag nadat het agentschap alle bijkomende documenten of inlichtingen heeft ontvangen.
 
Als het agentschap in zijn advies vaststelt dat het uitvoeringsdossier in overeenstemming is met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, het agentschap of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, komt de verrichting principieel in aanmerking voor opname in de kortetermijnplanning op de laatste dag van de termijn, vermeld in het tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd conform het derde lid.
 
Als het agentschap in zijn advies vaststelt dat het uitvoeringsdossier niet in overeenstemming is met de normen of de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen, waarvoor de minister, het agentschap of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, past de initiatiefnemer die aanspraak blijft maken op financiering, met behoud van de toepassing van artikel 2.33/24 zijn uitvoeringsdossier aan en bezorgt het opnieuw aan het agentschap conform het eerste lid.
 
Als het advies van het agentschap niet tijdig wordt verleend, wordt het uitvoeringsdossier geacht in overeenstemming te zijn met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, en komt de verrichting principieel in aanmerking voor opname in de kortetermijnplanning op de laatste dag van de termijn, vermeld in het tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd conform het derde lid. Het agentschap geeft dat in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
§ 4. De initiatiefnemer brengt het agentschap via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot opname in de kortetermijnplanning van:
1°       investeringsverrichtingen waarbij de geraamde kostprijs voor de uitvoering van de verrichting maximaal 15.000 euro, exclusief btw, per betrokken sociale huurwoning bedraagt;
2°       de verwerving van goede woningen, waarvoor een onderhandse akte is opgesteld.
 
Het agentschap bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging. Nadat een termijn van zeven kalenderdagen is verstreken, die ingaat op de dag na het verzoek, vermeld in het eerste en tweede lid, komt de verrichting principieel in aanmerking voor opname in de kortetermijnplanning.
 

Artikel 2.33/15.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

Als een verrichting principieel in aanmerking komt voor opname in de kortetermijnplanning, voert de initiatiefnemer de volgende documenten in het Projectportaal in:
1°       alle vereiste vergunningen, met vermelding van de datum van de verlening of de weigering van een vergunning, alsook de datum van de eventuele schorsing, intrekking of vernietiging van een vergunning;
2°       alle vereiste meldingsplichtige handelingen, met vermelding van de datum waarop de melding is gedaan;
3°       een bewijs van een zakelijk recht op de gronden.

Artikel 2.33/16.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

§ 1. Het agentschap stelt een lijst op van bouw- en investeringsverrichtingen die op de vijfenveertigste kalenderdag voor een reguliere beoordelingscommissie principieel in aanmerking komen voor opname in de kortetermijnplanning en waarvoor conform artikel 2.33/15 blijkt dat de initiatiefnemer beschikt over de vereiste vergunningen, meldingen en een zakelijk recht op de gronden. De verrichtingen die na de voormelde datum de status ‘komt principieel in aanmerking voor opname in de kortetermijnplanning’ krijgen, komen in aanmerking voor de daaropvolgende beoordelingscommissie. De voorwaarde dat de initiatiefnemer beschikt over de vereiste vergunningen, meldingen en een zakelijk recht op de gronden, wordt beoordeeld op de dag waarop de beoordelingscommissie bijeenkomt.
 
Op basis van de lijst, vermeld in het eerste lid, neemt de beoordelingscommissie, rekening houdend met het financiële kader, met behoud van de toepassing van paragraaf 3 een beslissing over de opname van de bouw- en investeringsverrichtingen in de kortetermijnplanning.
 
Het agentschap voert de beslissing van de beoordelingscommissie over de opname van een bouw- of investeringsverrichting in de kortetermijnplanning in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
§ 2. Het agentschap neemt, rekening houdend met het financiële kader, met behoud van de toepassing van paragraaf 3 een beslissing over de opname van de volgende verrichtingen in de kortetermijnplanning:
1°       infrastructuurverrichtingen die principieel in aanmerking komen voor opname in de kortetermijnplanning;
2°       investeringsverrichtingen waarbij de geraamde kostprijs voor de uitvoering van de verrichting maximaal 15.000 euro, exclusief btw, per betrokken sociale huurwoning bedraagt;
3°       de verwerving van goede woningen, waarvoor een onderhandse akte is opgesteld;
4°    een bouw- of investeringsverplichting
 
Het agentschap voert de beslissing van een verrichting als vermeld in het eerste lid, over de opname in de kortetermijnplanning in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
§ 3. Als een project waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie, zowel een infrastructuurverrichting als een bouw- of investeringsverrichting bevat, gelden bijkomend de volgende voorwaarden voor de opname in de kortetermijnplanning:
1°       een infrastructuurverrichting kan pas opgenomen worden in de kortetermijnplanning als een bouw- of investeringsverrichting ten minste is opgenomen in de meerjarenplanning;
2°       een bouw- of investeringsverrichting kan pas opgenomen worden in de kortetermijnplanning als de infrastructuurverrichting ten minste is opgenomen in de meerjarenplanning.
 
§ 4. Als een verrichting conform paragraaf 1 of 2 wordt opgenomen in de kortetermijnplanning, gaat de verrichting naar fase 3 als vermeld in afdeling 4.
 

Artikel 2.33/17.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

Als na de opname van een verrichting in de kortermijnplanning het agentschap aantoont dat de basisaanbesteding niet in overeenstemming is met het geadviseerde voorontwerp van de verrichting, zoals dat is opgenomen in de meerjarenplanning, of niet in overeenstemming is met de normen of de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, het agentschap of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, wordt de verrichting geschrapt uit de kortetermijnplanning. De initiatiefnemer die aanspraak blijft maken op financiering, past met behoud van de toepassing van artikel 2.33/24 zijn basisaanbesteding aan en bezorgt ze opnieuw aan het agentschap conform artikel 2.33/14, §1 of §2.

[Afdeling 4. Fase 3. Toewijzing op het jaarbudget (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]

Artikel 2.33/18.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

Bij de aanvraag van de toewijzing op het jaarbudget brengt de initiatiefnemer de VMSW op de hoogte van de uitgaven die hij via de rekening-courant wil laten verlopen in het kader van de herinvesteringsverplichting, conform de modaliteiten, vermeld in titel 1, hoofdstuk 2.

Artikel 2.33/19.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

§ 1. De initiatiefnemer brengt het agentschap via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot toewijzing op een jaarbudget voor een bouwverrichting of een investeringsverrichting die is opgenomen in de kortetermijnplanning. De initiatiefnemer voegt het gunningsdossier bij zijn verzoek en verklaart dat het gunningsdossier in overeenstemming is met de basisaanbesteding van de verrichting, zoals ze is opgenomen in de kortetermijnplanning en met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, het agentschap of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, en dat de procedure van de wetgeving op de overheidsopdrachten is nageleefd. Het agentschap bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Als voor een investeringsverrichting waarvoor noch een vergunning of melding noch een verhuisbeweging is vereist, geen voorontwerp is opgemaakt en geadviseerd, verklaart de initiatiefnemer dat het gunningsdossier in overeenstemming is met het geadviseerde uitvoeringsdossier van de verrichting, zoals ze is opgenomen in de kortetermijnplanning, en met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, het agentschap of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, en dat de procedure van de wetgeving op de overheidsopdrachten is nageleefd. Het agentschap bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Voor een bouw- of investeringsverrichting van sociale koopwoningen of bescheiden huurwoningen verklaart de initiatiefnemer dat het Bouwtechnisch Bestek Woningbouw voor bouwverrichtingen gevolgd is bij de basisaanbesteding en dat de procedure van de wetgeving op de overheidsopdrachten is nageleefd.
 
De initiatiefnemer brengt het agentschap via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot toewijzing op een jaarbudget voor een verrichting die conform artikel 2.33/9, tweede of derde lid, alleen de fase van de toewijzing van middelen op een jaarbudget doorloopt. Het agentschap bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
De initiatiefnemer brengt het agentschap via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot toewijzing op een jaarbudget voor een verwerving van een of meer goede woningen die is opgenomen in de kortetermijnplanning, met het oog op de opmaak van de authentieke akte. Het agentschap bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Nadat een termijn van veertien kalenderdagen verstreken is, die ingaat op de dag na het verzoek, vermeld in het eerste tot en met het vijfde lid, komt de verrichting in aanmerking voor toewijzing op een jaarbudget. De VMSW wijst de middelen voor de financiering van de verrichting toe op een jaarbudget.

Als het agentschap of de VMSW van oordeel zijn dat het verzoek tot toewijzing op het jaarbudget onvolledig is, vragen ze bijkomende documenten of inlichtingen aan de initiatiefnemer. In dat geval wordt de termijn, vermeld in het zesde lid, geschorst. De voormelde termijn begint opnieuw te lopen op de zevende dag na de dag waarop het agentschap en de VMSW alle bijkomende documenten of inlichtingen hebben ontvangen.
 
§ 2. De initiatiefnemer die zelf optreedt als aanbestedende overheid van een infrastructuurverrichting die is opgenomen in de kortetermijnplanning, brengt het agentschap via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot toewijzing op een jaarbudget voor die infrastructuurverrichting. De initiatiefnemer voegt het gunningsdossier bij zijn verzoek en verklaart dat het gunningsdossier in overeenstemming is met de basisaanbesteding van de verrichting, zoals ze is opgenomen in de kortetermijnplanning, en met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, het agentschap of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, en dat de procedure van de wetgeving op de overheidsopdrachten is nageleefd. Het agentschap bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Als de VMSW of een andere instantie optreedt als aanbestedende overheid van een infrastructuurverrichting, maakt ze zelf een gunningsdossier op, of laat ze een gunningsdossier opmaken door een ontwerper. De aanbestedende overheid brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het gunningsdossier klaar is. Vanaf dat moment kan de initiatiefnemer de VMSW conform het eerste lid verzoeken om voor de verrichting in kwestie middelen toe te wijzen op een jaarbudget.
 
Nadat een termijn van veertien kalenderdagen verstreken is, die ingaat op de dag na het verzoek, vermeld in het eerste en tweede lid, komt de verrichting in aanmerking voor toewijzing op een jaarbudget. De VMSW wijst de middelen voor de financiering van de verrichting toe op een jaarbudget.

Als het agentschap of de VMSW van oordeel is dat het verzoek tot toewijzing op het jaarbudget onvolledig is, vraagt ze bijkomende documenten of inlichtingen aan de initiatiefnemer. In dat geval wordt de termijn, vermeld in het derde lid, geschorst. De voormelde termijn begint opnieuw te lopen op de zevende dag na de dag waarop het agentschap en de VMSW alle bijkomende documenten of inlichtingen hebben ontvangen.

§ 3. Paragraaf 1 en 2 zijn niet van toepassing op de volgende verrichtingen, die na de kennisgeving van de gunning in aanmerking komen voor toewijzing op een jaarbudget:
1°       verrichtingen in het kader van een CBO-oproep;
2°       verrichtingen in het kader van een Design and Build-oproep.
 

Artikel 2.33/20.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

Om recht te hebben op een financiering als vermeld in artikel 2.33/1, 2°, b), e) of f), mogen verrichtingen niet worden besteld voordat ze conform artikel 2.33/19, §1, vijfde lid, of §2, derde lid, in aanmerking komen voor toewijzing op een jaarbudget, op voorwaarde dat de toewijzing mogelijk is binnen de perken van het resterende investeringsvolume dat op het jaarbudget beschikbaar is.
 
Als het agentschap of de VMSW na de bestelling van een verrichting vaststelt dat het gunningsdossier niet in overeenstemming is met de basisaanbesteding van de verrichting zoals ze is opgenomen in de kortetermijnplanning, niet in overeenstemming is met de normen of de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, het agentschap of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, of als tekortkomingen bij de uitvoering van de overheidsopdracht worden vastgesteld, verliest de initiatiefnemer voor de verrichting in kwestie zijn recht op een financiering als vermeld in artikel 2.33/1, 2°, b), e) of f). Met behoud van de toepassing van artikel 2.33/24 lost de initiatiefnemer zijn leningen vervroegd af en betaalt hij zijn subsidies, inclusief tussenkomsten, terug conform artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.
 
Als voor een investeringsverrichting waarvoor noch een vergunning of melding, noch een verhuisbeweging is vereist, geen voorontwerp is opgemaakt en geadviseerd en het agentschap of de VMSW na de bestelling vaststelt dat het gunningsdossier niet in overeenstemming is met het geadviseerde uitvoeringsdossier van de verrichting, zoals ze is opgenomen in de kortetermijnplanning, niet in overeenstemming is met de normen of de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, het agentschap of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, of als tekortkomingen bij de uitvoering van de overheidsopdracht worden vastgesteld, verliest de initiatiefnemer voor de verrichting in kwestie zijn recht op een financiering als vermeld in artikel 2.33/1, 2°, b). Met behoud van de toepassing van artikel 2.33/24 lost de initiatiefnemer zijn leningen vervroegd af en betaalt hij zijn subsidies, inclusief tussenkomsten, terug conform artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.
 

Artikel 2.33/21.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

Als de initiatiefnemer na de bestelling van een infrastructuur-, bouw- of investeringsverrichting door overmacht afwijkt van het gunningsdossier, blijft de toewijzing op het jaarbudget behouden, op voorwaarde dat er een oplossing wordt uitgewerkt binnen de mogelijkheden, vermeld in het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten.

De VMSW past het bedrag dat op een jaarbudget is toegewezen, en het prijsplafond voor die verrichting aan. De VSMW doet die aanpassing rekening houdend met de nieuwe omstandigheden en de prijsplafonds die zijn opgenomen in boek 5, deel 2, titel 1 en titel 3. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden worden de contractueel overeengekomen prijsherzieningen pro rata toegepast op het prijsplafond, op basis van de procentuele stijging van het totale aanbestedingsbedrag.
 

[Hoofdstuk 5. Beoordelingscommissie (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]

Artikel 2.33/22.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

§ 1. Een beoordelingscommissie wordt opgericht.
 
De beoordelingscommissie wordt als volgt samengesteld:
1°       de minister of zijn gemachtigde;
2°       drie vertegenwoordigers van het agentschap;
3°       drie vertegenwoordigers, voorgedragen door de woonmaatschappijen;
4°       één vertegenwoordiger, voorgedragen door de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, zonder stemrecht in de beoordelingscommissie.
 
Het voorzitterschap en het secretariaat van de beoordelingscommissie worden waargenomen door het agentschap.
 
§ 2. De beoordelingscommissie houdt jaarlijks ten minste drie keer, verspreid over het jaar, een reguliere bijeenkomst. Op de tweede bijeenkomst van een werkingsjaar legt de beoordelingscommissie de data vast van de reguliere bijeenkomsten in het volgende werkingsjaar.
 
§ 3. Op voorstel van het agentschap neemt de beoordelingscommissie op elke bijeenkomst een beslissing over de volgende aangelegenheden:
1°       de schrapping van verrichtingen uit de meerjarenplanning;
2°       de opname van verrichtingen in de kortetermijnplanning en de schrapping van verrichtingen uit de kortetermijnplanning.
 
Op voorstel van het agentschap neemt de beoordelingscommissie op de eerste reguliere bijeenkomst van een werkingsjaar een beslissing over het minimale budget voor de lancering van een nieuwe CBO-oproep. Op voorstel van het agentschap kan de beoordelingscommissie in de loop van een werkingsjaar het CBO-budget verhogen of verlagen.
 
Op elke bijeenkomst van de beoordelingscommissie rapporteert het agentschap over de volgende aangelegenheden:
1°       de Projectenlijst;
2°       de toewijzingen op het jaarbudget door de VMSW van het voorgaande en het huidige jaar, verdeeld over de financieringswijzen, vermeld in artikel 2.33/1, 2°, en, in voorkomend, geval de reservering van een deel van het jaarbudget voor bepaalde types van verrichtingen;
3°       de opname van verrichtingen in de meerjarenplanning conform artikel 2.33/13, §2, en in de kortetermijnplanning conform artikel 2.33/16, §2;
4°       de opvolging van projectvoorstellen voor de verwezenlijking van sociale huur- of koopwoningen die ingediend zijn in het kader van een CBO-oproep of een Design and Build-oproep.
 
Op de eerste bijeenkomst van de beoordelingscommissie van elke werkingsjaar rapporteert het agentschap over de afwijkingen van de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen die het agentschap en de kwaliteitskamer in het voorgaande werkingsjaar hebben toegestaan.
 
Als de beoordelingscommissie op andere tijdstippen bijeenkomt dan de reguliere bijeenkomsten, vermeld in paragraaf 2, neemt ze een beslissing over een of meer van de aangelegenheden, vermeld in het eerste lid, en rapporteert ze over de aangelegenheden, vermeld in het tweede lid.
 

Artikel 2.33/23.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

Minstens veertien kalenderdagen voor een reguliere bijeenkomst van de beoordelingscommissie bezorgt het agentschap aan de leden van de beoordelingscommissie de documenten, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid.
 
Om de beoordelingscommissie in staat te stellen een beslissing te nemen over de schrapping van verrichtingen uit de meerjarenplanning, bezorgt het agentschap:
1°       een overzicht van de volgende verrichtingen die in aanmerking komen voor schrapping uit de meerjarenplanning:
a)       de verrichtingen die gedurende drie jaar in de meerjarenplanning zijn opgenomen;
b)       de verrichtingen die het agentschap of de VMSW conform artikel 2.33/10 tijdelijk heeft stopgezet, samen met een motivatie voor de stopzetting;
2°       een voorstel van een aangepaste meerjarenplanning.
 
Om de beoordelingscommissie in staat te stellen een beslissing te nemen over de opname van verrichtingen in de kortetermijnplanning en de schrapping van verrichtingen uit de kortetermijnplanning, bezorgt het agentschap:
1°       een overzicht van de volgende verrichtingen die in aanmerking komen voor schrapping uit de kortetermijnplanning:
a)       de verrichtingen die gedurende acht maanden in de kortetermijnplanning zijn opgenomen;
b)       de verrichtingen die het agentschap of de VMSW conform artikel 2.33/10 tijdelijk heeft stopgezet;
2°       een overzicht van de verrichtingen die principieel in aanmerking komen voor opname in de kortetermijnplanning;
3°       een voorstel van een aangepaste kortetermijnplanning.
 
Met het oog op de rapportering aan de beoordelingscommissie over de toewijzingen op het jaarbudget van het voorgaande en het huidige jaar bezorgt de VMSW aan het agentschap de nodige informatie over:
1°       de verrichtingen waarvoor in het huidige en voorgaande begrotingsjaar middelen zijn toegewezen op een jaarbudget, opgesplitst per begrotingsjaar;
2°       de benuttingsgraad van de financieringswijzen, vermeld in artikel 2.33/1, 2°, b), c), d), e), f) en g), in het huidige en het voorgaande begrotingsjaar;
3°       de verwervingen van onbebouwde onroerende goederen en van andere bebouwde onroerende goederen dan goede woningen, waarvan de bouw- of investeringsverrichting is opgenomen in de meerjarenplanning of in de kortetermijnplanning, en een prognose voor de impact van de verwervingen op de financiering in het huidige en het volgende begrotingsjaar.
 

[Hoofdstuk 6. Beroepsmogelijkheden (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]

Artikel 2.33/24.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

In dit artikel wordt verstaan onder beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
1°       een aangetekende brief;
2°       een afgifte tegen ontvangstbewijs;
3°       een elektronische aangetekende zending;
4°       elke andere betekeningswijze die de minister heeft toegestaan, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.
 
De initiatiefnemer kan bij de kwaliteitskamer beroep aantekenen tegen de volgende adviezen of beslissingen:
1°       een ongunstig advies van het agentschap in het kader van de renovatietoets conform artikel 2.33/4, vijfde lid;
2°       een ongunstig advies van het agentschap bij een voorontwerp conform artikel 2.33/11, §3, vijfde lid;
3°       een ongunstig advies van het agentschap bij een uitvoeringsdossier conform artikel 2.33/14, §3, vijfde lid;
4°       een beslissing van het agentschap tot schrapping van een verrichting uit de kortetermijnplanning conform artikel 2.33/17;
5°       een beslissing van de VMSW tot verlies van het recht op financiering als vermeld in artikel 2.33/1, 2°, b), e) of f), voor een verrichting conform artikel 2.33/19, tweede en derde lid.
 
Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid betekend met een beveiligde zending binnen een termijn van zestig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de invoering van het advies of de beslissing van het agentschap of de VMSW in het Projectportaal.
 
De kwaliteitskamer neemt over het beroep een beslissing binnen een termijn van negentig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in het tweede lid. Het agentschap voert de beslissing van de kwaliteitskamer in het Projectportaal in, en brengt de initiatiefnemer met een beveiligde zending op de hoogte.
 
Als de kwaliteitskamer door de onvolledigheid van het dossier bijkomende documenten of inlichtingen moet opvragen, wordt de vervaltermijn, vermeld in het derde lid, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de zevende kalenderdag nadat de initiatiefnemer alle bijkomende documenten of inlichtingen met een beveiligde zending heeft betekend.
 
Als de beslissing van de kwaliteitskamer niet tijdig wordt betekend aan de initiatiefnemer, wordt het beroep geacht ingewilligd te zijn.
 
De beslissing van de kwaliteitskamer heeft dezelfde gevolgen als het advies van het agentschap, vermeld in artikel 2.33/4, artikel 2.33/11, §3, en artikel 2.33/14, §3, de beslissing van het agentschap, vermeld in artikel 2.33/17, en de beslissing van de VMSW, vermeld in artikel 2.33/20.
 

[Hoofdstuk 7. Indexatiebepaling (ing. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]

Artikel 2.33/25.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

De bedragen, vermeld in artikel 2.33/9, vierde lid, 2°, artikel 2.33/14, §4, eerste lid, 1°, en artikel 2.33/16, §2, eerste lid, 2°, worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan de evolutie van de ABEX-index van november van het voorgaande jaar, met als basis de ABEX-index van november 2017. Het resultaat wordt afgerond naar het eerstvolgende veelvoud van 100 euro.

[Titel 1/1. Vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging (verv. BVR 10 november 2022, art. 29, I: 1 januari 2023)]

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 2.34. (01/01/2021- ...)

De minister kan een gemeente geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de specifieke inhaalbeweging onder de voorwaarden en volgens de procedure, vermeld in deze titel.

Hoofdstuk 2. Procedure voor de aanvraag en beoordeling van een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging

Artikel 2.35. (01/01/2021- ...)

Een gemeente die een specifieke inhaalbeweging moet realiseren, kan met een beveiligde zending een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging indienen bij het agentschap.
 
In het eerste lid wordt verstaan onder beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
1°       een aangetekende brief;
2°       een afgifte tegen ontvangstbewijs;
3°       een elektronische aangetekende zending;
4°       elke andere betekeningswijze die de minister bepaalt, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.

Artikel 2.36. (01/01/2021- ...)

De aanvraag tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging bevat het wetenschappelijk onderbouwde dossier, vermeld in artikel 2.32, §2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Artikel 2.37. (01/01/2021- ...)

Binnen een termijn van een maand vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag deelt het agentschap de gemeente schriftelijk mee of de aanvraag ontvankelijk is en, in voorkomend geval, op welke wijze de aanvraag moet worden aangepast om ontvankelijk te zijn.
 
Nadat een aanvraag ontvankelijk is verklaard, oordeelt het agentschap of de aanvraag voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.32, §2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en in deze titel. Het agentschap legt het dossier voor aan de minister.
 
Binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum waarop de aanvraag ontvankelijk wordt verklaard, neemt de minister een beslissing over de aanvraag tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging.
 
Als de minister binnen de termijn, vermeld in het derde lid, geen beslissing neemt, wordt de aanvraag geacht te zijn goedgekeurd.
 
Het agentschap brengt de gemeente schriftelijk op de hoogte van de beslissing over de aanvraag, vermeld in het derde lid, en van het gebrek aan een beslissing binnen de termijn, vermeld in het vierde lid.

Hoofdstuk 3. Criteria voor de beoordeling van de aanvraag tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging

Afdeling 1. Gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging conform artikel 2.32, §2, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021

Artikel 2.38. (01/01/2021- ...)

De minister kan de gemeente die aantoont dat voldaan is aan het criterium, vermeld in artikel 2.32, §2, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, geheel vrijstellen van de specifieke inhaalbeweging.
 
De minister kan de gemeente die op de wijze, vermeld in artikel 2.32, §2, eerste lid, 1°, van de voormelde codex, aantoont dat de specifieke inhaalbeweging niet volledig kan worden gerealiseerd, gedeeltelijk vrijstellen van de specifieke inhaalbeweging.
 
In afwijking van het eerste en het tweede lid kan de minister een gemeente niet geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de specifieke inhaalbeweging als de gemeente geen actieprogramma als vermeld in artikel 2.6 van de voormelde codex, heeft vastgesteld.

Afdeling 2. Gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging conform artikel 2.32, §2, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021

Artikel 2.39. (01/01/2021- ...)

De minister kan de gemeente die aantoont dat voldaan is aan het criterium, vermeld in artikel 2.32, §2, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, geheel vrijstellen van de specifieke inhaalbeweging.

Afdeling 3. Vermindering van de specifieke inhaalbeweging conform artikel 2.32, §2, eerste lid, 3°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021
Onderafdeling 1. Woningen en voorzieningen die bestemd zijn voor het begeleid wonen van jongeren, en opvangtehuizen voor daklozen, ex-gedetineerden en ex-psychiatrische patiënten

Artikel 2.40. (01/01/2021- ...)

De minister kan de gemeente die aantoont dat op haar grondgebied woningen of voorzieningen als vermeld in artikel 2.32, §2, eerste lid, 3°, a), van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, aanwezig zijn, conform artikel 2.32, §2, tweede lid, van de voormelde codex een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met maximaal de helft verlenen.
 
Die vermindering bedraagt één te verwezenlijken sociale huurwoning per vijftien woningen als vermeld in het eerste lid, of per vijftien opvangplaatsen in voorzieningen als vermeld in het eerste lid.

Onderafdeling 2. Open en gesloten asielcentra

Artikel 2.41. (01/01/2021- ...)

§1. De minister kan de gemeente die aantoont dat op haar grondgebied een open asielcentrum aanwezig is, conform artikel 2.32, §2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met maximaal de helft verlenen.
 
Die vermindering bedraagt één te verwezenlijken sociale huurwoning per vijftien opvangplaatsen in het open asielcentrum, vermeld in het eerste lid.
 
In afwijking van het eerste lid kan de minister de gemeente die aantoont dat op haar grondgebied een open asielcentrum met ten minste tweehonderd opvangplaatsen aanwezig is, conform artikel 2.32, §2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met meer dan de helft verlenen.
 
§2. De minister kan de gemeente die aantoont dat op haar grondgebied een gesloten asielcentrum aanwezig is, een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met maximaal een vierde verlenen.
 
Die vermindering bedraagt één te verwezenlijken sociale huurwoning per vijftien opvangplaatsen in het gesloten asielcentrum, vermeld in het eerste lid.

Onderafdeling 3. Doortrekkersterreinen en residentiële terreinen voor woonwagenbewoners

Artikel 2.42. (01/01/2021- ...)

De minister kan de gemeente die aantoont dat op haar grondgebied een of meer doortrekkersterreinen of residentiële woonwagenterreinen aanwezig zijn, conform artikel 2.32, §2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met maximaal de helft verlenen.
 
De vermindering bedraagt één te verwezenlijken sociale huurwoning per tien standplaatsen op het doortrekkersterrein.
 
De vermindering bedraagt één te verwezenlijken sociale huurwoning per standplaats op het residentiële woonwagenterrein.

Afdeling 4. Vermindering van de specifieke inhaalbeweging conform artikel 2.32, §2, eerste lid, 4°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021

Artikel 2.43. (01/01/2021- ...)

De minister kan de gemeente die aantoont dat op haar grondgebied een of meer huurwoningen als vermeld in artikel 2.32, §2, eerste lid, 4°, a), van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, aanwezig zijn conform artikel 2.32, §2, tweede lid, van de voormelde codex een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met maximaal de helft verlenen.
 
Die vermindering bedraagt één te verwezenlijken sociale huurwoning per huurwoning als vermeld in het eerste lid.
 
Een huurwoning als vermeld in het eerste lid, die leidt tot een vermindering van de specifieke inhaalbeweging van de gemeente waar de woning ligt, telt niet mee voor het bindend sociaal objectief van de gemeente in kwestie, ook al wordt de woning later overgedragen of in beheer gegeven aan een andere sociale woonorganisatie of aan een ander openbaar bestuur dat actief is in de gemeente.

Titel 2. Monitoring

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 2.44. (01/01/2021- ...)

In deze titel wordt verstaan onder beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
1°       een aangetekende brief;
2°       een afgifte tegen ontvangstbewijs;
3°       een elektronische aangetekende zending;
4°       elke andere betekeniswijze die de minister heeft toegestaan, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.

Artikel 2.45. (25/04/2022- 31/12/2022)

Een sociaal woonaanbod is gerealiseerd vanaf de volgende tijdstippen:
1°       bij de realisatie van huurwoningen die worden onderverhuurd door een woonmaatschappij: vanaf de datum van ondertekening van de onderhuurovereenkomst;
2°       bij de realisatie van andere huurwoningen dan die, vermeld in punt 1°, die worden verhuurd door een initiatiefnemer als vermeld in artikel 4.13, §1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021: vanaf de datum van ondertekening van de huurovereenkomst;
3°       bij de realisatie van koopwoningen en kavels die worden overgedragen door een initiatiefnemer als vermeld in artikel 4.13, §1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021: vanaf de datum van de voorlopige oplevering.

Artikel 2.46. (01/01/2021- ...)

Met behoud van de toepassing van artikel 2.45 wordt onder een toename van het sociaal woonaanbod ten minste verstaan:
1°       nieuwbouw van sociale woningen;
2°       vervangingsbouw die leidt tot een uitbreiding van het aantal sociale woningen;
3°       renovatie die leidt tot een uitbreiding van het aantal sociale woningen;
4°       omvorming van gebouwen tot sociale woningen;
5°       opsplitsing van een sociale woning in meerdere sociale woningen;
6°       eerste verhuring of eerste onderverhuring van woningen conform een van de volgende reglementeringen:
a)       het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode;
b)       het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2011 betreffende de werking en het beheer van het Investeringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant en tot wijziging van diverse besluiten tot uitvoering van de Vlaamse Wooncode;
c)       het provinciaal reglement betreffende de werking en het beheer van het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant - Vlabinvest apb, werkwijze van het beoordelingscomité en de samenstelling en werkwijze van het beroepscomité van Vlabinvest apb, goedgekeurd bij besluit van de Provincieraad van Vlaams-Brabant op 25 februari 2014;
d)       boek 6 van dit besluit;
7°       verwezenlijking van sociale kavels;
8°       opsplitsing van een perceel of kavel in sociale kavels;
9°       overdracht van woningen of kavels conform een van de volgende reglementeringen:
a)       het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode;
b)       het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2011 betreffende de werking en het beheer van het Investeringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant en tot wijziging van diverse besluiten tot uitvoering van de Vlaamse Wooncode;
c)       het provinciaal reglement betreffende de werking en het beheer van het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant - Vlabinvest apb, werkwijze van het beoordelingscomité en de samenstelling en werkwijze van het beroepscomité van Vlabinvest apb, goedgekeurd bij besluit van de Provincieraad van Vlaams-Brabant op 25 februari 2014;
d)       artikel 4.55 tot en met 4.58, artikel 4.150 tot en met 4.155 en boek 5, deel 8, van dit besluit;
10°     terugname van huurwoningen met toepassing van het recht van wederinkoop, vermeld in artikel 5.92, §1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
 
Onder een afname van het aanbod aan sociale huurwoningen wordt ten minste verstaan:
1°       sloop of afbraak van sociale huurwoningen;
2°       vervangingsbouw die leidt tot een vermindering van het aantal sociale huurwoningen;
3°       renovatie die leidt tot een vermindering van het aantal sociale huurwoningen;
4°       omvorming van sociale huurwoningen tot gebouwen met een andere functie dan wonen;
5°       samenvoeging van twee of meer sociale huurwoningen tot één sociale huurwoning;
6°       einde van de verhuring of onderverhuring van woningen conform een van de volgende reglementeringen:
a)       het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode;
b)       het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2011 betreffende de werking en het beheer van het Investeringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant en tot wijziging van diverse besluiten tot uitvoering van de Vlaamse Wooncode;
c)       het provinciaal reglement betreffende de werking en het beheer van het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant - Vlabinvest apb, werkwijze van het beoordelingscomité en de samenstelling en werkwijze van het beroepscomité van Vlabinvest apb, goedgekeurd bij besluit van de Provincieraad van Vlaams-Brabant op 25 februari 2014;
d)       boek 6 van dit besluit;
7°       verkoop van sociale huurwoningen aan de zittende huurder in het kader van het kooprecht, vermeld in artikel 43 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, zoals van kracht voor 24 april 2017;
8°       verkoop van sociale huurwoningen aan de zittende huurder of aan derden conform de voorwaarden en de procedure voor de vrijwillige verkoop van sociale huurwoningen, vastgesteld krachtens artikel 4.45, derde lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Hoofdstuk 2. Monitoring van het sociaal woonaanbod, de sociale eigendomsverwerving en het aanbod van standplaatsen voor woonwagens

Afdeling 1. Gegevensverstrekking over het geplande sociaal woonaanbod

Artikel 2.47. (01/01/2021- 31/12/2022)

De VMSW bezorgt het agentschap jaarlijks uiterlijk op 30 april een overzicht van het geplande sociaal woonaanbod per gemeente, waarbij ze een onderscheid maakt tussen de volgende categorieën van verrichtingen:
1°       de bouw van een of meer sociale of daarmee gelijkgestelde woningen die een toename van het sociaal woonaanbod oplevert en aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
a)       de verrichting is opgenomen in de meerjarenplanning;
b)       de verrichting is opgenomen in de kortetermijnplanning;
c)       voor de verrichting zijn middelen toegewezen op een jaarbudget, en de werkzaamheden zijn nog niet voltooid;
d)       de financiering gebeurt met eigen middelen van de initiatiefnemer of met een marktconforme lening en de VMSW heeft vastgesteld dat naargelang het geval het voorontwerp, het uitvoeringsdossier of het gunningsdossier in overeenstemming is met de technische normen en de prijsnormen;
2°       de investering in de renovatie, verbetering of aanpassing van een of meer sociale of daarmee gelijkgestelde woningen die een toename van het sociaal woonaanbod oplevert en aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
a)       de verrichting is opgenomen in de meerjarenplanning;
b)       de verrichting is opgenomen in de kortetermijnplanning;
c)       voor de verrichting zijn middelen toegewezen op een jaarbudget, en de werkzaamheden zijn nog niet voltooid;
d)       de financiering gebeurt met eigen middelen van de initiatiefnemer of met een marktconforme lening en de VMSW heeft vastgesteld dat naargelang het geval het voorontwerp, het uitvoeringsdossier of het gunningsdossier in overeenstemming is met de technische normen en de prijsnormen;
3°       de verkaveling van gronden met infrastructuuraanleg:
a)       de verrichting is opgenomen in de meerjarenplanning;
b)       de verrichting is opgenomen in de kortetermijnplanning;
c)       voor de verrichting zijn middelen toegewezen op een jaarbudget, en de werkzaamheden zijn nog niet voltooid;
d)       de financiering gebeurt met eigen middelen van de initiatiefnemer of met een marktconforme lening en de VMSW heeft vastgesteld dat naargelang het geval het voorontwerp, het uitvoeringsdossier of het gunningsdossier in overeenstemming is met de technische normen en de prijsnormen.
 
Voor elk van de verrichtingen, vermeld in het eerste lid, geeft de VMSW de omvang aan van het geplande sociaal woonaanbod, uitgedrukt in aantallen bijkomende huurwoningen, koopwoningen en kavels.

Afdeling 2. Gegevensverstrekking over de toe- en afname van het sociaal woonaanbod

Artikel 2.48. (25/04/2022- 31/12/2022)

De VMSW bezorgt het agentschap jaarlijks uiterlijk op 30 april een overzicht van de volgende typen sociaal woonaanbod in elke gemeente:
1°       een lijst van huurwoningen die op 31 december van het voorgaande jaar door de VMSW of de woonmaatschappijen worden verhuurd of onderverhuurd conform een van de volgende reglementeringen:
a)       het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode;
b)       het provinciaal reglement betreffende de werking en het beheer van het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant - Vlabinvest apb, werkwijze van het beoordelingscomité en de samenstelling en werkwijze van het beroepscomité van Vlabinvest apb, goedgekeurd bij besluit van de Provincieraad van Vlaams-Brabant op 25 februari 2014;
c)       boek 6 van dit besluit;
2°       een lijst van koopwoningen en kavels die de VMSW of de woonmaatschappijen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december van het voorgaande jaar hebben overgedragen conform een van de volgende reglementeringen:
a)       het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode;
b)       het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2011 betreffende de werking en het beheer van het Investeringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant en tot wijziging van diverse besluiten tot uitvoering van de Vlaamse Wooncode;
c)       het provinciaal reglement betreffende de werking en het beheer van het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant - Vlabinvest apb, werkwijze van het beoordelingscomité en de samenstelling en werkwijze van het beroepscomité van Vlabinvest apb, goedgekeurd bij besluit van de Provincieraad van Vlaams-Brabant op 25 februari 2014;
d)       artikel 4.55 tot en met 4.58, artikel 4.150 tot en met 4.155 en boek 5, deel 8, van dit besluit.

Artikel 2.49. (01/01/2021- ...)

Het VWF bezorgt het agentschap jaarlijks uiterlijk op 30 april een overzicht van de volgende typen sociaal woonaanbod in elke gemeente:
1°       een lijst van huurwoningen die het VWF op 31 december van het voorgaande jaar verhuurt of onderverhuurt conform een van de reglementeringen, vermeld in artikel 2.48, 1°;
2°       een lijst van koopwoningen die het VWF in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december van het voorgaande jaar door heeft overgedragen conform een van de reglementeringen, vermeld in artikel 2.48, 2°.

Artikel 2.50. (01/01/2021- ...)

Elke gemeente bezorgt het agentschap jaarlijks uiterlijk op 30 april een overzicht van de volgende typen sociaal woonaanbod:
1°       de huurwoningen op haar grondgebied waarvan de eerste verhuring of onderverhuring conform een van de volgende reglementeringen dateert van na de nulmeting, en die een openbaar bestuur op 31 december van het voorgaande jaar verhuurt of onderverhuurt conform een van de reglementeringen, vermeld in artikel 2.48, 1°;
2°       de koopwoningen en kavels op haar grondgebied die een openbaar bestuur in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december van het voorgaande jaar heeft overgedragen conform een van de reglementeringen, vermeld in artikel 2.48, 2°.

Afdeling 3. Gegevensverstrekking over de sociale eigendomsverwerving

Artikel 2.51. (01/01/2021- 31/12/2022)

De VMSW bezorgt het agentschap jaarlijks uiterlijk op 30 april een overzicht per provincie van de bijzondere sociale leningen die in het voorgaande jaar zijn verstrekt voor de financiering van de aankoop van een woning die in het Vlaamse Gewest ligt als vermeld in artikel 5.66, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Artikel 2.52. (01/01/2021- ...)

Het VWF bezorgt het agentschap jaarlijks uiterlijk op 30 april een overzicht per provincie van de bijzondere sociale leningen die in het voorgaande jaar zijn verstrekt voor de financiering van de aankoop van een woning die in het Vlaamse Gewest ligt als vermeld in artikel 5.66, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Afdeling 4. Gegevensverstrekking over het aanbod van standplaatsen voor woonwagens

Artikel 2.53. (01/01/2021- ...)

Het agentschap maakt jaarlijks in de maand januari op basis van de beschikbare informatie een lijst bekend van het bestaande aanbod van standplaatsen voor woonwagens op residentiële woonwagenterreinen en doortrekkersterreinen.
 
Uiterlijk op 30 april van dat jaar bezorgt elke gemeente het agentschap een overzicht van residentiële woonwagenterreinen en doortrekkersterreinen op haar grondgebied die niet voorkomen op de lijst, vermeld in het eerste lid.
 
Op basis van de tijdig bezorgde aanvullingen van de gemeenten, vermeld in het tweede lid, maakt het agentschap op het moment van de bekendmaking, vermeld in artikel 2.59, tweede lid, een geactualiseerd overzicht per gemeente bekend van het bestaande aanbod van standplaatsen voor woonwagens op residentiële woonwagenterreinen en doortrekkersterreinen.

Hoofdstuk 3. Voortgangstoets over de implementatie van het bindend sociaal objectief

Artikel 2.54. (01/01/2021- ...)

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de tweejaarlijkse voortgangstoetsen die het agentschap na 2014 uitvoert.

Artikel 2.55. (01/01/2021- ...)

Voor elke gemeente waar het bindend sociaal objectief nog niet is bereikt, berekent het agentschap:
1°       het percentage geplande sociale huurwoningen op basis van de formule Plan Huur/Obj Huur, waarbij:
a)       Plan Huur: het aantal geplande sociale en daarmee gelijkgestelde huurwoningen, vermeld in artikel 2.47;
b)       Obj Huur: het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen, vastgesteld conform artikel 2.31 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
2°       het percentage gerealiseerde sociale huurwoningen op basis van de formule Real Huur/Obj Huur, waarbij:
a)       Real Huur: het aantal gerealiseerde sociale en daarmee gelijkgestelde huurwoningen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december van het jaar voor het jaar waarin de voortgangstoets wordt uitgevoerd;
b)       Obj Huur: het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen, vastgesteld conform artikel 2.31 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
 
Het percentage geplande sociale huurwoningen, vastgesteld conform het eerste lid, 1°, en het percentage gerealiseerde sociale huurwoningen, vastgesteld conform het eerste lid, 2°, worden vergeleken met het groeipad voor sociale huurwoningen.
 
Een gemeente volgt het groeipad voor sociale huurwoningen als aan een of elk van de volgende criteria is voldaan:
1°       het percentage gerealiseerde sociale huurwoningen is gelijk aan of groter dan het groeipad;
2°       de som van het percentage geplande sociale huurwoningen en het percentage gerealiseerde sociale huurwoningen is groter dan het groeipad, verhoogd met 20%.

Artikel 2.56. (01/01/2021- ...)

Op basis van de resultaten van de berekeningen en vergelijkingen, vermeld in artikel 2.55, brengt het agentschap de gemeenten voorlopig onder in een van de volgende categorieën:
1°       categorie 1: gemeenten die het groeipad volgen;
2°       categorie 2: gemeenten die het groeipad niet volgen.
 
Het agentschap brengt de gemeenten met een beveiligde zending op de hoogte van de voorlopige indeling in categorieën, vermeld in het eerste lid.

Artikel 2.57. (01/01/2021- ...)

§1. Elke gemeente die voorlopig wordt ingedeeld in categorie 2, bezorgt het agentschap met een beveiligde zending een plan van aanpak binnen een termijn van drie maanden die ingaat op de dag na de dag van de kennisgeving door het agentschap over de voorlopige indeling in categorieën. In dat plan van aanpak toont de gemeente aan dat ze voldoende inspanningen levert om het bindend sociaal objectief te bereiken door een van de volgende opties uit werken:
1°       het vooropgestelde sociaal woonaanbod kan volledig gerealiseerd worden door de sociale woonorganisaties of de openbare besturen, vermeld in paragraaf 2;
2°       de gemeente wendt het instrumentarium voor de verwezenlijking van een sociaal woonaanbod regelmatig aan als vermeld in paragraaf 3, en bereikt voor elk van de prestatievelden, vermeld in paragraaf 4, het minimaal vereiste uitvoeringsniveau.
 
Het plan van aanpak wordt voorafgaandelijk goedgekeurd door het college van burgemeester en schepenen.
 
§2. Een gemeente toont aan dat het vooropgestelde sociaal woonaanbod volledig en binnen de termijn voor realisatie van de verschillende deelobjectieven gerealiseerd kan worden op gronden van de sociale woonorganisaties of de openbare besturen door het agentschap elk van de volgende documenten te bezorgen:
1°       een lijst met gronden die de sociale woonorganisaties of de openbare besturen in eigendom hebben;
2°       een op het lokaal woonoverleg afgesproken planning voor de realisatie van een bijkomend sociaal woonaanbod op de gronden, vermeld in punt 1°.
 
§3. Een gemeente wendt het instrumentarium voor de verwezenlijking van een sociaal woonaanbod regelmatig aan als ze elk van de volgende verplichtingen nakomt:
1°       de rechtsplicht, vermeld in artikel 2.29, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, nakomen;
2°       de gezamenlijke oppervlakte berekenen van de onbebouwde bouwgronden en kavels die Vlaamse besturen in eigendom hebben en, in voorkomend geval, van de Vlaamse semipublieke rechtspersonen aan de hand van een geactualiseerd register van onbebouwde percelen als vermeld in artikel 2.2.5 van het decreet Grond- en Pandenbeleid, en een actieprogramma als vermeld in artikel 2.6 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, opmaken en uitvoeren.
 
§4. Met behoud van de toepassing van paragraaf 3 wordt een gemeente beoordeeld op de onderstaande prestatievelden:
1°       voeren van een beleid inzake bestrijding van leegstand van gebouwen en woningen;
2°       aanwenden van het lokaal woonoverleg, vermeld in artikel 2.2 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, om het bindend sociaal objectief te bereiken.
 
Voor het prestatieveld, vermeld in het eerste lid, 1°, beschikt de gemeente minimaal over een geactualiseerd leegstandsregister als vermeld in artikel 2.9 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
 
Voor het prestatieveld, vermeld in het eerste lid, 2°, beschikt de gemeente minimaal over een lokaal woonoverleg dat ten minste twee keer per jaar samenkomt, en een verslag waaruit blijkt dat de gemeente:
1°       actief gezocht heeft naar locaties voor sociale woonprojecten;
2°       doelgroepen voor sociaal wonen afbakent op basis van wachtlijsten of gegevens van het lokaal sociaal beleid.
 
§5. Na mededeling aan de Vlaamse Regering kan de minister het minimaal vereiste uitvoeringsniveau van de prestatievelden, vermeld in paragraaf 4, verhogen of bijkomende prestatievelden opleggen.

Artikel 2.58. (01/01/2021- ...)

§1. Het agentschap brengt de gemeenten die voorlopig ondergebracht zijn in categorie 2, onder in een van de volgende categorieën:
1°       categorie 2a: gemeenten die het groeipad niet volgen, maar voldoende inspanningen leveren om het bindend sociaal objectief te bereiken;
2°       categorie 2b: gemeenten die het groeipad niet volgen en onvoldoende inspanningen leveren om het bindend sociaal objectief te bereiken.
 
Een gemeente die nalaat tijdig een plan van aanpak als vermeld in artikel 2.57, aan het agentschap te bezorgen en daarvoor geen geldige reden opgeeft, wordt ondergebracht in categorie 2b als vermeld in het eerste lid, 2°.
 
Het agentschap bezorgt de minister een lijst met de gemeenten die ondergebracht worden in categorie 2b. Na mededeling aan de Vlaamse Regering keurt de minister de lijst goed. De goedgekeurde lijst wordt bekendgemaakt.
 
§2. Een gemeente die definitief wordt ondergebracht in categorie 2b, kan een overeenkomst sluiten met een of meer sociale woonorganisaties of openbare besturen. In die overeenkomst gaan de partijen het engagement aan om in de periode van drie jaar die volgt op de datum van sluiting de maatregelen voor een bijkomend sociaal woonaanbod in de gemeente op te starten. De minister kan zich als derde partij aansluiten bij die overeenkomst.
 
§3. Een gemeente die definitief wordt ingedeeld in categorie 2b en geen overeenkomst als vermeld in paragraaf 1 heeft gesloten, wordt geacht kennelijk onvoldoende inspanningen te leveren om het bindend sociaal objectief te bereiken als vermeld in artikel 2.23, §2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
 
Na mededeling aan de Vlaamse Regering sluit de minister een overeenkomst met een sociale woonorganisatie die bereid is om het vereiste sociaal woonaanbod op het grondgebied van een gemeente als vermeld in het eerste lid, te realiseren.
 
In de overeenkomst wordt bepaald dat de sociale woonorganisatie de minister periodiek een voortgangsrapport bezorgt waarin ze, naast een stand van zaken van de realisatie van het vereiste sociaal woonaanbod, aangeeft in welke mate de gemeente meewerkt aan de implementatie van de overeenkomst. Als een sociale woonorganisatie van oordeel is dat een gemeente niet of onvoldoende meewerkt, motiveert de sociale woonorganisatie dat in het voortgangsrapport. De sociale woonorganisatie bezorgt de gemeente met een beveiligde zending een afschrift van het voortgangsrapport.
 
Als een sociale woonorganisatie in een voortgangsrapport als vermeld in het eerste lid, aangeeft dat een gemeente niet of onvoldoende meewerkt, kan de gemeente in kwestie binnen een termijn van een maand, die ingaat op de dag na de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, de sociale woonorganisatie met een beveiligde zending een reactie op het voortgangsrapport bezorgen. De gemeente bezorgt de minister een afschrift van de reactie.
 
Op basis van het voortgangsrapport van de sociale woonorganisatie, vermeld in het eerste lid, en de reactie van de gemeente, vermeld in het tweede lid, beslist de minister of een gemeente haar verplichting tot medewerking aan de implementatie van de overeenkomst al dan niet nakomt. Als de minister oordeelt dat de gemeente haar verplichting niet nakomt, kan hij het sanctiemechanisme, vermeld in artikel 2.23, §2, derde lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, in werking stellen.

Hoofdstuk 4. Beoordeling of het bindend sociaal objectief van een gemeente bereikt is

Afdeling 1. Ambtshalve door het agentschap

Artikel 2.59. (01/01/2021- ...)

Op basis van de gegevens waarover het agentschap op 30 april van elk jaar beschikt met toepassing van artikel 2.47, artikel 2.48, artikel 2.49 en artikel 2.50:
1°       maakt het agentschap per gemeente een actueel overzicht van het geplande en het gerealiseerde sociaal woonaanbod;
2°       berekent het agentschap per gemeente voor de sociale en daarmee gelijkgestelde huurwoningen de nettotoename ten opzichte van de nulmeting. Dat is het verschil tussen de toename en de afname van sociale huurwoningen.
 
Het agentschap maakt de resultaten van de berekening, vermeld in het eerste lid, bekend.
 
Het bindend sociaal objectief van een gemeente is pas bereikt als voor de sociale en daarmee gelijkgestelde huurwoningen de nettotoename ten opzichte van de nulmeting overeenstemt met het objectief voor sociale huurwoningen.

Artikel 2.60. (01/01/2021- ...)

Als het agentschap op basis van de berekening, vermeld in artikel 2.59, eerste lid, vaststelt dat het bindend sociaal objectief van een gemeente bereikt is, wordt de gemeente daarvan met een beveiligde zending op de hoogte gebracht.
 
De kennisgeving, vermeld in het eerste lid, geeft de gemeente het recht om een gemeentelijk bericht bekend te maken waaruit blijkt dat het bindend sociaal objectief bereikt is.

Artikel 2.61. (01/01/2021- ...)

Op basis van de gegevens waarover het agentschap op 30 april 2026 beschikt, gaat het voor elke gemeente na of het bindend sociaal objectief uiterlijk op 31 december 2025 is bereikt.
 
Als een gemeente met toepassing van artikel 2.31, derde lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 een uitstel van ten hoogste vijf jaar gekregen heeft, gaat het agentschap in afwijking van het eerste lid na het verstrijken van die termijn van uitstel na of het bindend sociaal objectief van die gemeente tijdig is bereikt.

Afdeling 2. Op initiatief van de gemeente

Artikel 2.62. (01/01/2021- ...)

Als een gemeente van oordeel is dat haar bindend sociaal objectief is bereikt, meldt ze dat aan het agentschap, samen met een motiveringsnota ter staving van het feit dat het bindend sociaal objectief bereikt is.
 
De minister bepaalt de vorm en de minimale inhoud van de motiveringsnota, vermeld in het eerste lid. De gemeente voegt minstens een actueel overzicht toe van de typen sociaal woonaanbod, respectievelijk vermeld in artikel 2.50, 1°.

Artikel 2.63. (01/01/2021- 31/12/2022)

Op basis van de gegevens over de toe- en afname van het sociaal woonaanbod waarover het beschikt, berekent het agentschap voor de sociale en daarmee gelijkgestelde huurwoningen de nettotoename ten opzichte van de nulmeting. Dat is het verschil tussen de toename en de afname van sociale en daarmee gelijkgestelde huurwoningen.
 
Het agentschap kan voor de berekening, vermeld in het eerste lid, bij de VMSW en bij het VWF een actueel overzicht opvragen van de typen sociaal woonaanbod, vermeld in artikel 2.48 en 2.49, in de gemeente.
 
Artikel 2.59, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.64. (01/01/2021- ...)

§1. Als het agentschap op basis van de berekening, vermeld in artikel 2.63, eerste lid, vaststelt dat het bindend sociaal objectief van de gemeente bereikt is, wordt de gemeente daarvan met een beveiligde zending op de hoogte gebracht.
 
De kennisgeving, vermeld in het eerste lid, geeft de gemeente het recht om een gemeentelijk bericht bekend te maken waaruit blijkt dat het bindend sociaal objectief bereikt is.
 
§2. Als het agentschap op basis van de berekening, vermeld in artikel 2.63, eerste lid, vaststelt dat het bindend sociaal objectief van een gemeente nog niet bereikt is, wordt de gemeente daarvan met een beveiligde zending op de hoogte gebracht.

Titel 3. Territoriale planning

Artikel 2.65. (01/01/2021- ...)

Zonder afbreuk te doen aan de bepaling van artikel 2.67, eerste lid, worden de gebieden als woonvernieuwingsgebied erkend, die gevormd zijn door de statistische buurten samen te voegen, zoals vastgesteld door het Nationaal Instituut van de Statistiek, die gelegen zijn in het Vlaamse Gewest en die aan al de volgende criteria voldoen:
1°       de statistische buurt telt minstens tweehonderd inwoners;
2°       de bevolkingsdichtheid in de statistische buurt bedraagt minstens vier inwoners per hectare;
3°       minstens 11% van de woningen in de statistische buurt vertoont minstens één gebrek aan de buitenkant of minstens 20% van de woningen beschikt niet over klein comfort;
4°       de statistische buurt behoort tot een cluster van buurten met vergelijkbare kenmerken die op de meeste of op alle van de volgende variabelen merkelijk slechter scoort dan het Vlaamse gemiddelde:
a)       aandeel slechte woningen;
b)       aandeel woningen zonder klein comfort;
c)       aandeel woningen gebouwd voor 1945;
d)       aandeel woningen met een cumulatie van ontbrekende gerieflijkheden;
e)       aandeel woningen met privétoilet;
f)        aandeel woningen met badkamer;
g)       aandeel woningen met centrale verwarming;
h)       aandeel huurappartementen;
i)        aandeel woningen van minder dan 35 m²;
j)        oppervlakte per bewoner.
 
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:
1°       gebrek aan de buitenkant: een gebrek aan een essentieel uitwendig bouwonderdeel, namelijk het dak, een gevel of een raam;
2°       klein comfort: stromend water, toilet met waterspoeling en een badkamer of stortbad;
3°       gerieflijkheden: stromend water, met privétoilet, een badkamer of stortbad, een afvoersysteem voor afvalwater en een minimale oppervlakte van de woning.
 
De gebieden, aangeduid in de bijlage 2 van dit besluit, worden als woonvernieuwingsgebieden beschouwd. Deze lijst van woonvernieuwingsgebieden, kan na advies van de onderzoekscel, vermeld in artikel 2.39 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, periodiek worden aangepast door de Vlaamse Regering, op basis van de actualisering van de gegevens, vermeld in artikel 2.38, tweede lid, van de voormelde codex.

Artikel 2.66. (01/01/2021- ...)

Zonder afbreuk te doen aan artikel 2.67, eerste lid, worden de gebieden als woningbouwgebied erkend, die gevormd worden door de statistische buurten samen te voegen, zoals vastgesteld door het Nationaal Instituut voor de Statistiek, die gelegen zijn in het Vlaamse Gewest, die aan al de volgende criteria voldoen, en die niet erkend zijn als woonvernieuwingsgebied conform artikel 2.65:
1°       de statistische buurt telt minstens tweehonderd inwoners;
2°       de bevolkingsdichtheid in de statistische buurt bedraagt vier inwoners per hectare.
 
De gebieden, aangeduid in de bijlage 3 van dit besluit, worden als woningbouwgebieden beschouwd. De lijst van woningbouwgebieden, kan na advies van de onderzoekscel, vermeld in artikel 2.39 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, periodiek worden aangepast door de Vlaamse Regering, op basis van de actualisering van de gegevens, vermeld in artikel 2.38, tweede lid, van de voormelde codex.

Artikel 2.67. (01/01/2021- ...)

De renovatie, verbetering of aanpassing van woningen en de bouw ervan binnen de woonvernieuwings- en de woningbouwgebieden blijft onderworpen aan de geldende bepalingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw.
 
Het agentschap bezorgt aan elke gemeente een plan waarop de afbakening van de woonvernieuwings- en woningbouwgebieden gedetailleerd is weergegeven, alsook een dossier met de meest recente gegevens op basis waarvan de statistische buurten zijn geselecteerd.

[Titel 4. Behoeftebepaling van woonmaatschappijen die woningen inhuren op de private huurmarkt in het kader van een SVK Pro-oproep (ing. BVR 10 november 2022, art. 35, I: 1 januari 2023)]

Artikel 2.67/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

§ 1. Voordat het agentschap een SVK Pro-oproep lanceert, bevraagt het de woonmaatschappijen over hun bereidheid om deel te nemen aan de SVK Pro-oproep en over hun behoeften op het vlak van de inhuurneming van bijkomende woningen in het kader van de SVK Pro-oproep.
 
§ 2. Een woonmaatschappij stelt de behoefte aan de inhuurneming van bijkomende woningen vast en bespreekt die behoeftebepaling op het lokaal woonoverleg van de gemeente of gemeenten waar de woonmaatschappij een behoefte heeft vastgesteld. De bespreking van de behoeftebepaling op het lokaal woonoverleg van een gemeente impliceert een aanvraag bij die gemeente om een toets aan het gemeentelijke beleid uit te voeren.
 
De bespreking op het lokaal woonoverleg gebeurt op basis van een fiche die al de volgende gegevens bevat:
1°          het gebied waar de inhuurneming van bijkomende woningen door de woonmaatschappij gewenst is, namelijk het volledige grondgebied van de gemeente of een gedeelte ervan;
2°          het gewenste aantal bijkomende woningen in het gebied, vermeld in punt 1°;
3°      de gewenste typologie van de woningen, vermeld in punt 2°.
 
§ 3. Binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de bespreking van de behoeftebepaling op het lokaal woonoverleg, voert de gemeente een toets aan het gemeentelijke beleid uit. In de toets aan het gemeentelijke beleid neemt de gemeente een beslissing over de toets van de behoeftebepaling aan het gemeentelijke beleid. De gemeente brengt de woonmaatschappij op de hoogte van haar beslissing.
 
 Als de gemeente door de onvolledigheid van de aanvraag bijkomende documenten of inlichtingen moet opvragen, wordt de vervaltermijn, vermeld in het eerste lid, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de zevende kalenderdag nadat de gemeente alle bijkomende documenten of inlichtingen heeft ontvangen.
 
 Als de gemeente beslist dat de behoeftebepaling past in het gemeentelijke beleid, kan de woonmaatschappij voor de gemeente in kwestie de behoeftebepaling indienen bij het agentschap om deel te nemen aan de SVK Pro-oproep.
 
 Als de gemeente beslist dat de behoeftebepaling niet past in het gemeentelijke beleid, past de woonmaatschappij haar behoeftebepaling aan en bespreekt ze die opnieuw op het lokaal woonoverleg.
 
 Als de gemeente niet tijdig een beslissing neemt over de toets aan het gemeentelijke beleid, wordt de behoeftebepaling geacht te passen in het gemeentelijke beleid.
 
§ 4. Het college van burgemeester en schepenen voert de toets aan het gemeentelijke beleid uit.
 
Als de gemeente beschikt over een goedgekeurde visie op het vlak van lokaal sociaal woonbeleid, kan het college van burgemeester en schepenen de uitvoering van en de beslissing over de toets aan het gemeentelijke beleid:
1°          delegeren aan een lid van het college of aan een of meer personeelsleden van de gemeente die daarvoor speciaal zijn aangewezen;
2°       toevertrouwen aan een intergemeentelijke administratieve eenheid.

§ 5. Bij de lancering van een SVK Pro-oproep kan een woonmaatschappij de behoeftebepaling die bij de vorige SVK Pro-oproep werd vastgesteld, opnieuw gebruiken als bij die vorige SVK Pro-oproep geen projecten werden gegund.
 

Boek 3. Woningkwaliteitsbewaking

Deel 1. Definities [en algemene bepalingen (ing. BVR 14 oktober 2022, art. 3)]

Artikel 3.1. (03/12/2022- datum onbepaald)

In dit boek wordt verstaan onder:
1° aangepaste gezondheidsindex: de gezondheidsindex van de maand november die voorafgaat aan de aanpassing;
2° appartement: een zelfstandige woning in een gebouw met minstens een andere woning of een eenheid zonder woonfunctie, waarbij de eenheden een gemeenschappelijke voorziening of een gemeenschappelijk dak hebben;
3° brandtoezichter: de persoon die door de gemeente belast is met de opdracht van toezicht op de brandveiligheid van woningen;
4° gezondheidsindex: de gezondheidsindex, vermeld in artikel 2, §1, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ’s lands concurrentievermogen.
5° kennisgeving: een bekendmaking of mededeling zonder specifieke vormvoorwaarden;

Artikel 3.1/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(datum onbepaald- ...)

Behoudens afwijkende bepalingen gebeuren de betekeningen die door dit boek worden opgelegd en het aanvangspunt vormen van een termijn, altijd met een beveiligde zending. 

Behoudens afwijkende bepalingen neemt de termijn, vermeld in het eerste lid, een aanvang de dag na de dag waarop de beveiligde zending is ontvangen. Dit is ook het geval voor de termijn die aanvangt nadat een beroep wordt ontvangen. Termijnen worden geteld in dagen.

De beveiligde zending met een aangetekende brief wordt geacht te zijn ontvangen op de derde werkdag na de afgifte bij de post, behalve als het tegendeel wordt bewezen. 

Zaterdagen, zondagen en de feestdagen, vermeld in artikel 1 van het Koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen, zijn geen werkdagen als vermeld in het derde lid.

Deel 2. Veiligheids-, gezondheids- en woningkwaliteitsnormen

Artikel 3.2. (01/03/2022- datum onbepaald)

§1. De vereisten en normen waaraan elke woning moet voldoen conform artikel 3.1, §1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zijn vermeld in de modellen van het technisch verslag, die opgenomen zijn in bijlage 4, 5 en 6, die bij dit besluit zijn gevoegd.
 
§2. Elke zelfstandige woning en kamerwoning is per bouwlaag uitgerust met minstens één rookmelder als vermeld in artikel 3.1, §1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. Een zolder of een kelder, al dan niet bestemd voor gedeeld gebruik, waarin zich een technische installatie bevindt of die een directe toegang heeft en normaal en onmiddellijk te betreden is, wordt als bouwlaag beschouwd.
 
Elke kamer is uitgerust met een rookmelder.
 
De minister kan nadere regels bepalen voor de correcte plaatsing van rookmelders.
 
§3. Een kamer heeft een oppervlakte van minimaal 12 m². De oppervlakte van de kamer is de totale nettovloeroppervlakte van de woonlokalen, vermeld in deel F van bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd.
 
In afwijking van het eerste lid geldt er een minimale oppervlakte van 8 m² voor een kamer die verhuurd wordt of te huur of ter beschikking gesteld wordt met het oog op de huisvesting van een of meer studenten en die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1°       ze is gebouwd of gerealiseerd voor 1 september 1998;
2°       er is op basis van een aanvraag van voor 1 september 2001 een eerste conformiteitsattest afgegeven dat zonder onderbreking is verlengd en nooit ingetrokken of vervallen is op basis van een ander criterium dan de oppervlakte.
 
In het tweede lid wordt verstaan onder een student: iedere persoon die ingeschreven is bij een instelling van het hoger onderwijs, die daar de lessen volgt en voor wie dat zijn hoofdbezigheid vormt, of de schoolverlater van het hoger onderwijs die de beroepsinschakelingstijd doorloopt met toepassing van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
 
Een eerste conformiteitsattest is zonder onderbreking verlengd als vermeld in het tweede lid, 2°, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1°       er is een nieuw conformiteitsattest afgegeven dat is aangevraagd is voor 12 februari 2016;
2°       na het nieuwe conformiteitsattest, vermeld in punt 1°, worden er conformiteitsattesten afgegeven die telkens minimaal drie maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur dat is vastgesteld met toepassing van artikel 3.9, eerste lid, 5°, of tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, aangevraagd worden.
 
In afwijking van het eerste lid geldt er een minimale oppervlakte van 8 m² voor een kamer die verhuurd wordt of te huur of ter beschikking gesteld wordt aan seizoenarbeiders, op voorwaarde dat de kamer en de gemeenschappelijke ruimte samen een totale oppervlakte van minimaal 18 m² hebben.
 
§4. In afwijking van de minimale totale nettovloeroppervlakte, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, en deel C, punt 241, en deel D van bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd, geldt voor een woning die gebouwd of vergund is vóór 1 oktober 2016, dat de gemeten nettovloeroppervlakte die kleiner is dan de minimale oppervlaktenorm van 12 m² of 18 m²:
1°       wordt verhoogd met 2 m² als de woning bij wijze van structurele plaatsbesparende maatregel uitgerust is met een bed van minimaal 2 m² dat gemonteerd is op een hoogte van minimaal 180 cm en op een afstand van minimaal 100 cm onder het plafond, of uitgerust is met een wandmeubel met een opklapbaar bed van minimaal 2 m², dat dubbel gebruik aantoont;
2°       wordt verhoogd met maximaal 3 m² van de gemeten oppervlakte van de aparte badkamer.
 
De afwijkingen in het eerste lid kunnen niet gecumuleerd worden met de afwijkingen, vermeld in paragraaf 3, tweede en vijfde lid.
 
§5. Voor de verhuring buiten het sociale huurstelsel voor het doeleinde, vermeld in 6.72, eerste lid, van dit besluit, zijn afwijkingen toegestaan op de vereisten en normen, vermeld in bijlage 4 en 5, die bij dit besluit zijn gevoegd, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1°       de verhuring gebeurt uitsluitend voor de opvang van dak- en thuislozen tijdens de winterperiode, vermeld in artikel 14, §1, van het Samenwerkingsakkoord van 12 mei 2014 inzake dak- en thuisloosheid, waarbij een termijn van zes maanden niet overschreden wordt;
2°       de woning vertoont geen gebreken van categorie III of gebreken van categorie II in verband met brandveiligheid, ontploffing, elektrocutie, CO-vergiftiging, vocht, stabiliteit en toegankelijkheid;
3°       de intermediaire instelling, vermeld in artikel 1.2, eerste lid, 64°, van dit besluit, zorgt voor woonbegeleiding van de personen die in de woning worden opgevangen.

Artikel 3.3. (01/01/2021- ...)

Binnen drie maanden na de voorlegging van een gemeentelijke verordening als vermeld in artikel 3.2 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 beslist de minister over de goedkeuring ervan.

Deel 3. Conformiteitsonderzoek

Artikel 3.4. (01/04/2022- 31/12/2022)

Om vast te stellen of een woning voldoet aan de vereisten en normen vastgesteld met toepassing van artikel 3.1, § 1, § 2 en § 3, eerste en tweede lid van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, voert een woningcontroleur een conformiteitsonderzoek uit. De gewestelijke ambtenaar en de ambtenaren die bij besluit aangewezen zijn als wooninspecteur of als ambtenaar met opsporings- en vaststellingsbevoegdheid, kunnen ook een conformiteitsonderzoek uitvoeren.
 
Bij de uitvoering van een conformiteitsonderzoek worden de veiligheid, gezondheid en kwaliteit van een woning beoordeeld aan de hand van de modellen van het technisch verslag, vermeld in artikel 3.2, §1, conform de criteria die in die modellen zijn opgenomen. In de vrije velden in die modellen kunnen alleen technische gegevens en de beoordeling ervan worden opgenomen. Een technisch verslag kan worden aangevuld met een schets van het grondplan, met detailfoto's van de vastgestelde gebreken of met overzichtsfoto's die geen personen afbeelden.
 
De minister kan over het gebruik van de modellen van het technisch verslag, vermeld in het tweede lid, nadere regels bepalen voor:
1°       de werkwijze van de woningcontroleur;
2°       de wijze waarop gebreken worden waargenomen;
3°       de meetmethodes en het gebruik van meettoestellen;
4°       de te beoordelen onderdelen van een woning;
5°       de aanduiding van de voor quotering te gebruiken rubrieken in de modellen van technische verslagen aan de hand van een niet-limitatieve opsomming van concrete toepassingsgevallen;
6°       de meer nauwkeurige afbakening van de grens tussen de verschillende categorieën waarin specifieke gebreken kunnen worden gequoteerd, aan de hand van een niet-limitatieve opsomming van concrete toepassingsgevallen.

Artikel 3.5. (01/04/2022- ...)

...

Deel 4. Conformiteitsattest

Artikel 3.6. (01/01/2021- ...)

§1. De aanvraag van een conformiteitsattest wordt ondertekend en met een beveiligde zending ingediend bij de burgemeester.
 
De aanvraag van een conformiteitsattest bevat de volgende gegevens:
1°       de identificatiegegevens van de verhuurder;
2°       de identificatiegegevens van de houder van het zakelijk recht;
3°       de identificatiegegevens van de woning;
4°       het aantal slaapkamers in de woning.
 
De aanvraag van een conformiteitsattest bevat daarnaast in voorkomend geval de volgende bijkomende gegevens:
1°       de identificatiegegevens van het gebouw waarvan de woning deel uitmaakt;
2°       de identificatiegegevens van de kamerwoning;
3°       de identificatiegegevens van de kamer of kamers.
 
§2. De aanvrager voegt bij de aanvraag een afschrift van het eventuele brandweerattest en van de attesten van erkende keuringsdiensten voor de elektrische installaties en de gasinstallaties waarover hij beschikt.
 
§3. Als de aanvraag volledig is, bezorgt de burgemeester aan de aanvrager een ontvangstbewijs met vermelding van de datum waarop de aanvraag volledig was.
 
§4. De aanvraag vervalt als de toegang tot de woning binnen zestig dagen na de aanvraag twee keer zonder afdoende reden geweigerd wordt. De aanvrager wordt onmiddellijk schriftelijk op de hoogte gebracht van het verval van zijn aanvraag.

Artikel 3.7. (01/01/2021- ...)

§1. Als de woningcontroleur heeft vastgesteld dat de woning conform is, willigt de burgemeester de aanvraag in, en geeft hij het conformiteitsattest af, samen met een afschrift van het technisch verslag.
 
De minister stelt de modellen van conformiteitsattesten voor woningen en kamerwoningen vast en regelt de manier waarop het agentschap kennis krijgt van de afgifte van een conformiteitsattest.
 
Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw waarvoor een brandweerattest voorgeschreven is, geldt het afgegeven conformiteitsattest onder voorbehoud. Als het brandweerattest wordt geweigerd, wordt het conformiteitsattest als niet-bestaande beschouwd.
 
§2. Als de woningcontroleur heeft vastgesteld dat de woning niet conform is, wordt de afgifte van een conformiteitsattest geweigerd.
 
De beslissing wordt samen met een afschrift van het technisch verslag aan de aanvrager betekend. Daarbij worden de gevolgen van de beslissing en eventuele begeleidende maatregelen meegedeeld.

Artikel 3.8. (01/01/2021- ...)

Artikel 3.6 en 3.7 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag bij de gewestelijk ambtenaar, vermeld in artikel 3.7, §2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. In dat geval legt de aanvrager ook het ontvangstbewijs van de burgemeester, vermeld in artikel 3.6, §3, van dit besluit, voor, of, als dat ontbreekt, het bewijs van de indiening van een volledig dossier bij de burgemeester. De gewestelijk ambtenaar brengt de burgemeester ook op de hoogte van zijn beslissing over de aanvraag.

Artikel 3.9. (01/01/2021- datum onbepaald)

De vergoeding om een aanvraag van een conformiteitsattest door de burgemeester te laten behandelen, wordt vastgesteld door de gemeenteraad en bedraagt maximaal:
1°       90 euro voor een zelfstandige woning;
2°       90 euro voor een kamerwoning, verhoogd met 15 euro per kamer, met een maximum van 1.775 euro per gebouw.
 
De bedragen in euro, vermeld in het eerste lid, worden jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex conform de volgende formule: nieuw bedrag = basisbedrag x aangepaste gezondheidsindex/gezondheidsindex november 2019.
 
De vergoeding om een aanvraag van een conformiteitsattest door de gewestelijk ambtenaar te laten behandelen is gelijk aan het overeenstemmend maximumbedrag in het eerste lid, zoals geïndexeerd conform het tweede lid.

Artikel 3.10. (01/01/2021- ...)

Dit artikel voorziet in de gedeeltelijke omzetting van artikel 20, lid 1, van richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider.
 
Artikel 3.4, 3.6, 3.7, 3.8 en 3.9 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en de bepalingen van dit deel zijn van toepassing op kamers die verhuurd worden voor de huisvesting van seizoenarbeiders.

Deel 5. Waarschuwing

Artikel 3.11. (08/04/2022- ...)

De korte termijn waarover een gemeente beschikt om een conformiteitsonderzoek uit te voeren als vermeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, begint te lopen op de dag van de melding over de mogelijk gebrekkige kwaliteit van een woning. Die termijn bedraagt een maand.
         
De gemeente kan conform artikel 3.10, tweede lid, van de voormelde codex, aan de houder van het zakelijk recht een hersteltermijn geven, als ze oordeelt dat de kans op een gunstig resultaat groot is.”.

Deel 6. Ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring

Titel 1. Procedure tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring

Hoofdstuk 1. Procedure

Artikel 3.12. (01/01/2021- ...)

Het verzoek, vermeld in artikel 3.13, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, is alleen ontvankelijk als het met een beveiligde zending wordt ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de woning ligt.
 
Als het verzoek geen motivering bevat of manifest ongegrond is, wijst de burgemeester het onmiddellijk af zonder de gewestelijk ambtenaar om advies te vragen.

Artikel 3.13. (01/01/2021- ...)

§1. De gewestelijk ambtenaar stelt in het advies, vermeld in artikel 3.12, §1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, aan de burgemeester voor de woning ongeschikt te verklaren als de woningcontroleur heeft vastgesteld dat de woning niet conform is.
 
De gewestelijk ambtenaar baseert het advies over de onbewoonbaarverklaring, vermeld in artikel 3.12, §1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, op de inschatting van de directe veiligheids- en gezondheidsrisico's of de mensonwaardige levensomstandigheden die de gebreken van categorie III, vermeld in artikel 3.1, §1, derde lid, 3°, van de voormelde codex, veroorzaken, zoals de woningcontroleur die aanduidt en omstandig toelicht in het technisch verslag.
 
§2. Het advies, vermeld in paragraaf 1, bevat al de volgende gegevens:
1°       de naam van de gewestelijk ambtenaar die het advies heeft opgesteld;
2°       het adres van de administratieve eenheid waartoe hij behoort;
3°       de datum van het advies.
 
§3. Als er geen controleverslag van de brandweer of brandtoezichter is opgemaakt, maar er zijn vermoedens dat de woning ernstige brandveiligheidsproblemen vertoont of dat de woning wegens brandveiligheidsproblemen ontruimd moet worden, vermeldt de gewestelijk ambtenaar dat in zijn advies aan de burgemeester. De burgemeester kan daarmee rekening houden bij de opmaak van zijn besluit.

Artikel 3.14. (01/04/2022- ...)

Als er geen advies van de gewestelijk ambtenaar vereist is met toepassing van artikel 3.12, §3, of artikel 3.13, derde lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, stelt de gemeentelijke woningcontroleur het omstandig verslag, vermeld in artikel 3.13, §1, tweede lid, van dit besluit, op en voegt er de melding, vermeld in artikel 3.13, §3, van dit besluit, aan toe.

Artikel 3.15. (01/04/2022- ...)

Onmiddellijk nadat hij het advies van de gewestelijk ambtenaar heeft ontvangen, zendt de burgemeester een afschrift van het advies en het technische verslag naar de verzoeker, de bewoner en de houder van het zakelijk recht.
 
Als er een ongeschiktverklaring of een ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring geadviseerd wordt, nodigt de burgemeester de bewoner en de houder van het zakelijk recht uit om hun argumenten schriftelijk of mondeling bekend te maken.
 
Als er geen advies vereist is met toepassing van artikel 3.14, zendt de burgemeester, die een ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring overweegt, een afschrift van het onderzoeksverslag naar de verzoeker, de bewoner en de houder van het zakelijk recht en nodigt hij hen uit om hun argumenten schriftelijk of mondeling bekend te maken.
 
Bij een mondelinge procedure wordt er een proces-verbaal opgemaakt van de hoorzitting, dat door alle deelnemers ondertekend wordt.

Artikel 3.16. (01/01/2021- datum onbepaald)

De burgemeester betekent zijn beslissing aan de verzoeker, de houder van het zakelijk recht en de bewoner.
 
De burgemeester brengt de personen, vermeld in het eerste lid, op de hoogte van de gevolgen van zijn beslissing en van de eventuele begeleidende maatregelen en geeft hen informatie over de beroepsmogelijkheid, vermeld in artikel 3.17.
 
De burgemeester bezorgt een afschrift van zijn beslissing aan de gewestelijk ambtenaar en aan de wooninspecteur. De minister kan bepalen op welke manier dat gebeurt.

Artikel 3.17. (01/01/2021- datum onbepaald)

§1. De verzoeker, de bewoner, de houder van het zakelijk recht en de gewestelijk ambtenaar kunnen met toepassing van artikel 3.14, eerste lid, of artikel 3.15, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 met een gemotiveerd verzoekschrift bij de minister beroep aantekenen tegen de beslissing of het stilzitten van de burgemeester.
 
Het verzoekschrift is alleen ontvankelijk als het wordt ingediend met een beveiligde zending. Het wordt ingediend op het adres van het agentschap in Brussel.
 
Het gemotiveerd verzoekschrift van de gewestelijk ambtenaar als vermeld in het eerste lid, kan vervangen worden door een kennisgeving via VLOK.
 
§2. Het beroep tegen een besluit tot ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring werkt schorsend voor de opname op de inventaris.
 
§3. De minister kan in beroep een besluit nemen om de woning ongeschikt of onbewoonbaar te verklaren en kan de nodige maatregelen treffen.
 
Het agentschap betekent de beslissing van de minister en de eventuele gevolgen aan de verzoeker, de houder van het zakelijk recht, de bewoner en de burgemeester. De betekening aan de burgemeester kan gebeuren door een kennisgeving.

Artikel 3.17/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(datum onbepaald- ...)

§1. De kennisgeving van de ontvankelijkheid van het beroep, vermeld in artikel 3.14, eerste lid, en 3.15, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, gebeurt met een beveiligde zending. Ten aanzien van de gewestelijk ambtenaar volstaat een kennisgeving via VLOK.

§2. De termijn waarin men de argumenten, vermeld in artikel 3.14, eerste lid, en 3.15, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 schriftelijk bekend kan maken, bedraagt twintig dagen na de dag waarop de kennisgeving van de ontvankelijkheid is ontvangen.

§3. Het personeelslid dat daarvoor door het hoofd van het agentschap is aangesteld, kan de opdracht geven aan de volgende personen om een conformiteitsonderzoek uit te voeren als dat noodzakelijk is voor de beoordeling van het beroep:
1°    een woningcontroleur die tewerkgesteld is door het agentschap;
2°    een wooninspecteur; 
3°    een agent van de gerechtelijke politie die is aangesteld voor de handhaving van boek 3, deel 9, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Het technisch verslag van het conformiteitsonderzoek, vermeld in het eerste lid, wordt betekend aan de verzoeker, de bewoner en de houder van het zakelijk recht. Ten aanzien van de gewestelijk ambtenaar en de burgemeester volstaat een kennisgeving. Binnen een vervaltermijn van tien dagen na de dag waarop de voormelde betekening is ontvangen, kunnen de verzoeker, de bewoner en de houder van het zakelijk recht schriftelijk hun argumenten over de vaststellingen van het conformiteitsonderzoek bekendmaken aan de minister op het adres van het agentschap in Brussel.

Artikel 3.18. (01/04/2022- ...)

Als het besluit van de burgemeester waarbij een woning ongeschikt of onbewoonbaar wordt verklaard, gepaard gaat met het opleggen van renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerkzaamheden zoals vermeld in artikel 3.12, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, stelt de burgemeester de gewestelijke ambtenaar daarvan in kennis voor de termijn verstreken is die hij voor de uitvoering van die werkzaamheden heeft toegekend.
 
De persoon die de renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerkzaamheden, vermeld in het eerste lid, moet uitvoeren binnen de termijn, vermeld in artikel 3.12, §1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, stelt de gewestelijke ambtenaar onmiddellijk schriftelijk in kennis zodra de werkzaamheden zijn uitgevoerd.

Hoofdstuk 2. Vrijstelling van de adviesverplichting

Artikel 3.19. (01/04/2022- ...)

Het verzoek, vermeld in artikel 3.12, §3, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, is gemotiveerd, wordt schriftelijk ingediend bij het agentschap en er wordt een uittreksel uit de notulen van de gemeenteraad bijgevoegd. In het verzoek wordt de beschikbaarheid van voldoende gemeentelijke woningcontroleurs toegelicht.
 
In het verzoek, vermeld in het eerste lid, wordt het aantal procedures tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring van de voorbije twee werkingsjaren vermeld. Het aandeel en de aard van deze procedures die de burgemeester niet wil voeren zonder advies van de gewestelijke ambtenaar, worden geduid.

Artikel 3.20. (01/04/2022- ...)

Het agentschap verstrekt zijn advies aan de minister binnen zestig dagen na de ontvangst van het verzoek, vermeld in artikel 3.19. Het agentschap geeft een gunstig advies als uit het verzoek, vermeld in artikel 3.19, blijkt dat voldaan is aan de volgende toekenningsvereisten:
1°       er zijn voldoende gemeentelijke woningcontroleurs beschikbaar om binnen de beslissingstermijn, vermeld in artikel 3.13, tweede lid van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, een beslissing te nemen in de procedures tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring waarin geen advies van de gewestelijk ambtenaar wordt gevraagd;
2°       de gemeente voert een proactief woonkwaliteitsbeleid.

Artikel 3.21. (01/01/2021- ...)

Binnen vier maanden na de ontvangst van het verzoek, vermeld in artikel 3.19, neemt de minister een beslissing. Als de minister een vrijstelling verleent, bepaalt hij de aanvangsdatum

Artikel 3.22 (01/01/2021- ...)

De vrijgestelde burgemeester:
1°       neemt, rekening houdend met de beslissingstermijn, vermeld in artikel 3.13, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, een beslissing over elk verzoek als vermeld in artikel 3.12, §1, van de voormelde codex;
2°       waakt erover dat voldoende gemeentelijke woningcontroleurs ter beschikking blijven.

Artikel 3.23. (25/04/2022- ...)

De gemeente met vrijgestelde burgemeester:
1°       blijft een proactief woningkwaliteitsbeleid voeren;
2°       ...;
3°       ...;
4°       maakt afspraken met het agentschap over een onderlinge taakverdeling als het aandeel, vermeld in artikel 3.19, tweede lid, geen 0% bedraagt;
5°       maakt afspraken met het agentschap over het onderzoek van de woningen die te huur worden aangeboden aan een woonmaatschappij;
6°       werkt samen met het agentschap een strategie uit voor de lokale bestrijding van verwaarlozing;
7°       komt haar verplichtingen na met betrekking tot het leegstandsregister en het bindend sociaal objectief, zoals vastgesteld in de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
8°       stelt op eenvoudig verzoek binnen acht dagen het dossier of delen ervan ter beschikking van het agentschap met het oog op de behandeling van het beroep, vermeld in artikel 3.14 en 3.15 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Artikel 3.24. (01/04/2022- ...)

Het agentschap organiseert structureel overleg over woningkwaliteitsbewaking met de gemeente met vrijgestelde burgemeester.

Artikel 3.25. (01/01/2021- ...)

De minister kan de vrijstelling intrekken of opschorten voor een periode die hij bepaalt, op verzoek van de gemeenteraad of als de vereisten, vermeld in artikel 3.22 en 3.23, niet nagekomen worden.

Titel 2. Inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen

Artikel 3.26. (01/04/2022- ...)

Het agentschap beheert in VLOK de inventaris, die bestaat uit twee lijsten met adresgegevens van woningen en eventueel aanvullende informatie ter identificatie van de woningen.
 
De ambtenaren die het hoofd van het agentschap aanwijst, oefenen de bevoegdheden die verbonden zijn aan het beheer van de inventaris uit op het grondgebied van alle gemeenten van het Vlaamse Gewest.
 
Het agentschap is verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens die opgenomen zijn in VLOK.
 
In VLOK zijn de gegevens van de personen die betrokken zijn bij de instrumenten en procedures, vermeld in boek 3, deel 1 tot en met 8, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, alleen toegankelijk voor personeelsleden van het agentschap en van de Vlaamse steden en gemeenten en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, voor de uitoefening van de hen opgedragen taken. Die gegevens kunnen met het oog op de toepassing van titel 2, hoofdstuk 5, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, aan het agentschap Vlaamse Belastingdienst, opgericht bij besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 tot oprichting van het agentschap Vlaamse Belastingsdienst, meegedeeld worden.
 
De persoonsgegevens die verzameld zijn in het kader van de strafrechtelijke handhaving, vermeld in boek 3, deel 9, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, worden in VLOK afgescheiden van de gegevens vermeld in het vierde lid, en zijn alleen toegankelijk voor personeelsleden van het agentschap voor de uitoefening van de hen opgedragen taken.
 
De toepassing van de regels, vermeld in het vierde en vijfde lid, wordt verzekerd op basis van lijsten van bevoegde personen door een digitale identificatieprocedure. Personen die toegang hebben tot die gegevens nemen het vertrouwelijk karakter ervan in acht.
 
De gegevens vermeld in het vierde en vijfde lid, worden bewaard gedurende de termijn die vastgesteld wordt met toepassing van titel III, hoofdstuk 3, afdeling 5, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Als die termijn niet is vastgesteld, is de bewaartermijn tien jaar.
 
De documenten die in VLOK worden opgenomen en die gebruikt worden voor communicatie met de burger, vermelden de vindplaats van de privacyverklaring van het agentschap.

Artikel 3.27. (01/01/2021- ...)

Het registratieattest, vermeld in artikel 3.21 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, bevat de volgende gegevens:
1°       het adres van de ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woning;
2°       de kadastrale gegevens van de ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woning;
3°       de identiteit en het adres van de houders van het zakelijk recht;
4°       het nummer en de datum van het besluit tot ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring;
5°       de datum van het registratieattest;
6°       de gronden van de inventarisatie;
7°       de verdere gevolgen van de inventarisatie;
8°       de beroepsmogelijkheden.
 
De minister kan een model van registratieattest opmaken.
 
De registratieattesten worden op de datum van de inventarisatie met een beveiligde zending betekend aan de houders van het zakelijk recht, zoals bekend bij de Federale Overheidsdienst Financiën, dienst Patrimoniumdocumentatie.

Artikel 3.28. (01/01/2021- ...)

Bij de overdracht van een zakelijk recht als vermeld in artikel 2.5.2.0.1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bevat het formulier, vermeld in artikel 3.22, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, de gegevens van het registratieattest en de identificatiegegevens van de verkrijger van het zakelijk recht, met inbegrip van het nummer in de Kruispuntbank van Ondernemingen of het btw-nummer van rechtspersonen en het rijksregisternummer van natuurlijke personen.

Artikel 3.29. (01/01/2021- ...)

In het laatste kwartaal dat voorafgaat aan de verjaardag van de inventarisatie, stuurt de inventarisbeheerder een brief naar de houder van het zakelijk recht waarin hij wijst op al de volgende feiten:
1°       het feit dat de woning in kwestie nog altijd geïnventariseerd is;
2°       de gevolgen van de verjaardag van de inventarisatie;
3°       de mogelijkheid tot schrapping, vermeld in artikel 3.23 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Deel 7. Overbewoondverklaring

Titel 1. Procedure

Artikel 3.30. (01/01/2021- ...)

Het verzoek, vermeld in artikel 3.24, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, is ontvankelijk als het met een beveiligde zending wordt ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de woning ligt.
 
Als het verzoek geen motivering bevat of manifest ongegrond is, wijst de burgemeester het onmiddellijk af zonder de gewestelijk ambtenaar om advies te vragen.

Artikel 3.31. (01/01/2021- ...)

§1. De gewestelijk ambtenaar baseert het advies over de overbewoondverklaring, vermeld in artikel 3.24, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, op de inschatting van de mensonwaardige levensomstandigheden of de ernst van het veiligheids- en gezondheidsrisico, vermeld in artikel 1.3, §1, eerste lid, 37°, van de voormelde codex, zoals dat blijkt uit een omstandig verslag dat een woningcontroleur opstelt. De minister kan aanvullende regels bepalen voor de wijze waarop overbewoning in het omstandig verslag wordt gemotiveerd.
 
§2. Het advies, vermeld in paragraaf 1, bevat al de volgende gegevens:
1°       de naam van de gewestelijk ambtenaar die het advies heeft opgesteld;
2°       het adres van de administratieve eenheid waartoe hij behoort;
3°       de datum van het advies.
 
Artikel 3.5 is van overeenkomstige toepassing op het omstandig verslag, vermeld in paragraaf 1.
 
§3. Als er geen controleverslag van de brandweer of brandtoezichter is opgemaakt, maar er zijn vermoedens dat de woning ernstige brandveiligheidsproblemen vertoont of dat de woning wegens brandveiligheidsproblemen ontruimd moet worden, vermeldt de gewestelijk ambtenaar dat in zijn advies aan de burgemeester. De burgemeester kan daarmee rekening houden bij de opmaak van zijn besluit.

Artikel 3.32. (01/04/2022- ...)

Als er geen advies van de gewestelijk ambtenaar vereist is met toepassing van artikel 3.25 of 3.29 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, stelt de gemeentelijke woningcontroleur het omstandig verslag, vermeld in artikel 3.31, §1, van dit besluit, op en voegt er de melding, vermeld in artikel 3.31, §3, van dit besluit, aan toe.

Artikel 3.33. (01/01/2021- ...)

Onmiddellijk nadat hij het advies van de gewestelijk ambtenaar heeft ontvangen, zendt de burgemeester een afschrift van het advies, het technisch verslag en in voorkomend geval het omstandig verslag, vermeld in artikel 3.31, §1, naar de verzoeker, de bewoner en de houder van het zakelijk recht.
 
Als er een overbewoondverklaring geadviseerd wordt, nodigt de burgemeester de bewoner en de houder van het zakelijk recht uit om hun argumenten schriftelijk of mondeling bekend te maken.
 
Als er geen advies vereist is met toepassing van artikel 3.32, zendt de burgemeester die een overbewoondverklaring overweegt, een afschrift van het onderzoeksverslag naar de verzoeker, de bewoner en de houder van het zakelijk recht en nodigt hij hen uit om hun argumenten schriftelijk of mondeling bekend te maken.
 
Bij een mondelinge procedure wordt er een proces-verbaal opgemaakt van de hoorzitting, dat door alle deelnemers ondertekend wordt.

Artikel 3.34. (01/01/2021- datum onbepaald)

De burgemeester betekent zijn beslissing aan de verzoeker, de houder van het zakelijk recht en de bewoner.
 
De burgemeester brengt de personen, vermeld in het eerste lid, op de hoogte van de gevolgen van zijn beslissing en van de eventuele begeleidende maatregelen en geeft hen informatie over de beroepsmogelijkheid, vermeld in artikel 3.35.
 
De burgemeester bezorgt ook een afschrift aan de gewestelijk ambtenaar en aan de wooninspecteur. De minister kan bepalen op welke manier dat gebeurt.

Artikel 3.35. (01/01/2021- datum onbepaald)

§1. De verzoeker, de bewoner, de houder van het zakelijk recht en de gewestelijk ambtenaar kunnen met toepassing van artikel 3.26, eerste lid, of artikel 3.27, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 met een gemotiveerd verzoekschrift bij de minister beroep aantekenen tegen de beslissing of het stilzitten van de burgemeester.
 
Het verzoekschrift is ontvankelijk als het wordt ingediend met een beveiligde zending op het adres van het agentschap in Brussel.
 
Het gemotiveerd verzoekschrift van de gewestelijk ambtenaar als vermeld in het eerste lid, kan vervangen worden door een kennisgeving via VLOK.
 
§2. De minister kan in beroep een besluit nemen om de woning overbewoond te verklaren en kan de nodige maatregelen treffen.
 
Het agentschap betekent de beslissing van de minister en de eventuele gevolgen aan de verzoeker, de houder van het zakelijk recht, de bewoner en de burgemeester. De betekening aan de burgemeester kan gebeuren door een kennisgeving.

Artikel 3.35/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(datum onbepaald- ...)

§1. De kennisgeving van de ontvankelijkheid van het beroep, vermeld in artikel 3.26, eerste lid, en artikel 3.27, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, gebeurt met een beveiligde zending. Ten aanzien van de gewestelijk ambtenaar volstaat een kennisgeving via VLOK.

§2. De termijn waarin men de argumenten als vermeld in artikel 3.26, eerste lid, en 3.27, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 schriftelijk bekend kan maken, bedraagt twintig dagen na de dag waarop de kennisgeving van de ontvankelijkheid is ontvangen.

§3. Het personeelslid dat daarvoor door het hoofd van het agentschap  is aangesteld, kan de opdracht geven aan de volgende personen om een onderzoek uit te voeren als dat noodzakelijk is voor de beoordeling van het beroep:
1°    een woningcontroleur die tewerkgesteld is door het agentschap;
2°    een wooninspecteur; 
3°    een agent van de gerechtelijke politie die is aangesteld voor de handhaving van boek 3, deel 9, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Het omstandig verslag, vermeld in artikel 3.31, §1, wordt betekend aan de verzoeker, de bewoner en de houder van het zakelijk recht. Ten aanzien van de gewestelijk ambtenaar en de burgemeester volstaat een kennisgeving via VLOK. Binnen een vervaltermijn van tien dagen na de dag waarop de betekening is ontvangen, kunnen de verzoeker, de bewoner en de houder van het zakelijk recht schriftelijk hun argumenten over de vaststellingen in het omstandig verslag bekendmaken aan de minister op het adres van het agentschap in Brussel.

Titel 2. Vrijstelling van de adviesverplichting

Artikel 3.36. (01/04/2022- ...)

Het verzoek, vermeld in artikel 3.12, §3, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, is gemotiveerd, wordt schriftelijk ingediend bij het agentschap en er wordt een uittreksel uit de notulen van de gemeenteraad bijgevoegd. In het verzoek wordt de beschikbaarheid van voldoende gemeentelijke woningcontroleurs toegelicht.
 
De gemeenteraad die de uitbreiding van de vrijstelling tot het advies van de gewestelijke ambtenaar over de overbewoondverklaring wil verkrijgen, vermeld in artikel 3.29 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, maakt daarvan melding in het verzoek, vermeld in het eerste lid.
 
In het verzoek, vermeld in het eerste lid, wordt het aantal procedures tot overbewoondverklaring van de voorbije twee werkingsjaren vermeld. Het aandeel en de aard van deze procedures die de burgemeester niet wil voeren zonder advies van de gewestelijke ambtenaar, worden geduid.

Artikel 3.37. (01/04/2022- ...)

Het agentschap verstrekt zijn advies aan de minister binnen zestig dagen na de ontvangst van het verzoek, vermeld in artikel 3.36. Het agentschap geeft een gunstig advies als uit het verzoek, vermeld in artikel 3.36, blijkt dat voldaan is aan de volgende toekenningsvereisten:
1°      er zijn voldoende gemeentelijke woningcontroleurs beschikbaar om binnen de beslissingstermijn, vermeld in artikel 3.25 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, een beslissing te nemen in de procedures tot overbewoondverklaring waarin geen advies van de gewestelijk ambtenaar wordt gevraagd;
2°       de gemeente voert een proactief woonkwaliteitsbeleid.

Artikel 3.38. (01/01/2021- ...)

Binnen vier maanden na de ontvangst van het verzoek, vermeld in artikel 3.36, neemt de minister een beslissing. Als de minister een vrijstelling verleent, bepaalt hij de aanvangsdatum.

Artikel 3.39. (01/01/2021- ...)

De vrijgestelde burgemeester:
1°       neemt, rekening houdend met de beslissingstermijn, vermeld in artikel 3.25 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, een beslissing over elk verzoek als vermeld in artikel 3.24 van de voormelde codex;
2°       waakt erover dat voldoende gemeentelijke woningcontroleurs ter beschikking blijven.

Artikel 3.40. (25/04/2022- ...)

De gemeente met vrijgestelde burgemeester:
1°       blijft een proactief woningkwaliteitsbeleid voeren;
2°       ...;
3°       ...;
4°       maakt afspraken met het agentschap over een onderlinge taakverdeling als het aandeel, vermeld in artikel 3.36, derde lid, geen 0% bedraagt;
5°       maakt afspraken met het agentschap over het onderzoek van de woningen die te huur worden aangeboden aan een woonmaatschappij;
6°       werkt samen met het agentschap een strategie uit voor de lokale bestrijding van verwaarlozing;
7°       komt haar verplichtingen na met betrekking tot het leegstandsregister en het bindend sociaal objectief, zoals vastgesteld in de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
8°       stelt op eenvoudig verzoek binnen acht dagen het dossier of delen ervan ter beschikking van het agentschap met het oog op de behandeling van het beroep, vermeld in artikel 3.26 en 3.27 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Artikel 3.41. (01/04/2022- ...)

Het agentschap organiseert structureel overleg over woningkwaliteitsbewaking met de gemeente met vrijgestelde burgemeester.

Artikel 3.42. (01/01/2021- ...)

De minister kan de vrijstelling intrekken of opschorten voor een periode die hij bepaalt, op verzoek van de gemeenteraad of als de vereisten, vermeld in artikel 3.39 en 3.40, niet nagekomen worden.

Deel 8. Herstel en sloop

Artikel 3.43. (01/01/2021- ...)

§1. Om het maximumbedrag voor de huurprijs, voor het verhuren van de woningen vermeld in artikel 3.30, §2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, te berekenen, wordt rekening gehouden met de volgende criteria:
1°       het geïndexeerd kadastraal inkomen dat van toepassing is op het ogenblik waarop het onderzoek plaatsvindt;
2°       de geraamde kostprijs van de nodige werkzaamheden;
3°       de geraamde einddatum voor de uitvoering van die werkzaamheden;
4°       de einddatum van de hoofdhuurovereenkomst.
 
De minister stelt op basis van de criteria, vermeld in het eerste lid, de berekeningswijze voor het maximumbedrag vast.
 
In deze paragraaf wordt verstaan onder het geïndexeerd kadastraal inkomen: het kadastraal inkomen dat aangepast is aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het rijk, vermeld in artikel 518 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992.
 
§2. De sociale woonorganisaties, vermeld in artikel 3.30, §2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, verhuren of onderverhuren de woningen, vermeld in paragraaf 1, met toepassing van boek 6 van de voormelde codex.
 
De andere instanties dan de sociale woonorganisaties, vermeld in artikel 3.30, §2, van de voormelde codex, verhuren of onderverhuren de woningen aan kandidaten die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.44 van dit besluit. De initiatiefnemer stelt de aan de huurder of onderhuurder aangerekende jaarlijkse huurprijs of onderhuurprijs vast. Die huurprijs mag niet meer bedragen dan de jaarlijkse (huur)kosten van de initiatiefnemer, verhoogd met de intrestkosten voor de prefinanciering van een toegekende subsidie, met de jaarkosten voor het onderhoud, het herstel en het beheer van de woning, en met een theoretische intrest- en aflossingsannuïteit van de kosten voor de renovatie-, verbeterings- en aanpassingswerkzaamheden die niet door een subsidie gedekt worden.

Deel 9. Herhuisvesting

Artikel 3.44. (01/01/2021- ...)

De voorwaarden waaraan bewoners moeten voldoen om geherhuisvest te worden, vermeld in artikel 3.30, §2, tweede lid, of artikel 3.32 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zijn de voorwaarden die vastgesteld zijn krachtens artikel 6.8, §1, eerste lid, 2°, van de voormelde codex, met dien verstande dat in geen geval rekening gehouden wordt met de woning die onbewoonbaar of overbewoond verklaard is.

Deel 10. Strafrechtelijke handhaving

Artikel 3.45. (01/04/2022- ...)

§1. Binnen tien dagen na de dag waarop de persoon die beroep kan instellen tegen de verzegeling, de schriftelijke kennisgeving van de effectieve verzegeling, vermeld in artikel 3.54, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, heeft ontvangen, kan hij daartegen bij de minister beroep aantekenen met een gemotiveerd verzoekschrift. De schriftelijke kennisgeving gebeurt met een beveiligde zending.
 
Het verzoek is ontvankelijk als het met een beveiligde zending wordt verstuurd naar het adres van het agentschap in Brussel.
 
Binnen drie maanden na de dag waarop de Vlaamse Regering het verzoekschrift heeft ontvangen, neemt de minister een beslissing. Als er binnen die termijn geen beslissing is, wordt het beroep geacht afgewezen te zijn.
 
§2. Binnen dertig dagen na de dag waarop de persoon die beroep kan instellen tegen een weigering om de verzegeling op te heffen, de schriftelijke kennisgeving van de weigering om de verzegeling op te heffen, vermeld in artikel 3.54, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, heeft ontvangen, kan hij daartegen bij de minister beroep aantekenen met een gemotiveerd verzoekschrift. De schriftelijke kennisgeving gebeurt met een beveiligde zending.
 
Het verzoekschrift is ontvankelijk als het met een beveiligde zending wordt verstuurd naar het adres van het agentschap in Brussel.
 
Binnen drie maanden na de dag waarop de Vlaamse Regering het verzoekschrift heeft ontvangen, neemt de minister een beslissing. Als er binnen die termijn geen beslissing is, wordt het beroep geacht afgewezen te zijn.
 
§3. Het hoofd van het agentschap wijst de beboetingsambtenaar, vermeld in boek 3, deel 9, titel 4, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, aan en stelt zijn ambtsgebied vast.

Artikel 3.46. (01/01/2021- ...)

Het register van herstelvorderingen, vermeld in artikel 3.44, §1, derde lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, bevat de volgende gegevens uit VLOK:
1°       het dossiernummer van de administratie;
2°       het nummer van het aanvankelijke proces-verbaal;
3°       het adres van het goed waarop de herstelvordering rust;
4°       de kadastrale omschrijving;
5°       het voorwerp van de herstelvordering;
6°       de datum waarop de herstelvordering is opgesteld;
7°       het bestaan van een dagvaarding met herstelvordering op basis van de Vlaamse Wooncode;
8°       het bestaan van een definitieve veroordeling tot uitvoering van herstel;
9°       de datum waarop het register de laatste keer geactualiseerd is.
 
De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden minstens maandelijks geactualiseerd, waarbij uitgevoerde herstelvorderingen uit het register geschrapt worden.
 
Met het oog op de bescherming van hun rechtmatige belangen wordt het register van herstelvorderingen openbaar gemaakt voor kandidaat-huurders en kandidaat-kopers op de website van het agentschap. De personeelsleden, vermeld in artikel 3.26, vierde lid, van dit besluit, de instrumenterende ambtenaar, vermeld in artikel 3.51, vierde lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en tussenpersonen bij verkoop en verhuur van woningen, kunnen het register ook raadplegen. Het agentschap is verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.

Artikel 3.47. (01/01/2021- ...)

§1. De vergoeding voor de controle ter plaatse, vermeld in artikel 3.46 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, bedraagt:
1°       62,50 euro voor een zelfstandige woning;
2°       87,50 euro + 12,50 euro x (N-1) in de andere gevallen, waarbij N gelijk is aan het aantal kamers dat bij de controle ter plaatse onderzocht moet worden en minstens gelijk is aan 1.
 
Er is maar een keer 62,50 euro verschuldigd als er in een pand met meer zelfstandige woningen alleen een controle wordt uitgevoerd met het oog op het invullen van deel B van het technisch verslag, dat opgenomen is in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.
 
Het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, 2°, bedraagt per pand maximaal 1.250 euro.
 
De vergoeding wordt voor de controle ter plaatse betaald op de rekening van het Fonds voor de Wooninspectie, vermeld in artikel 19 van het decreet van 29 juni 2007 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2007.
 
§2. De bedragen in euro, vermeld in paragraaf 1, worden jaarlijks op 1 januari aangepast conform de volgende formule: nieuw bedrag = basisbedrag x aangepaste gezondheidsindex/gezondheidsindex december 2011.
 
§3. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt de vergoeding voor de controle ter plaatse 0 euro als die wordt uitgevoerd na een eerste melding van herstel door de overtreder, die volgt op het uitbrengen van een herstelvordering door de wooninspecteur.

[Deel 11. Erkenning van woningcontroleurs (ing. BVR 10 december 2021, art. 20, I: 1 april 2022)]

[Titel 1. Erkenning als woningcontroleur (ing. BVR 10 december 2021, art. 20, I: 1 april 2022)]

Artikel 3.48. (01/04/2022- 31/12/2022)

Een natuurlijke persoon die beschikt over een beroepskwalificatie woningcontroleur, wordt van rechtswege en voor onbepaalde termijn erkend als woningcontroleur en is gemachtigd om conformiteitsonderzoeken als vermeld in artikel 3.4, uit te voeren zodra hij in VLOK geregistreerd is en als hij aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° als woningcontroleur tewerkgesteld zijn door het agentschap, een Vlaamse gemeente of een intergemeentelijk samenwerkingsverband om conformiteitsonderzoeken uit te voeren in opdracht van die werkgever of in opdracht van een gemeente die behoort tot hetzelfde intergemeentelijke samenwerkingsverband als de gemeente die de woningcontroleur tewerkstelt;
2° tewerkgesteld of aangesteld zijn door een keuringsinstelling die geaccrediteerd is op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020, om conformiteitsonderzoeken uit te voeren in opdracht van het hoofd van het agentschap, een burgemeester of een intergemeentelijk samenwerkingsverband.

De machtiging, vermeld in het eerste lid, is beperkt tot de uitvoering van conformiteitsonderzoeken in het kader van procedures die behoren tot de bevoegdheid van de overheid die de opdracht geeft.

De woningcontroleur die tewerkgesteld of aangesteld is door een keuringsinstelling, is niet gemachtigd om toepassing te maken van de bevoegdheden, vermeld in artikel 3.4, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Artikel 3.49. (01/04/2022- ...)

De onderwijsinstellingen of opleidingscentra die een bewijs van beroepskwalificatie woningcontroleur afleveren, brengen het agentschap daarvan op de hoogte.

Gemeenten, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en keuringsinstellingen die een natuurlijk persoon met beroepskwalificatie woningcontroleur tewerkstellen of aanstellen, of, na een opheffing van een erkenning als woningcontroleur en het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 3.56, opnieuw als woningcontroleur tewerkstellen of aanstellen, brengen het agentschap daarvan op de hoogte.

Op basis van de informatie, vermeld in het eerste en tweede lid, geeft het agentschap toegang tot VLOK aan de personen die voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 3.48, eerste lid. Wanneer deze personen zich een eerste keer aanmelden in VLOK, worden zij als erkend woningcontroleur geregistreerd in VLOK en wordt automatisch een individueel erkenningsnummer als woningcontroleur toegekend.

De minister kan bepalen langs welke weg en in welke vorm de gegevensuitwisseling, vermeld in het eerste en het tweede lid, gebeurt.

De minister kan de vorm, de inhoud en de werkwijze bepalen voor de afgifte van een legitimatiebewijs voor erkende woningcontroleurs en een werkwijze bepalen voor de teruggave ervan na verval, schorsing of opheffing van de erkenning als woningcontroleur.

[Titel 2. Gebruikseisen voor de erkenning als woningcontroleur (ing. BVR 10 december 2021, art. 20, I: 1 april 2022)]

Artikel 3.50. (01/04/2022- ...)

Het gebruik van de erkenning als woningcontroleur is onderworpen aan de volgende gebruikseisen:
1° het gebruik van de erkenning als woningcontroleur verloopt op een kwalitatief goede wijze. De woningcontroleur neemt daarbij een objectieve en onafhankelijke houding aan;
2° de woningcontroleur past de normen en de werkwijze toe, vermeld in het ministerieel besluit van 26 november 2020 houdende regels voor het invullen van technische verslagen van het onderzoek van de kwaliteit van woningen door een woningcontroleur en de toelichting in het technisch handboek, zoals gepubliceerd en bijgehouden door het agentschap;
3° de woningcontroleur blijft op de hoogte van de technische en juridische evolutie van de materie en volgt de bijscholingen en opfrissingscursussen die het agentschap met toepassing van artikel 3.52 van dit besluit als essentieel aanwijst voor de doelgroep waartoe hij behoort;
4° de technische verslagen en andere documenten die de woningcontroleur aflevert, zijn voldoende duidelijk en worden door hem ondertekend;
5° de woningcontroleur maakt, zelfs nadat hij zijn functie heeft beëindigd, geen dossiergegevens bekend waarvan hij bij de uitvoering van zijn opdrachten kennis heeft gekregen;
6° de woningcontroleur verleent zijn medewerking aan periodieke evaluaties als vermeld in artikel 3.53 van dit besluit;
7° de woningcontroleur beschikt over de instrumenten die nodig zijn om een conformiteitsonderzoek uit te voeren;
8° de woningcontroleur die een conformiteitsonderzoek uitvoert, gebruikt VLOK om het technische verslag op te stellen;
9° de woningcontroleur mag zijn erkenning als woningcontroleur en erkenningsnummer niet gebruiken in de volgende gevallen:
a) hij heeft rechtstreeks of onrechtstreeks een persoonlijk belang;
b) een bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is betrokken;
c) hij neemt in rechte of in feite bestuursmandaten op of oefent bestuursfuncties uit bij een betrokkene in het dossier;
d) er zijn financiële banden tussen hem en een betrokkene in het dossier;
e) hij voert werkzaamheden uit buiten het kader van een opdracht als vermeld in artikel 3.48, eerste lid, 1° en 2°, van dit besluit;
10° de woningcontroleur geeft in VLOK een e-mailadres op waarop hij altijd bereikbaar is;
11° de woningcontroleur loopt geen veroordeling op voor misdrijven als vermeld in artikel 3.34 en 3.35 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 of artikel 433decies van het Strafwetboek;
12° de woningcontroleur voert geen conformiteitsonderzoeken uit in de periode waarin hij met toepassing van artikel 3.54, § 1, van dit besluit geschorst is.

Artikel 3.51. (01/04/2022- ...)

De gemeente, het intergemeentelijke samenwerkingsverband of de keuringsinstelling die de woningcontroleur tewerkstelt of heeft aangesteld, brengt het agentschap van al de volgende gebeurtenissen onmiddellijk op de hoogte en stelt op verzoek van het agentschap alle inlichtingen en documenten ter beschikking:
1° elke wijziging in de identificatiegegevens;
2° elke wijziging van de gegevens waardoor de woningcontroleur niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden of de gebruikseisen;
3° de definitieve stopzetting van de tewerkstelling of aanstelling;
4° de stopzetting van het gebruik van de erkenning als woningcontroleur.

Artikel 3.52. (01/04/2022- ...)

Het agentschap communiceert ruim op voorhand met gemeenten, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, keuringsinstellingen en woningcontroleurs over bijscholingen en opfrissingscursussen. Het agentschap geeft daarbij aan of en voor welke doelgroep die bijscholingen en opfrissingscursussen essentieel zijn en maakt met onderwijsinstellingen of opleidingscentra afspraken over een voldoende ruim aanbod ervan. Om het essentiële karakter van een bijscholing of opfrissingscursus te bepalen, houdt het agentschap rekening met alle concrete opleidingsbehoeften op het terrein en in het bijzonder met:
1° de wijziging van de regelgeving;
2° de evolutie van rechtspraak en technische inzichten;
3° de perioden van verminderde activiteit of inactiviteit van woningcontroleurs.

[Titel 3. Evaluatie van conformiteitsonderzoeken en coaching (ing. BVR 10 december 2021, art. 20, I: 1 april 2022)]

Artikel 3.53. (01/04/2022- ...)

Het hoofd van het agentschap wijst onder de erkende woningcontroleurs van het agentschap evaluatoren aan die uitgevoerde conformiteitsonderzoeken kunnen nazien, aan de hand van hercontroles of langs administratieve weg, en die deze evalueren.

De evaluatoren stellen van de evaluatie een verslag op en sturen daarvan een kopie naar de woningcontroleur van wie het onderzoek is geëvalueerd. Zij sturen periodieke, samenvattende overzichten van de evaluaties naar het hoofd van het agentschap en naar de werkgever of aansteller van de woningcontroleur van wie de conformiteitsonderzoeken werden geëvalueerd. De evaluatoren kunnen ook, op eigen initiatief of op verzoek van het hoofd van het agentschap of voormelde werkgever of aansteller, de individuele evaluatieverslagen opsturen.

[Titel 4. Sancties

Artikel 3.54. (01/04/2022- ...)

§ 1. Het hoofd van het agentschap kan de erkenning als woningcontroleur schorsen gedurende maximaal zes maanden of gedurende een periode die nodig is om een bijkomende opleiding te volgen, of de erkenning als woningcontroleur opheffen als een of meer van de volgende gevallen zich voordoen:
1° de woningcontroleur heeft in de periode van drie jaar die de erkenning als woningcontroleur van rechtswege voorafgaat, in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte een strafrechtelijke veroordeling opgelopen voor misdrijven als vermeld in artikel 3.34 en 3.35 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 of artikel 433decies van het Strafwetboek;
2° de woningcontroleur heeft bij herhaling een of meer van de gebruikseisen van de erkenning als woningcontroleur geschonden;
3° bij een evaluatie zijn ernstige of terugkerende fouten of nalatigheden vastgesteld bij de uitvoering van een conformiteitsonderzoek of het opstellen van het technische verslag.

§ 2. Het agentschap brengt de woningcontroleur met een beveiligde zending op de hoogte van het voornemen om de erkenning als woningcontroleur te schorsen of op te heffen, met vermelding van de redenen, en nodigt hem tegelijkertijd uit zijn verweermiddelen in te dienen.

Op straffe van verval dient de woningcontroleur zijn verweermiddelen in bij het agentschap binnen dertig dagen na de dag waarop hij de beveiligde zending heeft ontvangen.

§ 3. Het hoofd van het agentschap neemt een beslissing over de schorsing of opheffing van de erkenning als woningcontroleur binnen dertig dagen na de dag waarop de termijn, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, is verstreken.

Het hoofd van het agentschap kan de beslissing, vermeld in het eerste lid, beperken tot het geven van een waarschuwing en kan de woningcontroleur verplichten om de opleiding voor de beroepskwalificatie woningcontroleur volledig of gedeeltelijk te volgen of opnieuw te volgen.

§ 4. Het agentschap betekent de beslissing, vermeld in paragraaf 3, met een beveiligde zending aan de woningcontroleur in kwestie en aan zijn werkgever of aansteller.

§ 5. Tegen de beslissing van het hoofd van het agentschap, vermeld in paragraaf 3, kan, op straffe van verval binnen dertig dagen na de betekening, vermeld in paragraaf 4, beroep aangetekend worden bij de Vlaamse Regering, die in dat geval een beslissing neemt over de opheffing of schorsing van de erkenning als woningcontroleur, het geven van een waarschuwing of het opleggen van een verplichting om de opleiding voor de beroepskwalificatie woningcontroleur volledig of gedeeltelijk te volgen of opnieuw te volgen.

Op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt het beroep met een beveiligde zending ingediend op het adres van het agentschap in Brussel, en bevat het alle argumenten waarop het gebaseerd is. Als de indiener van het beroep mondeling gehoord wil worden, vermeldt hij dat in zijn beroepschrift.

De Vlaamse Regering neemt een beslissing binnen zestig dagen na de dag waarop het agentschap het beroep heeft ontvangen. Die termijn wordt verlengd tot negentig dagen als er op verzoek van de indiener van het beroepschrift een mondelinge hoorzitting gehouden wordt. Als er geen beslissing genomen wordt binnen die termijn, wordt het beroep geacht ingewilligd te zijn.

§ 6. Het agentschap voert de beslissing tot schorsing of opheffing uit door de registratie van de woningcontroleur in VLOK tijdelijk of definitief ongedaan te maken zodra een beslissing tot opheffing of schorsing van de erkenning als woningcontroleur definitief geworden is.

§ 7. Als de procedure tot schorsing of opheffing van de erkenning wordt stopgezet, worden de woningcontroleur en zijn werkgever of aansteller daarvan op de hoogte gebracht.

Artikel 3.55. (01/04/2022- ...)

De erkenning vervalt van rechtswege zodra een einde gekomen is aan de tewerkstelling of aanstelling, vermeld in artikel 3.48, eerste lid, 1° of 2°. In dat geval maakt agentschap de registratie van de woningcontroleur in VLOK ongedaan.

[Titel 5. Erkenning als woningcontroleur na opheffing van de erkenning als woningcontroleur (ing. BVR 10 december 2021, art. 20, I: 1 april 2022)]

Artikel 3.56. (01/04/2022- ...)

Een erkenning van rechtswege als woningcontroleur met toepassing van artikel 3.48, eerste lid, na een opheffing van de erkenning als woningcontroleur is op zijn vroegst mogelijk nadat twee jaar verstreken is na de beslissing tot opheffing van de erkenning als woningcontroleur, en gaat in op de datum van de nieuwe registratie in VLOK.

[Titel 6. Bescherming van persoonsgegevens (ing. BVR 10 december 2021, art. 20, I: 1 april 2022)]

Artikel 3.57. (01/04/2022- ...)

Voor de toepassing van dit deel:
1° is de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang;
2° kunnen de volgende persoonsgegevens verwerkt worden:
a) Identificatiegegevens: naam, voornaam, adres en rijksregisternummer;
b) Contactgegevens: emailadres, telefoonnummer, mobiel telefoonnummer;
c) Disciplinaire sancties: meldingen, vaststellingen en gegevens over het al dan niet naleven van gebruiksvoorwaarden, de procedurestukken en briefwisseling en de beslissing van het hoofd van het agentschap met toepassing van titel 4 van dit deel. Deze gegevens worden bewaard tot twee jaar verstreken zijn na de eindbeslissing met toepassing van de procedure van titel 4;
d) Gerechtelijke gegevens: een attest afgeleverd door de bevoegde overheid, of het afschrift van een vonnis, waaruit het bestaan blijkt van een veroordeling als vermeld in artikel 3.54, § 1, 1°. Deze gegevens worden bewaard tot drie jaar na de eindbeslissing met toepassing van de procedure van titel 4.

Boek 4. Woonactoren

Deel 1. Sociale woonorganisaties

Titel 1. Gemeenschappelijke bepalingen

[Hoofdstuk 1. Normen en bouwtechnische en conceptuele richtlijnen (ing. BVR 17 december 2021, art. 22, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.1. (25/04/2022- 31/12/2022)

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1°       bouwverrichting: de nieuwbouw of vervangingsbouw van een of meer woningen;
2°       initiatiefnemer:
a)       de VMSW;
b)       het Financieringsfonds;
c)       een woonmaatschappij als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
d)       het VWF;
e)       een gemeente of een intergemeentelijk samenwerkingsverband als vermeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
f)        een OCMW of een welzijnsvereniging;
g)       initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.29 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, die de Vlaamse Regering als initiatiefnemer erkend heeft;
h)       het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant, opgericht bij artikel 1 van het besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 22 oktober 2013;
i)        private actoren, alleen voor CBO-oproepen;
3°       investeringsverrichting: de investering in de renovatie, verbetering of aanpassing van een of meer woningen of de omvorming van een niet-residentieel gebouw naar een woongebouw met sociale woningen;
4°       project: een of meer verrichtingen die betrekking hebben op een of meer van de volgende typen woonprojecten:
a)       een sociaal woonproject;
b)       een woonproject met sociaal karakter;
c)       een project voor de realisatie of de instandhouding van een bescheiden woonaanbod;
d)       een project voor de realisatie of de instandhouding van niet-residentiële ruimten.

Artikel 4.2. (09/05/2022- 31/12/2022)

De normen waaraan sociale woningen en bescheiden huurwoningen, en de infrastructuuraanleg voor sociale woonprojecten moeten voldoen, worden vastgesteld in de vorm van een beveiligd digitaal bestand.
 
De normen, vermeld in het eerste lid, bevatten:
1°       een inhoudelijke omschrijving en de vereiste dossiersamenstelling voor elk van de volgende ontwerpfasen, zowel van een infrastructuurverrichting als van een bouwverrichting en een investeringsverrichting:
a)       het voorontwerp;
b)       het uitvoeringsdossier, voor investeringsverrichtingen waarvoor geen voorontwerp is vereist;
c)       de basisaanbesteding;
d)       het gunningsdossier;
2°       een simulatietabel om het maximale subsidiabele bedrag voor een bouwverrichting te bepalen, opgenomen in bijlage 6/1, die bij dit besluit is gevoegd;
3°       een simulatietabel om het maximale subsidiabele bedrag voor een investeringsverrichting te bepalen, opgenomen in bijlage 6/1, die bij dit besluit is gevoegd;
4°       het Bouwtechnisch Bestek Woningbouw voor bouwverrichtingen.
 
Voor een bouw- of investeringsverrichting van sociale koopwoningen of bescheiden huurwoningen of sociale huurwoningen die worden gefinancierd op de wijze, vermeld in artikel 4.10, 2°, h), is alleen het Bouwtechnisch Bestek Woningbouw voor bouwverrichtingen, vermeld in het tweede lid, 4°, van toepassing.
 
De normen zijn te raadplegen op de website van de VMSW, namelijk op http://www.vmsw.be.
 
Na advies van de kwaliteitskamer en het Overlegplatform Sociaal Wonen, vermeld in artikel 4.89, kan de Vlaamse Regering de simulatietabellen, vermeld in het tweede lid, 2° en 3°, wijzigen.
 
Na advies van de kwaliteitskamer en het Overlegplatform Sociaal Wonen, vermeld in artikel 4.89, kan de minister de omschrijving en de dossiersamenstelling, vermeld in het tweede lid, 1°, en het bestek, vermeld in het tweede lid, 4°, wijzigen.

Op voorstel van de VMSW en na advies van de kwaliteitskamer kan de minister voor een infrastructuurverrichting, een bouw- of investeringsverrichting een afwijking toestaan op de omschrijving en de dossiersamenstelling, vermeld in het tweede lid, 1°, en het bestek, vermeld in het tweede lid, 4°. 

Artikel 4.3. (01/01/2021- 31/12/2022)

De bouwtechnische en conceptuele richtlijnen voor de realisatie en instandhouding van sociale huurwoningen en voor de infrastructuuraanleg voor sociale woonprojecten zijn opgenomen in bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd. De richtlijnen waarborgen de kwaliteit en het comfort van de woningen op het vlak van veiligheid, gezondheid, energiezuinigheid, milieuvriendelijkheid en bruikbaarheid.
 
Na advies van de kwaliteitskamer en het Overlegplatform Sociaal Wonen, vermeld in artikel 4.89, kan de Vlaamse Regering de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen wijzigen.
 
Op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer kan de VMSW voor een infrastructuurverrichting, een bouwverrichting of een investeringsverrichting een afwijking van de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen toestaan als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
1°       stedenbouwkundige reglementeringen verhinderen dat de richtlijnen gevolgd worden;
2°       het alternatief waarborgt de veiligheid, gezondheid, energiezuinigheid, milieuvriendelijkheid en bruikbaarheid.
 
Op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer kan de kwaliteitskamer, los van een concreet project, een afwijking van de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen toestaan op voorwaarde dat het alternatief de veiligheid, gezondheid, energiezuinigheid, milieuvriendelijkheid en bruikbaarheid waarborgt.

Artikel 4.4. (25/04/2022- 31/12/2022)

§1. Een kwaliteitskamer wordt opgericht.
 
De kwaliteitskamer wordt als volgt samengesteld:
1°       de minister of zijn gemachtigde, die optreedt als voorzitter;
2°       één vertegenwoordiger van de VMSW;
3°       één vertegenwoordiger van het agentschap;
4°       één vertegenwoordiger, voorgedragen door de woonmaatschappijen;
5°       de Vlaamse bouwmeester of een vertegenwoordiger van zijn team.
 
Het secretariaat van de kwaliteitskamer wordt waargenomen door de VMSW.
 
§2. De kwaliteitskamer houdt jaarlijks ten minste vier keer, verspreid over het jaar, een bijeenkomst. Op de derde bijeenkomst van een werkingsjaar legt de kwaliteitskamer de data vast van de bijeenkomsten in het volgende werkingsjaar.
 
§3. De kwaliteitskamer neemt op elke bijeenkomst een beslissing over de volgende aangelegenheden:
1°       verzoeken om een afwijking van de bouwtechnisch en conceptuele richtlijnen toe te staan conform artikel 4.3, vierde lid;
2°       de beroepen die bij de kwaliteitskamer zijn ingediend conform artikel 4.32.

[Hoofdstuk 2. Herinvesteringsverplichting (ing. BVR 17 december 2021, art. 26, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.4/1. (25/04/2022- 31/12/2022)

§ 1. Een initiatiefnemer als vermeld in artikel 4.13, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, voldoet aan de herinvesteringsverplichting, vermeld in artikel 4.1/1 van de voormelde codex, door de venale waarde van de sociale huurwoning te herinvesteren in de sociale huisvestingssector op een of meer van de volgende manieren:
1° de realisatie en instandhouding van sociale huurwoningen, vermeld in artikel 5.37, § 1, eerste lid, van dit besluit;
2° de aanleg of aanpassing van wooninfrastructuur, vermeld in artikel 5.57, eerste lid, van dit besluit;
3° de investering in de werkings- en onderhoudskosten van de woonmaatschappij;
4° de versterking van de financiële leefbaarheid van de woonmaatschappij als de VMSW op basis van haar kredietwaardigheidsbeoordeling van de woonmaatschappij oordeelt dat dat noodzakelijk is;
5° de vervroegde terugbetaling van de leningen die voor de financiering van de sociale huurwoning, vermeld in artikel 4.1/1, eerste lid, van de voormelde codex, is opgenomen bij de VMSW, het Financieringsfonds of Vlabinvest apb;
6° een inbreng in de woonmaatschappij.

§ 2. Behalve in het geval, vermeld in paragraaf 1, 4°, herinvesteren woonmaatschappijen minstens 50% van de venale waarde, die overblijft na eventuele terugbetaling van de leningen die nog uitstaan op de sociale huurwoning, vermeld in artikel 4.1/1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, in verrichtingen voor de realisatie en instandhouding van sociale huurwoningen als vermeld in artikel 5.37, § 1, eerste lid, van dit besluit.

§ 3. De venale waarde wordt bij verkoop van de sociale huurwoning bepaald conform de definitie, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 57°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. De venale waarde wordt bij stopzetting van de sociale verhuring of bij bestemmingswijziging van de sociale huurwoning bepaald door een schattingsverslag als vermeld in artikel 4.5 van de voormelde codex.

Artikel 4.4/2. (25/04/2022- ...)

Woonmaatschappijen mogen met toepassing van artikel 4.4/1, § 2, de overige 50% van de venale waarde, die overblijft na eventuele terugbetaling van de leningen die nog uitstaan op de sociale huurwoning, herinvesteren op de manier zoals voorzien in artikel 4.4/1, § 1, 3°.

Bij de goedkeuring van de jaarlijkse financiële planning, motiveert de woonmaatschappij het doeleinde van elk bedrag waarin in toepassing van het eerste lid zal worden geherinvesteerd.

In het jaarverslag rapporteert de woonmaatschappij over de effectieve bestedingen, vermeld in het tweede lid.

Artikel 4.4/3. (25/04/2022- ...)

In uitvoering van artikel 4.4/1, § 1, 4° stelt het orgaan van de VMSW, dat in uitvoering van de artikelen 4.38 en 4.65 de kredietwaardigheid beoordeelt, het bedrag vast dat ontstaan is of zal ontstaan naar aanleiding van de herinvesteringsverplichting dat mag worden aangewend ter versterking van de financiële leefbaarheid, evenals de eventuele voorwaarden die daarvoor moeten worden nageleefd.

De voorwaarden moeten deel uitmaken van een door de woonmaatschappij en het orgaan van de VMSW, vermeld in het eerste lid, goedgekeurd plan van aanpak, dat concrete en meetbare voorstellen bevat, die leiden tot een verbetering van de financiële leefbaarheid, en waarvan de uitvoering opgevolgd wordt door het orgaan van de VMSW dat in uitvoering van artikel 4.38 en artikel 4.65 bevoegd is voor het opvolgen van de financiële situatie van de initiatiefnemer.

Artikel 4.4/4. (25/04/2022- ...)

Een inbreng in de woonmaatschappij, zoals beschreven in artikel 4.4/1, § 1, 6°, kan de vorm aannemen van hetzij een inbreng van een geldsom tegen uitgifte van aandelen door de woonmaatschappij, zoals bedoeld in artikel 1:8 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, hetzij een kapitaalsubsidie.

De aandelen die de initiatiefnemer ontvangt in ruil voor de inbreng van een geldsom kunnen een dividend opleveren van maximaal de helft van de rentevoet vermeld in artikel 4.46/3, 3° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

De initiatiefnemer kan bij overdracht van die aandelen, ongeacht de oorzaak daarvan, niet meer ontvangen als prijs of scheidingsaandeel dan de nominale waarde van de door de aandeelhouder werkelijk gestorte en nog niet terugbetaalde inbreng in het vermogen van de woonmaatschappij zoals geboekt op het ogenblik van de inbreng daarvan. In het geval van een uittreding of uitsluiting van de initiatiefnemer, of ontbinding van de woonmaatschappij, zal het scheidingsaandeel, respectievelijk de teruggenomen nominale waarde van de door de aandeelhouder werkelijk gestorte en de nog niet terugbetaalde inbreng in het vermogen van de woonmaatschappij zoals geboekt op het ogenblik van de inbreng door de initiatiefnemer worden geherinvesteerd overeenkomstig artikel 4.1/1 van de voormelde codex.

Artikel 4.4/5. (25/04/2022- ...)

De minister kan de modaliteiten bepalen waaronder initiatiefnemers kunnen herinvesteren op de manieren, vermeld in artikel 4.4/1, § 1, 3°, 4° en 6°.

Artikel 4.4/6. (25/04/2022- ...)

De initiatiefnemer toont aan dat hij aan de herinvesteringsverplichting, vermeld in artikel 4.1/1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, heeft voldaan door jaarlijks in het jaarverslag in een verantwoording te voorzien over de evolutie van de herinvesteringsverplichting.

Een herinvestering door woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.4/1, § 1, 1° en 2°, is alleen geldig als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de uitgave verloopt via de rekening-courant die die initiatiefnemer aanhoudt bij de VMSW;
2° de uitgave, vermeld in punt 1°, betreft een niet-gesubsidieerd gedeelte van een verrichting.

Artikel 4.4/7. (25/04/2022- ...)

Gemeenten, OCMW's, welzijnsverenigingen en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden kunnen ter uitvoering van artikel 4.1/1, vierde lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 met een gemotiveerd verzoekschrift bij de minister beroep aantekenen tegen de oplegging van een administratieve geldboete.

De minister brengt binnen vijftien dagen na de dag waarop hij het verzoekschrift heeft ontvangen, de verzoeker op de hoogte van zijn beslissing tot inwilliging of afwijzing van het beroep. Als de minister geen kennisgeving doet binnen de voorgeschreven termijn, wordt de minister geacht het verzoek te hebben toegestaan.

Tegen de beslissing, vermeld in het tweede lid, kan de verzoeker beroep instellen conform de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari 1973.

Artikel 4.4/8. (25/04/2022- ...)

Met uitzondering van het Vlaams Woningfonds wendt de overdrager, vermeld in artikel 4.38, § 7, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, de overblijvende middelen aan conform de bepalingen van dit hoofdstuk. De woonmaatschappijen herinvesteren de overblijvende middelen van een overdracht als vermeld in artikel 4.38, § 7, tweede lid, van de voormelde codex, binnen de subsidiabele prijsplafonds van verrichtingen voor de realisatie en instandhouding van sociale huurwoningen, vermeld in artikel 5.37, § 1, eerste lid, van dit besluit.

De minister bepaalt de nadere regels voor de aanwending van de overblijvende middelen, vermeld in artikel 4.38, § 7, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, door het Vlaams Woningfonds.

Titel 2. Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen

Hoofdstuk 1. Rechtsopvolging van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij

Artikel 4.5. (01/01/2021- ...)

De statuten van de VMSW, op 27 juni 2006 goedgekeurd door de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, vermeld in artikel 4.7, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, over de omvorming van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, vermeld in artikel 4.7, tweede lid, van de voormelde codex, tot de VMSW, zoals bepaald in artikel 4.7, zesde lid, van de voormelde codex, worden goedgekeurd met uitsluiting van artikel 3, §1, 6°, 7° en 8°, van de statuten.

Artikel 4.6. (01/01/2021- ...)

De VMSW geldt met ingang van 1 juli 2006 als de algemene rechtsopvolger van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, vermeld in artikel 4.7, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, waarvan ze de rechtspersoonlijkheid voortzet.
 
De goederen, de rechten en de verplichtingen van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, vermeld in artikel 4.7, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de hangende en toekomstige gerechtelijke procedures, en met uitzondering van de goederen, de rechten en de verplichting die vermeld zijn in artikel 4.7, behoren met ingang van de datum, vermeld in het eerste lid, toe aan de VMSW.

Artikel 4.7. (01/01/2021- ...)

De roerende goederen, de rechten en de verplichtingen van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, vermeld in artikel 4.7, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de hangende en toekomstige gerechtelijke procedures, die betrekking hebben op taken en opdrachten die ter uitvoering van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 worden toevertrouwd aan het Vlaams Ministerie van Omgeving, worden overgedragen aan het Vlaamse Gewest en toegewezen aan de entiteiten van het Vlaams Ministerie van Omgeving conform de verdeling die opgenomen is in de inventaris, vermeld in artikel 4.9, tweede lid.

Artikel 4.8. (01/01/2021- ...)

De goederen, de rechten en de verplichtingen van het Vlaamse Gewest die betrekking hebben op taken en opdrachten inzake woonbeleid, die uitgeoefend worden door de afdeling Gesubsidieerde Infrastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de hangende en toekomstige gerechtelijke procedures, worden conform de verdeling die opgenomen is in de inventaris, vermeld in artikel 4.9, tweede lid:
1°       overgedragen aan de VMSW als ze betrekking hebben op taken en opdrachten die krachtens boek 4, deel 1, titel 2, hoofdstuk 3 en 4, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 worden toevertrouwd aan de VMSW;
2°       toegewezen aan entiteiten van het Vlaams Ministerie van Omgeving als ze betrekking hebben op taken en opdrachten die ter uitvoering van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 worden toevertrouwd aan het Vlaams Ministerie van Omgeving.

Artikel 4.9. (01/01/2021- ...)

De goederen, rechten en verplichtingen, vermeld in artikel 4.7 en 4.8, worden kosteloos overgedragen in de staat waarin ze zich bevinden en, als het gaat om onroerende goederen, met inbegrip van hun actieve en passieve erfdienstbaarheden, de bijzondere lasten die verbonden zijn aan de verwerving ervan, alsook de eventuele rechten die aan derden verleend zijn.
 
Van die goederen, rechten en verplichtingen wordt een inventaris, met inbegrip van de verdeling ervan, opgemaakt in gezamenlijk overleg tussen de leidinggevende ambtenaren van de VMSW en de betrokken entiteiten van het Vlaams Ministerie van Omgeving. Die inventaris wordt opgenomen in een proces-verbaal van overdracht dat wordt ondertekend door de leidende ambtenaren die bij de verdeling betrokken zijn.

[Hoofdstuk 1/1. Raad van bestuur (ing. BVR 10 november 2022, art. 41, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.9/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

(01/01/2023- ...)

De personeelsleden, vermeld in artikel 4.8, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zijn:
1°    het hoofd van de subentiteit die door het hoofd van het agentschap wordt belast met het financiële beheer van de opdrachten die overeenkomstig de Vlaamse Codex Wonen van 2021 aan de VMSW zijn toevertrouwd, of zijn plaatsvervanger of de waarnemend titularis, conform artikel V.42 van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006;
2°    het hoofd van de subentiteit die door het hoofd van het agentschap wordt belast met de ondersteuning van de werking van de woonmaatschappijen, of zijn plaatsvervanger of de waarnemend titularis, conform artikel V.42 van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.
 

Hoofdstuk 2. Opdrachten

[Afdeling 1. Verstrekken van leningen aan Vlabinvest apb (verv. BVR 10 november 2022, art. 42, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.10. (25/04/2022- 31/12/2022)

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
1°       bouwverrichting: een verrichting als vermeld in punt 9°, c);
2°       financiering: een van de volgende financieringswijzen:
a)       eigen middelen van de initiatiefnemer;
b)       een marktconforme lening op 33 jaar bij de VMSW, gekoppeld aan een tussenkomst in de leningslast als vermeld in artikel 5.44, §3;
c)       een bulletlening op tien jaar bij de VMSW, gekoppeld aan een tussenkomst in de prefinanciering als vermeld in artikel 5.46;
d)       een lening als vermeld in artikel 4.41, tweede lid, 6°;
e)       een tenlasteneming of een subsidie als vermeld in boek 5, deel 2, titel 3, hoofdstuk 2;
f)        een tenlasteneming of een subsidie als vermeld in artikel 7.26, en in artikel 27, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2015 houdende stopzetting van de subsidiëring van sociale koopwoningen en sociale kavels en houdende de aanpassing van diverse besluiten met betrekking tot het woonbeleid in Vlaanderen;
g)       een andere lening bij de VMSW dan de lening, vermeld in punt b), c) en d);
h)       een lening bij een andere financiële instelling dan de VMSW;
i)        elke combinatie van de financieringswijzen, vermeld in punt a) tot en met h);
3°       infrastructuurverrichting: een verrichting als vermeld in punt 9°, b);
4°       initiatiefnemer:
a)       de VMSW;
b)       het Financieringsfonds;
c)       een woonmaatschappij als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
d)       het VWF;
e)       een gemeente of een intergemeentelijk samenwerkingsverband als vermeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
f)        een OCMW of een welzijnsvereniging;
g)       initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.29 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, die de Vlaamse Regering als initiatiefnemer erkend heeft;
h)       het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant, opgericht bij artikel 1 van het besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 22 oktober 2013;
i)        private actoren, enkel voor CBO-oproepen;
5°       investeringsverrichting: een verrichting als vermeld in punt 9°, d);
6°       jaarbudget: het investeringsvolume dat voor een bepaald begrotingsjaar kan worden ingezet, conform artikel 4.11, tweede lid, te verdelen over de financieringswijzen, vermeld in punt 2°;
7°       lokaal woonoverleg: een gemeentelijk overleg als vermeld in artikel 2.3, §2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, waarbij de gemeente, samen met sociale woonorganisaties en, in voorkomend geval, andere woon- en welzijnsactoren die op haar grondgebied werken, de doelstellingen bespreekt op het vlak van wonen op korte of middellange termijn en de relatie daarvan met sociale en andere woonprojecten;
8°       project: een of meer verrichtingen die betrekking hebben op een of meer van de volgende typen woonprojecten:
a)       een sociaal woonproject;
b)       een woonproject met sociaal karakter;
c)       een project voor de realisatie of de instandhouding van een bescheiden woonaanbod;
d)       een project voor de realisatie of de instandhouding van niet-residentiële ruimten;
9°       verrichtingen:
a)       de verwerving van een of meer onroerende goederen;
b)       de aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur, waarbij de volgende deelverrichtingen worden onderscheiden:
1)       gronden bouwrijp maken;
2)       een of meer constructies slopen;
3)       infrastructuurwerken uitvoeren;
4)       gemeenschapsvoorzieningen oprichten;
5)       aanpassingswerken aan de woonomgeving uitvoeren;
c)       de nieuwbouw of vervangingsbouw van een of meer woningen;
d)       de investering in de renovatie, verbetering of aanpassing van een of meer woningen of de omvorming van een niet-residentieel gebouw tot een woongebouw met sociale woningen.

Artikel 4.11. (01/01/2021- 31/12/2022)

Na mededeling aan de Vlaamse Regering stelt de minister de volgende zaken vast:
1°       het kader voor de renovatietoets en de lokale woontoets;
2°       het financiële kader.
 
Op voorstel van de VMSW verdeelt de minister voor een begrotingsjaar het jaarbudget over de financieringswijzen, vermeld in artikel 4.10, 2°. De minister kan beslissen om een aandeel van het jaarbudget te reserveren voor bepaalde types van verrichtingen.

Artikel 4.12. (01/01/2021- 31/12/2022)

De VMSW stelt een digitaal projectplatform ter beschikking, hierna het Projectportaal te noemen. Het Projectportaal heeft de volgende doelstellingen:
1°       de interactie tussen de VMSW, het agentschap, de initiatiefnemers van projecten, de gemeenten en de intergemeentelijke projecten lokaal woonbeleid;
2°       de melding van projecten en de projectopvolging;
3°       de opvolging van de programmatie.
 
De volgende instanties of verenigingen hebben toegang tot het Projectportaal:
1°       de initiatiefnemers, voor de projecten op het grondgebied van de gemeenten waar ze actief zijn;
2°       de gemeenten, voor de projecten op hun grondgebied;
3°       de intergemeentelijke projecten lokaal woonbeleid, voor de projecten in hun werkingsgebied;
4°       het agentschap;
5°       de Visitatieraad, vermeld in artikel 4.115.
 
De VMSW staat in voor het digitale beheer van het Projectportaal. De initiatiefnemers staan in voor de actualisatie van de projectgegevens, vermeld in artikel 4.13, tweede en derde lid.

Artikel 4.13. (01/01/2021- 31/12/2022)

De initiatiefnemers brengen de VMSW via het Projectportaal op de hoogte van de geplande projecten. Ze melden ook eventuele latere wijzigingen van het project via het Projectportaal aan de VMSW.
 
Met het oog op de uitvoering van de renovatietoets voor een project voert de initiatiefnemer in het Projectportaal de volgende gegevens in:
1°       de initiatiefnemer;
2°       de locatie van het project, GIS-gekoppeld als daarin voorzien is;
3°       het huidige aantal huurwoningen en het aantal huurwoningen na de uitvoering van het project;
4°       een rapport over de huidige staat van de gebouwen of woningen die deel uitmaken van het project, met de volgende informatie:
a)       de conditiescore van de gebouwen of woningen;
b)       de veiligheids- en gezondheidsaspecten van de gebouwen of woningen;
5°       een toelichtingsnota die de voorgestelde vervangingsbouw of investeringsverrichting onderbouwt en de staat omschrijft van de gebouwen of woningen na de vervangingsbouw of investering.
 
Met het oog op de bespreking van een project op het lokaal woonoverleg, vermeld in artikel 4.15, §1, en de uitvoering van de lokale woontoets voert de initiatiefnemer in het Projectportaal de volgende gegevens in:
1°       de initiatiefnemer;
2°       de locatie van het project, GIS-gekoppeld als daarin voorzien is;
3°       het huidige aantal huurwoningen, koopwoningen of kavels, en het aantal huurwoningen, koopwoningen of kavels na de uitvoering van het project;
4°       de volgende informatie als het project de aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur omvat:
a)       in voorkomend geval, het aantal huurwoningen, koopwoningen en kavels dat blijkt uit het rapport van de stedenbouwkundige studie;
b)       de keuze van de aanbestedende overheid voor de aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur, vermeld in artikel 5.58, §1;
c)       in voorkomend geval, het voornemen van de initiatiefnemer om een of meer gemeenschapsvoorzieningen op te richten.

Artikel 4.14. (01/01/2021- 31/12/2022)

De initiatiefnemer brengt de VMSW via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot uitvoering van de renovatietoets voor een project dat voorziet in een vervangingsbouw of dat een investeringsverrichting omvat. In de renovatietoets geeft de VMSW op basis van het kader, vermeld in artikel 4.11, eerste lid, 1°, een advies over de rationaliteit van de voorgestelde vervangingsbouw of investeringsverrichting.
 
Binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de melding door de initiatiefnemer, vermeld in het eerste lid, brengt de VMSW een advies uit. De VMSW voert het advies in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
Als de VMSW door de onvolledigheid van de aanvraag bijkomende documenten of inlichtingen moet opvragen, wordt de vervaltermijn, vermeld in het tweede lid, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de zevende kalenderdag nadat de VMSW alle bijkomende documenten of inlichtingen heeft ontvangen.
 
Als de VMSW een gunstig advies geeft en er voor de investeringsverrichting geen vergunning, melding of verhuisbeweging vereist is, komt de verrichting principieel in aanmerking voor programmatie. Als de VMSW een gunstig advies geeft en het project voorziet in een vervangingsbouw of bevat een investeringsverrichting waarvoor een vergunning, een melding of een verhuisbeweging is vereist, komt de verrichting principieel in aanmerking voor programmatie nadat de lokale woontoets succesvol is doorlopen.
 
Als de VMSW een ongunstig advies geeft, past de initiatiefnemer die aanspraak blijft maken op financiering, met behoud van de toepassing van artikel 26 zijn project aan en verzoekt de VMSW een nieuwe renovatietoets uit te voeren.
 
Als het advies van de VMSW niet tijdig wordt verleend, wordt de vervangingsbouw of investeringsverrichting geacht een gunstig advies gekregen te hebben. Als voor de investeringsverrichting geen vergunning, melding of verhuisbeweging is vereist, komt de verrichting principieel in aanmerking voor programmatie. Als het project voorziet in een vervangingsbouw of een investeringsverrichting waarvoor een vergunning, een melding of een verhuisbeweging is vereist, komt de verrichting principieel in aanmerking voor programmatie nadat de lokale woontoets succesvol is doorlopen.

Artikel 4.15. (25/04/2022- 31/12/2022)

§1. Met het oog op de opname ervan in de Projectenlijst bespreekt de initiatiefnemer de volgende projecten op het lokaal woonoverleg van de gemeente waar ze uitgevoerd worden:
1°       een project dat voorziet in de nieuwbouw van sociale huur- of koopwoningen of bescheiden huurwoningen, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur;
2°       een project dat voorziet in een vervangingsbouw of een investeringsverrichting omvat waarvoor een vergunning, een melding of een verhuisbeweging is vereist, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur, voor elk van de volgende types van onroerende goederen:
a)       eigen sociale huur- of koopwoningen of bescheiden huurwoningen;
b)       verworven bebouwde onroerende goederen;
3°       een project dat voorziet in de verwerving van een of meer goede woningen, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur.
 
Voor de toepassing van het eerste lid worden de huurwoningen en de koopwoningen die deel uitmaken van een woonproject met sociaal karakter, respectievelijk gelijkgesteld met sociale huurwoningen en sociale koopwoningen.
 
De bespreking op het lokaal woonoverleg gebeurt op basis van een fiche die de initiatiefnemer uit het Projectportaal genereert, en die de volgende gegevens bevat:
1°       de projectgegevens, vermeld in artikel 4.13, derde lid;
2°       als het project voorziet in de nieuwbouw of vervangingsbouw van sociale huurwoningen, het resterende contingent sociale huurwoningen van het bindend sociaal objectief van de gemeente;
3°       als het project voorziet in een vervangingsbouw of een investeringsverrichting, het advies van de VMSW in het kader van de renovatietoets.
 
De gemeente vult de fiche aan met een verslag van de bespreking van het project op het lokaal woonoverleg.
 
Voor de bespreking van een project dat alleen voorziet in de verwerving van een of meer goede woningen, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van wooninfrastructuur, vermeld in het eerste lid, 3°, kan de gemeente de sociale woonorganisaties en het OCMW voor overleg samenroepen. Actoren die niet aanwezig kunnen zijn, bezorgen de gemeente hun opmerkingen schriftelijk. Dat lokaal woonoverleg kan digitaal of via e-mail gehouden worden.
 
§2. Op een lokaal woonoverleg worden de volgende zaken meegedeeld:
1°       recente verwervingen van onbebouwde onroerende goederen met het oog op de realisatie van sociale huur- of koopwoningen of bescheiden huurwoningen;
2°       recente verwervingen van andere bebouwde onroerende goederen dan goede woningen;
3°       een overzicht van de recent verkochte sociale of bescheiden huurwoningen en van de geplande verkopen van sociale of bescheiden huurwoningen;
4°       de omzetting van sociale koopwoningen in sociale huurwoningen.
 
§3. Minstens één keer per jaar worden de lokale woonbehoeften en de lijsten van de kandidaat-huurders voor een sociale of bescheiden huurwoning in de gemeente op het lokaal woonoverleg besproken.

Artikel 4.16. (01/01/2021- 31/12/2022)

§1. Als de initiatiefnemer bij de bespreking van een project op het lokaal woonoverleg aangeeft dat het project klaar is om opgenomen te worden in de Projectenlijst, voert de gemeente een lokale woontoets uit. In de lokale woontoets neemt de gemeente op basis van het kader, vermeld in artikel 4.11, eerste lid, 1°, een beslissing over twee of meer van de volgende aangelegenheden:
1°       de toets aan het gemeentelijke beleid;
2°       de toets aan het bindend sociaal objectief;
3°       in voorkomend geval, de verbintenis om de wooninfrastructuur samen met de grond waarin of waarop ze wordt uitgevoerd, op te nemen in het gemeentelijk openbaar domein.
 
Voor de volgende categorieën van projecten neemt de gemeente een beslissing over de aangelegenheden, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3°:
1°       een project dat voorziet in de nieuwbouw van sociale huurwoningen, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur;
2°       een project dat voorziet in de vervangingsbouw van sociale huurwoningen, waarbij er sprake is van een toename met meer dan 20% ten opzichte van het huidige aantal sociale huurwoningen op projectniveau, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur;
3°       een project dat een investeringsverrichting omvat waarvoor een vergunning, een melding of een verhuisbeweging is vereist, waarbij er sprake is van een toename met meer dan 20% ten opzichte van het huidige aantal sociale huurwoningen op projectniveau, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur;
4°       een project dat voorziet in de verwerving van een of meer goede woningen, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur.
 
Voor de volgende categorieën van projecten neemt de gemeente een beslissing over de aangelegenheden, vermeld in het eerste lid, 1° en 3°:
1°       een project dat voorziet in de vervangingsbouw van sociale huurwoningen zonder dat er sprake is van een toename met meer dan 20% ten opzichte van het huidige aantal sociale huurwoningen op projectniveau;
2°       een project dat een investeringsverrichting omvat waarvoor een vergunning, een melding of een verhuisbeweging is vereist zonder dat er sprake is van een toename met meer dan 20% ten opzichte van het huidige aantal sociale huurwoningen op projectniveau;
3°       een project dat alleen voorziet in de realisatie of de instandhouding van sociale koopwoningen of sociale kavels of van bescheiden huurwoningen, met inbegrip van de eventuele aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur.
 
Binnen een termijn van dertig kalenderdagen die ingaat op de dag na de bespreking van het project op het lokaal woonoverleg, vermeld in het eerste lid, neemt de gemeente een beslissing. De gemeente voert haar beslissing, samen met de aangevulde fiche, vermeld in artikel 4.15, §1, vierde lid, in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
Als de gemeente door de onvolledigheid van de aanvraag bijkomende documenten of inlichtingen moet opvragen, wordt de vervaltermijn, vermeld in het derde lid, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de zevende kalenderdag nadat de gemeente alle bijkomende documenten of inlichtingen heeft ontvangen.
 
Als de gemeente beslist dat het project past in het gemeentelijke beleid en vaststelt dat het project past in het bindend sociaal objectief, komen de verrichtingen van het project principieel in aanmerking voor programmatie.
 
Als de gemeente beslist dat het project niet past in het gemeentelijke beleid of vaststelt dat het project niet past in het bindend sociaal objectief, past de initiatiefnemer die aanspraak blijft maken op financiering, zijn project aan en bespreekt het opnieuw op een lokaal woonoverleg.
 
Als de gemeente niet tijdig een beslissing neemt over de lokale woontoets, wordt het project geacht te passen in het gemeentelijke beleid. De verrichtingen van het project komen principieel in aanmerking voor programmatie op voorwaarde dat de VMSW vaststelt dat het project past binnen het bindend sociaal objectief.
 
§2. Het college van burgemeester en schepenen voert de lokale woontoets uit.
 
Als de gemeente beschikt over een goedgekeurde visie op het vlak van lokaal sociaal woonbeleid, kan het college van burgemeester en schepenen de uitvoering van en de beslissing over de lokale woontoets:
1°       delegeren aan een lid van het college of aan een of meer personeelsleden van de gemeente die daarvoor speciaal zijn aangewezen;
2°       toevertrouwen aan een intergemeentelijke administratieve eenheid.

[Afdeling 1/1. Beheer van de PPS-overeenkomsten (ing. BVR 10 november 2022, art. 42, I: 1 januari 2023)]
[Onderafdeling 1. Algemene bepalingen (ing. BVR 10 november 2022, art. 42, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.17. (01/01/2021- 31/12/2022)

De VMSW houdt een actuele lijst bij van projecten waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie of een of meer van de fasen, vermeld in artikel 4.19, eerste lid, hebben doorlopen, hierna de Projectenlijst te noemen. De lijst omvat de volgende categorieën van projecten:
1°       projecten die de renovatietoets succesvol doorlopen hebben en vrijgesteld zijn van bespreking op het lokaal woonoverleg;
2°       projecten die de lokale woontoets succesvol doorlopen hebben, in voorkomend geval nadat ze de renovatietoets succesvol doorlopen hebben.

[Onderafdeling 2. Tegemoetkomingen voor de bouw en uitbating van PPS-woningen (ing. BVR 10 november 2022, art. 42, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.18. (25/04/2022- 31/12/2022)

§1. Een gemeente kan beslissen om een project op haar grondgebied dat is opgenomen in de Projectenlijst, tijdelijk stop te zetten als het behoort tot een van de categorieën van projecten, vermeld in artikel 4.16, §1, tweede lid, 1°, 2° en 3°. De gemeente voert haar beslissing in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt slechts totdat een verrichting die deel uitmaakt van het project, de fase van de opname in de meerjarenplanning of verder heeft doorlopen.

§ 1/1. Een gemeente kan na overleg met de initiatiefnemer beslissen om een of meer andere projecten op haar grondgebied, die zijn opgenomen in de projectenlijst, om te wisselen voor een ander project dat betrekking heeft op maximaal hetzelfde aantal sociale huurwoningen, en waarvoor een lokale woontoets als vermeld in artikel 4.16, § 1, eerste lid, is aangevraagd, op voorwaarde dat dat andere project behoort tot een van de categorieën van projecten, vermeld in artikel 4.16, § 1, tweede lid, 1°, 2° en 3°. Voor dat project voert de gemeente een lokale woontoets uit die alleen betrekking heeft op de aangelegenheden, vermeld in artikel 4.16, § 1, eerste lid, 1° en 3°.

De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen tot een verrichting die deel uitmaakt van het project, de fase van de opname in de meerjarenplanning of een verdere fase heeft doorlopen.

§2. Een gemeente kan beslissen om een nieuwe lokale woontoets uit te voeren voor een project op haar grondgebied waarvan ze in het kader van een eerdere lokale woontoets heeft vastgesteld dat het project niet past binnen het bindend sociaal objectief.
 
De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen in de volgende gevallen:
1°       de gemeente heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid, vermeld in paragraaf 1;
2°       de gemeente heeft een sociaal woonbeleidsconvenant gesloten als vermeld in artikel 5.52, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
 
§3. Het college van burgemeester en schepenen neemt een beslissing over de aangelegenheid, vermeld in paragraaf 1, en voert een nieuwe lokale woontoets uit in de gevallen, vermeld in paragraaf 2.
 
Als de gemeente beschikt over een goedgekeurde visie op het vlak van lokaal sociaal woonbeleid, kan het college van burgemeester en schepenen de opdrachten, vermeld in het eerste lid:
1°       delegeren aan een lid van het college of aan een of meer personeelsleden van de gemeente die daarvoor speciaal zijn aangewezen;
2°       toevertrouwen aan een intergemeentelijke administratieve eenheid.

Artikel 4.19. (01/01/2021- 31/12/2022)

Met behoud van de toepassing van het tweede tot en met het vierde lid doorloopt een verrichting die deel uitmaakt van een project waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie, achtereenvolgens elk van de volgende fasen:
1°       de opname in de meerjarenplanning, vermeld in sectie 2;
2°       de opname in de kortetermijnplanning, vermeld in sectie 3;
3°       de toewijzing van middelen op een jaarbudget, vermeld in sectie 4.
 
De volgende verrichtingen en deelverrichtingen doorlopen alleen de fase van de toewijzing van middelen op een jaarbudget, vermeld in sectie 4, ongeacht of ze deel uitmaken van een project waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie:
1°       de verwerving van onbebouwde onroerende goederen en van goede woningen door de uitoefening van:
a)       het recht van voorkoop, vermeld in boek 5, deel 6, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en elk ander wettelijk recht van voorkoop;
b)       een wettelijk recht van wederinkoop;
c)       een conventioneel recht van voorkoop of recht van wederinkoop, op voorwaarde dat de initiatiefnemer de oorspronkelijke verkoper is van het onroerend goed;
2°       de verwerving van onroerende goederen waarvoor een financiering als vermeld in artikel 4.10, 2°, d), wordt toegekend;
3°       het bouwrijp maken van gronden, de sloop van een of meer constructies en de uitvoering van archeologisch vooronderzoek;
4°       de opmaak van een stedenbouwkundige studie;
5°       de erelonen, als de VMSW optreedt als aanbestedende of medeaanbestedende overheid van een infrastructuurverrichting;
6°       dringende werkzaamheden aan bestaande constructies ten gevolge van niet te voorziene omstandigheden, na een aanvraag van de initiatiefnemer;
7°       de verrichtingen die volledig gefinancierd worden op de wijze, vermeld in artikel 4.10, 2°, g).
 
De volgende verrichtingen en deelverrichtingen doorlopen alleen de fase van de toewijzing van middelen op een jaarbudget, vermeld in sectie 4, op voorwaarde dat ze deel uitmaken van een project waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie:
1°       de verwerving van onbebouwde onroerende goederen en van andere bebouwde onroerende goederen dan goede woningen, uitgezonderd de verwervingen, vermeld in het tweede lid, 1°;
2°       de contractueel overeengekomen prijsherzieningen;
3°       de meerwerken;
4°       de werkzaamheden voor de openbare verlichting of het watervoorzieningsnet.
 
De volgende verrichtingen doorlopen achtereenvolgens de fase van de opname in de kortetermijnplanning, vermeld in sectie 3, en de toewijzing van middelen op een jaarbudget, vermeld in sectie 4, op voorwaarde dat ze deel uitmaken van een project waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie:
1°       de verwerving van goede woningen, uitgezonderd de verwervingen, vermeld in het tweede lid, 1°;
2°       andere investeringsverrichtingen dan de investeringsverrichtingen, vermeld in het tweede lid, 6°, waarbij de geraamde kostprijs voor de uitvoering van de verrichting maximaal 15.000 euro, exclusief btw, per betrokken sociale huurwoning bedraagt.
 
Een bouw- of investeringsverrichting van sociale koopwoningen of bescheiden huurwoningen die deel uitmaakt van een project waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie, wordt automatisch opgenomen in de korte termijnplanning, vermeld in sectie 3, en doorloopt alleen de fase van de toewijzing van middelen op een jaarbudget, vermeld in sectie 4.
 
Verrichtingen die volledig gefinancierd worden op een van de wijzen, vermeld in artikel 4.10, 2°, a) of h), of met een combinatie van de voormelde financieringswijzen, doorlopen geen van de fasen, vermeld in het eerste lid, ongeacht of ze deel uitmaken van een project waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie.

Artikel 4.20. (25/04/2022- 31/12/2022)

De VMSW kan in elk van de fasen, vermeld in artikel 4.19, eerste lid, beslissen om een verrichting van een woonmaatschappij tijdelijk stop te zetten als uit de financiële planning die de VMSW heeft opgemaakt voor een woonmaatschappij, blijkt dat het niet-uitvoeren van de verrichting een rechtstreeks positief effect heeft als vermeld in artikel 5.43, derde lid.

Artikel 4.21. (09/05/2022- 31/12/2022)

§1. De initiatiefnemer brengt de VMSW via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot opname in de meerjarenplanning van een bouwverrichting en van een investeringsverrichting. De initiatiefnemer voegt het voorontwerp bij zijn verzoek met een aanvraag tot advisering. Als de initiatiefnemer een afwijking van de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen of een afwijking als vermeld in artikel 4.2, zevende lid, vraagt, voegt hij een verantwoording bij het voorontwerp. De VMSW bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
In afwijking van het eerste lid hoeft geen voorontwerp opgemaakt te worden voor investeringsverrichtingen waarvoor noch een vergunning of melding noch een verhuisbeweging is vereist. In dat geval volstaat het dat de initiatiefnemer de VMSW via het Projectportaal op de hoogte brengt van een verzoek tot opname van de verrichting in de meerjarenplanning. Nadat een termijn van zeven kalenderdagen verstreken is, die ingaat op de dag na het verzoek, komt de verrichting principieel in aanmerking voor opname in de meerjarenplanning.
 
Als de initiatiefnemer van een investeringsverrichting waarvoor noch een vergunning of melding noch een verhuisbeweging is vereist, uit eigen beweging een voorontwerp opmaakt en wil laten adviseren door de VMSW, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
 
§2. De initiatiefnemer die zelf optreedt als aanbestedende overheid van een infrastructuurverrichting, brengt de VMSW via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot opname in de meerjarenplanning van die infrastructuurverrichting. De initiatiefnemer voegt het voorontwerp bij zijn verzoek met een aanvraag tot advisering. Als de initiatiefnemer een afwijking van de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen vraagt, voegt hij een verantwoording bij het voorontwerp. De VMSW bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Als de VMSW of een andere instantie optreedt als aanbestedende overheid van een infrastructuurverrichting, maakt ze zelf een voorontwerp op of laat ze een voorontwerp opmaken door een ontwerper. De aanbestedende overheid brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het voorontwerp klaar is. Vanaf dat moment kan de initiatiefnemer conform het eerste lid de VMSW via het Projectportaal verzoeken om de verrichting in kwestie op te nemen in de meerjarenplanning.
 
§3. Binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het voorontwerp, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en in paragraaf 2, eerste en tweede lid, brengt de VMSW een advies uit. De VMSW voert het advies in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
Voor infrastructuurverrichtingen begint de termijn voor de advisering van het voorontwerp, vermeld in paragraaf 2, eerste en tweede lid, te lopen op de dag nadat is voldaan aan de vereisten, vermeld in artikel 4.22.
 
Als de VMSW door de onvolledigheid van de aanvraag bijkomende documenten of inlichtingen moet opvragen, wordt de vervaltermijn, vermeld in het eerste lid, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de zevende kalenderdag nadat de VMSW alle bijkomende documenten of inlichtingen heeft ontvangen.
 
Als de VMSW in haar advies vaststelt dat het voorontwerp in overeenstemming is met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, de VMSW of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, komt de verrichting principieel in aanmerking voor opname in de meerjarenplanning op de laatste dag van de termijn, vermeld in het eerste lid, die in voorkomend geval is verlengd conform het derde lid.
 
Als de VMSW in haar advies vaststelt dat het voorontwerp niet in overeenstemming is met de normen of de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, de VMSW of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, past de initiatiefnemer die aanspraak blijft maken op financiering, met behoud van de toepassing van artikel 4.32 zijn voorontwerp aan en bezorgt het opnieuw aan VMSW conform paragraaf 1, eerste lid.
 
Als het advies van de VMSW niet tijdig wordt verleend, wordt het voorontwerp geacht in overeenstemming te zijn met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, en komt de verrichting principieel in aanmerking voor opname in de meerjarenplanning op de laatste dag van de termijn, vermeld in het eerste lid, die in voorkomend geval is verlengd conform het derde lid. De VMSW meldt dat in het Projectportaal en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
§4. Paragraaf 1 en 3 zijn niet van toepassing op verrichtingen in het kader van een CBO-oproep.

Artikel 4.22. (01/01/2021- 31/12/2022)

§1. Als voor een project de aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur is vereist, informeert de initiatiefnemer de lokale bevolking op gepaste wijze over de uit te voeren verrichtingen, al dan niet door een informatievergadering te beleggen. De initiatiefnemer bezorgt de VMSW de eventuele opmerkingen van de lokale bevolking of het verslag van de informatievergadering.
 
In afwijking van het eerste lid hoeft de initiatiefnemer de lokale bevolking niet te informeren over een geplande verrichting als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1°       voor de verrichting is noch een stedenbouwkundige studie, noch de uitvoering van infrastructuurwerken of aanpassingswerken aan de woonomgeving vereist;
2°       de kostprijs van de verrichting, exclusief btw, bedraagt maximaal 1.000.000 euro of er zijn maximaal acht woningen of kavels bij de verrichting betrokken.
 
§2. Als voor een project de aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur is vereist, belegt de initiatiefnemer een plenaire vergadering waarop de stedenbouwkundige studies en de voorontwerpen besproken worden nadat aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1°       de initiatiefnemer heeft de VMSW, de gemeente, de rioolbeheerder en alle andere uitgenodigde partijen een voorontwerp van de aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur bezorgd;
2°       de bouw- of investeringsverrichting komt principieel in aanmerking voor opname in de meerjarenplanning, of er is voor de bouw- of investeringsverrichting een voorontwerp ingediend bij de VMSW.
 
Op verzoek van de initiatiefnemer kan de VMSW:
1°       vrijstelling verlenen van het beleggen van een plenaire vergadering als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
a)       de aanleg of aanpassing van de wooninfrastructuur omvat geen uitvoering van infrastructuurwerken of aanpassingswerken aan de woonomgeving;
b)       de uit te voeren infrastructuurwerken omvatten alleen nutsvoorzieningen of omgevingswerken;
2°       toestaan dat de initiatiefnemer een plenaire vergadering belegt nadat voldaan is aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°.

[Onderafdeling 3. Financiële tegemoetkomingen (ing. BVR 10 november 2022, art. 42, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.23. (25/04/2022- 31/12/2022)

§ 1. De VMSW neemt, rekening houdend met het financiële kader, een beslissing over de opname in de meerjarenplanning van bouw- en investeringsverrichtingen die principieel in aanmerking komen voor opname in de meerjarenplanning.

Een CBO-oproep waarvan het voorontwerp gunstig is geadviseerd door de VMSW en die tot de onderhandelingsfase kan toetreden, komt principieel in aanmerking voor opname in de meerjarenplanning.

De VMSW voert de beslissing over de opname in de meerjarenplanning van een bouw- of investeringsverrichting in het projectportaal in. De VMSW brengt de initiatiefnemer op de hoogte van de beslissing.
 
§2. De VMSW neemt, rekening houdend met het financiële kader, een beslissing over de opname in de meerjarenplanning van infrastructuurverrichtingen die principieel in aanmerking komen voor opname in de meerjarenplanning.
 
De VMSW voert de beslissing over de opname in de meerjarenplanning van een verrichting als vermeld in het eerste lid, in het Projectportaal in. De VMSW brengt de initiatiefnemer op de hoogte van de beslissing.
 
§3. Als een verrichting conform paragraaf 1 of 2 wordt opgenomen in de meerjarenplanning, gaat de verrichting naar fase 2 als vermeld in sectie 3.

Artikel 4.24. (09/05/2022- 31/12/2022)

§1. De initiatiefnemer brengt de VMSW via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot opname in de kortetermijnplanning van een bouwverrichting en van een investeringsverrichting die is opgenomen in de meerjarenplanning. De initiatiefnemer voegt de basisaanbesteding bij zijn verzoek en verklaart dat die in overeenstemming is met het geadviseerde voorontwerp van de verrichting, zoals dat is opgenomen in de meerjarenplanning, en met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, de VMSW of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat. De VMSW bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Als de initiatiefnemer van een investeringsverrichting waarvoor noch een vergunning of melding noch een verhuisbeweging is vereist, conform artikel 4.21, §1, derde lid, uit eigen beweging een voorontwerp heeft opgemaakt en heeft laten adviseren door de VMSW, brengt de initiatiefnemer de VMSW via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot opname in de kortetermijnplanning van de investeringsverrichting die is opgenomen in de meerjarenplanning. De initiatiefnemer voegt de basisaanbesteding bij zijn verzoek en verklaart dat die in overeenstemming is met het geadviseerde voorontwerp van de verrichting, zoals dat is opgenomen in de meerjarenplanning, en met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, de VMSW of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat. De VMSW bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Nadat een termijn van zeven kalenderdagen is verstreken, die ingaat op de dag na het verzoek, vermeld in het eerste en tweede lid, komt de verrichting principieel in aanmerking voor opname in de kortetermijnplanning.
 
§2. De initiatiefnemer die zelf optreedt als aanbestedende overheid van een infrastructuurverrichting die is opgenomen in de meerjarenplanning, brengt de VMSW via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot opname in de kortetermijnplanning van die infrastructuurverrichting. De initiatiefnemer voegt de basisaanbesteding bij zijn verzoek en verklaart dat die in overeenstemming is met het geadviseerde voorontwerp van de verrichting, zoals dat is opgenomen in de meerjarenplanning, en met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, de VMSW of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat. De VMSW bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Als de VMSW of een andere instantie optreedt als aanbestedende overheid van een infrastructuurverrichting, maakt ze zelf een basisaanbesteding op of laat ze een basisaanbesteding opmaken door een ontwerper. De aanbestedende overheid brengt de initiatiefnemer ervan via het Projectportaal op de hoogte dat de basisaanbesteding klaar is. Vanaf dat moment kan de initiatiefnemer de VMSW conform het eerste lid verzoeken om de verrichting in kwestie op te nemen in de kortetermijnplanning. Nadat een termijn van zeven kalenderdagen is verstreken, die ingaat op de dag na het verzoek, komt de infrastructuurverrichting principieel in aanmerking voor opname in de kortetermijnplanning.
 
§3. De initiatiefnemer brengt de VMSW via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot opname in de kortetermijnplanning van een investeringsverrichting die is opgenomen in de meerjarenplanning en waarvoor conform artikel 4.21, §1, tweede lid, geen voorontwerp is opgemaakt en geadviseerd. De initiatiefnemer voegt het uitvoeringsdossier bij zijn verzoek met een aanvraag tot advisering. Als de initiatiefnemer een afwijking van de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen vraagt, voegt hij een verantwoording bij het uitvoeringsdossier. De VMSW bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het uitvoeringsdossier, vermeld in het eerste lid, brengt de VMSW een advies uit. De VMSW voert het advies in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
Als de VMSW door de onvolledigheid van de aanvraag bijkomende documenten of inlichtingen moet opvragen, wordt de vervaltermijn, vermeld in het tweede lid, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de zevende kalenderdag nadat de VMSW alle bijkomende documenten of inlichtingen heeft ontvangen.
 
Als de VMSW in haar advies vaststelt dat het uitvoeringsdossier in overeenstemming is met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, de VMSW of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, komt de verrichting principieel in aanmerking voor opname in de kortetermijnplanning op de laatste dag van de termijn, vermeld in het tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd conform het derde lid.
 
Als de VMSW in haar advies vaststelt dat het uitvoeringsdossier niet in overeenstemming is met de normen of de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, de VMSW of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, past de initiatiefnemer die aanspraak blijft maken op financiering, met behoud van de toepassing van artikel 4.32 zijn uitvoeringsdossier aan en bezorgt het opnieuw aan VMSW conform het eerste lid.
 
Als het advies van de VMSW niet tijdig wordt verleend, wordt het uitvoeringsdossier geacht in overeenstemming te zijn met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, en komt de verrichting principieel in aanmerking voor opname in de kortetermijnplanning op de laatste dag van de termijn, vermeld in het tweede lid, die in voorkomend geval is verlengd conform het derde lid. De VMSW geeft dat in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
§4. De initiatiefnemer brengt de VMSW via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot opname in de kortetermijnplanning van:
1°       investeringsverrichtingen waarbij de geraamde kostprijs voor de uitvoering van de verrichting maximaal 15.000 euro, exclusief btw, per betrokken sociale huurwoning bedraagt;
2°       de verwerving van goede woningen, waarvoor een onderhandse akte is opgesteld.
 
De VMSW bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.

Nadat een termijn van zeven kalenderdagen is verstreken, die ingaat op de dag na het verzoek, vermeld in het eerste en tweede lid, komt de verrichting principieel in aanmerking voor opname in de kortetermijnplanning.

Artikel 4.25. (01/01/2021- 31/12/2022)

Als een verrichting principieel in aanmerking komt voor opname in de kortetermijnplanning, voert de initiatiefnemer de volgende documenten in het Projectportaal in:
1°       alle vereiste vergunningen, met vermelding van de datum van de verlening of de weigering van een vergunning, alsook de datum van de eventuele schorsing, intrekking of vernietiging van een vergunning;
2°       alle vereiste meldingsplichtige handelingen, met vermelding van de datum waarop de melding is gedaan;
3°       een bewijs van een zakelijk recht op de gronden.

Artikel 4.26. (09/05/2022- 31/12/2022)

§1. De VMSW stelt een lijst op van bouw- en investeringsverrichtingen die op de vijfenveertigste kalenderdag voor een reguliere beoordelingscommissie principieel in aanmerking komen voor opname in de kortetermijnplanning en waarvoor conform artikel 4.25 blijkt dat de initiatiefnemer beschikt over de vereiste vergunningen, meldingen en een zakelijk recht op de gronden. De verrichtingen die na de voormelde datum de status ‘komt principieel in aanmerking voor opname in de kortetermijnplanning’ krijgen, komen in aanmerking voor de daarop volgende beoordelingscommissie. De voorwaarde dat de initiatiefnemer beschikt over de vereiste vergunningen, meldingen en een zakelijk recht op de gronden, wordt beoordeeld op de dag waarop de beoordelingscommissie bijeenkomt.
 
Op basis van de lijst, vermeld in het eerste lid, neemt de beoordelingscommissie, rekening houdend met het financiële kader, met behoud van de toepassing van paragraaf 3 een beslissing over de opname van de bouw- en investeringsverrichtingen in de kortetermijnplanning.
 
De VMSW voert de beslissing van de beoordelingscommissie over de opname van een bouw- of investeringsverrichting in de kortetermijnplanning in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
§2. De VMSW neemt, rekening houdend met het financiële kader, met behoud van de toepassing van paragraaf 3 een beslissing over de opname van de volgende verrichtingen in de kortetermijnplanning:
1°       infrastructuurverrichtingen die principieel in aanmerking komen zijn voor opname in de kortetermijnplanning;
2°       investeringsverrichtingen waarbij de geraamde kostprijs voor de uitvoering van de verrichting maximaal 15.000 euro, exclusief btw, per betrokken sociale huurwoning bedraagt;
3°       de verwerving van goede woningen, waarvoor een onderhandse akte is opgesteld;
4° een bouw- of investeringsverrichting.
 
De VMSW voert de beslissing van een verrichting als vermeld in het eerste lid, over de opname in de kortetermijnplanning in het Projectportaal in en brengt de initiatiefnemer op de hoogte.
 
§3. Als een project waarvan de verrichtingen principieel in aanmerking komen voor programmatie, zowel een infrastructuurverrichting als een bouw- of investeringsverrichting omvat, gelden bijkomend de volgende voorwaarden voor de opname in de kortetermijnplanning:
1°       een infrastructuurverrichting kan pas opgenomen worden in de kortetermijnplanning als een bouw- of investeringsverrichting ten minste is opgenomen in de meerjarenplanning;
2°       een bouw- of investeringsverrichting kan pas opgenomen worden in de kortetermijnplanning als de infrastructuurverrichting ten minste is opgenomen in de meerjarenplanning.
 
§4. Als een verrichting conform paragraaf 1 of 2 wordt opgenomen in de kortetermijnplanning, gaat de verrichting naar fase 3 als vermeld in sectie 4.

[Onderafdeling 4. Indeplaatsstelling van de VMSW als de LHI in gebreke blijft (ing. BVR 10 november 2022, art. 42, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.27. (09/05/2022- 31/12/2022)

Als na de opname van een verrichting in de kortermijnplanning de VMSW aantoont dat de basisaanbesteding niet in overeenstemming is met het geadviseerde voorontwerp van de verrichting, zoals dat is opgenomen in de meerjarenplanning, of niet in overeenstemming is met de normen of de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, de VMSW of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, wordt de verrichting geschrapt uit de kortetermijnplanning. De initiatiefnemer die aanspraak blijft maken op financiering, past met behoud van de toepassing van artikel 4.32 zijn basisaanbesteding aan en bezorgt ze opnieuw aan de VMSW conform artikel 4.24, §1 of §2.

Artikel 4.27/1. (25/04/2022- 31/12/2022)

Bij de aanvraag van de toewijzing op het jaarbudget brengt de initiatiefnemer de VMSW op de hoogte van de uitgaven die hij via de rekening-courant wil laten verlopen in het kader van de herinvesteringsverplichting, conform de modaliteiten, vermeld in titel 1, hoofdstuk 2.

[Onderafdeling 5. Verhuring van PPS-woningen (ing. BVR 10 november 2022, art. 42, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.28. (09/05/2022- 31/12/2022)

§1. De initiatiefnemer brengt de VMSW via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot toewijzing op een jaarbudget voor een bouwverrichting of een investeringsverrichting die is opgenomen in de kortetermijnplanning. De initiatiefnemer voegt het gunningsdossier bij zijn verzoek en verklaart dat het gunningsdossier in overeenstemming is met de basisaanbesteding van de verrichting, zoals ze is opgenomen in de kortetermijnplanning en met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, de VMSW of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, en dat de procedure van de wetgeving op de overheidsopdrachten is nageleefd. De VMSW bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Als voor een investeringsverrichting waarvoor noch een vergunning of melding noch een verhuisbeweging is vereist, geen voorontwerp is opgemaakt en geadviseerd, verklaart de initiatiefnemer dat het gunningsdossier in overeenstemming is met het geadviseerde uitvoeringsdossier van de verrichting, zoals ze is opgenomen in de kortetermijnplanning en met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, de VMSW of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, en dat de procedure van de wetgeving op de overheidsopdrachten is nageleefd. De VMSW bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Voor een bouw- of investeringsverrichting van sociale koopwoningen of bescheiden huurwoningen verklaart de initiatiefnemer dat het Bouwtechnisch Bestek Woningbouw voor bouwverrichtingen gevolgd is bij de basisaanbesteding en dat de procedure van de wetgeving op de overheidsopdrachten is nageleefd.
 
De initiatiefnemer brengt de VMSW via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot toewijzing op een jaarbudget voor een verrichting die conform artikel 4.19, tweede of derde lid, alleen de fase van de toewijzing van middelen op een jaarbudget doorloopt. De VMSW bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
De initiatiefnemer brengt de VMSW via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot toewijzing op een jaarbudget voor een verwerving van een of meer goede woningen die is opgenomen in de kortetermijnplanning, met het oog op de opmaak van de authentieke akte. De VMSW bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Nadat een termijn van veertien kalenderdagen verstreken is, die ingaat op de dag na het verzoek, vermeld in het eerste tot en met het vijfde lid, komt de verrichting in aanmerking voor toewijzing op een jaarbudget. De VMSW wijst de middelen voor de financiering van de verrichting toe op een jaarbudget.

Als de VMSW van oordeel is dat het verzoek tot toewijzing op het jaarbudget onvolledig is, vraagt ze bijkomende documenten of inlichtingen aan de initiatiefnemer. In dat geval wordt de termijn, vermeld in het zesde lid, geschorst. De voormelde termijn begint opnieuw te lopen op de zevende dag na de dag waarop de VMSW alle bijkomende documenten of inlichtingen heeft ontvangen.
 
§2. De initiatiefnemer die zelf optreedt als aanbestedende overheid van een infrastructuurverrichting die is opgenomen in de kortetermijnplanning, brengt de VMSW via het Projectportaal op de hoogte van een verzoek tot toewijzing op een jaarbudget voor die infrastructuurverrichting. De initiatiefnemer voegt het gunningsdossier bij zijn verzoek en verklaart dat het gunningsdossier in overeenstemming is met de basisaanbesteding van de verrichting, zoals ze is opgenomen in de kortetermijnplanning en met de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, de VMSW of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, en dat de procedure van de wetgeving op de overheidsopdrachten is nageleefd. De VMSW bezorgt de initiatiefnemer een ontvangstbevestiging.
 
Als de VMSW of een andere instantie optreedt als aanbestedende overheid van een infrastructuurverrichting, maakt ze zelf een gunningsdossier op, of laat ze een gunningsdossier opmaken door een ontwerper. De aanbestedende overheid brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het gunningsdossier klaar is. Vanaf dat moment kan de initiatiefnemer de VMSW conform het eerste lid verzoeken om voor de verrichting in kwestie middelen toe te wijzen op een jaarbudget.
 
Nadat een termijn van veertien kalenderdagen verstreken is, die ingaat op de dag na het verzoek, vermeld in het eerste en tweede lid, komt de verrichting in aanmerking voor toewijzing op een jaarbudget. De VMSW wijst de middelen voor de financiering van de verrichting toe op een jaarbudget.

Als de VMSW van oordeel is dat het verzoek tot toewijzing op het jaarbudget onvolledig is, vraagt ze bijkomende documenten of inlichtingen aan de initiatiefnemer. In dat geval wordt de termijn, vermeld in het derde lid, geschorst. De voormelde termijn begint opnieuw te lopen op de zevende dag na de dag waarop de VMSW alle bijkomende documenten of inlichtingen heeft ontvangen.
 
§3. Paragraaf 1 en 2 zijn niet van toepassing op de volgende verrichtingen, die na de kennisgeving van de gunning in aanmerking komen voor toewijzing op een jaarbudget:
1°       verrichtingen in het kader van een CBO-oproep;
2°       verrichtingen in het kader van een Design and Build-oproep.

Artikel 4.29. (09/05/2022- 31/12/2022)

Om recht te hebben op een financiering als vermeld in artikel 4.10, 2°, b), e) of f), mogen verrichtingen niet worden besteld voordat ze conform artikel 4.28, §1, vijfde lid, of §2, derde lid, in aanmerking komen voor toewijzing op een jaarbudget, op voorwaarde dat de toewijzing mogelijk is binnen de perken van het resterende investeringsvolume dat op het jaarbudget beschikbaar is.
 
Als de VMSW na de bestelling van een verrichting vaststelt dat het gunningsdossier niet in overeenstemming is met de basisaanbesteding van de verrichting zoals ze is opgenomen in de kortetermijnplanning, niet in overeenstemming is met de normen of de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, de VMSW of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, of als tekortkomingen bij de uitvoering van de overheidsopdracht worden vastgesteld, verliest de initiatiefnemer voor de verrichting in kwestie zijn recht op een financiering als vermeld in artikel 4.10, 2°, b), e) of f). Met behoud van de toepassing van artikel 4.32 lost de initiatiefnemer zijn leningen vervroegd af en betaalt hij zijn subsidies, inclusief tussenkomsten, terug conform artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.
 
Als voor een investeringsverrichting waarvoor noch een vergunning of melding, noch een verhuisbeweging is vereist, geen voorontwerp is opgemaakt en geadviseerd en de VMSW na de bestelling vaststelt dat het gunningsdossier niet in overeenstemming is met het geadviseerde uitvoeringsdossier van de verrichting zoals ze is opgenomen in de kortetermijnplanning, niet in overeenstemming is met de normen of de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen en normen waarvoor de minister, de VMSW of de kwaliteitskamer een afwijking toestaat, of als tekortkomingen bij de uitvoering van de overheidsopdracht worden vastgesteld, verliest de initiatiefnemer voor de verrichting in kwestie zijn recht op een financiering als vermeld in artikel 4.10, 2°, b). Met behoud van de toepassing van artikel 4.32 lost de initiatiefnemer zijn leningen vervroegd af en betaalt hij zijn subsidies, inclusief tussenkomsten, terug conform artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.

Artikel 4.29/1. (25/04/2022- 31/12/2022)

Als de initiatiefnemer na de bestelling van een infrastructuur-, bouw- of investeringsverrichting door overmacht afwijkt van het gunningsdossier, blijft de toewijzing op het jaarbudget behouden, op voorwaarde dat er een oplossing wordt uitgewerkt binnen de mogelijkheden, vermeld in het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten.

De VMSW past het bedrag dat op een jaarbudget is toegewezen, en het prijsplafond voor die verrichting aan. De VSMW doet die aanpassing rekening houdend met de nieuwe omstandigheden en de prijsplafonds die zijn opgenomen in boek 5, deel 2, titel 1 en titel 3. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden worden de contractueel overeengekomen prijsherzieningen pro rata toegepast op het prijsplafond, op basis van de procentuele stijging van het totale aanbestedingsbedrag.

Artikel 4.30. (25/04/2022- 31/12/2022)

§1. Een beoordelingscommissie wordt opgericht.
 
De beoordelingscommissie wordt als volgt samengesteld:
1°       de minister of zijn gemachtigde;
2°       drie vertegenwoordigers van de VMSW;
3°       één vertegenwoordiger van het agentschap;
4°       drie vertegenwoordigers, voorgedragen door de woonmaatschappijen;
5°       één vertegenwoordiger van het VWF;
6°       één vertegenwoordiger, voorgedragen door de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, zonder stemrecht in de beoordelingscommissie.
 
Het voorzitterschap en het secretariaat van de beoordelingscommissie worden waargenomen door de VMSW.
 
§2. De beoordelingscommissie houdt jaarlijks ten minste drie keer, verspreid over het jaar, een reguliere bijeenkomst. Op de tweede bijeenkomst van een werkingsjaar legt de beoordelingscommissie de data vast van de reguliere bijeenkomsten in het volgende werkingsjaar.
 
§3. Op voorstel van de VMSW neemt de beoordelingscommissie op elke bijeenkomst een beslissing over de volgende aangelegenheden:
1°       de schrapping van verrichtingen uit de meerjarenplanning;
2°       de opname van verrichtingen in de kortetermijnplanning en de schrapping van verrichtingen uit de kortetermijnplanning.
 
Op voorstel van de VMSW neemt de beoordelingscommissie op de eerste reguliere bijeenkomst van een werkingsjaar een beslissing over het minimale budget voor de lancering van een nieuwe CBO-oproep. Op voorstel van de VMSW kan de beoordelingscommissie in de loop van een werkingsjaar het CBO-budget verhogen of verlagen.
 
Op elke bijeenkomst van de beoordelingscommissie rapporteert de VMSW over de volgende aangelegenheden:
1°       de Projectenlijst;
2°       de toewijzingen op het jaarbudget van het voorgaande en het huidige jaar, verdeeld over de financieringswijzen, vermeld in artikel 4.10, 2°, en, in voorkomend, geval de reservering van een deel van het jaarbudget voor bepaalde types van verrichtingen;
3°       de opname door de VMSW van verrichtingen in de meerjarenplanning conform artikel 4.23, §2, en in de kortetermijnplanning conform artikel 4.26, §2;
4°       de opvolging van projectvoorstellen voor de verwezenlijking van sociale huur- of koopwoningen die ingediend zijn in het kader van een CBO-oproep of een Design and Build-oproep .
 
Op de eerste bijeenkomst van de beoordelingscommissie van elke werkingsjaar rapporteert de VMSW over de afwijkingen van de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen die de VMSW en de kwaliteitskamer in het voorgaande werkingsjaar hebben toegestaan.
 
Als de beoordelingscommissie op andere tijdstippen bijeenkomt dan de reguliere bijeenkomsten, vermeld in paragraaf 2, neemt ze een beslissing over een of meer van de aangelegenheden, vermeld in het eerste lid, en rapporteert ze over de aangelegenheden, vermeld in het tweede lid.

Artikel 4.31. (01/01/2021- 31/12/2022)

Minstens veertien kalenderdagen voor een reguliere bijeenkomst van de beoordelingscommissie bezorgt de VMSW aan de leden van de beoordelingscommissie de documenten, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid.
 
Om de beoordelingscommissie in staat te stellen een beslissing te nemen over de opname van verrichtingen in de meerjarenplanning en de schrapping van verrichtingen uit de meerjarenplanning, bezorgt de VMSW:
1°       een overzicht van de volgende verrichtingen die in aanmerking komen voor schrapping uit de meerjarenplanning:
a)       de verrichtingen die gedurende drie jaar in de meerjarenplanning zijn opgenomen;
b)       de verrichtingen die de VMSW conform artikel 4.20 tijdelijk heeft stopgezet, samen met een motivatie voor de stopzetting;
2°       een overzicht van de verrichtingen die principieel in aanmerking komen voor opname in de meerjarenplanning;
3°       een voorstel van een aangepaste meerjarenplanning.
 
Om de beoordelingscommissie in staat te stellen een beslissing te nemen over de opname van verrichtingen in de kortetermijnplanning en de schrapping van verrichtingen uit de kortetermijnplanning, bezorgt de VMSW:
1°       een overzicht van de volgende verrichtingen die in aanmerking komen voor schrapping uit de kortetermijnplanning:
a)       de verrichtingen die gedurende acht maanden in de kortetermijnplanning zijn opgenomen;
b)       de verrichtingen die de VMSW conform artikel 4.20 tijdelijk heeft stopgezet;
2°       een overzicht van de verrichtingen die principieel in aanmerking komen voor opname in de kortetermijnplanning;
3°       een voorstel van een aangepaste kortetermijnplanning.
 
Met het oog op de rapportering aan de beoordelingscommissie over de toewijzingen op het jaarbudget van het voorgaande en het huidige jaar bezorgt de VMSW de nodige informatie over:
1°       de verrichtingen waarvoor in het huidige en voorgaande begrotingsjaar middelen zijn toegewezen op een jaarbudget, opgesplitst per begrotingsjaar;
2°       de benuttingsgraad van de financieringswijzen, vermeld in artikel 4.10, 2°, b), c), d), e), f) en g), in het huidige en het voorgaande begrotingsjaar;
3°       de verwervingen van onbebouwde onroerende goederen en van andere bebouwde onroerende goederen dan goede woningen, waarvan de bouw- of investeringsverrichting is opgenomen in de meerjarenplanning of in de kortetermijnplanning, en een prognose voor de impact van de verwervingen op de financiering in het huidige en het volgende begrotingsjaar.

Artikel 4.32. (01/01/2021- 31/12/2022)

In dit artikel wordt verstaan onder beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
1°       een aangetekende brief;
2°       een afgifte tegen ontvangstbewijs;
3°       een elektronische aangetekende zending;
4°       elke andere betekeningswijze die de minister heeft toegestaan, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.
 
De initiatiefnemer kan bij de kwaliteitskamer beroep aantekenen tegen de volgende adviezen of beslissingen van de VMSW:
1°       een ongunstig advies in het kader van de renovatietoets conform artikel 4.14, vijfde lid;
2°       een ongunstig advies bij een voorontwerp conform artikel 4.21, §3, vijfde lid;
3°       een ongunstig advies bij een uitvoeringsdossier conform artikel 4.24, §3, vijfde lid;
4°       een beslissing tot schrapping van een verrichting uit de kortetermijnplanning conform artikel 4.27;
5°       een beslissing tot verlies van het recht op financiering als vermeld in artikel 4.10, 2°, b), e) of f), voor een verrichting conform artikel 4.29, tweede en derde lid.
 
Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid betekend met een beveiligde zending binnen een termijn van zestig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de invoering van het advies of de beslissing van de VMSW in het Projectportaal.
 
De kwaliteitskamer neemt over het beroep een beslissing binnen een termijn van negentig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in het tweede lid. De VMSW voert de beslissing van de kwaliteitskamer in het Projectportaal in, en brengt de initiatiefnemer met een beveiligde zending op de hoogte.
 
Als de kwaliteitskamer door de onvolledigheid van het dossier bijkomende documenten of inlichtingen moet opvragen, wordt de vervaltermijn, vermeld in het derde lid, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de zevende kalenderdag nadat de initiatiefnemer alle bijkomende documenten of inlichtingen met een beveiligde zending heeft betekend.
 
Als de beslissing van de kwaliteitskamer niet tijdig wordt betekend aan de initiatiefnemer, wordt het beroep geacht ingewilligd te zijn.
 
De beslissing van de kwaliteitskamer heeft dezelfde gevolgen als het advies van de VMSW, vermeld in artikel 4.14, artikel 4.21, §3, en artikel 4.24, §3, en de beslissing van de VMSW, vermeld in artikel 4.27 en artikel 4.29.

Artikel 4.33. (01/01/2021- 31/12/2022)

De bedragen, vermeld in artikel 4.19, vierde lid, 2°, artikel 4.24, §4, eerste lid, 1°, en artikel 4.26, §2, eerste lid, 2°, worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan de evolutie van de ABEX-index van november van het voorgaande jaar, met als basis de ABEX-index van november 2017. Het resultaat wordt afgerond naar het eerstvolgende veelvoud van 100 euro.

Afdeling 2. [Beheer van de eigen middelen van woonmaatschappijen (verv. BVR 17 december 2021, art. 36, I; 25 april 2022)]

Artikel 4.34. (25/04/2022- 31/12/2022)

De woonmaatschappijen storten maandelijks de saldi van de vorige kalendermaand van hun rekeningen die niet worden beheerd door de VMSW, op hun rekening-courant bij de VMSW, na aftrek van de uitgaven die nodig zijn voor hun dagelijks bestuur als vermeld in artikel 5:79, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, en die betaald moeten worden in de kalendermaand waarin de saldi gestort worden.
 
De woonmaatschappijen rapporteren op het einde van elke kalendermaand aan de VMSW over de saldi van de eigen middelen buiten de VMSW.

Artikel 4.35. (25/04/2022- ...)

De rekening-courant van een woonmaatschappij kan op haar eigen verzoek opgesplitst worden in een “rekening-courant korte termijn” voor tegoeden op minder dan één jaar, en een “rekening-courant lange termijn” voor tegoeden op één jaar en meer.
 
De raad van bestuur van de VMSW kan ook beslissen een aparte rekening- courant te creëren, al dan niet op basis van een specifieke reglementering.

Artikel 4.36. (01/01/2021- ...)

De creditrentevoet op overschotten op de “rekening-courant korte termijn” voor een bepaalde maand wordt vastgesteld op een creditreferentie met een creditmarge en geldt voor die volledige kalendermaand. De referentie is het gemiddelde van alle fixings van Euribor 1 maand (Bloomberg, pagina EUR001M) van de vorige kalendermaand, afgerond op drie cijfers na de komma.
 
De creditrentevoet kan evenwel niet lager zijn dan die, bepaald in het derde lid.
 
Op het bedrag dat in de loop van het jaar niet gepland overgedragen moet worden van de “rekening-courant lange termijn” naar de “rekening-courant korte termijn”, wordt vanaf 1 januari tot de dag van de ontvangst van de opvraging bij de VMSW een intrest van 0,50% toegepast, vermeerderd of verminderd met een marge.
 
De creditrentevoet op overschotten op de “rekening-courant lange termijn” voor een bepaald kalenderjaar wordt vastgesteld op een creditreferentie met een creditmarge en geldt voor dat volledige kalenderjaar. De referentie is de voorlaatste fixing van Euribor 12 maand (Bloomberg, pagina EUR012M) van het vorige kalenderjaar, afgerond op drie cijfers na de komma.
 
De debetrentevoet voor de debetsaldi op de “rekening-courant korte termijn” wordt vastgesteld als een debetreferentie met een debetmarge en geldt voor een volledige kalendermaand. De referentie voor een bepaalde kalendermaand is het tarief voor kaskredieten zoals het meest recent gepubliceerd voor de vorige kalendermaand.
 
De intrest wordt jaarlijks op 31 december verrekend.

Artikel 4.37. (25/04/2022- ...)

Iedere woonmaatschappij dient minstens één keer per jaar een door haar bestuursorgaan goedgekeurde financiële planning in bij de VMSW.
 
Die planning bevat twee delen:
1°       een investeringsplanning, gedetailleerd voor de eerstkomende twee jaar, rudimentair voor het derde tot en met het vijfde jaar;
2°       een planning van de operationele verrichtingen, gedetailleerd voor de eerstkomende twee jaar, rudimentair voor het derde tot en met het vijfde jaar.

Artikel 4.38. (01/01/2021- ...)

De raad van bestuur van de VMSW keurt de uitvoeringsmodaliteiten van het reglement goed, na advies van de sector. De VMSW organiseert het overleg daarover.

Afdeling 3. Rollend Grondfonds

Artikel 4.39. (01/01/2021- 31/12/2022)

§1. De VMSW creëert een apart intern financieringsfonds, hierna Rollend Grondfonds te noemen, waarin de financiële stromen voor de verrichtingen in het kader van artikel 4.19, 6°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 worden geboekt. De VMSW wordt belast met het beheer van het Rollend Grondfonds.
 
Binnen de kredieten die daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap zijn uitgetrokken, kan de minister een rentesubsidie toekennen aan de VMSW om het Rollend Grondfonds in staat te stellen de taken te realiseren die eraan zijn toevertrouwd. De rentesubsidie moet de financieringskosten dekken van de leningen die aangegaan zijn om de activiteiten van het Rollend Grondfonds te financieren.
 
Bij het begin van elk kwartaal bezorgt de VMSW het agentschap een overzicht van alle leningen die ze is aangegaan met de middelen van het Rollend Grondfonds, waarvan de vervaldag in het lopende kwartaal valt. Op basis van dat overzicht betaalt het agentschap het subsidiebedrag voor het lopende kwartaal uit aan de VMSW.
 
§2. De VMSW rapporteert jaarlijks aan het agentschap over de activiteiten van het Rollend Grondfonds. Het rapport omvat een overzicht van de genomen grondbeleidsmaatregelen, de geïnvesteerde middelen en de projecten die gerealiseerd zijn met de middelen vanuit het Rollend Grondfonds.

Artikel 4.40. (25/04/2022- 31/12/2022)

De VMSW heeft als opdracht om grondbeleidsmaatregelen, als vermeld in artikel 4.17, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, te treffen die noodzakelijk worden geacht om een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen.
 
Onder grondbeleidsmaatregelen wordt verstaan:
1°       onroerende goederen verwerven en vervreemden, zowel openbaar als uit de hand;
2°       zakelijke rechten op onroerende goederen vestigen of afstaan;
3°       tijdelijke participaties nemen;
4°       onteigeningsbevoegdheden uitoefenen;
5°       een recht van voorkoop uitoefenen;
6°       leningen verstrekken aan woonmaatschappijen en gemeenten om verwervingen te financieren in het kader van artikel 4.17, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
7°       leningen verstrekken aan Vlabinvest apb om verwervingen te financieren voor de realisatie van huurwoningen in het kader van artikel 4.17, eerste lid, 6°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
 
Voor de grondbeleidsmaatregelen, vermeld in het tweede lid, 1° tot en met 5° en 7°, kan de VMSW een beroep doen op het Rollend Grondfonds.
 
Voor de grondbeleidsmaatregel, vermeld in het tweede lid, 6°, kan de VMSW een beroep doen op de verbintenissenmachtiging die opgenomen is in het begrotingsdecreet van de Vlaamse Gemeenschap om woonmaatschappijen en gemeenten in staat te stellen om sociale woningen ter beschikking te stellen als vermeld in artikel 5.36, §1, en artikel 5.44, §1. Jaarlijks kan de minister daarvoor een volume reserveren.
 
Als de grondbeleidsmaatregel, vermeld in het eerste lid, een grondaankoop betreft, moet die grondaankoop beantwoorden aan een of meer van de volgende criteria:
1°       de grond komt onmiddellijk in aanmerking voor bebouwing;
2°       de grond komt niet onmiddellijk voor bebouwing in aanmerking omdat:
a)       de grond in een woonuitbreidingsgebied ligt als vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen;
b)       volgens de huidige bestemming van het gewestplan de grond niet onmiddellijk voor woningbouw in aanmerking komt. Een ruimtelijk structuurplan, een ruimtelijk beleidsplan of een ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan stelt echter een woonbestemming in het vooruitzicht op basis van een principebeslissing van een gemeente, provincie of de Vlaamse overheid;
c)       de grond gelegen is in een ontsluitbare woonzone.
 
Onder een hoogwaardige woonkwaliteit wordt de kwaliteit van de woningen en de woonomgeving verstaan, waarbij aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1°       de woningen voldoen aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten, vastgesteld bij of krachtens artikel 3.1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
2°       als er sociale woningen worden opgericht, voldoen die woningen aan de door de minister vast te stellen technische normen waaraan sociale woningen moeten voldoen;
3°       de woonomgeving is kwalitatief hoogstaand door een combinatie van de volgende kenmerken:
a)       een behoorlijke wooninfrastructuur, met inbegrip van gemeenschapsvoorzieningen;
b)       een vermenging van soorten woningen en woningtypes;
c)       een vermenging van voorzieningen voor verschillende doelgroepen;
d)       een goede integratie van nieuwe projecten in de bestaande omgeving.

Artikel 4.41. (01/01/2021- ...)

De middelen van het Rollend Grondfonds kunnen alleen worden aangewend om grondbeleidsmaatregelen te financieren in gemeenten die minstens aan een van de volgende criteria voldoen:
1°       de gemeente behoort tot de 50% van de Vlaamse gemeenten waar de gemiddelde bouwgrondprijs per vierkante meter het hoogst is;
2°       de gemeente behoort tot het Vlabinvest-gebied.
 
Voor de eerste vaststelling van de lijst van gemeenten, die als bijlage 8 bij dit besluit is gevoegd, wordt de gemiddelde bouwgrondprijs per vierkante meter voor het jaar 2007 gehanteerd, op basis van de gegevens van de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. Er wordt geen rekening gehouden met de gemeenten waarvoor niet voldoende statistisch cijfermateriaal voorhanden is.
 
Tweejaarlijks, en voor het eerst in 2014, actualiseert de minister de lijst van gemeenten, vermeld in het tweede lid, uiterlijk zes maanden na de bekendmaking van de meest recente statistische gegevens van de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. Zolang geen nieuwe lijst in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, blijft de vorige lijst van kracht.

Artikel 4.42. (25/04/2022- ...)

De middelen van het Rollend Grondfonds worden aangewend binnen het Vlabinvest-gebied volgens de doelstellingen die krachtens boek 5, deel 1, titel 3, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 geformuleerd zijn.
 
In de gemeenten buiten het Vlabinvest-gebied die behoren tot het werkingsgebied, vastgesteld bij artikel 4.41, kunnen de middelen van het Rollend Grondfonds op verzoek van een woonmaatschappij aangewend worden om een grondbeleidsmaatregel te financieren als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1°       de grondbeleidsmaatregel past in een grootschalig project. Onder een grootschalig project wordt verstaan:
a)       in de centrumsteden Aalst, Antwerpen, Brugge, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout: een project met een vloeroppervlakte van ten minste 5000 m² of een project met een grondoppervlakte van ten minste 5000 m²;
b)       elders in het Vlaamse Gewest: een project met een grondoppervlakte van ten minste 5000 m²;
2°       het project heeft een gemengde bestemming. De grondverwerving is gericht op de realisatie van in hoofdzaak een sociaal woonaanbod in combinatie met een andere bestemming, zoals zorgvoorzieningen, studentenhuisvesting, bescheiden woonaanbod en andere functiegebonden gebouwen;
3°       in de gemeente waar de grondbeleidsmaatregel toegepast wordt, maakt de woonmaatschappij een nota over de reservegronden in die gemeente. Daarbij geeft de woonmaatschappij aan welke visie en ontwikkelingsperspectief die gronden hebben.
 
Voor ze verbintenissen aangaat voor grondbeleidsmaatregelen als vermeld in het tweede lid, die gefinancierd worden met middelen die afkomstig zijn van het Rollend Grondfonds, beoordeelt de VMSW de opportuniteit van de grondbeleidsmaatregel, waarbij zowel de maatschappelijke als financiële kosten en baten in rekening worden genomen. Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan het verwachte rendement op projectbasis en aan het rollend karakter van het Rollend Grondfonds in zijn geheel. Als het initiatief voor de grondbeleidsmaatregel uitgaat van de woonmaatschappij, wordt een niet-bindend advies van de gemeente ingewonnen. Als de gemeente haar advies niet verleent binnen dertig kalenderdagen, wordt het geacht gunstig te zijn.

Artikel 4.43. (01/01/2021- ...)

§1. Een verwerving als vermeld in artikel 4.40, tweede lid, 6° en 7°, moet voldoen aan dezelfde voorwaarden als de voorwaarden, vermeld in artikel 4.40, 4.41 en 4.42, eerste en tweede lid.
 
De sociale huisvestingsmaatschappij, Vlabinvest apb of een gemeente die een lening met toepassing van artikel 4.40, tweede lid, 6° en 7°, bij de VMSW wil aangaan, dient daarvoor een gemotiveerde aanvraag in bij de VMSW, voorafgaand aan de verwerving. De VMSW onderzoekt het voorstel van de initiatiefnemer. Binnen twee maanden nadat de VMSW het aanvraagdossier volledig heeft verklaard, maakt de VMSW een advies op, rekening houdend met de criteria, vermeld in dit besluit. De minister neemt op basis van het advies van de VMSW een beslissing over de toekenning.
 
§2. Het gedeelte van de verwerving dat gefinancierd kan worden met een lening als vermeld in artikel 4.40, tweede lid, 6°, van dit besluit, blijft beperkt tot het subsidiabele bedrag, vermeld in artikel 5.38, §1, met betrekking tot het gedeelte van de grond waarop sociale huurwoningen en de wooninfrastructuur die daarmee samenhangt, zullen worden gerealiseerd.
 
In afwijking van artikel 5.44, §1 wordt de lening aan sociale huisvestingsmaatschappijen en gemeenten verstrekt binnen een periode van drie maanden na de datum van de beslissing over de toekenning door de minister, vermeld in paragraaf 1, tweede lid. De aflossingsperiode van de lening start op het einde van de tweede maand die volgt op de datum van de vaststelling van de eindafrekening van de werken door de VMSW, van de sociale huurwoningen die op de grond worden gerealiseerd en uiterlijk tien jaar na het verstrekken van de lening.
 
§3. Het gedeelte van de verwerving dat gefinancierd kan worden met een lening als vermeld in artikel 4.40, tweede lid, 7°, blijft beperkt tot het gedeelte van de grond waarop sociale huurwoningen en de wooninfrastructuur die daarmee samenhangt, zullen worden gerealiseerd. Het bedrag van de lening is gelijk aan de reële kostprijs van de aankoop, en beperkt tot de schattingswaarde van dat gedeelte.
 
Aan Vlabinvest apb wordt een renteloze bulletlening verstrekt binnen een periode van drie maanden na de datum van de beslissing over de toekenning door de minister, vermeld in paragraaf 1, tweede lid. De lening heeft een looptijd van vijf jaar, en kan door de VMSW één keer verlengd worden met vijf jaar. De lening wordt terugbetaald bij de verkoop van de grond waarop de lening betrekking heeft.
 
§4. In afwijking van paragraaf 1 kan de VMSW binnen het volume, vermeld in artikel 4.40, vierde lid, een lening als vermeld in paragraaf 2, tweede lid, verstrekken aan sociale huisvestingsmaatschappijen en gemeenten die gronden van de VMSW willen aankopen die eerder met middelen uit het Rollend Grondfonds zijn aangekocht.
 
In afwijking van paragraaf 1 kan de VMSW, binnen de verbintenissenmachtiging van het Rollend Grondfonds, een lening als vermeld in paragraaf 3, tweede lid, verstrekken aan Vlabinvest apb die gronden van de VMSW wil aankopen die eerder met middelen uit het Rollend Grondfonds zijn aangekocht.

Artikel 4.44. (01/01/2021- ...)

Verbintenissen die de VMSW is aangegaan voor grondbeleidsmaatregelen die gefinancierd worden met de middelen van het Rollend Grondfonds in een of meer gemeenten die niet meer voorkomen op de meest recente lijst die bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 4.41, behouden hun uitwerking totdat de eerstvolgende actualisatie van de lijst van gemeenten, vermeld in artikel 4.41, in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

Afdeling 4. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 43, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.45. (01/01/2021- 31/12/2022)

Voor de inspraak van de SVK’s in de werking van de VMSW wordt een Overlegplatform VMSW-HUURpunt opgericht.
 
Na mededeling aan de Vlaamse Regering regelt de minister de organisatie en de samenstelling van het Overlegplatform VMSW-HUURpunt.

[Afdeling 5. Projectportaal (verv. BVR 10 november 2022, art. 46, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.46. (25/04/2022- 31/12/2022)

§1. Voordat de VMSW een SVK Pro-oproep lanceert, bevraagt ze de woonmaatschappijen over hun bereidheid om deel te nemen aan de SVK Pro-oproep en over hun behoeften op het vlak van de inhuurneming van bijkomende woningen in het kader van de SVK Pro-oproep.
 
§2. Een woonmaatschappij stelt de behoefte aan de inhuurneming van bijkomende woningen vast en bespreekt die behoeftebepaling op het lokaal woonoverleg van de gemeente of gemeenten waar de woonmaatschappij een behoefte heeft vastgesteld. De bespreking van de behoeftebepaling op het lokaal woonoverleg van een gemeente impliceert een aanvraag bij die gemeente om een toets aan het gemeentelijke beleid uit te voeren.
 
De bespreking op het lokaal woonoverleg gebeurt op basis van een fiche die al de volgende gegevens bevat:
1°       het gebied waar de inhuurneming van bijkomende woningen door de woonmaatschappij gewenst is, namelijk het volledige grondgebied van de gemeente of een gedeelte ervan;
2°       het gewenste aantal bijkomende woningen in het gebied, vermeld in punt 1°;
3°       de gewenste typologie van de woningen, vermeld in punt 2°.
 
§3. Binnen een termijn van dertig kalenderdagen die ingaat op de dag na de bespreking van de behoeftebepaling op het lokaal woonoverleg, voert de gemeente een toets aan het gemeentelijke beleid uit. In de toets aan het gemeentelijke beleid neemt de gemeente een beslissing over de toets van de behoeftebepaling aan het gemeentelijke beleid. De gemeente brengt de woonmaatschappij op de hoogte van haar beslissing.
 
Als de gemeente door de onvolledigheid van de aanvraag bijkomende documenten of inlichtingen moet opvragen, wordt de vervaltermijn, vermeld in het eerste lid, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de zevende kalenderdag nadat de gemeente alle bijkomende documenten of inlichtingen heeft ontvangen.
 
Als de gemeente beslist dat de behoeftebepaling past in het gemeentelijke beleid, kan de woonmaatschappij voor de gemeente in kwestie de behoeftebepaling indienen bij de VMSW om deel te nemen aan de SVK Pro-oproep.
 
Als de gemeente beslist dat de behoeftebepaling niet past in het gemeentelijke beleid, past de woonmaatschappij zijn behoeftebepaling aan en bespreekt die opnieuw op het lokaal woonoverleg.
 
Als de gemeente niet tijdig een beslissing neemt over de toets aan het gemeentelijke beleid, wordt de behoeftebepaling geacht te passen in het gemeentelijke beleid.
 
§4. Het college van burgemeester en schepenen voert de toets aan het gemeentelijke beleid uit.
 
Als de gemeente beschikt over een goedgekeurde visie op het vlak van lokaal sociaal woonbeleid, kan het college van burgemeester en schepenen de uitvoering van en de beslissing over de toets aan het gemeentelijke beleid:
1°       delegeren aan een lid van het college of aan een of meer personeelsleden van de gemeente die daarvoor speciaal zijn aangewezen;
2°       toevertrouwen aan een intergemeentelijke administratieve eenheid.

Afdeling 6. Voorwaarden en procedurele regels voor de overname van een verplichting tot betaling
Onderafdeling 1. Verplichting tot betaling van de huurprijs

Artikel 4.47. (01/01/2021- ...)

De verhuurder dient het verzoek tot overname van de verplichting tot betaling van de huurprijs in bij de VMSW met het formulier dat de VMSW ter beschikking stelt.
 
Bij het verzoek, vermeld in het eerste lid, worden minstens de volgende documenten gevoegd:
1°       de huurovereenkomst;
2°       een verklaring op erewoord dat een huurprijs die conform de huurovereenkomst, vermeld in punt 1°, vervallen en verschuldigd is, niet is betaald;
3°       een verklaring op erewoord dat de vervallen en verschuldigde huurprijs, vermeld in punt 2°, niet wordt betwist.

Artikel 4.48. (25/04/2022- ...)

§1. De VMSW vraagt aan de woonmaatschappij waarom de huurprijs niet betaald is. Ze doet dat binnen drie werkdagen na de ontvangst van het verzoek tot overname van de verplichting tot betaling van de huurprijs.
 
Als de woonmaatschappij de verschuldigde huurprijs bewust niet heeft betaald of als de woonmaatschappij niet reageert binnen twee werkdagen na de vraag van de VMSW, vermeld in het eerste lid, onderzoekt de VMSW of ze het verzoek tot overname van de verplichting tot betaling van de huurprijs kan inwilligen en kan overgaan tot betaalbaarstelling. De VMSW betaalt in voorkomend geval de verschuldigde huurgelden binnen drie werkdagen na de melding, vermeld in artikel 4.20, §2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
 
In andere gevallen dan de gevallen, vermeld in het tweede lid, dringt de VMSW bij de woonmaatschappij aan op een betaling binnen drie werkdagen. Als de woonmaatschappij de verschuldigde huurprijs niet heeft betaald binnen drie werkdagen, onderzoekt de VMSW of ze het verzoek tot overname van de verplichting tot betaling van de huurprijs kan inwilligen en kan overgaan tot betaalbaarstelling. De VMSW betaalt in voorkomend geval de verschuldigde huurgelden binnen drie werkdagen na de melding, vermeld in artikel 4.20, §2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
 
§2. De VMSW brengt de woonmaatschappij met een beveiligde zending op de hoogte van het onderzoek, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, en van de mogelijke gevolgen van niet-betaling van de verschuldigde huurprijs.

Onderafdeling 2. Verplichting tot betaling van de vergoeding van de huurschade

Artikel 4.49. (25/04/2022- ...)

De verhuurder dient het verzoek tot overname van de verplichting tot betaling van de vergoeding van de huurschade in bij de VMSW met het formulier dat de VMSW ter beschikking stelt.
 
Bij het verzoek, vermeld in het eerste lid, worden minstens de volgende documenten gevoegd:
1°       de huurovereenkomst;
2°       een afschrift van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak waaruit blijkt dat de woonmaatschappij verantwoordelijk wordt gesteld voor de betaling van de vergoeding van de huurschade;
3°       een verklaring op erewoord dat de verschuldigde vergoeding van de huurschade, vermeld in punt 2°, niet is betaald.

Artikel 4.50. (25/04/2022- ...)

§1. De VMSW vraagt aan de woonmaatschappij waarom de huurschade niet betaald is. Ze doet dat binnen drie werkdagen na de ontvangst van het verzoek tot overname van de verplichting tot betaling van de vergoeding van de huurschade.
 
Als de woonmaatschappij de vergoeding van de huurschade bewust niet heeft betaald of als de woonmaatschappij niet reageert binnen twee werkdagen na de vraag van de VMSW, vermeld in het eerste lid, onderzoekt de VMSW of ze het verzoek tot overname van de verplichting tot betaling van de vergoeding van de huurschade kan inwilligen en kan overgaan tot betaalbaarstelling. De VMSW betaalt in voorkomend geval de verschuldigde vergoeding van de huurschade binnen drie werkdagen na de melding, vermeld in artikel 4.21, §2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
 
In andere gevallen dan de gevallen, vermeld in het tweede lid, dringt de VMSW bij de woonmaatschappij aan op een betaling binnen drie werkdagen. Als de woonmaatschappij de verschuldigde vergoeding van de huurschade niet heeft betaald binnen drie werkdagen, onderzoekt de VMSW of ze het verzoek tot overname van de verplichting tot betaling van de verschuldigde vergoeding van de huurschade kan inwilligen en kan overgaan tot betaalbaarstelling. De VMSW betaalt in voorkomend geval de verschuldigde vergoeding van de huurschade binnen drie werkdagen na de melding, vermeld in artikel 4.21, §2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
 
§2. De VMSW brengt de woonmaatschappij met een beveiligde zending op de hoogte van het onderzoek, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, en van de mogelijke gevolgen van niet-betaling van de verschuldigde huurschade.

Afdeling 7. Uitbetaling van subsidies

Artikel 4.51. (01/01/2021- ...)

Binnen de perken van de daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten kan de minister volgens de voorwaarden, vermeld in boek 5, deel 2, titel 3, hoofdstuk 2, de kosten van de aanleg of de aanpassing van wooninfrastructuur geheel of gedeeltelijk ten laste nemen of subsidies verlenen om initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.57, tweede en derde lid, in staat te stellen sociale huurwoningen, sociale koopwoningen of sociale kavels ter beschikking te stellen.
 
De minister stelt de subsidies ter beschikking van de VMSW. De terbeschikkingstelling aan de VMSW gebeurt op basis van een jaarlijkse uitbetaling van de reële te verlenen subsidies.
 
De VMSW geeft de subsidies door aan de initiatiefnemers, vermeld in artikel 5.57, tweede en derde lid.

Artikel 4.52. (01/01/2021- ...)

De VMSW bezorgt het agentschap jaarlijks in de maand januari een betalingsplan dat het totale geraamde bedrag aan subsidies bevat die in dat werkingsjaar uitbetaald zullen worden aan de initiatiefnemers, vermeld in artikel 5.57, tweede en derde lid. In het betalingsplan wordt voor elke subsidie het jaar van de meerjaren- en kortetermijnplanning vermeld waarop de verrichting waarvoor de subsidie verleend wordt, betrekking heeft.
 
De VMSW bezorgt het agentschap jaarlijks in de maand januari een betalingsoverzicht dat het totale werkelijke bedrag aan subsidies bevat die in het voorgaande werkingsjaar uitbetaald zijn aan de initiatiefnemers, vermeld in artikel 5.57, tweede en derde lid. In het betalingsoverzicht wordt voor elke subsidie het jaar van de meerjaren- en kortetermijnplanning vermeld waarop de verrichting waarvoor de subsidie verleend wordt, betrekking heeft.

Artikel 4.53. (01/01/2021- ...)

Bij het begin van elk kwartaal stelt het agentschap 25% van het totale geraamde bedrag aan subsidies op het betalingsplan, vermeld in artikel 4.52, eerste lid, voor het lopende werkingsjaar als voorschot ter beschikking van de VMSW.
 
Als uit het betalingsoverzicht, vermeld in artikel 4.52, tweede lid, blijkt dat in het voorgaande werkingsjaar een bedrag ter beschikking is gesteld van de VMSW dat hoger of lager is dan het totale werkelijke bedrag aan uitbetaalde subsidies, wordt naargelang het geval het teveel verrekend of het tekort bijgepast bij de eerstvolgende uit te betalen voorschotten, vermeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 3. Bevoegdheden

Afdeling 1. Overdracht van onroerende goederen

Artikel 4.54. (25/04/2022- ...)

In deze afdeling wordt onder referentiedatum verstaan: de datum waarop de raad van bestuur van de VMSW ingestemd heeft met de verkoop.

Artikel 4.55. (25/04/2022- 31/12/2022)

De VMSW kan onroerende goederen verkopen, in erfpacht afstaan of er een recht van opstal op verlenen volgens de voorwaarden, vermeld in de Vlaamse Codex Wonen van 2021, in deze afdeling en in bijlage 9 of 12, die bij dit besluit zijn gevoegd.
 
In afwijking van het eerste lid zijn de bepalingen van dit besluit en van voormelde bijlage niet van toepassing op de woningen die gefinancierd worden door het Financieringsfonds of door Vlabinvest apb.

Artikel 4.56. (25/04/2022- ...)

§1. Bij de vrijwillige verkoop van sociale huurwoningen aan de zittende huurder wordt de kandidaat-koper als woonbehoeftig beschouwd als hij op de referentiedatum aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1°       hij of een van zijn gezinsleden heeft geen woning of perceel, bestemd voor woningbouw, volledig of gedeeltelijk in volle eigendom;
2°       hij of een van zijn gezinsleden heeft geen volledig of gedeeltelijk recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw;
3°       hij of een van zijn gezinsleden heeft geen woning die of perceel, bestemd voor woningbouw, dat volledig of gedeeltelijk in erfpacht of opstal is gegeven;
4°       hij of een van zijn gezinsleden heeft geen woning die of perceel, bestemd voor woningbouw, dat hij of een van zijn gezinsleden zelf volledig of gedeeltelijk in vruchtgebruik heeft gegeven;
5°       hij of een van zijn gezinsleden is geen zaakvoerder, bestuurder of aandeelhouder van een vennootschap waarin hij zakelijke rechten als vermeld in punt 1° tot en met 4°, heeft ingebracht.
 
Met behoud van de toepassing van het derde lid worden voor de toepassing van het eerste lid de gezinsleden die de sociale huurwoning niet mee zullen bewonen, niet mee in aanmerking genomen.
 
In afwijking van het eerste lid, 1° tot en met 4°, kan de kandidaat-koper als woonbehoeftig beschouwd worden als:
1°       hij samen met zijn echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoont, zijn feitelijke partner, zijn ex-echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoonde of zijn ex-feitelijkepartner een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, volledig in volle eigendom heeft als die persoon de sociale huurwoning niet mee zal bewonen;
2°       hij samen met zijn echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoont, zijn feitelijke partner, zijn ex-echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoonde of zijn ex-feitelijkepartner een volledig recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik heeft op een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, als die persoon de sociale huurwoning niet mee zal bewonen;
3°       hij samen met zijn echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoont, zijn feitelijke partner, zijn ex-echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoonde of zijn ex-feitelijkepartner een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, volledig in erfpacht, opstal of vruchtgebruik heeft gegeven, als die persoon de sociale huurwoning niet mee zal bewonen;
4°       hij of een van zijn gezinsleden een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, ten kosteloze titel gedeeltelijk in volle eigendom heeft verworven;
5°       hij of een van zijn gezinsleden een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw gedeeltelijk ten kosteloze titel heeft verworven;
6°       hij of een van zijn gezinsleden een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, waarop een recht van erfpacht of opstal is gegeven, gedeeltelijk ten kosteloze titel heeft verworven.
 
Als het derde lid van toepassing is, moet de kandidaat-koper of, in voorkomend geval, een van zijn gezinsleden een jaar na het verlijden van de aankoopakte van de woning voldoen aan de onroerende bezitsvoorwaarde, vermeld in het eerste lid. Als ze daarvoor gegronde redenen kunnen aanvoeren, kunnen ze de verkoper verzoeken om die termijn van een jaar te verlengen. Als de koper of, in voorkomend geval, een van zijn gezinsleden niet voldoet aan de onroerende bezitsvoorwaarde na een jaar of, in voorkomend geval, de verlengde termijn, wordt de koopovereenkomst van rechtswege ontbonden.
 
§2. De kandidaat-koper, vermeld in paragraaf 1, kan bewijzen dat hij voldoet aan de onroerende bezitsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, met een verklaring op erewoord voor de onroerende goederen in het buitenland.
 
§3. De onroerende bezitsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, zijn niet van toepassing als:
1°       de woning overbewoond verklaard is of als dusdanig geadviseerd is conform boek 3, deel 6, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
2°       de andere woning onbewoonbaar verklaard is met toepassing van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet, of als de woning onbewoonbaar verklaard is of als dusdanig geadviseerd is conform artikel 3.12 van de voormelde codex;
3°       de woning in een ruimtelijke bestemmingszone in België ligt waar wonen niet toegestaan is.
 
In het geval, vermeld in het eerste lid, 1°, voldoet de koper binnen een jaar vanaf de datum waarop de aankoopakte verleden is aan de onroerende bezitsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1. Als de koper daarvoor gegronde redenen kan aanvoeren, kan hij de verkoper verzoeken om de vermelde termijn van een jaar te verlengen.
 
De koper kan ook, binnen een termijn van een jaar vanaf de datum waarop de aankoopakte verleden is, de woning voor twintig jaar, in ruil voor een periodieke vergoeding, bij authentieke akte ter beschikking stellen van een sociale woonorganisatie. Alle kosten die verbonden zijn aan die keuzes, zijn ten laste van de koper.
 
In het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, moet de kandidaat-koper de woning slopen of de bestemming ervan wijzigen binnen een termijn van een jaar vanaf de datum waarop de aankoopakte verleden is.
 
Als de koper binnen de bepaalde termijn niet heeft voldaan aan de vereisten, vermeld in deze paragraaf, is de verkoop van rechtswege ontbonden.
 
De uitzonderingsregel bepaald in deze paragraaf kan maar één keer voor dezelfde personen worden toegepast en is niet van toepassing op woningen met een kadastraal inkomen van meer dan 2.000 euro na indexatie.
 
§4. Met betrekking tot de verkoop van sociale huurwoningen met toepassing van artikel 43 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, zoals van kracht vóór 24 april 2017, wordt de kandidaat-koper beschouwd als woonbehoeftig als hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 43, §1, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet, zoals van kracht vóór 24 april 2017.

Artikel 4.57. (01/01/2021- ...)

Sociale huurwoningen worden verkocht door de VMSW conform het reglement betreffende de verkoop van sociale huurwoningen, dat is opgenomen in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 4.58. (01/01/2021- ...)

§1. In dit artikel wordt onder de bevoegde overheden en instellingen verstaan:
1°       het Rijksregister van de natuurlijke personen, vermeld in artikel 1 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
2°       de instellingen van de sociale zekerheid, vermeld in artikel 1 en 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid en de personen waartoe het netwerk van de sociale zekerheid met toepassing van artikel 18 van de voormelde wet wordt uitgebreid;
3°       de Federale Overheidsdienst Financiën;
4°       het intern verzelfstandigd agentschap Informatie Vlaanderen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 houdende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Informatie Vlaanderen, de bepaling van diverse maatregelen voor de ontbinding zonder vereffening van het AGIV, de regeling van de overdracht van de activiteiten en het vermogen van het AGIV aan het agentschap Informatie Vlaanderen en de vaststelling van de werking, het beheer en de boekhouding van het Eigen Vermogen Informatie Vlaanderen.
 
§2. Met behoud van de toepassing van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, namelijk de regelgeving die specifiek van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd, vraagt de VMSW bij de bevoegde overheden en instellingen en bij de lokale besturen de noodzakelijke documenten of gegevens over de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in deze afdeling, op.
 
§3. Voor de uitvoering van de bepalingen van deze afdeling doet de VMSW een beroep op informatie die de bevoegde overheden of instellingen haar elektronisch kunnen bezorgen. Als op die manier geen of onvoldoende gegevens worden verkregen, wordt de kandidaat-koper of koper gevraagd de nodige gegevens te bezorgen. Als via de verkregen informatie van de bevoegde overheden of instellingen blijkt dat de kandidaat-koper of koper niet meer voldoet aan de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in deze afdeling, wordt die vaststelling meegedeeld aan de kandidaat-koper of koper. Die kan dan binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de mededeling reageren.
 
§4. De VMSW coördineert de elektronische gegevensstromen en elektronische informatie-uitwisseling tussen de diverse actoren, vermeld in deze afdeling. Alle elektronische gegevens mogen in dat kader via de VMSW uitgewisseld worden. De VMSW mag de gegevens ook gebruiken voor statistische verwerking en mag ze ter beschikking stellen van de andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De VMSW benoemt een functionaris voor gegevensbescherming als vermeld in artikel 37 van de algemene verordening gegevensbescherming.

Afdeling 2. [Algemeen reglement van de leningen van de VMSW aan woonmaatschappijen (verv. BVR 17 december 2021, art. 52, I: 25 april 2022)]
[Onderafdeling 1. - Definities en toepassingsgebied (ing. BVR 25 september 2020, art. 19, I: 1 januari 2021)]

Artikel 4.59. (25/04/2022- ...)

In deze afdeling wordt verstaan onder :
1° begeleidingscommissie : het orgaan binnen de VMSW dat de financiële situatie van de woonmaatschappijen opvolgt en, in overleg met de betrokken woonactoren, de woonactor met een zwakke financiële situatie begeleidt en ondersteunt in hun traject naar een structureel gezonde financiële situatie;
2° leningsovereenkomst : een overeenkomst waarbij de VMSW voor de ontlener een maximaal op te nemen leningsbedrag bepaalt waarvan de contractuele bepalingen in overeenstemming zijn met deze afdeling en met het besluit dat krachtens artikel 4.62 is vastgesteld.

Artikel 4.60. (25/04/2022- 31/12/2022)

Deze afdeling is van toepassing op de volgende leningen die de VMSW toekent :
1° een lening die bestemd is om een of meer sociale woonprojecten, als vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 70°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, volledig of gedeeltelijk te financieren;
2° een lening, die geen lening is als vermeld in punt 1° en die bestemd is voor woonmaatschappijen om verrichtingen, als vermeld in artikel 4.47, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, volledig of gedeeltelijk te financieren. In bijzondere gevallen kan die lening gebruikt worden om oudere leningen te herfinancieren. De VMSW motiveert en verduidelijkt dat in de leningsovereenkomst;
3° een lening voor de overdracht van onroerende goederen bij de vorming van woonmaatschappijen, vermeld in artikel 4.38, § 4 en § 5, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en artikel 209, § 3, van het decreet van 9 juli 2021 houdende de wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen.

In het eerste lid, 1°, wordt verstaan onder sociaal woonproject : een woonproject is overeenkomstig artikel 1.3, § 1, eerste lid, 70°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 sociaal als het de realisatie van sociale huurwoningen, sociale koopwoningen of sociale kavels, met inbegrip van eventuele gemeenschappelijke voorzieningen en bescheiden huurwoningen betreft.

In het tweede lid wordt verstaan onder gemeenschappelijke voorzieningen : de voorzieningen voor sociale huurders of kopers. Gemeenschappelijke voorzieningen hebben een beperkter doelpubliek dan gemeenschapsvoorzieningen die niet alleen voor sociale huurders of kopers bestemd zijn. Gemeenschapsvoorzieningen vallen niet onder gemeenschappelijke voorzieningen en maken dus geen deel uit van het sociaal woonproject.

Artikel 4.61. (01/01/2021- 31/12/2022)

Deze afdeling is niet van toepassing op de leningen die verstrekt worden aan particulieren, vermeld in artikel 5.58 of 5.65 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

[Onderafdeling 2. - Voorwaarden voor de toekenning, de uitbetaling en de terugbetaling van de leningen die de VMSW verstrekt (ing. BVR 25 september 2020, art. 19, I: 1 januari 2021)]

Artikel 4.62. (25/04/2022- 31/12/2022)

Op voorstel van de raad van bestuur van de VMSW legt de minister, bevoegd voor het woonbeleid, de voorwaarden voor de toekenning en uitbetaling van de leningen die de VMSW verstrekt en voor de terugbetaling ervan, vast.

Het besluit dat krachtens het eerste lid is vastgesteld, legt de voorwaarden vast voor de toekenning, de uitbetaling en de terugbetaling van de leningen die de VMSW verstrekt, vermeld in :
1° artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 1994 houdende regeling tot de toekenning van subsidies aan de Vlaamse huisvestingsmaatschappij voor de financiering van haar investeringsprogramma;
2° artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten;
3° artikel 87, § 2, van het Financieringsbesluit van 21 december 2012, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van dit besluit;
4° artikel 4.43, 4.74, 5.44 en artikel 5.76, derde en vierde lid, van dit besluit.
5° artikel 4.155/1 en artikel 4.155/2 van dit besluit.

Het besluit dat krachtens het eerste lid is vastgesteld, legt alle voorwaarden vast van de marktconforme leningen die geen lening zijn als vermeld in het tweede lid, en die bestemd zijn voor de volledige of gedeeltelijke financiering van verrichtingen, vermeld in artikel 4.47, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Het besluit dat krachtens het eerste lid is vastgesteld, stelt de volgende elementen vast :
1° voor de aangerekende rentevoet : de berekeningswijze van de referentie en hoe de eventuele marge wordt vastgesteld;
2° de berekeningsbasis van de eventuele interesten;
3° andere mogelijke modaliteiten die samenhangen met de rentevoet of de interesten, zoals de periodiciteit van de interestbetalingen of de betaling van verwijlinteresten;
4° de voorwaarden van waarborgverstrekking;
5° commissies en andere kosten;
6° de eventuele wederbeleggingsvergoeding;
7° de modaliteiten van een geldopname bij de VMSW;
8° de terugbetalingsmodaliteiten.

Artikel 4.63. (01/01/2021- ...)

De raad van bestuur van de VMSW kan, als de financiële toestand en vooruitzichten van de VMSW dat toelaten, bij algemene maatregel voor een bepaald leningstype kortingen toestaan tot een bepaalde rentevoet, eventueel voor een beperkte periode of voor een bepaald type ontlener. De modaliteiten om die kortingen toe te staan, worden bepaald in gezamenlijk overleg tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor het woonbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het budgettair beleid.

Artikel 4.64. (25/04/2022- ...)

Om de belangen van de woonmaatschappijen die bij de VMSW eigen middelen in beheer hebben, te waarborgen, adviseert de commissie beheer rekening-courant die is opgericht ter uitvoering van artikel 4.38, de raad van bestuur van de VMSW over voorstellen om de referentie aan te passen of vast te leggen en de eventuele marges die de rentevoet bepalen, vermeld in artikel 4.62, vierde lid, 1°, of de kortingen, vermeld in artikel 4.63.

Artikel 4.65. (01/01/2021- 31/12/2022)

De VMSW kan om de volgende redenen een aangevraagde lening weigeren :
1° met toepassing van artikel 4.20, als de financiële situatie of vooruitzichten van de ontlener dat niet toelaten;
2° met toepassing van artikel 4.29;
3° als de aangevraagde financiering de realisatie van het sociale woonaanbod van de ontlener in gevaar brengt;
4° als de VMSW zich geen beeld kan vormen van de financiële situatie of de financiële vooruitzichten van de ontlener;
5° als de VMSW een negatieve kredietwaardigheidsbeoordeling geeft.

De VMSW motiveert elke weigering als vermeld in het eerste lid.

Artikel 4.66. (25/04/2022- ...)

Na overleg met de ontlener stelt de VMSW het definitieve leningsbedrag vast als ze een lening toestaat. Daarbij houdt het definitieve leningsbedrag rekening met het maximale subsidiabele bedrag, vermeld in artikel 4.155/1, 4.155/2, 5.38, § 1, artikel 5.39, eerste lid, artikel 5.40, § 1, artikel 5.41, § 1, artikel 5.42, § 1, eerste lid, en artikel 5.63, § 1 en § 2.

Artikel 4.67. (01/01/2021- ...)

De ontlener kan een lening volledig of gedeeltelijk vervroegd terugbetalen conform de voorwaarden, vermeld in het besluit dat krachtens artikel 4.62 is vastgesteld. Bij een verplichte volledige of gedeeltelijke vervroegde terugbetaling is er geen wederbeleggingsvergoeding of financieel verlies verschuldigd.

Bij een volledige of gedeeltelijke vrijwillige vervroegde terugbetaling van een marktconforme lening rekent de VMSW, als dat van toepassing is, een wederbeleggingsvergoeding of financieel verlies aan. De wederbeleggingsvergoeding of het financiële verlies wordt altijd aangerekend als de VMSW de onmiddellijke vervroegde terugbetaling eist met toepassing van artikel 4.68.

De VMSW maakt een afrekening van de wederbeleggingsvergoeding of het financiële verlies op grond van al de volgende gegevens :
1° bedrag : het kapitaalbedrag op de vervaldag in kwestie;
2° duur : de periode die begint op de datum van de vervroegde terugbetaling en die eindigt op de vervaldag in hoofdsom;
3° interestvoet : verschil tussen de interestvoet van de lening en de interestvoet op de interbankenmarkt voor een belegging met dezelfde kenmerken;
4° actualisatie : het aldus verkregen resultaat zal worden geactualiseerd op grond van de interestvoet van de belegging.

De wederbeleggingsvergoeding of het financiële verlies op de terugbetaling wordt berekend met de volgende formule :
som [(bedragj * (R - OLOj) * (duurj/360))/(1 + OLOj) ^ (duur/360)], waarbij :
1° J : de dagindex van de verschillende vervaldagen in kapitaal tussen de vervroegde terugbetaling en de eindvervaldag;
2° R : de interestvoet van de lening;
3° OLOj : de marktreferentierente voor dezelfde duur als die vervaldag j (als marktreferentie worden voor j > 1 jaar de OLO-referentietarieven van de voorafgaande werkdag genomen zoals die gepubliceerd zijn op de website van de Nationale Bank Van België via de Belgostat - Online Database en voor j <= 1 jaar de Euribor-rentevoeten zoals die gepubliceerd zijn op Reuters pagina EURIBOR01) Als die Euribor-rentevoet niet bestaat voor vervaldag j, wordt hij berekend door lineaire interpolatie;
4° duurj : het aantal dagen tussen de vervroegde terugbetaling en dag j;
5° bedragj : de aflossing in kapitaal op dag j (initiële aflossingstabel) - aflossing in kapitaal op dag j (nieuwe aflossingstabel).

De afrekening van de wederbeleggingsvergoeding of het financiële verlies kan niet negatief zijn en bedraagt maximaal zes maanden interest op het kapitaal dat vervroegd wordt terugbetaald.

Artikel 4.68. (01/01/2021- 31/12/2022)

De VMSW kan in de volgende gevallen de onmiddellijke vervroegde terugbetaling eisen van toegestane leningen :
1° de ontlener gebruikt de lening niet voor de verrichting waarvoor ze is bestemd, als vermeld in artikel 4.60;
2° de ontlener voldoet niet meer aan de verplichtingen vermeld in het besluit dat krachtens artikel 4.62 is vastgesteld, of in de leningsovereenkomst;
3° de ontlener heeft het onroerend goed dat gefinancierd wordt met de lening, zonder toestemming van de VMSW, bezwaard met een hypotheek ten gunste van een derde die geen overheid is;
4° er is voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.29, tweede lid;
5° de erkenningen die bij of krachtens de Vlaamse Codex Wonen van 2021 aan de ontlener zijn verleend, nemen een einde doordat ze worden ingetrokken of op een andere manier.

De VMSW motiveert haar eis tot vervroegde terugbetaling. De VMSW brengt de ontlener op de hoogte van de eis. De ontlener kan met een beveiligde zending binnen een maand na de dag waarop hij de voormelde kennisgeving heeft ontvangen, een weerwoord geven.

De ontlener is van rechtswege verplicht alle verschuldigde bedragen in kapitaal en interest voor alle aangegane leningen onmiddellijk terug te betalen aan de VMSW, als hij zijn erkenning verliest.

Artikel 4.69. (01/01/2021- ...)

Als VMSW de rechten, vermeld in artikel 4.68, eerste lid, tijdelijk niet uitoefent, houdt dat geen rechtsafstand of verzaking in van een of meer van die rechten of van andere rechten.

Artikel 4.70. (01/01/2021- ...)

De ontlener brengt de VMSW meteen op de hoogte van alle informatie die relevant is voor een correct beeld van zijn huidige en toekomstige financiële en juridische situatie. Daaronder valt ook de informatie die noodzakelijk om de regelgeving over de leningen die verstrekt worden, correct toe te passen.

Om te voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, bezorgt de ontlener aan de VMSW :
1° informatie over elke omstandigheid en elke handeling, vermeld in artikel 4.68, eerste lid, van dit besluit;
2° informatie over elke wijziging van zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid, maatschappelijke zetel of exploitatiezetels of over de creatie van bijkomende exploitatiezetels;
3° als de VMSW dat vraagt, informatie over zijn huidige en toekomstige inkomsten en uitgaven die relevant zijn om financiële analyses en prognoses over de ontlener op te maken;
4° als de VMSW dat vraagt, een kopie van de boekhoudstaten van de ontlener die zijn opgesteld conform artikel III.82 tot en met III.95 van het Wetboek van Economisch Recht.

Artikel 4.71. (01/01/2021- ...)

De VMSW kan op elk moment en zonder dat het akkoord van de ontlener vereist is, al zijn rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de leningsovereenkomst, of een gedeelte ervan, overdragen aan een derde, op voorwaarde dat het niet resulteert in extra kosten voor de ontlener.

Als de ontlener fusioneert met een vennootschap die gerechtigd is leningen te krijgen van de VMSW, neemt de overnemende vennootschap of de vennootschap die uit de fusie ontstaat van rechtswege alle rechten en verplichtingen over die voortvloeien uit de leningsovereenkomst.

De ontlener mag geen van zijn rechten of verplichtingen die voortvloeien uit een leningsovereenkomst met de VMSW overdragen, aan een derde zonder het voorafgaande schriftelijke akkoord van de VMSW.

Artikel 4.72. (01/01/2021- ...)

Eventuele belastingen, taksen en voorheffingen die verschuldigd zijn op de interesten en aflossingen van de lening, zijn ten laste van de VMSW.

Artikel 4.73. (01/01/2021- ...)

De leningsovereenkomst die is gesloten met de VMSW en alles wat daaruit voortvloeit, met inbegrip van de geldigheid en de uitvoering, valt onder de Belgische wetgeving. Bij betwisting of geschillen zijn alleen de rechtbanken in Brussel bevoegd.

Onderafdeling 3. [Voorwaarden voor het verstrekken van leningen om tijdelijke liquiditeitstekorten op te vangen van woonmaatschappijen, ter uitvoering van artikel 4.24, 2°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 (verv. BVR 17 december 2021, art. 58, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.74. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 4.75. (25/04/2022- ...)

§ 1. Aan een woonmaatschappij kan de VMSW een lening toekennen om tijdelijke liquiditeitstekorten op te vangen.

Bij de leningsaanvraag toont de woonmaatschappij het tijdelijke karakter van de liquiditeitstekorten aan.

§ 2. De raad van bestuur van de VMSW bepaalt de modaliteiten van de verstrekte lening.

§ 3. Woonmaatschappijen waaraan de lening wordt verstrekt, worden minimaal voor de duur van de lening begeleid door de begeleidingscommissie.

Hoofdstuk 4. Financiering

Afdeling 1. Beheersvergoeding
[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.76. (25/04/2022- 31/12/2022)

In deze afdeling wordt verstaan onder sociale woonactoren:
1°       de woonmaatschappijen;
2°       het VWF;
3°       ...
4°       de openbare besturen.

Artikel 4.77. (25/04/2022- 31/12/2022)

§1. De sociale woonactoren betalen een beheersvergoeding, die bestaat uit:
1°       een vergoeding voor de dienstverlening, gekoppeld aan leningen die de VMSW verstrekt conform artikel 5.44, §2, eerste lid, en aan leningen die woonmaatschappijen bij de VMSW gesloten hebben met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten, en conform onderafdeling 2, sectie 1, van deze afdeling;
2°       een vergoeding voor de ondersteuning van verhuuractiviteiten, conform onderafdeling 2, sectie 2, van deze afdeling;
3°       een vergoeding voor de ondersteuning van verkoopactiviteiten, conform onderafdeling 2, sectie 3, van deze afdeling.
         
Conform onderafdeling 2, sectie 4, van deze afdeling wordt voor actieve actoren een korting toegekend op het totale bedrag van de beheersvergoeding voor een bepaald werkingsjaar.
 
§2. De minimale jaarlijkse beheersvergoeding voor de woonmaatschappijen bedraagt 30.000 euro. Als de conform paragraaf 1 vastgestelde beheersvergoeding voor een werkingsjaar lager is dan dat bedrag, stort de woonmaatschappijj het saldo in het Fonds voor de Financiering van de VMSW, vermeld in artikel 4.85, binnen een termijn van vijf werkdagen nadat het voorschot op de GSC, vermeld in artikel 5.73, §2, eerste lid, is uitbetaald voor het jaar dat volgt op het werkingsjaar.
 
Als een woonmaatschappij voor een werkingsjaar een beheersvergoeding heeft betaald die hoger is dan 30.000 euro, is de minimale beheersvergoeding voor het jaar dat volgt op dat werkingsjaar in afwijking van het eerste lid gelijk aan 30.000 euro, verminderd met het gedeelte van de voor dat werkingsjaar betaalde beheersvergoeding dat het bedrag van 30.000 euro overschrijdt.

Artikel 4.78. (25/04/2022- 31/12/2022)

Nadat hij de minister daarvan op de hoogte gebracht heeft, kan de raad van bestuur van de VMSW een marge van minimaal 25 en maximaal 50 basispunten aanrekenen op leningen die de sociale woonactoren bij de VMSW sluiten conform artikel 5.44, §2, eerste lid, en op leningen die de woonmaatschappij bij de VMSW gesloten hebben met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten. De VMSW stort het bedrag dat overeenstemt met de marge op de lening, in het Fonds voor de Financiering van de VMSW, vermeld in artikel 4.85.
 
Het eerste lid kan alleen worden toegepast op leningen voor verrichtingen in het kader van uitvoeringsprogramma’s of de meerjaren- en kortetermijnplanning als vermeld in artikel 4.13, §2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, die betrekking hebben op de jaren 2012 en daarna.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]
[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.79. (25/04/2022- 31/12/2022)

§1. Sociale woonactoren die bij de VMSW een lening sluiten volgens artikel 5.44, §2, eerste lid, betalen een vergoeding voor de integrale financiële dienstverlening, die gekoppeld is aan die lening.
 
De vergoeding wordt berekend door op het leningsbedrag de volgende percentages toe te passen:
1°       2,50% op de schijf van 0,01 euro tot 1.000.000 euro;
2°       2,00% op de schijf van 1.000.000,01 euro tot 3.000.000 euro;
3°       1,75% op de schijf van 3.000.000,01 euro tot 10.000.000 euro;
4°       1,50% op de schijf boven 10.000.000 euro.
 
Op de laatste dag van de tweede maand die volgt op de datum van de vaststelling van de eindafrekening van de werken door de VMSW, wordt de vergoeding conform het tweede lid berekend op het bedrag dat tot op die datum is opgenomen. De vergoeding wordt toegevoegd aan de lening, waarvan de aflossingen op dat moment aanvatten, en wordt gekoppeld aan de terugbetalingsvoorwaarden daarvan. De VMSW stort de vergoeding in het Fonds voor de Financiering van de VMSW, vermeld in artikel 4.85.
 
Op de laatste dag van de periode van achttien maanden na de berekening, vermeld in het derde lid, wordt de vergoeding conform het tweede lid berekend op het bedrag dat tot op die datum is opgenomen. Het verschil tussen die berekening en de berekening, vermeld in het derde lid, wordt toegevoegd aan de lening. De VMSW stort dat verschil in het Fonds voor de Financiering van de VMSW, vermeld in artikel 4.85.
 
Het tijdstip van de berekening, vermeld in het derde en het vierde lid, is doorslaggevend om te bepalen op welk werkingsjaar de vergoeding betrekking heeft.
 
§2. Op voorstel van het Overlegplatform Sociaal Wonen, vermeld in artikel 4.89, bepaalt de minister de nadere regels voor de koppeling van de vergoeding, vermeld in paragraaf 1, aan het respecteren van de afhandelingstermijnen voor de verrichtingen waarvoor de sociale woonactoren bij de VMSW een lening gesloten hebben. Als de VMSW de afhandelingstermijnen voor de verrichtingen in kwestie niet haalt om redenen waar ze een rechtstreeks impact op heeft, kan de minister in afwijking van paragraaf 1 de vergoeding verminderen of afschaffen.
 
§3. Paragraaf 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op leningen die woonmaatschappijen bij de VMSW gesloten hebben met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.80. (01/01/2021- 31/12/2022)

§1. Sociale woonactoren betalen een jaarlijkse vergoeding voor de ondersteuning van verhuuractiviteiten.
 
Voor de toepassing van paragraaf 2 en paragraaf 3 worden onder theoretische huurinkomsten begrepen de inkomsten, vermeld in artikel 5.75, §1, die betrekking hebben op de sociale huurwoningen die de sociale woonactoren in eigendom of in huur hebben, met uitzondering van de woningen die gefinancierd worden door het Financieringsfonds of door Vlabinvest apb.
 
§2. De vergoeding voor een bepaald werkingsjaar wordt berekend door op de theoretische huurinkomsten van dat werkingsjaar de volgende percentages toe te passen:
1°       1,05% op de schijf van 0,01 euro tot 4.500.000 euro;
2°       0,85% op de schijf boven 4.500.000 euro.
 
In het werkingsjaar waarop de vergoeding betrekking heeft, wordt een voorschot op de vergoeding berekend, vertrekkend van de theoretische huurinkomsten van het voorgaande werkingsjaar.
 
In het jaar dat volgt op het werkingsjaar waarop de vergoeding betrekking heeft, wordt de definitieve vergoeding berekend, vertrekkend van de theoretische huurinkomsten van het werkingsjaar. Het positieve of negatieve saldo wordt verrekend bij de vaststelling van het voorschot op de vergoeding voor het jaar dat volgt op het werkingsjaar.
 
Binnen een termijn van vijf werkdagen nadat het voorschot op de GSC, vermeld in artikel 5.73, §2, eerste lid, voor het werkingsjaar is uitbetaald, stort de sociale woonactor zowel het voorschot op de vergoeding voor dat werkingsjaar als het saldo van de definitieve vergoeding voor het voorgaande werkingsjaar in het Fonds voor de Financiering van de VMSW, vermeld in artikel 4.85.
 
§3. Als aanvullende informatie later uitwijst dat de berekening van de theoretische huurinkomsten voor een werkingsjaar niet correct was, worden de volgende vergoedingen voor het werkingsjaar in kwestie opnieuw berekend:
1°       de vergoeding voor de ondersteuning van verhuuractiviteiten, vermeld in paragraaf 2;
2°       in voorkomend geval, de minimale beheersvergoeding, vermeld in artikel 4.77, §2;
3°       de korting voor actieve sociale woonactoren, vermeld in artikel 4.82.
 
Het positieve of negatieve saldo wordt verrekend bij de eerstvolgende vaststelling van het voorschot op de vergoeding voor de ondersteuning van verhuuractiviteiten, op voorwaarde dat die verrekening maximaal vier jaar na het oorspronkelijke werkingsjaar plaatsvindt.
 
Als uit de herberekening, vermeld in het eerste lid, blijkt dat de sociale woonactor te weinig bijgedragen heeft, kan de sociale woonactor de VMSW verzoeken om de betaling van het tekort te spreiden over maximaal drie jaar. Het negatieve saldo wordt in dat geval geïndexeerd volgens de bepaling, vermeld in artikel 4.93. Het jaarlijks te betalen bedrag bij spreiding bedraagt minstens 20% van de correcte beheersvergoeding voor het werkingsjaar waarvoor de verrekening heeft plaatsgevonden.
 
§4. In afwijking van paragraaf 2 en 3 bedraagt de vergoeding voor SVK's waaraan conform artikel 4.56 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 subsidies voor salariskosten en werking worden toegekend, 49,5 euro per gesubsidieerde woning die op 1 november van het jaar voorafgaand aan het werkingsjaar verhuurd wordt aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden, met een maximum van 12.375 euro. Het SVK waaraan conform artikel 4.56 van de voormelde codex subsidies voor salariskosten en werking worden toegekend, stort de vergoeding in het Fonds voor de Financiering van de VMSW, vermeld in artikel 4.85, binnen een maand nadat het SVK waaraan conform artikel 4.56 van de voormelde codex subsidies voor salariskosten en werking worden toegekend, zijn eerste subsidievoorschot heeft ontvangen.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.81. (25/04/2022- 31/12/2022)

§1. Sociale woonactoren die woningen of kavels verkopen volgens boek 5, deel 8, betalen een vergoeding voor de ondersteuning van verkoopactiviteiten.
 
De vergoeding bedraagt 1% van de verkoopprijs, exclusief btw.
 
Uiterlijk vijf werkdagen nadat de authentieke verkoopakte verleden is, stort de sociale woonactor de vergoeding in het Fonds voor de Financiering van de VMSW, vermeld in artikel 4.85. In elk geval wordt de vergoeding geacht deel uit te maken van de beheersvergoeding voor het werkingsjaar waarin de verkoop plaatsgevonden heeft.
 
Voor de toepassing van dit artikel worden de vestiging van een recht van erfpacht en de vestiging van een recht van opstal, vermeld in artikel 5.217, eerste lid, met een verkoop gelijkgesteld, waarbij wordt verstaan onder:
1°       verkoopprijs van de woning of kavel: een van de volgende bedragen die bij de vestiging van het recht van erfpacht of het recht van opstal worden bedongen:
a)       in geval van een eenmalige vergoeding: het bedrag van de eenmalige vergoeding;
b)       in geval van een periodieke vergoeding: de som van de periodieke vergoedingen voor de volledige duur van het recht van erfpacht of het recht van opstal;
2°       authentieke verkoopakte: de authentieke akte waarmee het recht van erfpacht of het recht van opstal wordt gevestigd.
 
§2. In afwijking van paragraaf 1 zijn de sociale woonactoren geen vergoeding verschuldigd als ze sociale huurwoningen verkopen volgens deel 1, titel 2, hoofdstuk 3, afdeling 1, of deel 1, titel 3, hoofdstuk 4, afdeling 2, waarvoor ze al een vergoeding voor leningen volgens artikel 5.44, §2, eerste lid, vermeld in sectie 1, hebben betaald.
 
§3. Paragraaf 2 is van overeenkomstige toepassing op leningen die woonmaatschappijen bij de VMSW gesloten hebben met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.82. (01/01/2021- 31/12/2022)

§1. Er wordt een korting toegekend op de totale beheersvergoeding die een sociale woonactor voor een werkingsjaar heeft betaald, zonder rekening te houden met de verrekening van de marge op leningen die de VMSW verstrekt volgens artikel 5.44, §2, eerste lid, vermeld in sectie 5.
 
De korting wordt berekend door op de effectief betaalde beheersvergoeding, vermeld in het eerste lid, de volgende percentages toe te passen:
1°       0% op de schijf van 0,01 euro tot 50.000 euro;
2°       10% op de schijf van 50.000,01 euro tot 100.000 euro;
3°       20% op de schijf boven 100.000 euro.
 
§2. De korting wordt verrekend bij de vaststelling van het voorschot op de vergoeding voor de ondersteuning van verhuuractiviteiten voor het jaar dat volgt op dat werkingsjaar, vermeld in sectie 2.
 
Als ingevolge de toepassing van het eerste lid een saldo overblijft, wordt het resterende bedrag van de korting integraal teruggestort aan de sociale woonactor.
 
§3. In afwijking van paragraaf 1 en paragraaf 2 wordt de korting beperkt tot het bedrag dat overeenstemt met de beheersvergoeding die conform artikel 4.77 vastgesteld is en die de sociale woonactor voor het werkingsjaar heeft betaald, na verrekening van de marge op leningen die de VMSW verstrekt volgens artikel 5.44, §2, eerste lid, vermeld in sectie 5, voor dat werkingsjaar.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.83. (01/01/2021- 31/12/2022)

Als de VMSW conform artikel 4.78 in een werkingsjaar een marge aanrekent op leningen die ze verstrekt conform artikel 5.44, §2, eerste lid, of op leningen die ze heeft verstrekt met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten, wordt het bedrag dat overeenstemt met de marge op de lening, in mindering gebracht van de vergoeding voor de ondersteuning van verhuuractiviteiten, vermeld in sectie 2, voor het jaar dat volgt op dat werkingsjaar.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.84. (25/04/2022- 31/12/2022)

In geval van een fusie van twee of meer woonmaatschappijen, een herstructurering door splitsing of bij inbreng van een bedrijfstak of een algemeenheid in een woonmaatschappij, wordt de beheersvergoeding voor het werkingsjaar waarin de fusie, splitsing of inbreng plaatsvindt, ongeacht de datum van de boekhoudkundige retroactiviteit, met ingang van 1 januari van dat werkingsjaar berekend door de betrokken verrichtingen van alle vennootschappen of delen van vennootschappen samen te voegen op basis van de vennootschappen die ontstaan na de fusie, splitsing of inbreng. De verrichtingen worden in geval van een splitsing of inbreng verdeeld op basis van de verdeling van het vermogen die in de splitsings- of inbrengakte is bepaald.
 
Voor de werkingsjaren die aan de fusie voorafgaan, worden de beheersvergoeding en eventuele latere correcties daarop berekend voor de afzonderlijke vennootschappen, zonder onderlinge verrekening. De resulterende bedragen komen ten goede van of zijn verschuldigd door de fusievennootschap en worden in geval van een splitsing of inbreng verdeeld op basis van de verdeling van het vermogen die in de splitsings- of inbrengakte is bepaald.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.85. (01/01/2021- 31/12/2022)

De VMSW creëert een apart intern financieringsfonds waarin alle inkomsten en uitgaven die voortvloeien uit de bepalingen van dit besluit, afzonderlijk worden geboekt. Dat financieringsfonds wordt het Fonds voor de Financiering van de VMSW genoemd.

Artikel 4.86. (25/04/2022- 31/12/2022)

De VMSW kan de vergoedingen die een woonmaatschappij op basis van onderafdeling 2 is verschuldigd, ambtshalve van de rekening-courant van de woonmaatschappij in kwestie halen om ze in het Fonds voor de Financiering van de VMSW, vermeld in artikel 4.85, onder te brengen.

Artikel 4.87. (01/01/2021- 31/12/2022)

§1. Uit het Fonds voor de Financiering van de VMSW, vermeld in artikel 4.85, wordt jaarlijks een bedrag van 14.105.621,69 euro toegekend aan de VMSW voor de financiering van een gedeelte van haar werkingskosten.
 
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks aangepast op basis van de indexatieafspraken over de lonen buiten provisie bij de meest recente begrotingscontrole van het jaar waarop de beheersvergoeding betrekking heeft. Het resultaat wordt afgerond naar het eerstvolgende veelvoud van 1000 euro.
 
De indexatieafspraken en het aangepaste bedrag, vermeld in het tweede lid, worden bekendgemaakt.
 
§2. Als de VMSW op objectieve basis een stijging in haar werkingskosten kan verantwoorden, kan de minister het bedrag, vermeld in paragraaf 1, al dan niet tijdelijk, verhogen.
 
§3. De minister bepaalt de nadere regels voor de koppeling van het bedrag, vermeld in paragraaf 1, aan de benutting van de subsidies die aan de VMSW ter beschikking gestelde zijn, met het oog op de verdeling ervan onder de initiatiefnemers. Als de benutting lager is dan de percentages die in de beheersovereenkomst overeengekomen zijn, om redenen waar de VMSW een rechtstreekse impact op heeft, kan de minister het bedrag verminderen.

Artikel 4.88. (01/01/2021- 31/12/2022)

Als voor een werkingsjaar de beheersvergoedingen die gestort zijn in het Fonds voor de Financiering van de VMSW, vermeld in artikel 4.85, niet volstaan om het bedrag, vermeld in artikel 4.87, toe te kennen aan de VMSW, kan de raad van bestuur van de VMSW na advies van het Overlegplatform Sociaal Wonen, vermeld in artikel 4.89, en nadat hij de minister van zijn voornemen op de hoogte heeft gebracht, een of meer van de volgende maatregelen nemen:
1°       het eventuele positieve saldo uit het Fonds voor de Financiering van de VMSW, vermeld in artikel 4.85, aanwenden om het tekort aan te zuiveren;
2°       de minimale beheersvergoeding, vermeld in artikel 4.77, §2, verhogen voor het werkingsjaar dat volgt op het werkingsjaar waarvoor de beheersvergoedingen onvoldoende waren;
3°       een of meer van de vergoedingen, vermeld in onderafdeling 2, verhogen voor het werkingsjaar dat volgt op het werkingsjaar waarvoor de beheersvergoedingen onvoldoende waren.
 
De maatregelen, vermeld in het eerste lid, kunnen alleen tot doel hebben de totale beheersvergoeding op te trekken tot op het niveau van het bedrag, vermeld in artikel 4.87.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.89. (01/01/2021- 31/12/2022)

Een Overlegplatform Sociaal Wonen wordt opgericht waarin de sociale woonactoren en de VMSW vertegenwoordigd zijn en inspraak krijgen in verhouding tot hun aandeel in de totale beheersvergoeding die de VMSW ontvangt.
 
Na mededeling aan de Vlaamse Regering regelt de minister de organisatie en de samenstelling van het Overlegplatform Sociaal Wonen.

Artikel 4.90. (01/01/2021- 31/12/2022)

De VMSW geeft jaarlijks een toelichting aan het Overlegplatform Sociaal Wonen, vermeld in artikel 4.89, waarop minstens de volgende aangelegenheden worden behandeld:
1°       de initiatieven die de VMSW neemt en genomen heeft om de uitvoering van haar opdrachten en de invulling van haar bevoegdheden te optimaliseren;
2°       de resultaten van de bevragingen, vermeld in artikel 4.92;
3°       de wijze waarop de werkingsmiddelen van de VMSW uit het Fonds voor de Financiering van de VMSW, vermeld in artikel 4.85, besteed zijn;
4°       de wijze waarop het eventuele positieve saldo van het Fonds voor de Financiering van de VMSW, vermeld in artikel 4.85, aangewend of belegd is.

Artikel 4.91. (01/01/2021- 31/12/2022)

De VMSW vraagt voorafgaandelijk advies aan het Overlegplatform Sociaal Wonen, vermeld in artikel 4.89, over de volgende aangelegenheden:
1°       de maatregelen, vermeld in artikel 4.88, eerste lid, die de raad van bestuur van de VMSW wil nemen als voor een werkingsjaar de beheersvergoedingen die gestort zijn in het Fonds voor de Financiering van de VMSW, vermeld in artikel 4.85, niet volstaan om het bedrag, vermeld in artikel 4.87, toe te kennen aan de VMSW;
2°       de initiatieven die de VMSW neemt en kan nemen om de uitvoering van haar opdrachten en de invulling van haar bevoegdheden te optimaliseren.
 
De minister vraagt voorafgaandelijk advies aan het Overlegplatform Sociaal Wonen, vermeld in artikel 4.89, over een verhoging als vermeld in artikel 4.87, §2.

Artikel 4.92. (01/01/2021- 31/12/2022)

§1. Het Overlegplatform Sociaal Wonen, vermeld in artikel 4.85, kan de VMSW verzoeken bij de sociale woonactoren een bevraging te organiseren over de werking van de VMSW als die een impact heeft op hun eigen werking.
 
Bij betwisting over het onderwerp en de wijze van bevraging beslist de minister.
 
§2. Bij elke verrichting waarvoor een sociale woonactor een vergoeding betaalt conform onderafdeling 2, sectie 1 of 3, organiseert de VMSW een bevraging, waarbij minimaal de volgende zaken worden voorgelegd:
1°       de vraag naar de bevindingen van de betrokken sociale woonactor over de samenwerking met de VMSW tijdens de uitvoering van de verrichting;
2°       de mogelijkheid voor de betrokken sociale woonactor om in eigen bewoordingen een evaluatie te geven.
 
Bij betwisting over de organisatie van de bevraging, vermeld in het eerste lid, beslist de minister.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 52, I: 1 januari 2023)]

Artikel 4.93. (01/01/2021- 31/12/2022)

De bedragen, vermeld in deze afdeling, met uitzondering van de bedragen, vermeld in de artikelen 4.82, §4, en 4.89, worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex naar het gezondheidsindexcijfer van de maand juni van het voorgaande jaar en met als basis het gezondheidsindexcijfer 116,43 van juni 2011 (basis 2004). Het resultaat wordt afgerond naar het eerstvolgende veelvoud van 10 euro.
 
De bedragen, vermeld in artikel 4.80, §4, worden jaarlijks geïndexeerd conform de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van het Rijk worden gekoppeld. De bedragen zijn uitgedrukt tegen 100% op basis van de spilindex die van toepassing is op 1 januari 2012.

Afdeling 2. Toelage

Artikel 4.94. (01/01/2021- ...)

Binnen de VMSW wordt een fonds opgericht dat de financiële stromen bevat die worden bepaald in gezamenlijk overleg tussen de minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen.
 
Met toepassing van artikel 4.33 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 kan een toelage worden verleend die afhankelijk is van de resultaatsberekening van het fonds, vermeld in het eerste lid.
 
De bij de berekening van het resultaat van het fonds, vermeld in het eerste lid, in rekening te brengen componenten en de rapporteringsvereisten worden bepaald in gezamenlijk overleg tussen de minister en de Vlaamse minister van financiën en begrotingen.

Afdeling 3. Giften en legaten

Artikel 4.95. (01/01/2021- ...)

De minister kan de VMSW machtigen om roerende en onroerende giften en legaten te aanvaarden.

Titel 3. [Woonmaatschappijen (verv. BVR 17 december 2021, art. 70, I: 25 april 2022)]

[Hoofdstuk 1. Definities (ing. BVR 17 december 2021, art. 71, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.95/1. (25/04/2022- ...)

In deze titel wordt verstaan onder beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
1° een aangetekende brief;
2° een afgifte tegen ontvangstbewijs;
3° een elektronische aangetekende zending;
4° een e-mail met ontvangstbevestiging;
5° elke andere betekeningswijze dan de betekeningswijzen, vermeld in punt 1° tot en met 4°, die de minister bepaalt, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.

[Hoofdstuk 1/1. (verv. BVR 17 december 2021, art. 71, I: 25 april 2022)] Erkenning

Afdeling 1. [De erkenning en de intrekking van de erkenning als woonmaatschappij en de statuten van de woonmaatschappij (verv. BVR 17 december 2021, art. 72, I: 25 april 2022)]
Onderafdeling 1. [Erkenning als woonmaatschappij (verv. BVR 17 december 2021, art. 72, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.96 (25/04/2022- ...)

Onder de voorwaarden, vermeld in artikel 4.36, § 2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en in artikel 4.97 van dit besluit, en volgens de procedure, vermeld in deze onderafdeling, kan de minister vennootschappen erkennen als woonmaatschappij.

Artikel 4.97. (25/04/2022- ...)

Met behoud van de toepassing van de voorwaarden, vermeld in artikel 4.36, § 2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zijn vennootschappen voldoende actief in hun werkingsgebied om als woonmaatschappij erkend te worden en te blijven.

Artikel 4.97/1. (03/12/2022- ...)

Overeenkomstig artikel 4.38, §1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, kan de minister beslissen om een uitzondering als vermeld in dat artikel toe te staan, in geval van een gemotiveerd verzoek van de vennootschap bij de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 4.98, of in geval van een gemotiveerd verzoek bij de aanvraag tot voorafgaande goedkeuring van de wijziging van de statuten, vermeld in artikel 4.102, §1.

De uitzondering, vermeld in het eerste lid, voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1°    ze heeft een tijdelijk karakter;
2°    ze brengt de toegankelijkheid en bereikbaarheid voor de kandidaat-sociale huurders, sociale huurders en andere belanghebbenden niet in het gedrang;
3°    ze is noodzakelijk voor de continuïteit van de dienstverlening.

Artikel 4.98. (03/12/2022- ...)

§ 1. De vennootschappen, vermeld in artikel 4.96, dienen hun aanvraag tot erkenning als woonmaatschappij met een beveiligde zending in bij het agentschap.

Het aanvraagdossier bevat de gegevens en de stukken waaruit blijkt dat voldaan is aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4.96 van dit besluit. Het aanvraagdossier bevat de volgende gegevens en stukken:
1° het ontwerp van statuten, opgesteld volgens de modelstatuten, vermeld in artikel 4.101 van dit besluit, en, in voorkomend geval, het ontwerp van intern reglement;
2° een toelichting en, in voorkomend geval, bewijsstukken over:
a) het werkingsgebied waarvoor een erkenning als woonmaatschappij wordt aangevraagd;
b) de activiteiten buiten het werkingsgebied in een overzicht met duiding erbij;
c) de wijze waarop een voldoende laagdrempelige bereikbaarheid voor de doelgroep wordt gewaarborgd;
d) de aandeelhouders van de vennootschap, met inbegrip van het aantal aandelen dat ze elk bezitten en de stemrechten die aan die aandelen zijn verbonden;
e) het sociaal woonpatrimonium waarover de vennootschap beschikt, hetzij als houder van een zakelijk recht, hetzij als verhuurster van woningen ingehuurd overeenkomstig artikel 4.40,4° VCW, binnen het werkingsgebied in een overzicht;
f) de expertise en kennis op het vlak van sociale verhuuractiviteiten en sociale huisvesting;
g) de personeelsformatie;
h) de wijze waarop wordt voldaan of zal worden voldaan aan de vereiste, vermeld in artikel 4.46/2 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
i) de inschrijvings- en toewijzingsprocedure en het interne huurreglement;
j) de huurdersbegeleiding en -participatie;
k) de lokale netwerkvorming, de lokale inbedding en verankering, gestaafd met een advies van de lokale besturen in het werkingsgebied;
l) de interne controle;
m) het debiteurenreglement;
3° een financieel plan dat de financiële leefbaarheid van de woonmaatschappij voor de komende tien jaar aantoont. Daarbij wordt rekening gehouden met het patrimonium dat de woonmaatschappij verworven heeft of verworven zal hebben conform artikel 209, § 3, van het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen of conform artikel 4.38, § 4 tot en met § 7, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. Dat financiële plan voldoet aan al de volgende voorwaarden:
a) het voorspelt de geldstromen en de liquide middelen van de woonmaatschappij over een tijdshorizon van minimaal tien jaar;
b) het bevat alle lopende en geplande projecten van de woonmaatschappij in haar toekomstige werkingsgebied;
c) het is inhoudelijk consistent met de investerings-, renovatie- en onderhoudsplanning van de woonmaatschappij;
4° in voorkomend geval een gemotiveerd verzoek tot uitzondering als vermeld in artikel 4.38, §1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

De minister kan de inhoud en de vorm van de gegevens en stukken die in het aanvraagdossier worden opgenomen, nader bepalen.

§ 2. Binnen tien dagen na de dag waarop het agentschap het aanvraagdossier heeft ontvangen, bezorgt het agentschap de aanvrager met een beveiligde zending een ontvangstmelding.

Het agentschap kan bij de aanvrager met een beveiligde zending aanvullende documenten of inlichtingen opvragen. De aanvrager bezorgt het agentschap met een beveiligde zending de aanvullende documenten of inlichtingen binnen de termijn die het agentschap bepaalt. Binnen tien dagen na de dag waarop het agentschap de aanvullende documenten of inlichtingen heeft ontvangen, bezorgt het agentschap de aanvrager met een beveiligde zending een ontvangstmelding.

§ 3. Binnen negentig dagen na de dag waarop de aanvrager de ontvangstmelding, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, of, in voorkomend geval, paragraaf 2, tweede lid, heeft ontvangen, beslist de minister over de aanvraag. De aanvrager wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van die beslissing. De minister bezorgt een afschrift van die beslissing aan de VMSW en de toezichthouder.

De beslissing tot toekenning van de erkenning als woonmaatschappij geldt als voorafgaande goedkeuring van de statutenwijzigingen die daarmee gepaard zouden gaan. De beslissing tot weigering van de erkenning als woonmaatschappij geldt als weigering van de goedkeuring van de statutenwijzigingen die daarmee gepaard zouden gaan, behoudens andersluidende beslissing.

Als de minister binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, geen beslissing neemt over de aanvraag, wordt de erkenning als woonmaatschappij geacht te zijn verleend.

Tenzij het om een woonmaatschappij gaat die erkend is conform artikel 205, § 2, van het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen, bepaalt de minister in zijn beslissing tot toekenning van de erkenning de termijn waarbinnen de woonmaatschappij moet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.38, § 2 en § 4, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Artikel 4.99. (25/04/2022- ...)

De erkenning als woonmaatschappij gaat in op de datum die in de erkenningsbeslissing van de minister vastgesteld is.

De erkenning als woonmaatschappij geldt voor 33 jaar.

Als de minister binnen de termijn, vermeld in artikel 4.98 § 3, eerste lid, geen beslissing neemt over de aanvraag, wordt de erkenning als woonmaatschappij geacht te zijn verleend. In dat geval gaat de erkenning in op de datum van het verstrijken van de termijn vermeld in artikel 4.98 § 3, eerste lid.

Artikel 4.100. (25/04/2022- ...)

Woonmaatschappijen verwerven binnen vijf jaar na hun erkenning alle rechten van de onroerende goederen die geschikt zijn voor de sociale huisvesting en die binnen hun werkingsgebied liggen, van sociale huisvestingsmaatschappijen, sociale verhuurkantoren, het Vlaams Woningfonds en van andere woonmaatschappijen.

In afwachting van de verwerving van alle rechten van de onroerende goederen die geschikt zijn voor de sociale huisvesting, vermeld in het eerste lid, verwerft de woonmaatschappij zo snel mogelijk minstens het beheer van die onroerende goederen.

Onderafdeling 2. [Intrekking en afstand van de erkenning (verv. BVR 17 december 2021, art. 72, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.100/1. (25/04/2022- ...)

De Vlaamse Regering kan in de volgende gevallen de erkenning als woonmaatschappij intrekken:
1° de vennootschap voldoet niet meer aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.96 van dit besluit;
2° de vennootschap leeft de verplichtingen niet na die aan de woonmaatschappij door of krachtens de Vlaamse Codex Wonen van 2021 zijn opgelegd;
3° uit een prestatiebeoordeling die ten minste vier jaar na de vorige prestatiebeoordeling plaatsvindt, blijkt dat de vennootschap er niet in slaagt voor de operationele doelstellingen waarvoor ze tijdens de vorige prestatiebeoordeling een beoordeling "onvoldoende" of "voor verbetering vatbaar" heeft behaald, een beoordeling "goed" of "zeer goed" te behalen.

De Vlaamse Regering kan de erkenning als woonmaatschappij alleen intrekken nadat de vennootschap is gehoord. De vennootschap kan zich daarbij laten bijstaan.

Artikel 4.100/2. (25/04/2022- ...)

De erkende woonmaatschappijen kunnen vrijwillig afstand doen van hun erkenning. Ze dienen daarvoor hun aanvraag met een beveiligde zending in bij het agentschap.

De aanvraag tot intrekking van de erkenning als woonmaatschappij bevat al de volgende documenten en gegevens:
1° een gedetailleerd stappenplan over de vereffening van de vennootschap;
2° een gedetailleerd stappenplan over de voortzetting van de sociale woonactiviteiten in het werkingsgebied in kwestie;
3° een gedetailleerd voorstel tot verdeling van het woonpatrimonium aan een of meer woonmaatschappijen;
4° de datum waarop de afstand ingaat. Die datum ligt ten minste drie maanden na de datum van de verzending, vermeld in het eerste lid.

Binnen tien dagen na de dag waarop het agentschap het aanvraagdossier heeft ontvangen, bezorgt het agentschap de aanvrager met een beveiligde zending een ontvangstmelding.

Binnen negentig dagen na de dag waarop de aanvrager de ontvangstmelding, vermeld in het derde lid, heeft ontvangen, beslist de minister over de vrijwillige afstand van erkenning. De minister brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte van die beslissing.

De minister bezorgt een afschrift van de beslissing tot bekrachtiging van de verklaring tot afstand en de bijbehorende stukken aan de VMSW en de toezichthouder.

Onderafdeling 3. [Statuten van de woonmaatschappijen (verv. BVR 17 december 2021, art. 72, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.101. (25/04/2022- ...)

De modelstatuten voor nieuwe woonmaatschappijen en voor woonmaatschappijen die zonder onderbreking van de rechtspersoonlijkheid een omvorming zijn van een of meer bestaande sociale huisvestingsmaatschappijen, zijn opgenomen in bijlage 10 en bijlage 11, die bij dit besluit zijn gevoegd.

De modelstatuten omvatten de bepalingen die minimaal moeten worden opgenomen in de statuten.

De woonmaatschappij kan aanvullende statutaire bepalingen opnemen als die niet strijdig zijn met de modelstatuten, de Vlaamse Codex Wonen van 2021, de dwingende bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of andere dwingende regelgeving.

Artikel 4.102. (03/12/2022- ...)

§ 1. In de statuten van de woonmaatschappijen kunnen geen wijzigingen worden aangebracht zonder de voorafgaande goedkeuring van de minister.

De woonmaatschappijen dienen hun aanvraag tot wijziging van de statuten met een beveiligde zending in bij het agentschap. Binnen zestig dagen na de dag waarop het agentschap de gewijzigde statuten heeft ontvangen, neemt de minister een beslissing over de statutenwijziging. De woonmaatschappij wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de ministeriële beslissing.

In voorkomend geval omvat de aanvraag, vermeld in het tweede lid, het gemotiveerde verzoek tot uitzondering, vermeld in artikel 4.38, §1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Als de minister binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen beslissing neemt, wordt de statutenwijziging geacht te zijn goedgekeurd.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, is de voorafgaande goedkeuring door de minister niet vereist voor de volgende statutenwijzigingen:
1° het in overeenstemming brengen van de statuten van woonmaatschappijen met de modelstatuten, vermeld in artikel 4.101;
2° een wijziging van de door de woonmaatschappij toegevoegde inhoud, met uitzondering van de inhoud die aan de modelstatuten verbonden is;
3° de vervanging van een of meer met naam genoemde personen, aandeelhouders of vennoten, op voorwaarde dat die vervanging geen andere wijzigingen van de statuten inhoudt;
4° de wijziging van de benaming van de vennootschap, op voorwaarde dat de rechtsvorm wordt behouden en dat de wijziging niet leidt tot aanpassingen aan het aantal aandeelhouders of vennoten;
5° een uitgifte van aandelen.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, brengt de woonmaatschappij het agentschap met een beveiligde zending op de hoogte van de statutenwijziging.

[Onderafdeling 4. Samenwerking met en deelneming in andere rechtspersonen (ing. BVR 17 december 2021, art. 72, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.102/1. (25/04/2022- ...)

§ 1. De woonmaatschappij die een rechtstreeks of onrechtstreeks belang wil nemen in een andere rechtspersoon als vermeld in artikel 4.46/1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, dient daarvoor met een beveiligde zending een gemotiveerd voorstel in bij het agentschap.

De minister kan de gegevens en de stukken die in het voorstel opgenomen worden, nader bepalen.

§ 2. Binnen vijftien werkdagen na de dag waarop het agentschap het voorstel, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, heeft ontvangen, bezorgt het agentschap de woonmaatschappij een ontvangstmelding met een beveiligde zending of met een e-mail met ontvangstbevestiging.

Het agentschap kan bij de woonmaatschappij met een beveiligde zending aanvullende documenten of inlichtingen opvragen. De woonmaatschappij bezorgt het agentschap met een beveiligde zending de aanvullende documenten of inlichtingen binnen de termijn die het agentschap bepaalt.

§ 3. Binnen negentig dagen na de dag waarop de woonmaatschappij de ontvangstmelding, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, heeft ontvangen, of, in voorkomend geval, binnen negentig dagen na de dag waarop het agentschap de aanvullende documenten of inlichtingen, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, heeft ontvangen, beslist de minister over het voorstel. De woonmaatschappij wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van die beslissing. De minister bezorgt een afschrift van die beslissing aan de VMSW en de toezichthouder.

Als de minister binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, geen beslissing neemt over het voorstel, wordt het voorstel geacht te zijn toegestaan.

[Onderafdeling 5. Procedure tot vaststelling en wijziging van de stemverhoudingen, vermeld in artikel 4.39/2, § 2, tweede lid, Vlaamse Codex Wonen van 2021 (ing. BVR 17 december 2021, art. 72, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.102/2. (25/04/2022- ...)

§ 1. Wanneer een werkingsgebied voor een woonmaatschappij is afgebakend, legt de Vlaamse Regering, na het advies van de gemeenteraad van de gemeenten uit het werkingsgebied te hebben gevraagd, de stemverhouding, vermeld in artikel 4.39/2, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, vast op basis van de volgende criteria:
1° de verhouding tussen het aantal sociale huurwoningen per gemeente;
2° de verhouding tussen het aantal huishoudens per gemeente.

In voorkomend geval kan de Vlaamse Regering bij de vastlegging van de stemverhouding ook rekening houden met andere criteria die vermeld zijn in een advies van de gemeenteraad van een of meerdere gemeenten uit het werkingsgebied.

§ 2. De Vlaamse Regering kan de stemverhouding, vermeld in artikel 4.39/2, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 ambtshalve wijzigen, waarbij zij rekening houdt met de criteria vermeld in paragraaf 1, eerste lid. In voorkomend geval kan de Vlaamse Regering bij de wijziging van de stemverhouding ook rekening houden met andere criteria die vermeld zijn in een advies van de gemeenteraad van een of meerdere gemeenten uit het werkingsgebied.

De minister kan in geval van een verzoek als vermeld in artikel 4.102/3, paragraaf 1, de stemverhouding wijzigen, waarbij hij rekening houdt met de criteria vermeld in paragraaf 1, eerste lid. In voorkomend geval kan de minister bij de wijziging van de stemverhouding ook rekening houden met andere criteria die vermeld zijn in het verzoek of in de eventuele opmerkingen, vermeld in artikel 4.102/3, § 2, tweede lid.

Artikel 4.102/3. (25/04/2022- ...)

§ 1. Een of meer gemeenten of OCMW's die in het werkingsgebied van de woonmaatschappij liggen en aandeelhouder zijn van de woonmaatschappij, kunnen bij het agentschap een gemotiveerd verzoek tot wijziging van de stemverhouding, vermeld in artikel 4.39/2, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, indienen.

Een verzoek kan alleen ontvankelijk worden ingediend binnen het jaar na de eerste vernieuwde samenstelling van het bestuursorgaan van de woonmaatschappij die volgt op de lokale verkiezingen.

Het verzoek, vermeld in het eerste lid, wordt met een beveiligde zending bezorgd aan het agentschap. Het agentschap bezorgt binnen veertien dagen na ontvangst van het verzoek een ontvangstbevestiging aan de initiatiefnemers.

§ 2. Het agentschap bezorgt een kopie van het verzoek, vermeld in § 1, eerste lid, aan de gemeenten en OCMW's die in het werkingsgebied van de woonmaatschappij liggen, aandeelhouder zijn van de woonmaatschappij en het verzoek niet hebben ondertekend.

De gemeenten en OCMW's, vermeld in het eerste lid, kunnen hun schriftelijke opmerkingen bij het verzoek met een beveiligde zending aan het agentschap bezorgen binnen zestig dagen na de dag waarop ze de kopie van het verzoek hebben ontvangen.

§ 3. Binnen honderdtwintig dagen na de dag waarop de initiatiefnemers de ontvangstmelding, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, hebben ontvangen, brengt het agentschap alle gemeenten en OCMW's die in het werkingsgebied van de woonmaatschappij liggen en er aandeelhouder van zijn, met een beveiligde zending op de hoogte van de beslissing over het verzoekschrift en, in voorkomend geval, van de nieuwe stemverhouding tussen gemeenten en OCMW's. Een afschrift ervan wordt meegedeeld aan de woonmaatschappij, de VMSW en de toezichthouder.

Als binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, geen beslissing wordt genomen, wordt het voorstel geacht te zijn geweigerd.

Afdeling 2. [Prestatiebeoordeling van woonmaatschappijen (verv. BVR 17 december 2021, art. 73, I: 25 april 2022)]
Onderafdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 4.103. (25/04/2022- ...)

Er wordt een systeem van prestatiebeoordeling van de woonmaatschappijen ingesteld.
 
Het systeem van prestatiebeoordeling, vermeld in het eerste lid, heeft de volgende doelstellingen:
1° transparante en eenduidige informatie over de werking van woonmaatschappijen verschaffen;
2° de woonmaatschappijen in staat stellen hun eigen prestaties te verbeteren;
3° de minister alle relevante informatie verstrekken voor de Vlaamse beleidsbeoordeling;
4° de minister toe laten de prestaties van de woonmaatschappijen te meten en te volgen.

Artikel 4.104. (25/04/2022- ...)

§ 1. De minister stelt per doelstelling, vermeld in artikel 4.105 tot en met 4.110, de vereisten vast in een prestatiehandboek.

§1/1. De woonmaatschappijen worden beoordeeld op de volgende prestatievelden:
1°       de beschikbaarheid van woningen;
2°       de kwaliteit van de woningen en de woonomgeving;
3°       de betaalbaarheid;
4°       het sociale beleid;
5°       de financiële performantie;
6°       de klantgerichtheid.
 
§2. De woonmaatschappijen zijn ertoe gehouden voor elk van de prestatievelden, vermeld in paragraaf 1/1, 1°, 2° en 3°, een bijdrage te leveren aan de realisatie van de strategische doelstellingen.
 
De mate waarin de woonmaatschappijen een bijdrage leveren aan de realisatie van de strategische doelstellingen, wordt gemeten aan de hand van effectindicatoren.
 
§3. De woonmaatschappijen zijn ertoe gehouden voor elk van de prestatievelden, vermeld in paragraaf 1/1, een of meer operationele doelstellingen te realiseren.
 
De mate waarin de woonmaatschappijen de operationele doelstellingen realiseren, wordt gemeten aan de hand van prestatie-indicatoren.
 
§4. Bij het meten van de prestaties van de woonmaatschappijen wordt alleen rekening gehouden met de prestatie-indicatoren.
 
Bij het beoordelen van de prestaties van de woonmaatschappijen wordt rekening gehouden met de prestatie-indicatoren, de specifieke kenmerken die eigen zijn aan de woonmaatschappijen, hun woningpatrimonium, de context waarin de woonmaatschappijen functioneren en de mate waarin de woonmaatschappijen de processen beheersen om de vereiste prestaties te garanderen.

Artikel 4.105. (25/04/2022- ...)

In het kader van het prestatieveld, vermeld in artikel 4.104, § 1/1, 1°, realiseren de woonmaatschappijen de volgende operationele doelstellingen als ze van toepassing zijn:
1° nieuwe sociale huurwoningen bouwen;
2° woningen inhuren op de private huurwoningenmarkt voor sociale onderverhuring;
3° vormen van sociale eigendomsverwerving aanbieden;
4° gronden en panden verwerven om sociale woonprojecten te realiseren;
5° een aantrekkelijke huurder zijn en kandidaat-verhuurders en verhuurders ontzorgen;
6° het aanbod afstemmen op de noden van de verschillende groepen.

Artikel 4.106. (25/04/2022- ...)

In het kader van het prestatieveld, vermeld in artikel 4.104, § 1/1, 2°, realiseren de woonmaatschappijen de volgende operationele doelstellingen:
1° instaan voor het onderhoud en het herstel van het eigen sociaal woonpatrimonium;
2° bewaken van de kwaliteit van het huurpatrimonium gedurende de volledige looptijd van het hoofdhuurcontract;
3° instaan voor de renovatie, de verbetering, de aanpassing of de vervanging van het eigen sociaal woningpatrimonium waar nodig;
4° kwaliteitsvolle woningen in een behoorlijke woonomgeving realiseren.

Artikel 4.107. (25/04/2022- ...)

In het kader van het prestatieveld, vermeld in artikel 4.104, § 1/1, 3°, realiseren de woonmaatschappijen de volgende operationele doelstellingen:
1° prijsbewust bouwen;
2° prijsbewust huren;
3° prijsbewust verhuren.

Artikel 4.108. (25/04/2022- ...)

In het kader van het prestatieveld, vermeld in artikel 4.104, § 1/1, 4°, realiseren de woonmaatschappijen de volgende operationele doelstellingen:
1° huisvestingsondersteuning bieden aan bewoners;
2° huurdersbegeleiding bieden aangepast aan de noden van de bewoners;
3° zich inzetten voor een zo goed mogelijke woonzekerheid;
4° bewonersgroepen betrekken bij sociale huurprojecten en wijkbeheer;
5° leefbaarheidsproblemen voorkomen en aanpakken.

Artikel 4.109. (25/04/2022- ...)

In het kader van het prestatieveld, vermeld in artikel 4.104, § 1/1, 5°, realiseren de woonmaatschappijen de volgende operationele doelstellingen:
1° financieel leefbaar zijn op korte en lange termijn;
2° de kosten goed beheersen;
3° leegstand voorkomen en bestrijden;
4° huurachterstallen, sociale fraude en domiciliefraude voorkomen en bestrijden.

Artikel 4.110. (25/04/2022- ...)

In het kader van het prestatieveld, vermeld in artikel 4.104, § 1/1, 6°, realiseren de woonmaatschappijen de volgende operationele doelstellingen:
1° burgers snel en duidelijk informeren;
2° beleidsinstanties en andere belanghebbende instanties snel en duidelijk informeren;
3° de dienstverlening afstemmen op hun klanten.

Artikel 4.111. (25/04/2022- 31/12/2022)

§1. Onafhankelijk van de prestatiebeoordeling door de visitatiecommissie, vermeld in artikel 4.116, kan de minister woonmaatschappijen verplichten om een verbeterplan als vermeld in paragraaf 2, op te maken en uit te voeren, een of meer van de maatregelen, vermeld in artikel 4.51, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, opleggen of de Vlaamse Regering voorstellen om een van de maatregelen, vermeld in artikel 4.51, tweede lid, van de voormelde codex, op te leggen, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op:
1°       de verplichting voor de woonmaatschappijen om een bijdrage te leveren aan de realisatie van de strategische doelstellingen, vermeld in artikel 4.104, §2;
2°       de verplichting voor de woonmaatschappijen om de operationele doelstellingen te realiseren, vermeld in artikel 4.104, §3;
3°       de verplichting voor de woonmaatschappijen om de wettelijke en reglementaire verplichtingen en de principes van behoorlijk bestuur in acht te nemen.
 
§2. Het verbeterplan omvat de concrete acties die de woonmaatschappij in kwestie voorstelt om de prestaties te verbeteren met het oog op de naleving van de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1. De voorgestelde acties moeten specifiek, meetbaar, acceptabel, resultaatgericht en tijdsgebonden zijn.
 
De minister bepaalt de termijn waarin het verbeterplan aan hem voorgelegd moet worden en kan de VMSW ermee belasten de woonmaatschappij te ondersteunen bij de opmaak ervan.
 
De beslissing van de minister tot gehele of gedeeltelijke goed- of afkeuring van het verbeterplan wordt samen met de eventuele voorwaarden, bemerkingen of voorstellen tot aanpassing en met de termijn voor de uitvoering ervan, met een beveiligde zending bezorgd aan de woonmaatschappij in kwestie.
 
Een afschrift van het verbeterplan en van de beslissing van de minister wordt bezorgd aan de VMSW, aan de voorzitter van de Visitatieraad, vermeld in artikel 4.115, en aan de toezichthouder.

Onderafdeling 2. Gegevensverstrekking

Artikel 4.112. (25/04/2022- ...)

De woonmaatschappijen bezorgen de actuele gegevens over de operationele doelstellingen, vermeld in artikel 4.105 tot en met 4.110, in de vorm van een digitaal prestatieregister aan de Prestatiedatabank.
 
De minister bepaalt welke gegevens minimaal in het digitaal prestatieregister van een woonmaatschappij moeten worden opgenomen, en de frequentie waarmee en de wijze waarop die gegevens van het digitaal prestatieregister in de Prestatiedatabank moeten worden overgenomen.
 
De woonmaatschappijen zijn verantwoordelijk voor de juistheid van hun gegevens. Ze worden geacht de gegevens te controleren en indien nodig te verbeteren of aan te vullen.
 
De gegevens van de digitale prestatieregisters worden samengebracht en eventueel geaggregeerd onder de verantwoordelijkheid van de minister of zijn gemachtigde.

Artikel 4.113. (01/01/2021- ...)

De entiteiten van het beleidsveld Wonen bezorgen de Prestatiedatabank, elk wat hun bevoegdheid en werking betreft, de actuele gegevens over de operationele doelstellingen, vermeld in artikel 4.105 tot en met 4.110.
 
Elke entiteit, vermeld in het eerste lid, is ervoor verantwoordelijk haar eigen gegevens aan te leveren of in te voeren in de Prestatiedatabank conform de technische richtlijnen die het agentschap ter beschikking stelt.
 
De minister bepaalt de gegevens die elke entiteit, vermeld in het eerste lid, minimaal ter beschikking stelt van de Prestatiedatabank, en de frequentie waarmee en de wijze waarop de gegevens ter beschikking gesteld worden.

Artikel 4.114. (25/04/2022- ...)

§1. De entiteiten van het beleidsveld Wonen hanteren de Prestatiedatabank als beleidsinstrument om een efficiënt sociaal woonbeleid te ontwikkelen en uit te voeren en om de visitatiecommissie toe te laten de prestaties van een woonmaatschappij te beoordelen.
 
§2. De gegevens van de Prestatiedatabank worden bewaard zolang ze nodig zijn om de administratieve taken in het kader van de erkenningen van de woonmaatschappijen, om het sociaal woonbeleid uit te voeren en om de ontwikkeling van het sociaal woonbeleid beleidsmatig op te volgen.
 
§3. De entiteiten van het beleidsveld Wonen hebben toegang tot de gegevens in de Prestatiedatabank die ze zelf verstrekken.
 
Toegang tot de gegevens uit de Prestatiedatabank kan alleen verleend worden aan ambtenaren van de entiteiten van het beleidsveld Wonen en aan leden van de visitatiecommissie, in zoverre die toegang vereist is voor de beoordeling van de prestaties van woonmaatschappijen, voor de verificatie van de uitvoering van een verbeterplan of voor het technische onderhoud van de databank.
 
De minister of zijn gemachtigde kan de gegevens uit de Prestatiedatabank onder contractuele voorwaarden en binnen de perken van de opdrachten doorgeven voor beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek waarvan de output eigendom blijft van de Vlaamse Gemeenschap. Afgeleide statistische informatie kan in geaggregeerde vorm worden gebruikt om het publiek te informeren.

Onderafdeling 3. [Beoordeling van de prestaties van woonmaatschappijen (verv. BVR 17 december 2021, art. 80, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.115. (25/04/2022- ...)

§1. Er wordt een ploeg van visitatoren, hierna Visitatieraad te noemen, opgericht die bestaat uit maximaal vijftien personen die samen over de volgende deskundigheid en ervaring beschikken:
1°       kennis van sociale aspecten en welzijnsaspecten van het wonen, namelijk leefbaarheid, woonzekerheid, integratie en gelijke kansen van bewoners;
2°       kennis van financiën, bedrijfskunde en bestuurskunde en ervaring in het bedrijfsleven;
3°       kennis van de organisatie en financiering van de sociale huisvesting;
4°       kennis van de verkoop, verhuring, inhuring en onderverhuring van onroerende goederen en ervaring in de ontwikkeling van woonprojecten.
 
De minister benoemt de leden en de voorzitter van de Visitatieraad, vermeld in het eerste lid, na een openbare oproep tot kandidaatstelling.
 
§2. Per prestatiebeoordeling wordt een visitatiecommissie opgericht, waarin de volgende leden van de Visitatieraad op basis van hun specifieke expertise worden opgenomen:
1°       één lid dat minimaal beschikt over de competentie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°;
2°       één lid dat minimaal beschikt over de competentie en ervaring, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°;
3°       één lid dat minimaal beschikt over de competentie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°.
 
Minstens een van de leden van de visitatiecommissie moet ook beschikken over de competentie en ervaring, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°.
 
De voorzitter van de Visitatieraad stelt de visitatiecommissies samen na overleg in de Visitatieraad en wijst per visitatiecommissie onder de leden van de Visitatieraad een voorzitter, twee leden en drie plaatsvervangers aan.
 
§3. De minister bepaalt het bedrag van de vergoeding voor de voorzitter van de Visitatieraad en voor de voorzitters en de leden van de visitatiecommissies.
 
§4. Binnen de perken van de kredieten die daarvoor beschikbaar zijn op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, kan de minister de kosten voor de organisatie van de prestatiebeoordeling geheel of gedeeltelijk ten laste nemen.

Artikel 4.116. (25/04/2022- ...)

De visitatiecommissie beoordeelt periodiek, één keer om de zes jaar, de prestaties van elke woonmaatschappij na een visitatie van de woonmaatschappij in kwestie.
 
In afwijking van het eerste lid kan de minister beslissen om:
1°       de prestatiebeoordeling van een of meer woonmaatschappijen te vervroegen als de woonmaatschappij in kwestie bij de laatste prestatiebeoordeling voor een of meer operationele doelstellingen een beoordeling ‘voor verbetering vatbaar’ of ‘onvoldoende’ behaald heeft;
2°       de prestatiebeoordeling van een of meer woonmaatschappijen uit te stellen.

Artikel 4.117. (25/04/2022- ...)

§1. Minstens drie maanden voor de datum waarop een visitatie bij een woonmaatschappij zal plaatsvinden, genereert de visitatiecommissie voor de woonmaatschappij in kwestie op een gestandaardiseerde manier een output uit de Prestatiedatabank.
 
Uiterlijk tien weken vóór de eerste visitatiedag bezorgt de woonmaatschappij aan de visitatiecommissie een geactualiseerde versie van de lijst van lokale woon- en welzijnsactoren en vertegenwoordigers van bewonersgroeperingen die in de prestatiedatabank opgenomen is.
 
De visitatiecommissie brengt de woonmaatschappij in kwestie onmiddellijk met een beveiligde zending op de hoogte van de output uit de Prestatiedatabank.
 
§2. Als de woonmaatschappij in kwestie vaststelt dat de gegevens waarop de output uit de Prestatiedatabank gebaseerd is, niet correct, niet volledig of niet recent zijn, actualiseert ze binnen een termijn van één maand, die ingaat op de dag na de kennisgeving, vermeld in paragraaf 1, derde lid, haar digitaal prestatieregister in de Prestatiedatabank.

Artikel 4.118. (01/01/2021- ...)

Uiterlijk één maand voor de datum waarop een visitatie bij een sociale huisvestingsmaatschappij plaatsvindt, bezorgt de sociale huisvestingsmaatschappij in kwestie de visitatiecommissie met een beveiligde zending alle gegevens en stukken die relevant zijn voor de prestatiebeoordeling van de sociale huisvestingsmaatschappij.
 
De minister kan de gegevens en stukken die voor de prestatiebeoordeling van de sociale huisvestingsmaatschappijen aan de visitatiecommissie bezorgd moeten worden, nader bepalen.
 
Als de visitatiecommissie vaststelt dat de gegevens of stukken die haar conform het eerste lid bezorgd zijn, niet correct, niet volledig of niet recent zijn, kan ze bij de sociale huisvestingsmaatschappij in kwestie de ontbrekende gegevens of stukken opvragen. De sociale huisvestingsmaatschappij in kwestie bezorgt de visitatiecommissie met een beveiligde zending de ontbrekende gegevens of stukken.

Artikel 4.119. (25/04/2022- ...)

Uiterlijk tien werkdagen voor de datum waarop een visitatie bij een woonmaatschappij plaatsvindt, bezorgt de visitatiecommissie de woonmaatschappij in kwestie de meest recente output uit de Prestatiedatabank voor de woonmaatschappij in kwestie.

Artikel 4.120. (25/04/2022- ...)

De visitatie door de visitatiecommissie verloopt op basis van de richtlijnen in het prestatiehandboek, vermeld in artikel 4.104, § 1. Voorafgaandelijk aan de beslissing over de vaststelling van het prestatiehandboek deelt de minister het prestatiehandboek en elke wijziging ervan mee aan de Vlaamse Regering.

Het prestatiehandboek, vermeld in het eerste lid, omvat de methodologie en de criteria aan de hand waarvan wordt beoordeeld of de woonmaatschappij in voldoende mate bijdraagt aan het bereiken van het bindend sociaal objectief van de gemeenten in het werkingsgebied waarvoor ze erkend is, vermeld in artikel 4.40/1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Artikel 4.121. (25/04/2022- ...)

§1. De visitatiecommissie legt haar beoordeling van de prestaties van de woonmaatschappij in kwestie vast in een voorlopig visitatierapport, dat binnen een termijn van zes weken, die ingaat op de dag na de laatste dag van de visitatie, met een beveiligde zending wordt bezorgd aan de woonmaatschappij in kwestie.
 
Het voorlopige visitatierapport bevat ten minste de volgende gegevens:
1°       een inleiding met een korte toelichting bij de opzet van de prestatiebeoordeling;
2°       een samenvatting met de beoordeling van de prestaties van de woonmaatschappij per operationele doelstelling;
3°       een beknopte beschrijving van de woonmaatschappij, haar voorgeschiedenis en haar werkingsgebied;
4°       voor elk van de operationele doelstellingen, voor zover van toepassing, een beoordeling 'zeer goed', 'goed', 'voor verbetering vatbaar' of 'onvoldoende', met een motivering voor die beoordeling, verwijzend naar de prestatie-indicatoren en naar de informatie uit de gesprekken;
5°       aanbevelingen voor de woonmaatschappij;
6°       een advies voor de minister over de te nemen maatregelen voor de woonmaatschappij;
7°       ...
 
§2. Tot drie weken vóór de dag waarop de visitatiecommissie een toelichting geeft aan het bestuursorgaan als vermeld in paragraaf 4, kan de woonmaatschappij met een beveiligde zending technische correcties op de eerste versie van het voorlopige visitatierapport aan de visitatiecommissie bezorgen.
 
§3. Uiterlijk één week vóór de dag waarop de visitatiecommissie een toelichting geeft aan het bestuursorgaan als vermeld in paragraaf 4, bezorgt de visitatiecommissie met een beveiligde zending een nieuw voorlopig visitatierapport aan de woonmaatschappij, rekening houdend met de technische correcties.
 
§ 4. De visitatiecommissie licht de meest recente versie van het voorlopige visitatierapport toe op een vergadering van het bestuursorgaan van de woonmaatschappij die volgt op de terbeschikkingstelling van het voorlopige visitatierapport. Die vergadering wordt georganiseerd binnen een termijn van vijftien weken, die ingaat op de dag na de dag waarop het eerste voorlopige visitatierapport ter beschikking wordt gesteld.

Binnen een termijn van zes weken, die ingaat op de dag na de dag waarop de visitatiecommissie de toelichting, vermeld in het eerste lid, geeft, kan de woonmaatschappij de visitatiecommissie met een beveiligde zending haar opmerkingen over het voorlopige visitatierapport bezorgen.

Artikel 4.122. (25/04/2022- ...)

Rekening houdend met de opmerkingen van de woonmaatschappij, vermeld in artikel 4.121, § 4, tweede lid, stelt de visitatiecommissie een definitief visitatierapport op, dat binnen tien weken na de eerste visitatiedag door de voorzitter van de Visitatieraad, vermeld in artikel 4.115, aan de minister bezorgd wordt en dat met een beveiligde zending aan de woonmaatschappij bezorgd wordt.

Binnen dertig dagen na de dag van de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, kan de woonmaatschappij de minister een reactie op het definitieve visitatierapport bezorgen, waarin ze in voorkomend geval aangeeft welke initiatieven ze zal nemen om haar prestaties te verbeteren. De minister bezorgt die reactie ook aan de voorzitter van de Visitatieraad, vermeld in art. 4.115.

Artikel 4.123. (25/04/2022- ...)

De minister beslist welke van de maatregelen, vermeld in onderafdeling 4, hij verbindt aan de prestatiebeoordeling van de woonmaatschappij in kwestie. De beslissing van de minister wordt bezorgd aan de voorzitter van de Visitatieraad, het agentschap en met een beveiligde zending aan de woonmaatschappij in kwestie.

Artikel 4.124. (25/04/2022- ...)

Het agentschap maakt de beslissing van de minister over de prestatiebeoordeling, het definitieve visitatierapport van de prestatiebeoordeling en de eventuele reactie van de woonmaatschappij in kwestie publiek bekend.
 
De minister bepaalt de wijze waarop de publieke bekendmaking, vermeld in het eerste lid, verloopt.

Onderafdeling 4. Maatregelen die aan de prestatiebeoordeling verbonden kunnen worden

Artikel 4.125. (25/04/2022- ...)

Als uit het definitieve visitatierapport van de prestatiebeoordeling van een woonmaatschappij blijkt dat ze voor een of meer operationele doelstellingen een beoordeling 'zeer goed' of 'goed' behaald heeft, kan de minister een of meer van de volgende maatregelen opleggen:
1° een uitstel van de eerstvolgende prestatiebeoordeling;
2° de aanduiding van de operationele doelstellingen waarvoor de woonmaatschappij een beoordeling 'zeer goed' of goed' behaald heeft, als voorbeeld voor andere woonmaatschappijen.

Artikel 4.126. (25/04/2022- ...)

§1. Als uit het definitieve visitatierapport van de prestatiebeoordeling van een woonmaatschappij blijkt dat ze voor een of meer operationele doelstellingen een beoordeling 'voor verbetering vatbaar' of 'onvoldoende' behaald heeft, kan de minister de woonmaatschappij in kwestie verplichten om een verbeterplan op te maken en uit te voeren.
 
Het verbeterplan omvat de concrete acties die de woonmaatschappij in kwestie voorstelt om de prestaties te verbeteren op het vlak van een of meer operationele doelstellingen waarvoor de woonmaatschappij in kwestie een beoordeling 'voor verbetering vatbaar' of 'onvoldoende' behaald heeft. De voorgestelde acties moeten specifiek, meetbaar, acceptabel, resultaatgericht en tijdsgebonden zijn.
 
§2. De bepalingen van artikel 4.111, §2, tweede, derde en vierde lid, zijn van toepassing op dit artikel.
 
Als de minister het verbeterplan als niet voldoende of niet haalbaar beschouwt of als binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, geen verbeterplan wordt bezorgd, kan hij beslissen om een of meer van de maatregelen, vermeld in artikel 4.127, op te leggen.

Artikel 4.127. (25/04/2022- ...)

Als uit het definitieve visitatierapport van de prestatiebeoordeling van een woonmaatschappij blijkt dat ze voor een of meer operationele doelstellingen een beoordeling ‘onvoldoende' behaald heeft, kan de minister de maatregel, vermeld in artikel 4.126 van dit besluit, en een of meer van de maatregelen, vermeld in artikel 4.51, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, opleggen, met uitzondering van punt 6° van de voormelde bepaling.
 
Met behoud van de toepassing van het eerste lid kan de minister de Vlaamse Regering voorstellen om een van de maatregelen, vermeld in artikel 4.51, eerste lid, 6°, en tweede lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, op te leggen.

Onderafdeling 5. Bijzondere bepaling in geval van een fusie

Artikel 4.128. (25/04/2022- ...)

Als een woonmaatschappij fuseert met een andere woonmaatschappij door die woonmaatschappij over te nemen, houdt de visitatiecommissie bij haar eerstvolgende prestatiebeoordeling rekening met de definitieve visitatierapporten van de laatste prestatiebeoordeling voor de fusie en beoordeelt ze in voorkomend geval de uitvoering van de verbeterplannen die het gevolg waren van die prestatiebeoordeling.

Hoofdstuk 2. [Bestuur en werking (verv. BVR 17 december 2021, art. 95, I: 25 april 2022)]

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 4.128/1. (25/04/2022- ...)

De minister kan nadere regels vaststellen over de wijze waarop het bestuursorgaan het bindend advies van de sociale huurders verkrijgt voor de aanstelling van een bijkomende bestuurder als vermeld in artikel 4.39/5, § 4, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Ter uitvoering van artikel 4.39/5, § 5, van de voormelde codex, wordt voor het vaststellen van het aantal sociale huurwoningen dat in beheer is, gebruik gemaakt van het totaal van de sociale huurwoningen die de woonmaatschappij beheert, inhuurt of in erfpacht heeft genomen, zoals opgenomen in de prestatiedatabank, op basis van de gegevens op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de aanstelling of de mandaatverlenging van een lid van het orgaan van dagelijks bestuur. Die vaststelling vindt plaats bij elke aanstelling van een lid van het orgaan van dagelijks bestuur en bij elke verlenging van een mandaat.

Artikel 4.129. (25/04/2022- ...)

Elke beslissing van het bestuursorgaan over het beheer van de vennootschap met een significante impact op de financiële middelen of op de personeelsinzet, wordt omstandig gemotiveerd en houdt rekening met:
1°       de maatschappelijke opdracht van de woonmaatschappij;
2°       de huidige en te verwachten toekomstige financieel-economische toestand.

Artikel 4.130. (25/04/2022- ...)

Nadat de woonmaatschappijen een schriftelijke machtiging van de minister hebben ontvangen, mogen ze roerende en onroerende giften en legaten aanvaarden.

De machtiging, vermeld in het eerste lid, is niet vereist om roerende en onroerende giften te aanvaarden die uitgaan van een andere woonmaatschappij, een gemeente, een OCMW, een andere publiekrechtelijke rechtspersoon of het Vlaams Woningfonds.

Artikel 4.131. (25/04/2022- ...)

De minister is ertoe gemachtigd om nadere regels uit te werken voor:
1° de interne beheersaspecten van de woonmaatschappijen;
2° de indeling van de verrichtingen in de financiële administratie, de boekhoudkundige waarderings- en rubriceringsregels, de financiële rapportering aan de Vlaamse overheid, de boekhoudkundige verrichtingen en de boekhoudkundige rapportering van de woonmaatschappijen.

Afdeling 2. Systeem van interne controle

Artikel 4.132. (25/04/2022- ...)

Elke woonmaatschappij zorgt voor een behoorlijk werkend systeem van interne controle waarbij de kritieke processen formeel worden beschreven in procedures, die het bestuursorgaan heeft vastgesteld en die taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden vastleggen en aangeven hoe, door wie en tijdens welk onderdeel van het proces controles worden uitgevoerd. Het gaat om de processen in verband met:
1°  de financiële procedures voor activiteiten inzake kas- en liquiditeitenbeheer, voorraad- en materialenbeheer, inkomende facturen en betalingen en loonadministratie, bestellingen en overheidsopdrachten;
2°  het personeelsbeheer, namelijk de aanwijzing van de verantwoordelijke voor het personeelskader, de processen om personeel aan te werven en te ontslaan en om lonen en sociale voordelen uit te betalen;
3°  het beheer, de beveiliging van gegevens en activa en het voorkomen van fraude;
4°  procedures zoals de controle op het correcte verloop van de toewijzingen, de opvolging van het debiteurenbeheer en de behandeling van klachten met toepassing van titel II, hoofdstuk 5, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
5°  de verantwoording van de verdeelsleutels die de woonmaatschappij hanteert voor de toewijzing van kosten aan haar verschillende activiteiten. 

Artikel 4.132/1. (25/04/2022- ...)

Elke woonmaatschappij heeft een debiteurenreglement dat door haar bestuursorgaan is goedgekeurd, en waarin minimaal de volgende elementen worden opgenomen:
1° de procedure die de vennootschap hanteert op het vlak van de inning en betaling van vorderingen op huurders;
2° de regels en de voorwaarden die gehanteerd worden bij het dubieus verklaren van een vordering op een huurder,
3° de regels voor het boeken van waardeverminderingen en de definitieve afboeking wegens oninbaarheid.

De minister kan bijkomende regels bepalen voor het debiteurenbeheer en de minimale waarderingsregels bij het boeken van waardeverminderingen.

[Afdeling 2/1. Jaarverslag, boekhouding en rapportering (ing. BVR 17 december 2021, art. 102, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.132/2. (25/04/2022- ...)

De minister kan de rubrieken die minstens in het jaarverslag worden opgenomen en de boekhoudings- en rapporteringsregels nader bepalen.

Afdeling 3. Aanwerving en bezoldigingsvoorwaarden van de directeur

Artikel 4.133. (25/04/2022- ...)

Met het oog op elke aanwerving van een directeur stelt het bestuursorgaan onder de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk, een functiebeschrijving op met leidinggevende en andere competenties die daaraan verbonden zijn, en andere specifieke vereisten, de aanwervingsvoorwaarden, de aanwervingsprocedure en de bezoldigingsvoorwaarden.

Artikel 4.134. (25/04/2022- ...)

De kandidaat-directeur moet houder zijn van een van de volgende diploma's of bekwaamheidsbewijzen:
1°       een masterdiploma of een licentiaatsdiploma van het universitair onderwijs;
2°       een diploma van het hoger onderwijs van twee cycli dat gelijkgesteld is met universitair onderwijs;
3°       een bewijs van bekwaamheid dat een validerende instantie verleend heeft op basis van elders verworven competenties.
 
In afwijking van het eerste lid, kan het bestuursorgaan van een woonmaatschappij toelaten dat houders van een bachelordiploma, een kandidaatsdiploma of een diploma van het hoger onderwijs van één cyclus of daarmee gelijkgesteld onderwijs zich kandidaat stellen. In dat laatste geval bepaalt de woonmaatschappij het minimumaantal jaren nuttige werkervaring in een leidinggevende functie, dat minstens drie jaar moet bedragen.

Artikel 4.135. (01/01/2021- ...)

Om toegang te hebben tot de functie van directeur, moet de kandidaat een gedrag vertonen dat in overeenstemming is met de eisen van de functie waarvoor hij solliciteert, en de burgerlijke en politieke rechten genieten.
 
Het passende gedrag wordt onder meer getoetst aan de hand van een uittreksel uit het strafregister. Als daarop ongunstige vermeldingen voorkomen, mag de kandidaat daarover een schriftelijke toelichting voorleggen.

Artikel 4.136. (25/04/2022- ...)

Het bestuursorgaan van de woonmaatschappij kan bijkomende aanwervingsvoorwaarden opleggen.

Artikel 4.137. (25/04/2022- ...)

Het bestuursorgaan geeft een selectiebureau minstens de volgende opdrachten, rekening houdend met de vastgestelde functiebeschrijving en de aanwervings- en bezoldigingsvoorwaarden:
1°       een vacaturebericht opstellen en publiceren in de daarvoor geschikte bovenlokale media;
2°       de kandidaten screenen en selecteren;
3°       een beperkte lijst van geselecteerde kandidaten bezorgen aan het bestuursorgaan.
 
Het bestuursorgaan organiseert een gesprek met de kandidaten die zijn opgenomen in de lijst, vermeld in het eerste lid, 3°, en kiest daaruit de kandidaat die hij het meest geschikt acht voor de functie van directeur.

Artikel 4.138. (25/04/2022- ...)

Het bestuursorgaan stelt bij elke aanwerving van de directeur een geïndividualiseerde bezoldigingsregeling voor de functie vast volgens de voorwaarden, vermeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Die bezoldiging moet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.139 en 4.140 van dit besluit.
 
Bij elke beslissing tot toekenning van een barema in een salarisschaal van een directeur of van een managementtoelage aan een directeur, en bij elke andere beslissing over het bezoldigingspakket van de directeur, wordt er rekening gehouden met de bepalingen, vermeld in artikel 4.129 en met de doelstellingen die aan de directeur worden opgelegd, en met de evaluatie vooraf, vermeld in artikel 4.139, §3.

Artikel 4.139. (25/04/2022- ...)

§1. De directeur ontvangt bij de aanstelling door het bestuursorgaan een salarisschaal die overeenstemt met het aantal jaren nuttige werkervaring en het barema dat daaraan verbonden is.
 
De woonmaatschappij past voor de verloning van de directeur de barema's en de salarisschalen toe, vermeld in artikel VII.12 van het Vlaams Personeelsstatuut.
 
Bij de toekenning van een overeenstemmende salarisschaal en het bijbehorende barema wordt rekening gehouden met de voorwaarden en de beperkingen, vermeld in dit artikel, en wordt alleen gebruikgemaakt van de salarisschalen, vermeld in dit artikel.
 
§2. Het aanvangssalaris van een directeur kan maximaal overeenkomen met een overeenstemmend barema in de salarisschaal A285.
 
§3. De toe te kennen salarisschalen worden ingedeeld in de volgende twee groepen:
1°       A111, A112, A113, A114 en A122;
2°       A211, A212, A213, A285, A286 en A288.
 
Voor een salarisverhoging binnen dezelfde groep moet er minimaal twee jaar zijn verstreken tussen de aanstelling en de salarisschaalverhoging, alsook tussen twee salarisverhogingen binnen dezelfde groep. Het is de woonmaatschappij toegestaan om tijdens een te bepalen proefperiode na de aanwerving een lagere loonschaal toe te passen, in afwachting van een positieve evaluatie.
 
Een salarisverhoging naar de eerstvolgende groep van salarisschalen is mogelijk als er minimaal een periode van zes jaar is verstreken tussen de aanstelling als directeur en de toekenning van een overeenstemmend barema in een salarisschaal van een volgende groep, na een voorafgaande positieve evaluatie.
 
In afwijking van het tweede en derde lid kan beslist worden tot een snellere salarisverhoging of overgang naar een volgende groep van salarisschalen vanwege het uitzonderlijk presteren van de directeur. Die afwijking moet gebaseerd zijn op een bijzondere prestatie.
 
§4. De salarisschalen, vermeld in dit artikel, bevatten bruto bedragen en zijn sinds 1 januari 2009 van toepassing op het personeel van de Vlaamse overheid (spilindex 138,01).
 
De brutobedragen worden aan de index aangepast volgens het indexeringsmechanisme voor de salarissen van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid. Na de start in een bepaalde loonschaal kan het loon verder worden geïndexeerd volgens de algemene wettelijke bepalingen.

Artikel 4.140. (25/04/2022- ...)

Het salaris van de directeur kan door het bestuursorgaan uitsluitend aangevuld worden met een managementtoelage.
 
De aanvullende managementtoelage bedraagt maximaal 20% van het geïndexeerde jaarsalaris dat van toepassing is in de maand december van het evaluatiejaar en kan alleen worden toegekend vanwege het uitzonderlijk presteren van de directeur. De woonmaatschappij moet daarvoor sinds minstens een jaar beschikken over een stelsel van beoordeling van de prestaties van de directeur, met inbegrip van een functiebeschrijving en een evaluatie.
 
Bij een fusie van woonmaatschappijen kan een managementtoelage van maximaal 20% van het geïndexeerde jaarsalaris worden toegekend aan alle directeurs die hebben bijgedragen aan de realisatie van de fusie, ook al bekleden ze die functie niet meer in de nieuwe gefuseerde maatschappij. In dat geval is het niet noodzakelijk dat de woonmaatschappij sinds minstens een jaar beschikt over een stelsel van beoordeling van de prestaties van de directeur.

Artikel 4.141. (25/04/2022- ...)

De woonmaatschappij maakt het volledige bezoldigingspakket van de directeur bekend door het op transparante, maar niet nominatieve wijze op te nemen in het jaarverslag en openbaar te maken op de website van het agentschap. Het bezoldigingspakket omvat de salarisschaal, met vermelding van de geldelijke minima en maxima die daarmee overeenkomen, de eventuele managementtoelage, het beschikken over een dienstwagen en een groepsverzekering. Bij de eventuele managementtoelage en de groepsverzekering worden de voorwaarden en de minima en maxima vermeld.

Artikel 4.142. (01/01/2021- ...)

De raad van bestuur is ervoor bevoegd een groepsverzekering voor de directeur af te sluiten. Het totale uit te keren verzekeringsbedrag mag niet hoger zijn dan het verschil tussen het pensioen van de directeur en het maximale pensioen dat een Vlaamse ambtenaar kan genieten.

Artikel 4.143. (25/04/2022- ...)

§1. Het bestuursorgaan neemt een beslissing over de aankoop of financiële huur (lease) van een bedrijfswagen voor de directeur conform de bepalingen van dit artikel.
 
De reële aankoopprijs voor een bedrijfswagen bedraagt maximaal 25.000 euro, in voorkomend geval verhoogd met de overnamewaarde van een vorige bedrijfswagen die minimaal vijf jaar in gebruik genomen is. De financiële huur (lease) van een bedrijfswagen is afgestemd op hetzelfde maximumbedrag en heeft een maximale kostprijs van 580 euro per maand, inclusief onderhoud en verzekering.
 
In afwijking van het tweede lid bedraagt de reële aankoopprijs maximaal 30.000 euro en bedraagt de maximale kostprijs voor de financiële huur maximaal 660 euro per maand voor een bedrijfswagen die uitsluitend aangedreven wordt door een elektrische motor of waterstof, of waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas of die een plug-in hybridevoertuig is.
 
In het derde lid wordt verstaan onder plug-in hybride voertuig: een plug-in hybridevoertuig als vermeld in artikel 2.2.6.0.7, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
 
In geval van een beslissing tot aankoop of inhuurname van een voertuig waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas, of van een plug-in hybride voertuig, motiveert het bestuursorgaan de keuze vanuit de afweging van energie-efficiëntie. De beslissing voorziet tegelijk in de invoering van een wagenreglement dat toelaat het gebruik van het plug-in hybride voertuig te monitoren op het vlak van energieverbruik en rij- en laadgedrag.
 
Alle bedragen, vermeld in dit artikel, zijn exclusief btw en worden jaarlijks op 1 januari geactualiseerd op basis van de gezondheidsindex van de maand december, vertrekkend van het indexcijfer 100 voor het jaar 2013 (basis 2013)
 
§2. Terug te betalen professionele onkosten van de directeur moeten gerechtvaardigd zijn voor de uitoefening van de functie en moeten altijd worden verantwoord met bewijsstukken. Voor verplaatsingen met de eigen wagen zijn verklaringen op erewoord toegelaten.
 
In afwijking van het eerste lid kunnen forfaitaire vergoedingen en premies worden toegekend die zijn afgesproken binnen het sociaal overleg tussen werkgever en werknemer en kunnen forfaitaire vergoedingen worden toegekend voor professionele onkosten, zoals voor het gebruik van telefonie, internet en openbaar vervoer, conform het kostenbeleid dat het bestuursorgaan daarover heeft vastgelegd.

Afdeling 4. [Presentiegelden en onkostenvergoedingen voor de leden van het bestuursorgaan (verv. BVR 17 december 2021, art. 113, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.144. (25/04/2022- ...)

De leden van het bestuursorgaan kunnen ten laste van de woonmaatschappij een presentiegeld ontvangen voor hun aanwezigheid op de beraadslagende vergaderingen van het bestuursorgaan of van het orgaan van dagelijks bestuur waarvan ze deel uitmaken.

De algemene vergadering bepaalt het bedrag van het presentiegeld per zitting. Dat bedrag mag niet hoger zijn dan het hoogste bedrag aan presentiegeld dat aan de gemeenteraadsleden van een gemeente binnen het werkingsgebied van de woonmaatschappij wordt toegekend.

In afwijking van het tweede lid kan aan de voorzitter of plaatsvervangende voorzitter van het bestuursorgaan die conform het intern reglement van woonmaatschappij is aangewezen, maximaal een dubbel presentiegeld worden toegekend voor het bijwonen van de beraadslagende vergaderingen van het bestuursorgaan of van het orgaan van dagelijks bestuur.

Beraadslagende vergaderingen van de comités waaraan leden van het bestuursorgaan deelnemen, komen niet in aanmerking voor een presentiegeld.

Artikel 4.145. (25/04/2022- ...)

Een woonmaatschappij vergoedt per bestuurder maximaal 24 aanwezigheden op zittingen van het bestuursorgaan of van het orgaan van dagelijks bestuur met een presentiegeld.

Artikel 4.146. (25/04/2022- ...)

De bestuurders die deelnemen aan vergaderingen van het bestuursorgaan, van het orgaan van dagelijks bestuur, of van de comités, of aan de vergaderingen van het lokaal woonoverleg, kunnen alle kosten die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun mandaat, terugbetaald krijgen. De kosten worden altijd met bewijsstukken verantwoord. Voor verplaatsingen met de eigen wagen zijn verklaringen op erewoord toegelaten.

Hoofdstuk 3. [Opdrachten in het kader van onderverhuring (verv. BVR 17 december 2021, art. 114, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.147. (25/04/2022- ...)

De overeenkomsten voor het huren van woningen op de private huurmarkt, vermeld in artikel 4.53/2 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, worden opgesteld conform de typehuurovereenkomsten die opgenomen zijn in bijlage 13 en 14, die bij dit besluit zijn gevoegd.

Hoofdstuk 4. Bevoegdheden

Afdeling 1. Onroerende transacties

Artikel 4.148. (25/04/2022- ...)

De minister is ertoe gemachtigd om nadere regels uit te werken voor de onroerende transacties, vermeld in artikel 4.27, eerste lid, 1°, 2°, en 4°, en artikel 4.45 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, in het kader van de erkenning van een woonmaatschappij.

Afdeling 2. Overdracht van sociale huurwoningen en niet-residentiële ruimten
Onderafdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 4.149. (25/04/2022- ...)

In deze afdeling wordt onder referentiedatum verstaan: de datum waarop het bestuursorgaan van de woonmaatschappij ingestemd heeft met de verkoop.

Artikel 4.150. (25/04/2022- ...)

De woonmaatschappijen kunnen onroerende goederen verkopen, in erfpacht afstaan of er een recht van opstal op verlenen volgens de voorwaarden, vermeld in de Vlaamse Codex Wonen van 2021, in deze afdeling en in de bijlagen 9 en 12, die bij dit besluit zijn gevoegd.
 
In afwijking van het eerste lid zijn de bepalingen van dit besluit en de voormelde bijlagen niet van toepassing op de woningen die gefinancierd worden door het Financieringsfonds of door Vlabinvest apb.

Onderafdeling 2. Sociale huurwoningen

Artikel 4.151. (25/04/2022- ...)

§1. Bij de vrijwillige verkoop van sociale huurwoningen aan de zittende huurder wordt de kandidaat-koper als woonbehoeftig beschouwd als hij op de referentiedatum aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1°       hij of een van zijn gezinsleden heeft geen woning of perceel, bestemd voor woningbouw, volledig of gedeeltelijk in volle eigendom;
2°       hij of een van zijn gezinsleden heeft geen volledig of gedeeltelijk recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een woning of perceel, bestemd voor woningbouw;
3°       hij of een van zijn gezinsleden heeft geen woning die of perceel, bestemd voor woningbouw, dat volledig of gedeeltelijk in erfpacht of opstal is gegeven;
4°       hij of een van zijn gezinsleden heeft geen woning die of perceel, bestemd voor woningbouw, dat hij of een van zijn gezinsleden zelf volledig of gedeeltelijk in vruchtgebruik heeft gegeven;
5°       hij of een van zijn gezinsleden is geen zaakvoerder, bestuurder of aandeelhouder van een vennootschap waarin hij zakelijke rechten als vermeld in punt 1° tot en met 4°, heeft ingebracht.
 
Met behoud van de toepassing van het derde lid worden voor de toepassing van het eerste lid de gezinsleden die de sociale huurwoning niet mee zullen kopen en niet mee zullen bewonen, niet mee in aanmerking genomen.
 
In afwijking van het eerste lid, 1° tot en met 4°, kan de kandidaat-koper als woonbehoeftig beschouwd worden als:
1°       hij samen met zijn echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoont, zijn feitelijke partner, zijn ex-echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoonde of zijn ex-feitelijkepartner een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, volledig in volle eigendom heeft als die persoon de sociale huurwoning niet mee zal bewonen;
2°       hij samen met zijn echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoont, zijn feitelijke partner, zijn ex-echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoonde of zijn ex-feitelijkepartner een volledig recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik heeft op een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, als die persoon de sociale huurwoning niet mee zal bewonen;
3°       hij samen met zijn echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoont, zijn feitelijke partner, zijn ex-echtgenoot, de persoon met wie hij wettelijk samenwoonde of zijn ex-feitelijkepartner een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, volledig in erfpacht, opstal of vruchtgebruik heeft gegeven, als die persoon de sociale huurwoning niet mee zal bewonen;
4°       hij of een van zijn gezinsleden een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, ten kosteloze titel gedeeltelijk in volle eigendom heeft verworven;
5°       hij of een van zijn gezinsleden een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw gedeeltelijk ten kosteloze titel heeft verworven;
6°       hij of een van zijn gezinsleden een woning of een perceel, bestemd voor woningbouw, waarop een recht van erfpacht of opstal is gegeven, gedeeltelijk ten kosteloze titel heeft verworven.
 
Als het derde lid van toepassing is, moet de kandidaat-koper, of in voorkomend geval, een van zijn gezinsleden, een jaar nadat de aankoopakte van de woning verleden is, voldoen aan de onroerende bezitsvoorwaarde, vermeld in het eerste lid. Als hij daarvoor gegronde redenen kan aanvoeren, kan hij de verkoper verzoeken om die termijn van een jaar te verlengen. Als de koper of, in voorkomend geval, een van zijn gezinsleden, niet voldoet aan de onroerende bezitsvoorwaarde na een jaar of, in voorkomend geval, de verlengde termijn, wordt de koopovereenkomst van rechtswege ontbonden.
 
§2. De kandidaat-koper, vermeld in paragraaf 1, kan bewijzen dat hij voldoet aan de onroerende bezitsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, met een verklaring op erewoord voor de onroerende goederen in het buitenland.
 
§3. De onroerende bezitsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, zijn niet van toepassing als:
1°       de woning overbewoond verklaard is of als dusdanig geadviseerd is conform boek 3, deel 6, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
2°       de andere woning onbewoonbaar verklaard is met toepassing van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet of als de woning onbewoonbaar verklaard is of als dusdanig geadviseerd is conform artikel 3.12 van de voormelde codex;
3°       de woning in een ruimtelijke bestemmingszone in België ligt waar wonen niet toegestaan is.
 
In het geval, vermeld in het eerste lid, 1°, voldoet de koper binnen een jaar vanaf de datum waarop de aankoopakte verleden is aan de onroerende bezitsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1. Als de koper daarvoor gegronde redenen kan aanvoeren, kan hij de verkoper verzoeken om de vermelde termijn van een jaar te verlengen.
 
De koper kan ook, binnen een termijn van een jaar vanaf de datum waarop de aankoopakte verleden is, die woning voor twintig jaar, in ruil voor een periodieke vergoeding, bij authentieke akte ter beschikking stellen van een woonmaatschappij. Alle kosten die verbonden zijn aan die keuzen, zijn ten laste van de koper.
 
In het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, moet de kandidaat-koper die woning slopen of de bestemming ervan wijzigen binnen een termijn van een jaar nadat de aankoopakte verleden is.
 
Als de koper binnen de bepaalde termijn niet heeft voldaan aan de vereisten, vermeld in deze paragraaf, is de verkoop van rechtswege ontbonden.
 
De uitzonderingsregel, vermeld in deze paragraaf, kan maar één keer voor dezelfde personen worden toegepast en is niet van toepassing op woningen met een kadastraal inkomen van meer dan 2000 euro na indexatie.
 
§4. Met betrekking tot de verkoop van sociale huurwoningen met toepassing van artikel 43 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, zoals van kracht vóór 24 april 2017, wordt de kandidaat-koper beschouwd als woonbehoeftig als hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 43, §1, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet, zoals van kracht vóór 24 april 2017.

Artikel 4.152. (25/04/2022- ...)

Sociale huurwoningen worden verkocht door een woonmaatschappij conform het reglement betreffende de verkoop van sociale huurwoningen, dat is opgenomen in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd.

Onderafdeling 3. Niet-residentiële ruimten

Artikel 4.153. (25/04/2022- ...)

Niet-residentiële ruimten worden verkocht door een woonmaatschappij conform het reglement betreffende de verkoop van niet-residentiële ruimten, dat is opgenomen in bijlage 12, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 4.154. (25/04/2022- ...)

De minister is ertoe gemachtigd om nadere regels uit te werken voor de verwerving, de realisatie, de verhuring en de verkoop van niet-residentiële ruimten en gemeenschapsvoorzieningen door de woonmaatschappijen.

Onderafdeling 4. Onderzoek naar het voldoen aan de voorwaarden en verplichtingen en de bescherming van persoonsgegevens

Artikel 4.155. (01/03/2022- ...)

§ 1. Ter uitvoering van artikel 4.45, § 7, derde lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 worden de volgende persoonsgegevens verwerkt:
1° de voor- en achternaam, de geboorteplaats en -datum, het geslacht en de nationaliteit;
2° de burgerlijke staat;
3° de aanduiding of er personen ten laste zijn, met vermelding van de categorie, vermeld in artikel 4.149, eerste lid, 3°, a), b) of c), waartoe ze behoren;
4° de mate van verwantschap tussen de gezinsleden, vermeld in artikel 4.149, tweede lid;
5° de aanduiding of de kandidaat-koper ernstig gehandicapt is, conform de voorwaarden die bepaald zijn ter uitvoering van artikel 6.1, eerste lid, 4°, c);
6° gegevens over de onroerende rechten, vermeld in artikel 4.151.

Alleen persoonsgegevens die toereikend, ter zake dienend en noodzakelijk zijn voor de doeleinden, worden verwerkt. De verwerking van de persoonsgegevens voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 6, lid 1, c), van de algemene verordening gegevensbescherming.

§ 2. Met toepassing van artikel III.68 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 vraagt een woonmaatschappij de noodzakelijke documenten of gegevens op over de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in deze afdeling. Als de woonmaatschappij op die manier geen of onvoldoende gegevens verkrijgt, wordt de kandidaat-koper of koper gevraagd de nodige gegevens te bezorgen.

Als uit de verkregen informatie blijkt dat de kandidaat-koper of koper niet meer voldoet aan de voorwaarden en de verplichtingen, vermeld in deze afdeling, wordt die vaststelling meegedeeld aan de kandidaat-koper of koper. Die kan dan binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de mededeling reageren.

[Hoofdstuk 4/1. Modaliteiten bij de overdracht van sociale huurwoningen en onbebouwde gronden in het kader van de vorming van woonmaatschappijen (ing. BVR 17 december 2021, art. 121, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.155/1. (25/04/2022- ...)

§ 1. Voor de verwerving van een sociale huurwoning, met toepassing van artikel 4.38, § 4 en § 5, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en artikel 209, § 3, van het decreet van 9 juli 2021 houdende de wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen, kan een woonmaatschappij een renteloze lening aangaan bij de VMSW voor een bedrag dat berekend wordt conform paragraaf 2.

De looptijd van de renteloze lening bedraagt twintig jaar en kan verlengd worden tot de resterende looptijd van de lening die voor de financiering van de sociale huurwoning is aangegaan bij de VMSW, het Financieringsfonds of Vlabinvest apb, en die bij de overdracht van de sociale huurwoning wordt overgenomen door de woonmaatschappij. De looptijd van de renteloze lening kan niet meer dan 33 jaar bedragen.

§ 2. Als de verwerving van de sociale huurwoning de aankoop van een of meer sociale huurwoningen betreft, bedraagt de lening ten hoogste de prijs, vermeld in artikel 4.38, § 7, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, na verrekening van:
1° het openstaande saldo van een of meer leningen die voor de financiering van de sociale huurwoning zijn aangegaan bij de VMSW, het Financieringsfonds of Vlabinvest apb, en die bij de overdracht van de rechten worden overgenomen door de overnemende woonmaatschappij;
2° in voorkomend geval de subsidies, met uitzondering van de subsidies die op geen enkele wijze hebben bijgedragen tot de marktwaarde van het onroerend goed in kwestie.

Als de verwerving van een sociale huurwoning de vestiging van een recht van erfpacht betreft, is de lening gelijk aan het bedrag dat op het moment van de vestiging van het zakelijk recht wordt betaald. Het leningsbedrag wordt beperkt tot de prijs van de eenmalige canon van de erfpachtrechten, vermeld in artikel 4.38, § 7, van de voormelde codex, verminderd met het openstaande saldo van een of meer leningen die voor de financiering van de erfpachtrechten van de sociale huurwoning zijn aangegaan bij de VMSW, en die bij de overdracht van de rechten worden overgenomen door de overnemende woonmaatschappij, en, na verrekening, in voorkomend geval verminderd met de subsidies, met uitzondering van de subsidies die op geen enkele wijze hebben bijgedragen tot de marktwaarde van het onroerend goed.

Het tweede lid is alleen van toepassing in een van de volgende gevallen:
1° de sociale huurwoning wordt overgenomen van een gemeente of een OCMW en op die sociale huurwoning rust geen openstaand saldo meer van een lening die is gesloten bij de VMSW, het Financieringsfonds of Vlabinvest apb;
2° de sociale huurwoning wordt overgenomen van een initiatiefnemer die alleen de erfpachtrechten van de sociale huurwoning of de opstalrechten van de grond waarop de woning is opgericht, bezit.

Artikel 4.155/2. (03/12/2022- ...)

§ 1. Voor de verwerving van onbebouwde percelen of bebouwde percelen die nog niet werden ingezet in de sociale huisvestingssector en die geschikt zijn voor de realisatie van een sociaal woonproject, met toepassing van artikel 4.38, § 4 en § 5, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en artikel 209, § 3, van het decreet van 9 juli 2021 houdende de wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen, kan een woonmaatschappij een renteloze bulletlening aangaan bij de VMSW voor een bedrag dat berekend wordt conform paragraaf 2. Een renteloze bulletlening is een lening waarop de initiatiefnemer tijdens de looptijd geen kapitaalaflossingen doet. Het geleende kapitaal wordt uiterlijk op het einde van de looptijd van de bulletlening in een keer afgelost.

De looptijd van de renteloze bulletlening kan nooit meer dan tien jaar bedragen.

Op voorwaarde dat een verrichting voor de realisatie of de instandhouding van sociale huurwoningen op de grond in kwestie vatbaar is voor toewijzing op een jaarbudget conform artikel 4.28, § 1, vijfde lid, zet de VMSW binnen dertig dagen na de datum van kennisneming van de gunning de renteloze bulletlening om in een marktconforme lening als vermeld in artikel 5.44, § 2, eerste lid, gekoppeld aan een tussenkomst in de leningslast als vermeld in artikel 5.44, § 3, waarbij het subsidiabele bedrag wordt vastgesteld conform artikel 5.38, rekening houdend met het openstaande saldo van de leningen, vermeld in artikel 5.44, § 1, die bij de aankoop mee zijn overgedragen als de initiatiefnemer daarvan wil gebruik maken of een andere financiering. Als de VMSW in de maand december op de hoogte wordt gebracht van de gunning van de werkzaamheden, zet ze de renteloze bulletlening om in een marktconforme lening, in de maand januari van het jaar dat volgt.

Als de woonmaatschappij de verwerving van de onroerende goederen met eigen middelen heeft gefinancierd, verstrekt de VMSW op de wijze, vermeld in het derde lid, een marktconforme lening als vermeld in artikel 5.44, § 2, eerste lid, gekoppeld aan een tussenkomst in de leningslast als vermeld in artikel 5.44, § 3, als de initiatiefnemer daarvan wil gebruikmaken.

§ 2. Als de verwerving van het onroerend goed de aankoop van een of meer onbebouwde percelen of bebouwde percelen die nog niet werden ingezet in de sociale huisvestingssector en die geschikt zijn voor de realisatie van een sociaal woonproject betreft, bedraagt de lening ten hoogste de prijs, vermeld in artikel 4.38, § 7, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, na verrekening van:
1° het openstaande saldo van een of meer leningen die voor de financiering van dit perceel zijn aangegaan bij de VMSW, het Financieringsfonds of Vlabinvest apb, en die bij de overdracht worden overgenomen door de overnemende woonmaatschappij;
2° in voorkomend geval de subsidies, met uitzondering van de subsidies die op geen enkele wijze hebben bijgedragen tot de marktwaarde van het onroerend goed in kwestie.

Als de verwerving van het onroerend goed de vestiging van een recht van erfpacht of een recht van opstal op een of meer onbebouwde percelen of bebouwde percelen die nog niet werden ingezet in de sociale huisvestingssector en die geschikt zijn voor de realisatie van een sociaal woonproject betreft, is de lening gelijk aan het bedrag dat op het moment van de vestiging van het zakelijk recht wordt betaald. Het leningsbedrag wordt beperkt tot de prijs van de eenmalige canon van de erfpachtrechten, vermeld in artikel 4.38, § 7, van de voormelde codex, verminderd met het openstaande saldo van een of meer leningen die voor de financiering van de erfpachtrechten of opstalrechten van de onbebouwde percelen zijn aangegaan bij de VMSW en die bij de overdracht van de rechten worden overgenomen door de overnemende woonmaatschappij en, na verrekening, in voorkomend geval verminderd met de subsidies, met uitzondering van de subsidies die op geen enkele wijze hebben bijgedragen tot de marktwaarde van het onroerend goed.

Het tweede lid is alleen van toepassing in een van de volgende gevallen:
1° het onbebouwde perceel wordt overgenomen van een gemeente of een OCMW en op dat perceel rust geen openstaand saldo meer van een lening die bij de VMSW, het Financieringsfonds of Vlabinvest apb is gesloten;
2° het onbebouwde perceel wordt overgenomen van een initiatiefnemer die alleen de erfpachtrechten of opstalrechten van het onbebouwde perceel bezit.

Artikel 4.155/3. (25/04/2022- ...)

Als een overdracht als vermeld in artikel 4.38, § 4 of § 5, van de Vlaamse Codex Wonen 2021 of artikel 209, § 3, van het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen, niet kan plaatsvinden tegen vergoeding in aandelen en de partijen het niet eens raken over de prijs voor de overdracht van die rechten, richt de meest gerede partij een aanvraag aan het agentschap om de overdrachtsprijs te laten vaststellen. De aanvrager motiveert waarom de overdracht niet kan plaatsvinden tegen vergoeding in aandelen. Als het agentschap vaststelt dat de overdracht niet kan plaatsvinden tegen vergoeding in aandelen en de partijen het niet eens raken over de prijs voor de overdracht van de rechten, vraagt het agentschap aan een commissaris als vermeld in artikel 4.5, eerste lid, 1°, van de voormelde codex, om de venale waarde, vermeld in artikel 4.38, § 7, van de voormelde codex, van de over te dragen rechten vast te stellen. De minister stelt op basis van de aldus vastgestelde venale waarde de overdrachtsprijs vast.

De gezamenlijke overdrachtsprijs van alle over te dragen onroerende goederen van dezelfde initiatiefnemer naar dezelfde woonmaatschappij kan niet negatief zijn.

Artikel 4.155/4. (09/05/2022- ...)

De netto-opbrengst uit de verkoop van sociale huurwoningen en onbebouwde onroerende goederen met toepassing van artikel 4.38, § 4 en § 5, van voormelde codex en artikel 209, § 3, van het decreet van 9 juli 2021 houdende de wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen, namelijk de prijs, vermeld in artikel 4.38, § 7, van voormelde codex, na verrekening van het bedrag van de uitstaande financiering, vermeld in artikel 4.38, § 6, van de voormelde codex, die mee wordt overgedragen, wordt allereerst aangewend voor de vervroegde terugbetaling van de leningen, vermeld in artikel 4.155/1 en 4.155/2 van dit besluit, die de overdrager heeft gesloten voor de verwerving van sociale huurwoningen en onbebouwde percelen in het kader van de vorming van de woonmaatschappijen. Het saldo wordt vervolgens aangewend voor de vervroegde terugbetaling van de leningen, vermeld in artikel 5.44, § 2, van dit besluit. De geconsolideerde lening, vermeld in artikel 5.44, § 2, van dit besluit, met de langste resterende looptijd wordt het eerst vervroegd terugbetaald. Het resterende bedrag wordt op een renteloze rekening-courant gestort bij de VMSW en wordt aangewend conform artikel 4.4/1 van dit besluit.

In afwijking van het eerste lid kan de overdrager ervoor kiezen om het saldo dat moet worden aangewend voor de vervroegde terugbetaling van de leningen, vermeld in artikel 5.44, § 2,van dit besluit, volledig of gedeeltelijk te plaatsen op de renteloze rekening-courant bij de VMSW, vermeld in het eerste lid, als hij aantoont voor welke verwervingen als vermeld in artikel 4.38, § 4 en § 5, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en artikel 209 van het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen, dit bedrag in de toekomst kan worden aangewend. In voorkomend geval wordt het bedrag aangewend voor de financiering van de eerstvolgende verwervingen, met toepassing van artikel 4.38, § 4 en § 5, van de voormelde codex en artikel 209 van het voormelde decreet. Uiterlijk op 31 december 2027 of vroeger, als de ontvanger dat vraagt, wordt het saldo op de rekening-courant, vermeld in het eerste lid, aangewend voor de vervroegde terugbetaling van de leningen, vermeld in artikel 5.44, § 2, van dit besluit. De geconsolideerde lening, vermeld in artikel 5.44, § 2, van dit besluit, met de langste resterende looptijd wordt het eerst vervroegd terugbetaald. Het resterende bedrag wordt aangewend conform artikel 4.4/4 van dit besluit.

Hoofdstuk 5. Financiering

Afdeling 1. [Toelage voor de volledige of gedeeltelijke compensatie van de eventuele nadelige financiële gevolgen voor een woonmaatschappij door haar rechtsvorm, organisatie, werking en vermogen in overeenstemming te brengen met de bepalingen, vermeld in het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen (verv. BVR 17 december 2021, art. 122, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.156. (25/04/2022- ...)

In deze afdeling wordt verstaan onder herstructurering: een herstructurering als vermeld in boek 12 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

Artikel 4.157. (25/04/2022- ...)

Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vastgelegd zijn, kan de minister, onder de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, een subsidie toekennen aan een woonmaatschappij voor de volledige of gedeeltelijke compensatie van de eventuele nadelige financiële gevolgen door haar rechtsvorm, organisatie, werking en vermogen in overeenstemming te brengen met de bepalingen, vermeld in het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen.

Artikel 4.158. (03/12/2022- ...)

§ 1. De minister kan aan een woonmaatschappij een toelage toekennen die cumulatief als volgt wordt samengesteld en berekend:
1° de volgende forfaitaire compenserende toelage per overgenomen sociale huurwoning of kadastraal perceel of deel ervan, waarop geen sociale huurwoning is gerealiseerd:
a) vanaf de eerste tot en met de 2.000ste overname: 100 euro;
b) vanaf de 2.001ste tot en met de 5.000ste overname: 50 euro;
c) vanaf de 5.001ste overname: 25 euro;
2° de volgende forfaitaire compenserende toelage voor een herstructurering:
a) 50.000 euro als minstens twee sociale huisvestingsmaatschappijen of woonmaatschappijen bij de herstructurering betrokken zijn;
b) 25.000 euro per bijkomende sociale huisvestingsmaatschappij of woonmaatschappij met huur- of gemengde activiteiten die bij de herstructurering betrokken is;
c) 12.500 euro per bijkomende sociale huisvestingsmaatschappij die bij de herstructurering betrokken is, maar die alleen koopactiviteiten ontwikkelt;
3° een forfaitaire compenserende toelage per overname van een in huur genomen of in erfpacht genomen woning of kamer op de private
huurmarkt, vermeld in artikel 4.40, 4°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021:
a) vanaf de 1ste tot en met de 100ste overname: 150 euro;
b) vanaf de 101ste overname: 100 euro.

§ 2. Om de overnamen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, te berekenen, komen alleen overnamen van eigendomsrechten in aanmerking van onroerende goederen die liggen in het werkingsgebied van de woonmaatschappij die de toelage aanvraagt en die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1°    overnamen die tegen een vergoeding in aandelen of via een overdracht om niet gebeuren;
2°    de eerste honderd overnamen van dezelfde overdrager die gebeuren op een andere manier dan de wijze, vermeld in punt 1°; 
3°    alle overnamen, ongeacht de overdrachtswijze, van het VWF, de VMSW, een gemeente, een intergemeentelijk samenwerkingsverband, een OCMW of een welzijnsvereniging.

De toelage, vermeld in paragraaf 1, 3°, wordt alleen toegekend als de woonmaatschappij minstens vijftig overnamen als vermeld in paragraaf 1, 3°, heeft verricht

§ 3. De cumulatieve toelagen, vermeld in paragraaf 1, kunnen in geen geval meer bedragen dan de reële kosten die eraan verbonden zijn de rechtsvorm, de organisatie, de werking en het vermogen in overeenstemming te brengen met de bepalingen, vermeld in het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen, en ze worden in voorkomend geval gereduceerd tot de werkelijk uitgegeven en aangetoonde bedragen.

De volgende kosten komen in aanmerking voor de cumulatieve toelagen, vermeld in paragraaf 1 en 2, op voorwaarde dat de woonmaatschappij aantoont dat ze zijn gemaakt om de rechtsvorm, de organisatie, de werking en het vermogen in overeenstemming te brengen met de bepalingen, vermeld in het voormelde decreet:
1° de notariskosten;
2° de advieskosten;
3° de kosten voor informatisering, hard- en software en automatisering;
4° de verhuis- en huisvestingskosten;
5° de communicatiekosten;
6° de opmetingskosten;
7° de betaalde verbrekingsvergoedingen, met uitzondering van de verbrekings- en opzegvergoedingen naar aanleiding van het beëindigen van een arbeidscontract.

§ 4. De woonmaatschappij kan een toelage als vermeld in paragraaf 1, alleen verkrijgen op voorwaarde dat zijzelf of haar rechtsvoorganger vanaf de dag van bekendmaking van dit besluit, maximaal honderd sociale huurwoningen of kadastrale percelen of delen ervan tegen een andere vergoeding dan in aandelen heeft overgedragen aan dezelfde woonmaatschappij of sociale huisvestingsmaatschappij.

Als de woonmaatschappij na haar aanvraag, vermeld in artikel 4.159, alsnog tegen een andere vergoeding dan in aandelen sociale huurwoningen of kadastrale percelen of delen ervan overdraagt, waarbij meer dan honderd overdrachten aan dezelfde woonmaatschappij of sociale huisvestingsmaatschappij gebeuren, kan de minister de subsidieaanvraag weigeren. Als de subsidie al is betaald, kan de minister de subsidie volledig of gedeeltelijk terugvorderen, met vermeerdering van de wettelijke verwijlinteresten vanaf de dag waarop de subsidie is ontvangen.

§ 5. De cumulatieve toelagen, vermeld in paragraaf 1, kunnen gecumuleerd worden met andere toelagen, premies of subsidies die dezelfde kosten compenseren, zolang die samen niet meer bedragen dan de reële kosten door de rechtsvorm, de organisatie, de werking en het vermogen in overeenstemming te brengen met de bepalingen, vermeld in het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen, inclusief niet-recupereerbare fiscale lasten. In voorkomend geval wordt de toelage beperkt tot de werkelijk uitgegeven bedragen. De woonmaatschappij voegt in voorkomend geval een verklaring op erewoord bij het aanvraagdossier, met een overzicht van alle gecumuleerde toelagen, premies en subsidies.

§ 6. De cumulatieve toelagen, vermeld in paragraaf 1, kunnen maar één keer per woonmaatschappij worden aangevraagd uiterlijk op 30 juni 2028.

Artikel 4.159. (25/04/2022- ...)

§ 1. De toelage, vermeld in artikel 4.158, kan worden aangevraagd bij de VMSW.

§ 2. Bij de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, voegt de woonmaatschappij minstens al de volgende documenten:
1° een lijst met alle huurcontracten die aan de woonmaatschappij zijn overgedragen;
2° de bewijsstukken van de werkelijk uitgegeven kosten door haar rechtsvorm, organisatie, werking en vermogen in overeenstemming te brengen met de bepalingen, vermeld in het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen;
3° een verklaring op erewoord over de andere toelagen, premies of subsidies dan de toelagen, premies of subsidies, vermeld in deze afdeling, die door haar rechtsvorm, organisatie, werking en vermogen in overeenstemming te brengen met de bepalingen, vermeld in het voormelde decreet, werden of zullen worden ontvangen;
4° een verklaring op erewoord waarin de juistheid van de bezorgde bewijsstukken wordt bevestigd, met de uittreksels van de akten of notulen waaruit blijkt dat de persoon die de subsidieaanvraag indient, daarvoor gemandateerd is.

§ 3. Als de woonmaatschappij in aanmerking wil komen voor de toelage, vermeld in artikel 4.158, § 1, 1° en 2°, voegt ze bij haar subsidieaanvraag al de volgende documenten:
1° het bewijs van neerlegging op de griffie van de ondernemingsrechtbank van de fusieakte of, in geval van splitsing, de splitsingsakte of, in voorkomend geval, de akte houdende de vaststelling van de inbreng of van de overdracht van algemeenheid of van de inbreng of de overdracht van bedrijfstak;
2° een lijst met alle kadastrale percelen of delen ervan waarop geen sociale huurwoningen zijn gerealiseerd die door de herstructurering aan de woonmaatschappij zijn overgedragen;
3° een lijst met alle sociale huurwoningen die door de herstructurering aan de woonmaatschappij zijn overgedragen.

§ 4. Om een toelage als vermeld in artikel 4.158, § 1, eerste lid, 1° en 2°, te kunnen krijgen wordt alleen rekening gehouden met herstructureringen waarvoor de neerlegging van de akte, vermeld in paragraaf 3, 1°, is gedaan tussen 1 januari 2022 en 30 juni 2028 en met bewijsstukken met datum vanaf 1 januari 2020 die niet eerder werden ingediend voor het krijgen van een toelage als vermeld in artikel 49, § 3, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode of in artikel 4.50 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

§ 5. De VMSW controleert of de aanvraagdossiers voldoen aan de voorwaarden die bij of krachtens deze afdeling zijn gesteld. De VMSW kan daarvoor alle nuttige documenten en bewijzen opvragen. De woonmaatschappij geeft gevolg aan de verzoeken van de VMSW in het kader van de voormelde controle.

Uiterlijk binnen negentig dagen na de dag waarop de VSMW de aanvraag heeft ontvangen, beoordeelt ze of de voorwaarden vervuld zijn en brengt ze de minister op de hoogte van haar bevindingen, in voorkomend geval inclusief de berekening van de subsidie. De minister beslist over de toekenning van de subsidie. De VMSW brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte van de beslissing van de minister en betaalt, in voorkomend geval, de subsidie uit binnen negen maanden nadat ze de kennisgeving verzonden heeft.

Afdeling 2. [Aanvullende subsidie voor de kosten die verbonden zijn aan externe bijstand voor een woonmaatschappij (verv. BVR 17 december 2021, art. 123, I: 25 december 2022)]

Artikel 4.160. (25/04/2022- 31/12/2022)

§1. Binnen de perken van de daartoe op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten kan de minister de kosten van de externe bijstand, die niet door de VMSW wordt geleverd en waarop een woonmaatschappijj vrijwillig een beroep wil doen, voor maximaal 50% subsidiëren. Als voorwaarde geldt dat de meest recente prestatiebeoordeling aantoont dat de woonmaatschappij voldoende inspanningen heeft geleverd om tot de nodige prestatieverbetering te komen, zonder dat ze met toepassing van artikel 4.51, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 verplicht is om een beroep te doen op externe bijstand om het bedrijfsbeheer te verbeteren.
 
De externe bijstand, vermeld in het eerste lid, wordt aangetrokken met een overheidsopdracht waarvan de minister de opdrachtomschrijving vaststelt.
 
§2. Op straffe van onontvankelijkheid mailt de woonmaatschappij die vrijwillig een beroep doet op externe bijstand als vermeld in paragraaf 1, voorafgaand aan de gunning van de overheidsopdracht of de afname van het raamcontract, namens haar bestuursorgaan haar aanvraag tot subsidiëring van die externe bijstand naar het agentschap op het e-mailadres shm.woonbeleid@vlaanderen.be. Het agentschap bevestigt de ontvangst van de subsidieaanvraag. Het aanvraagdossier bevat op straffe van onontvankelijkheid al de volgende elementen:
1°       een specifieke omschrijving van een of meer aspecten van het bedrijfsbeheer waarvoor de woonmaatschappij een subsidie aanvraagt;
2°       de wijze waarop de externe bijstand een oplossing biedt voor de problemen op basis waarvan de woonmaatschappij in haar laatste visitatierapport een oordeel `voor verbetering vatbaar' of `onvoldoende' kreeg;
3°       de inspanningen die de aanvrager al heeft geleverd om voor de operationele doelstellingen in kwestie tot een prestatieverbetering te komen, en de redenen waarom hij daarin niet of onvoldoende geslaagd is. Die inspanningen worden ook gestaafd door het laatste visitatierapport.
 
§3. Als het agentschap van oordeel is dat het aanvraagdossier ontvankelijk is, wordt de woonmaatschappij daarvan per e-mail op de hoogte gebracht binnen een termijn van 14 kalenderdagen vanaf de bevestiging van de ontvangst van de aanvraag. Die kennisgeving vermeldt ook het verloop van het proces om de subsidie te verkrijgen.
 
Als het agentschap van oordeel is dat het aanvraagdossier niet ontvankelijk is, wordt de woonmaatschappij daarvan per e-mail op de hoogte gebracht binnen een termijn van 14 kalenderdagen vanaf de bevestiging van de ontvangst van de aanvraag. In die kennisgeving motiveert het voormelde agentschap aan welke ontvankelijkheidsvereisten niet is voldaan en vraagt het aan de aanvrager om aanvullende documenten of inlichtingen te mailen naar het e-mailadres shm.woonbeleid@vlaanderen.be. Het agentschap brengt de aanvrager ervan op de hoogte als het de bijkomende documenten of inlichtingen ontvangen heeft.
 
De minister beoordeelt de aanvraag en bepaalt in geval van een positieve beoordeling de opdrachtomschrijving van de overheidsopdracht. De minister kan ook beslissen dat de aanvrager de subsidie krijgt om gebruik te maken van raamcontracten die de VMSW heeft gesloten in het kader van de verbetering van het bedrijfsbeheer van een woonmaatschappij.
 
Binnen zes maanden na de dag waarop de beslissing van de minister over de aanvraag met een brief aan de aanvrager is bezorgd, mailt de woonmaatschappij het voorstel van gunning of het voorstel tot afname van een raamcontract dat de VMSW heeft gesloten naar het e-mailadres shm.woonbeleid@vlaanderen.be. Het agentschap bevestigt de ontvangst van het voorstel. Binnen zestig kalenderdagen na de dag waarop het agentschap het voorstel heeft ontvangen, beslist de minister, na advies van het agentschap, over de toekenning van de subsidie. Het agentschap legt na de beslissing van de minister de kredieten vast die 50% van het goedgekeurde offertebedrag bedragen. Het agentschap brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte van de ministeriële beslissing.
 
Het agentschap betaalt de subsidie in één keer uit nadat de aanvrager de overeenstemmende facturen heeft voorgelegd. Als op basis van de voorgelegde facturen de werkelijk betaalde kostprijs lager is dan het goedgekeurde offertebedrag, wordt de uitbetaalde subsidie beperkt tot 50% van het gefactureerde bedrag. De btw op het gefactureerde bedrag is subsidiabel voor zover die niet wordt teruggevorderd door de woonmaatschappij. Het recht op subsidie vervalt op de vijfde verjaardag van de subsidietoezegging van de minister. Een woonmaatschappij kan voor dezelfde of soortgelijke opdracht maar één keer een subsidie krijgen.

[Afdeling 3. Invulling van de verplichtingen uit het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 bij de vorming van woonmaatschappijen (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.160/1. (03/12/2022- ...)

Ter uitvoering van artikel 163, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 wordt het bedrag van de retributie die vereist is in het kader van de overdracht van onroerende goederen tussen sociale huisvestingsmaatschappijen enerzijds, en voor overdrachten tussen woonmaatschappijen onderling en tussen sociale huisvestingsmaatschappijen en woonmaatschappijen, en voor overdrachten ter uitvoering van artikel 4.38, § 4 of § 5, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en ter uitvoering van artikel 209, §3, van het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen anderzijds om bodemattesten aan een van de volgende instellingen of instanties uit te reiken, vastgesteld op 0 euro:
1° een sociale huisvestingsmaatschappij die of een sociaal verhuurkantoor dat op 19 september 2021 erkend is conform de erkenningsvoorwaarden die op die datum van toepassing zijn;
2° een woonmaatschappij;
3° de VMSW;
4° een gemeente;
5° een intergemeentelijk samenwerkingsverband;
6° een OCMW;
7° een welzijnsvereniging
8° het Vlaams Woningfonds.

Het nultarief, vermeld in het eerste lid, geldt voor aanvragen van een bodemattest die vóór 1 januari 2028 bij de OVAM worden ingediend.

Enkel overdrachten die tegen een vergoeding in aandelen of om niet gebeuren, de overdrachten van de VMSW, de lokale besturen en het VWF aan de sociale huisvestingsmaatschappijen en woonmaatschappijen, en de eerste honderd overdrachten van andere overdragers dan de VMSW, de lokale besturen of het VWF aan een sociale huisvestingsmaatschappij of woonmaatschappij naar dezelfde overnemer tegen een andere vergoeding dan in aandelen of om niet, komen in aanmerking voor het nultarief, vermeld in het eerste lid..

[Afdeling 3/1. Invulling van de verplichtingen uit het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaal kringlopen en afvalstoffen bij de vorming van woonmaatschappijen (ing. BVR 10 november 2022, art. 61, I: 3 december 2022)]

Artikel 4.160/2. (03/12/2022- ...)

De verplichtingen, vermeld in artikel 33/14, §1 tot en met §3, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaal kringlopen en afvalstoffen, gelden niet voor de overdrachten die plaatsvinden tussen sociale huisvestingsmaatschappijen enerzijds en voor overdrachten tussen woonmaatschappijen onderling en tussen sociale huisvestingsmaatschappijen en woonmaatschappijen, en voor overdrachten ter uitvoering van artikel 4.38, §4 en §5, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en ter uitvoering van artikel 205, §7, vierde lid, en ter uitvoering van artikel 209, §3, van het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen anderzijds.

Het eerste lid geldt enkel voor overdrachten die tegen een vergoeding in aandelen of om niet gebeuren, voor de overdrachten van de VMSW, de lokale besturen en het VWF aan de sociale huisvestingsmaatschappijen en woonmaatschappijen, en voor de eerste honderd overdrachten van andere overdragers dan van de VMSW, de lokale besturen of het VWF aan een woonmaatschappij of sociale huisvestingsmaatschappij naar dezelfde overnemer tegen een andere vergoeding dan in aandelen of om niet.

In het kader van de overdrachten, vermeld in het eerste lid, beschikt de overnemer van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar als vermeld in artikel 3, §2, 9°, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaal kringlopen en afvalstoffen, over een geldig asbestinventarisattest als vermeld in artikel 33/11 van het voormelde decreet, binnen twee jaar na de definitieve overdracht.
 

[Afdeling 4. Subsidiëring van de opdrachten, vermeld in artikel 4.40, 4°, 5° en 6° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 25 april 2022)]
[Onderafdeling 1. Voorwaarden (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.160/3. (03/12/2022- ...)

Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vastgelegd zijn, worden, onder de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk, de volgende subsidies toegekend aan de erkende woonmaatschappij voor de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 4.40, 4°, 5° en 6°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021:
1° een basissubsidie-enveloppe;
2° een aanvullende subsidie-enveloppe;
3° een VIA-subsidie;
4° een groeisubsidie.

Bij een dreigend budgettekort kan een proratering van de subsidies, vermeld in het eerste lid, doorgevoerd worden.

De minister kan in het begrotingsjaar 2016 een subsidie toekennen bestemd voor het aanzuiveren van het overgedragen verlies en voor het opvangen van de verliezen ingevolge het oninvorderbaar worden van huurvorderingen.

De minister kan in het begrotingsjaar 2020 een subsidie van ten hoogste 25.000 euro toekennen bij aanwerving van een bijkomend halftijds personeelslid dat gedurende 12 maanden zal ingezet worden om prospecties uit te voeren met het oog op nieuwe inhuurnemingen. De minister bepaalt de wijze waarop de bijkomende personeelskost verbonden aan de aanwerving door het erkende woonmaatschappij worden aangetoond en stelt de uitbetalingsvoorwaarden vast.

De minister kan in het begrotingsjaar 2021 naast de subsidie, vermeld in het vierde lid, een bijkomende subsidie van maximaal 25.000 euro toekennen voor de voortzetting van de tewerkstelling van een bijkomend halftijds personeelslid dat ingezet wordt voor prospecties op de private huurmarkt. Alleen de erkende woonmaatschappijen die, met toepassing van het vierde lid, uiterlijk op 1 juni 2021 een bijkomend personeelslid hebben aangeworven, komen in aanmerking voor de bijkomende subsidie. De loonkosten die verbonden zijn aan de verlengde tewerkstelling, kunnen voor een periode van maximaal twaalf maanden, die ingaat op 1 oktober 2021, worden gesubsidieerd. De halftijdse prospectiemedewerker wordt ingezet om prospecties uit te voeren met het oog op nieuwe inhuurnemingen. De minister bepaalt de wijze waarop de bijkomende personeelskosten die verbonden zijn aan de aanwerving door de erkende woonmaatschappij, worden aangetoond en stelt de uitbetalingsvoorwaarden vast.

De minister kan in het begrotingsjaar 2022 naast de subsidie, vermeld in het vijfde lid, een bijkomende subsidie van maximaal 25.000 euro toekennen voor de voortzetting van de tewerkstelling van een bijkomend halftijds personeelslid dat ingezet wordt voor prospecties op de private huurmarkt. Alleen de erkende woonmaatschappijen die met toepassing van het vijfde lid, uiterlijk op 1 juni 2022 gebruik maakten van de verlengde tewerkstelling, komen in aanmerking voor de bijkomende subsidie. De loonkosten die verbonden zijn aan de verlengde tewerkstelling, kunnen voor een periode van maximaal twaalf maanden, die ingaat op 1 oktober 2022, worden gesubsidieerd. De halftijdse prospectiemedewerker wordt ingezet om prospecties uit te voeren met het oog op nieuwe inhuurnemingen. De minister bepaalt de wijze waarop de bijkomende personeelskosten die verbonden zijn aan de aanwerving door de erkende woonmaatschappij, worden aangetoond en stelt de uitbetalingsvoorwaarden vast.

Artikel 4.160/4. (03/12/2022- ...)

§ 1. De basissubsidie-enveloppe, de aanvullende subsidie-enveloppe, de groeisubsidie en de VIA-subsidie worden toegekend als de woonmaatschappij voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° de woonmaatschappij toont de tewerkstelling aan van minstens één personeelslid met minimaal een bachelordiploma of met minimaal twee jaar nuttige ervaring in huisvestings- of welzijnsthematiek. Die personeelsleden staan in voor minstens een halftijdse coördinatiefunctie die wordt ingezet om de opdrachten, vermeld in artikel 4.40, 4°, 5° en 6°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, uit te voeren;
2° de woonmaatschappij toont aan dat ze beschikt over een personeelsformatie om de opdrachten, vermeld in artikel 4.40, 4°, 5° en 6°, van de voormelde codex, uit te voeren;
3° de woonmaatschappij heeft minstens vijftig woningen in huur;
4° de woonmaatschappij dient een gemotiveerde planning in van de woningaangroei die ze verwacht te realiseren in de komende vijf jaar;
5° de woonmaatschappij maakt een financiële planning op als vermeld in artikel 4.160/11, tweede lid, van dit besluit.

Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, wordt geen rekening gehouden met de sociale huurwoningen, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 49°, a), c), e) en f), van de voormelde codex.

§ 2. Er wordt voor de toepassing van paragraaf 1, eerste lid, 3°, rekening gehouden met kamers, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 25°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, die de woonmaatschappij op de private huurwoningmarkt inhuurt als ze verhuurd worden in het kader van een samenwerkingsovereenkomst die gesloten is met een erkende welzijnsinstantie.

De aanvullende subsidie-enveloppe wordt toegekend als het aantal woningen respectievelijk meer bedraagt dan vijftig en honderd. Het aantal woningen dat in aanmerking wordt genomen, is het aantal woningen op 1 november van het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend. Dat aantal wordt met een omstandige overzichtstabel bewezen, waaruit blijkt dat de woningen voldoen aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1, tweede lid, en paragraaf 2, eerste lid.

[Onderafdeling 2. Subsidieaanvraag (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.160/5. (25/04/2022- ...)

De aanvraag van de basissubsidie-enveloppe wordt ingediend bij het agentschap en bevat de bewijzen waaruit blijkt dat aan de subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 4.160/4, is voldaan.

De minister of zijn gemachtigde beslist over de subsidieaanvraag binnen een termijn van drie maanden nadat het agentschap een volledig aanvraagdossier heeft ontvangen en daarvan een ontvangstmelding heeft gestuurd.

Artikel 4.160/6. (25/04/2022- ...)

Het agentschap betekent het subsidiebesluit over de basissubsidie-enveloppe aan de woonmaatschappij met een afschrift aan de toezichthouder en de vzw HUURpunt of haar rechtsopvolger.

De woonmaatschappij dient jaarlijks, uiterlijk op 15 november, bij het agentschap een overzichtstabel in van de woningen die ze in huur heeft op 1 november, om aan te tonen dat ze voldoet aan artikel 4.160/4, § 1, eerste lid, 3°.

Artikel 4.160/7. (03/12/2022- ...)

De aanvraag van de aanvullende subsidie-enveloppe wordt jaarlijks uiterlijk op 15 november bij het agentschap ingediend en bevat de bewijzen dat aan de subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 4.160/4, § 1, is voldaan.

De minister of zijn gemachtigde beslist over de subsidieaanvraag binnen een termijn van drie maanden nadat het agentschap een volledig aanvraagdossier heeft ontvangen en daarvan een ontvangstmelding heeft gestuurd.

Het agentschap betekent het subsidiebesluit over de aanvullende subsidie-enveloppe aan de woonmaatschappij met een afschrift aan de toezichthouder en de vzw HUURpunt of haar rechtsopvolger.

Het subsidiebesluit vermeldt het maximumbedrag van de aanvullende subsidie-enveloppe. De periode waarin de woonmaatschappij in aanmerking komt voor de aanvullende subsidie-enveloppe, gaat in op de eerste dag van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de aanvraag is ingediend en loopt tot en met 31 december van dat kalenderjaar.

De groeisubsidie wordt jaarlijks door de minister of zijn gemachtigde toegekend aan een woonmaatschappij die aantoont dat het in het afgelopen werkingsjaar een groter aantal gesubsidieerde woningen in huur heeft. De groeisubsidie wordt toegekend op basis van de vergelijking van het aantal woningen, vermeld in de twee recentste overzichtstabellen, vermeld in artikel 4.160/6, tweede lid. Gesubsidieerde woningen waarvan de huurovereenkomsten in de loop van het werkingsjaar tussen woonmaatschappijen worden overgedragen vanwege een wijziging in het werkingsgebied, komen niet in aanmerking voor de berekening van de groeisubsidie.

Om de groeisubsidie te berekenen die de minister of zijn gemachtigde voor het werkingsjaar 2022 aan een sociaal verhuurkantoor toekent, wordt bij de vergelijking van het aantal ingehuurde gesubsidieerde woningen tussen de twee recentste overzichtstabellen, vermeld in artikel 4.160/6, tweede lid, rekening gehouden met de lopende huurovereenkomsten die het sociaal verhuurkantoor vóór 1 november 2022 aan een woonmaatschappij heeft overgedragen.

In het werkingsjaar 2023 wordt de groeisubsidie door de minister of zijn gemachtigde toegekend aan een woonmaatschappij die in de overzichtstabel, vermeld in artikel 4.160/6, tweede lid, aantoont dat ze in haar werkingsgebied op 1 november 2023 een groter aantal gesubsidieerde woningen in huur heeft genomen dan het totale aantal gesubsidieerde woningen dat op 1 november 2022 is ingehuurd door de sociale verhuurkantoren die actief waren in de gemeenten die behoren tot het werkingsgebied van de woonmaatschappij.

De VIA-subsidie wordt jaarlijks door de minister of zijn gemachtigde toegekend aan een woonmaatschappij volgens de verdeelsleutel, vermeld in artikel 4.160/8, §1, vijfde lid
 

[Onderafdeling 3. Subsidie, uitbetaling van de subsidie en vorming van reserves (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.160/8. (03/12/2022- ...)

§ 1. De basissubsidie-enveloppe bedraagt maximaal 121.127,86 euro per kalenderjaar voor een woonmaatschappij die minstens 50 woningen en maximaal 99 woningen in huur heeft. De aanvullende subsidie-enveloppe bedraagt per kalenderjaar 1.586,32 euro per woning voor de 51ste tot en met de 99ste woning.

De basissubsidie-enveloppe bedraagt maximaal 216.818,78 euro per kalenderjaar voor een woonmaatschappij die minstens 100 woningen in huur heeft. De aanvullende subsidie-enveloppe bedraagt per kalenderjaar 1.586,32 euro per woning vanaf de 101ste woning tot de 199ste woning.

De basissubsidie-enveloppe bedraagt maximaal 385.000,76 euro per kalenderjaar voor een woonmaatschappij die minstens 200 woningen in huur heeft. De aanvullende subsidie-enveloppe bedraagt per kalenderjaar 1.586,32 euro per woning vanaf de 201ste woning tot de 250ste woning. Vanaf de 251ste woning bedraagt de aanvullende subsidie per kalenderjaar 1.637,49 euro.

De groeisubsidie bedraagt 1586,32 euro per woning.

De VIA-subsidie bedraagt 1.092.204,39 euro en wordt verdeeld over de woonmaatschappijen volgens een verdeelsleutel die op de volgende wijze wordt vastgesteld: aandeel van de woonmaatschappij in de VIA-subsidie = aantal gesubsidieerde woningen in het werkingsgebied op 1 november 2022 / totaal aantal gesubsidieerde woningen op 1 november 2022.

§ 2. Een woonmaatschappij met minder dan honderd woningen in huur huurt vanaf 1 november van het derde kalenderjaar nadat de periode van de eerste basissubsidie-enveloppe is ingegaan, minstens honderd woningen.

Een woonmaatschappij met minstens honderd woningen, maar minder dan honderdvijftig woningen in huur huurt vanaf 1 november van het vierde kalenderjaar nadat de periode van de basissubsidie-enveloppe die gekoppeld is aan honderd woningen, is ingegaan, minstens honderdvijftig woningen.

Een woonmaatschappij met een werkingsgebied waar een gemeente met meer dan 150.000 inwoners deel van uitmaakt, en met minstens honderdvijftig woningen, maar minder dan tweehonderd woningen in huur huurt vanaf 1 november van het derde kalenderjaar nadat de periode van de basissubsidie-enveloppe en de aanvullende subsidie-enveloppe die gekoppeld is aan honderdvijftig woningen, is ingegaan, minstens tweehonderd woningen. Een woonmaatschappij met een werkingsgebied waar een stad met meer dan 150.000 inwoners deel van uitmaakt, en met minstens tweehonderd woningen, maar minder dan tweehonderdvijftig woningen in huur, huurt vanaf 1 november van het vierde kalenderjaar nadat de periode van de basissubsidie-enveloppe en de aanvullende subsidie-enveloppe die gekoppeld is aan 200 woningen, is ingegaan, minstens 250 woningen.

Als het minimumaantal woningen in huur, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, niet wordt behaald, wordt de basissubsidie-enveloppe voor het daaropvolgende kalenderjaar verminderd met 10% totdat de woonmaatschappij respectievelijk minstens honderd, honderdvijftig, tweehonderd of tweehonderdvijftig woningen in huur heeft.

De minister kan een afwijking toestaan van de vermindering met 10%, vermeld in het vierde lid. De minister kan de afwijking toestaan op voorwaarde dat de woonmaatschappij voldoende geobjectiveerd aantoont waarom de vooropgestelde woninggroei niet is gehaald. Daarbij worden minstens twee van de volgende redenen of realisaties door de woonmaatschappij aangetoond, die in de beslissing tot afwijking tot uiting kunnen worden gebracht:
1° er is een jaarlijkse gemiddelde woninggroei van 7,5% gerealiseerd;
2° de woonmaatschappij heeft al een belangrijk aandeel van de private huurmarkt in haar werkingsgebied in beheer;
3° het lokale betaalbare private huurwoningaanbod is beperkt;
4° er is een substantiële brutogroei, maar de nettogroei is beperkt omdat een groot aantal woningen uit beheer is gegaan;
5° de groei is beperkt door een grondig gemotiveerde situatie van overmacht.

De woonmaatschappij kan voor de motivering, vermeld in het vijfde lid, alle relevante elementen inbrengen die aantonen dat de verwachte woninggroei, vermeld in dit artikel, niet haalbaar was, op voorwaarde dat er effectief een deel van de woninggroei is gerealiseerd.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 en artikel 4.160/4, §1, eerste lid, 3°, verleent de minister of zijn gemachtigde voor de werkingsjaren 2023, 2024 en 2025 voor iedere huurovereenkomst die een woonmaatschappij van een sociaal verhuurkantoor heeft overgenomen en die nog loopt, een subsidie die gelijk is aan de som van de laatste aan het sociaal verhuurkantoor toegekende basissubsidie-enveloppe en aanvullende subsidie-enveloppe gedeeld door het aantal ingehuurde woningen dat in aanmerking is genomen bij de berekening van de laatste aan het sociaal verhuurkantoor toegekende basissubsidie-enveloppe en aanvullende subsidie-enveloppe.

In afwijking van paragraaf 1 en 2 en artikel 4.160/4, §1, eerste lid, 3°, verleent de minister of zijn gemachtigde voor de werkingsjaren 2024 en 2025 een aanvullende subsidie van 1.611,91 euro per bijkomende door de woonmaatschappij in huur genomen gesubsidieerde woning. De aanvullende subsidie voor het werkingsjaar 2024 en 2025 wordt berekend op basis van het aantal bijkomende woningen waarvoor met toepassing van artikel 4.160/7, zevende lid, in het vorige werkingsjaar een groeisubsidie is toegekend

§ 4. Met behoud van de toepassing van artikel 4.160/10 worden de subsidies, vermeld in paragraaf 1, eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid, besteed aan de volgende kosten:
1° de personeelskosten;
2° de kosten die verbonden zijn aan frictieleegstand;
3° de waardeverminderingen doordat huurvorderingen oninbaar worden;
4° de werkingskosten, met inbegrip van de afschrijvingen op andere activa dan de huurwoningen.

Als de aangetoonde werkingskosten hoger zijn dan 30% van de totale subsidie-enveloppe, wordt maar 30% ervan aanvaard. Alleen de kosten, vermeld in dit lid, die verbonden zijn aan de uitvoering van de opdrachten van de woonmaatschappij, vermeld in artikel 4.40, 4°, 5° en 6°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, komen in aanmerking voor de subsidies, vermeld in paragraaf 1, eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid.

§ 5. Na de voorafgaande goedkeuring door het agentschap kunnen de volgende kosten als personeelskosten worden beschouwd:
1° kostenvergoedingen voor externe personeelsleden die ingezet worden voor de uitvoering van de opdracht van de woonmaatschappij, vermeld in artikel 4.40, 4°, 5° en 6°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, waarvan de woonmaatschappij aantoont dat ze noodzakelijk zijn om structureel te voorzien in de personeelsformatie;
2° kosten voor de uitbesteding van de boekhouding aan een boekhouder die erkend is door het Instituut voor Belastingadviseurs en Accountants.

§ 6. De bedragen, vermeld in dit artikel, worden jaarlijks geïndexeerd. Het loonaandeel wordt geïndexeerd conform de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, en met behoud van de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. Het is gekoppeld aan de spilindex die van toepassing is op 1 januari 2019. Het niet-loonaandeel wordt geïndexeerd volgens de indexatieparameter voor de werkingskredieten die in de begrotingsinstructies is opgenomen.

Artikel 4.160/9. (03/12/2022- ...)

De basissubsidie-enveloppe en de aanvullende subsidie-enveloppe, vermeld in artikel 4.160/8, §1, worden voor elk volledig kalenderjaar uitbetaald via één voorschot van 90% van het toegestane maximumbedrag.

Het voorschot, vermeld in het eerste lid, wordt ambtshalve uitbetaald in de loop van januari van het werkingsjaar. De jaarlijkse afrekening wordt uiterlijk op 30 september van het volgende kalenderjaar opgemaakt op basis van de stukken, vermeld in artikel 4.160/11, en de aanvullende stukken die de minister vaststelt om het saldo uit te betalen. De groeisubsidie, vermeld in artikel 4.160/8, §1, vierde lid, en in artikel 4.160/7, vijfde, zesde en zevende lid, wordt toegekend in de maand december die volgt op de voorlegging van de overzichtstabel, vermeld in artikel 4.160/6, tweede lid, waarmee de woonmaatschappij aantoont dat het aantal in huur genomen woningen is toegenomen.

De basissubsidie-enveloppe voor de maanden tussen de inwerkingtreding van het subsidiebesluit en 1 januari van het eerste volledige kalenderjaar worden berekend in verhouding tot het aantal maanden. Ze worden uitbetaald volgens de voorschottenregeling, vermeld in het eerste lid.

De subsidiëring voor de personeelskosten, die de woonmaatschappij maakt in het kader van de opdracht vermeld in artikel 4.40, 4°, 5° en 6° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, wordt bij de jaarlijkse afrekening berekend op grond van de werkelijke lasten van de bezoldiging van de voltijds of deeltijds tewerkgestelde personeelsleden, met inbegrip van de werkgeverslasten, het vakantiegeld, de eindejaarstoelage en het vervroegde vakantiegeld bij uitdiensttreding. Er wordt rekening gehouden met de anciënniteit in een voltijdse of deeltijdse dagtaak. Als de woonmaatschappij een goedkeuring heeft verkregen, conform artikel 4.160/8, § 5, toont het de loonkosten van het personeel aan door middel van een omstandige afrekeningsnota van de betreffende werkgever. De werkgever houdt de individuele jaarrekening en de loonfiches van de tewerkgestelde personeelsleden ter beschikking voor controle door het agentschap.

Artikel 4.160/10. (25/04/2022- ...)

Het niet-aangewende saldo van de subsidie, vermeld in artikel 4.160/3, derde lid, wordt jaarlijks overgedragen en bestemd als reserve voor toekomstige kosten die verbonden zijn aan niet-recupereerbare huurschade of definitief oninbare huurvorderingen die ontstaan zijn bij de uitvoering van de opdrachten van de woonmaatschappij vermeld in artikel 4.40, 4°, 5° en 6° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Het gedeelte van de groeisubsidie dat niet in het jaar van de toekenning kan worden aangewend, wordt eenmalig overgedragen en kan in het volgende werkingsjaar aangewend worden voor de volgende kosten als die kosten verbonden zijn aan de uitvoering van de opdrachten van de woonmaatschappij, vermeld in artikel 4.40, 4°, 5° en 6°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021:
1° de personeelskosten;
2° de kosten die verbonden zijn aan frictieleegstand;
3° de kosten die verbonden zijn aan waardeverminderingen doordat huurvorderingen oninbaar worden;
4° de werkingskosten.

[Onderafdeling 4. Jaarverslag en financiële planning (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.160/11. (03/12/2022- ...)

Elke woonmaatschappij maakt met betrekking tot zijn opdrachten, vermeld in artikel 4.40, 4°, 5° en 6°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, een jaarverslag op conform het model dat het agentschap ter beschikking stelt.

Het jaarverslag wordt jaarlijks uiterlijk op 30 juni bij het agentschap ingediend, voor de eerste keer uiterlijk op 30 juni van het jaar dat volgt op het jaar waarin de woonmaatschappij is opgericht.

[Onderafdeling 5. Sancties (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.160/12. (25/04/2022- ...)

Met behoud van de toepassing van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen, af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, kan de minister na gemotiveerd advies van het agentschap of de toezichthouder, nadat hij de woonmaatschappij heeft gehoord en na de kennisgeving daarvan die met een beveiligde zending wordt verstuurd, de uitbetaling van de subsidies stopzetten en de al uitbetaalde subsidies terugvorderen als de Vlaamse Regering een van de sancties oplegt, vermeld in artikel 4.51 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Met behoud van de toepassing van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen, af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, zal de minister na gemotiveerd advies van het agentschap of de toezichthouder, nadat hij de woonmaatschappij heeft gehoord en na de kennisgeving daarvan die met een beveiligde zending wordt verstuurd, de uitbetaling van de subsidies stopzetten en de al uitbetaalde subsidies terugvorderen als:
1° de woonmaatschappij ten onrechte een erkenning of subsidiëring heeft ontvangen op grond van onjuiste informatie;
2° de woonmaatschappij de controle op de aanwending van de toegekende subsidies verhindert.

[Afdeling 5. Algemene bepaling over steunmaatregelen (ing. BVR 17 december 2021, art. 125, I: 22 april 2022)]

Artikel 4.160/13. (25/04/2022- ...)

Het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatsteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen is van toepassing op:
1° de subsidies vermeld in boek 4, deel 1, titel 3, hoofdstuk 5, afdeling 1 en afdeling 2;
2° de subsidies vermeld in boek 4, deel 1, titel 3, hoofdstuk 4.1,
3° de subsidies vermeld in boek 4, deel 1, titel 3, hoofdstuk 5, afdeling 4;
4° de subsidies vermeld in boek 4, deel 1, titel 3, hoofdstuk 7.

De VMSW voert op geregelde tijdstippen, en ten minste om de twee jaar, controles op overcompensatie uit. In het geval van een overcompensatie vordert de VMSW het overschot terug. Als het bedrag van de overcompensatie niet meer bedraagt dan 10% van het bedrag van de gemiddelde jaarcompensatie, mag de overcompensatie naar de volgende periode worden overgedragen en op het voor die periode te betalen compensatiebedrag in mindering worden gebracht.

Hoofdstuk 6. Sancties

Artikel 4.161. (25/04/2022- 31/12/2022)

§1. Binnen de perken van de daartoe op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten kunnen de kosten van de externe bijstand, die niet door de VMSW wordt geleverd, waarop een woonmaatschappij met toepassing van artikel 4.51, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 verplicht is een beroep te doen, voor maximaal 50% gesubsidieerd worden als de externe bijstand dient om het bedrijfsbeheer te verbeteren.
 
De externe bijstand, vermeld in het eerste lid, wordt aangetrokken met een overheidsopdracht waarvan de minister de opdrachtomschrijving vaststelt.
 
§2. Op straffe van onontvankelijkheid mailt de woonmaatschappij die verplicht wordt een beroep te doen op externe bijstand als vermeld in paragraaf 1, voorafgaand aan de gunning van de overheidsopdracht of de afname van het raamcontract, namens haar bestuursorgaan haar aanvraag tot subsidiëring van die externe bijstand naar het agentschap op het e-mailadres shm.woonbeleid@vlaanderen.be. Het agentschap bevestigt de ontvangst van de subsidieaanvraag. Het aanvraagdossier bevat op straffe van onontvankelijkheid al de volgende elementen:
1°       een specifieke omschrijving van een of meer aspecten van het bedrijfsbeheer waarvoor de woonmaatschappij een subsidie aanvraagt;
2°       de wijze waarop de externe bijstand een oplossing biedt voor de problemen op basis waarvan de minister of de Vlaamse Regering de woonmaatschappij tot externe bijstand heeft verplicht.
 
§3. Als het agentschap van oordeel is dat het aanvraagdossier ontvankelijk is, wordt de woonmaatschappij daarvan per e-mail op de hoogte gebracht binnen een termijn van 14 kalenderdagen vanaf de bevestiging van de ontvangst van de aanvraag. Die kennisgeving vermeldt ook het verloop van het proces om de subsidie te verkrijgen.
 
Als het agentschap van oordeel is dat het aanvraagdossier niet ontvankelijk is, wordt de woonmaatschappij daarvan per e-mail op de hoogte gebracht binnen een termijn van 14 kalenderdagen vanaf de bevestiging van de ontvangst van de aanvraag. In die kennisgeving motiveert het voormelde agentschap aan welke ontvankelijkheidsvereisten niet is voldaan en vraagt het aan de aanvrager om aanvullende documenten of inlichtingen te mailen naar het e-mailadres shm.woonbeleid@vlaanderen.be. Het agentschap brengt de aanvrager ervan op de hoogte als het de bijkomende documenten of inlichtingen ontvangen heeft.
 
De minister beoordeelt de aanvraag en bepaalt in geval van een positieve beoordeling de opdrachtomschrijving van de overheidsopdracht. De minister kan ook beslissen dat de aanvrager de subsidie krijgt om gebruik te maken van raamcontracten die de VMSW heeft gesloten in het kader van de verbetering van het bedrijfsbeheer van een woonmaatschappij.
 
Binnen zes maanden na de dag waarop de beslissing van de minister over de aanvraag met een brief aan de aanvrager is bezorgd, mailt de woonmaatschappij het voorstel van gunning of het voorstel tot afname van een raamcontract dat de VMSW heeft gesloten naar het e-mailadres shm.woonbeleid@vlaanderen.be. Het agentschap bevestigt de ontvangst van het voorstel. Binnen zestig kalenderdagen na de dag waarop het agentschap het voorstel heeft ontvangen, beslist de minister, na advies van het agentschap, over de toekenning van de subsidie. Het agentschap legt na de beslissing van de minister de kredieten vast die 50% van het goedgekeurde offertebedrag bedragen. Het agentschap brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte van de ministeriële beslissing.
 
Het agentschap betaalt de subsidie in één keer uit nadat de aanvrager de overeenstemmende facturen heeft voorgelegd. Als op basis van de voorgelegde facturen de werkelijk betaalde kostprijs lager is dan het goedgekeurde offertebedrag, wordt de uitbetaalde subsidie beperkt tot 50% van het gefactureerde bedrag. De btw op het gefactureerde bedrag is subsidiabel voor zover die niet wordt teruggevorderd door de woonmaatschappij. Het recht op subsidie vervalt op de vijfde verjaardag van de subsidietoezegging van de minister. Een woonmaatschappij kan voor dezelfde of soortgelijke opdracht maar één keer een subsidie krijgen.

[Hoofdstuk 7. Subsidiëring ondersteuningsstructuur (ing. BVR 17 december 2021, art. 127, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.161/1. (25/04/2022- 31/12/2022)

§ 1. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan de minister een subsidie voor de personeels- en werkingskosten, vermeld in artikel 4.59 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, toekennen van maximaal 329.000 euro voor een volledig werkingsjaar. De subsidie wordt besteed aan de werkings- en personeelskosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de hierna vermelde opdrachten van de vzw HUURpunt of haar rechtsopvolger:
1° de woonmaatschappijen ondersteunen bij de uitvoering van hun opdrachten vermeld in artikel 4.40, 4°, 5° en 6° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, door de volgende taken op te nemen:
a) in samenspraak met de VMSW het overleg en de ervaringsuitwisseling tussen de woonmaatschappijen voorbereiden, organiseren en coördineren;
b) vorming en intervisie uitwerken en aanbieden, en tools aanreiken, behalve over regelgeving, financieel beheer, ICT en databeheer;
c) de woonmaatschappijen die ondersteuning bij hun administratieve werking vragen, proactief begeleiden;
2° een jaarlijkse analyse opmaken van de werking van de woonmaatschappijen op basis van de jaarrapportgegevens;
3° de werking van de woonmaatschappijen, in het kader van hun opdrachten vermeld in artikel 4.40, 4° en 6° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, promoten bij private investeerders en projectontwikkelaars;
4° het Overlegplatform VMSW-HUURpunt organiseren en het secretariaat ervan verzorgen.

De subsidie wordt toegekend op voorwaarde dat de vzw HUURpunt of haar rechtsopvolger zich ertoe verbindt om de opgesomde opdrachten uit te voeren voor alle woonmaatschappijen.

De subsidie wordt toegekend voor een periode van vijf werkingsjaren. De minister kan, op voorstel van het agentschap, de subsidiëring van het project eenzijdig en effectief stopzetten of herzien als wordt vastgesteld dat de realisatie van doelstellingen in het gedrang komt.

§ 2. De subsidie wordt voor elk volledig kalenderjaar uitbetaald via drie voorschotten van elk 30% op het toegestane maximumbedrag. De voorschotten worden ambtshalve betaalbaar gesteld door het agentschap bij het begin van elke periode van vier maanden. Ze worden afgetrokken bij de afrekening van de subsidie voor elk kalenderjaar nadat de minister het jaarverslag over de werking heeft goedgekeurd en nadat de stukken, vermeld in artikel 4.161/2, § 2, zijn gecontroleerd.

De subsidiëring voor de personeelskosten wordt bij de jaarlijkse afrekening berekend op grond van de werkelijke lasten van de bezoldiging van de voltijds of deeltijds tewerkgestelde personeelsleden, met inbegrip van de werkgeverslasten, het vakantiegeld, de eindejaarstoelage, het vervroegde vakantiegeld en opzeggingsvergoedingen bij uitdiensttreding.

§ 3. De subsidie voor de maanden tussen de datum van de inwerkingtreding van dit besluit en 1 januari van het eerste volledige kalenderjaar wordt berekend in verhouding tot het aantal maanden. Ze wordt uitbetaald volgens de voorschottenregeling, vermeld in paragraaf 2, per periode van maximaal vier maanden.

§ 4. Het bedrag vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt jaarlijks geïndexeerd. Het loonaandeel wordt geïndexeerd conform de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van het Rijk gekoppeld worden, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982 en met behoud van de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. Het is gekoppeld aan de spilindex die van toepassing is op 1 januari 2019. Het niet-loonaandeel wordt geïndexeerd volgens de indexatieparameter voor de werkingskredieten die in de begrotingsinstructies is opgenomen.

Artikel 4.161/2. (25/04/2022- 31/12/2022)

De vzw of haar rechtsopvolger voert een boekhouding conform het koninklijk besluit van 21 oktober 2018 tot uitvoering van de artikelen III.82 tot en met III.95 van het wetboek van Economisch recht met inbegrip van de relevante bepalingen van de wet van 17 juli 2013 houdende invoeging van Boek III "Vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen", in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek III en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek III, in boeken I en XV van het Wetboek van Economisch Recht en de uitvoeringsbesluiten ervan. Als de werking van de vzw HUURpunt of haar rechtsopvolger die verband houdt met de opdrachten, vermeld in artikel 4.161/1, § 1, deel uitmaakt van een breder opdrachtenpakket, wordt een analytische boekhouding gevoerd. De activa en passiva en de kosten en opbrengsten die verband houden met de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 4.161/1, § 1, kunnen worden afgezonderd in de balans en de resultatenrekening.

Vzw HUURpunt bezorgt jaarlijks uiterlijk op 31 maart de volgende stukken aan het agentschap:
1° een gedetailleerde afrekening van de kosten en opbrengsten van haar werking die verband houdt met de opdrachten, vermeld in artikel 4.161/1, § 1, over het voorbije kalenderjaar en een begroting voor het lopende kalenderjaar, die goedgekeurd is door het bevoegde bestuursorgaan;
2° een gedetailleerde afrekening van de personeelskosten in de gesubsidieerde periode, met een afschrift van de RSZ-staten van de tewerkgestelde personeelsleden;
3° een jaarverslag over de eigen activiteiten en de resultaten van de opdrachten, vermeld in artikel 4.161/1, § 1;
4° de balans en resultatenrekening waarmee de activa en passiva en de kosten en opbrengsten die verband houden met de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 4.161/1, § 1, worden aangetoond.

§ 2. Het agentschap is belast met de controle op de stukken, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1° en 2°. Het maakt een ontwerp op van een afrekening als vermeld in artikel 4.161/1, § 2.

Titel 4. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Hoofdstuk 1. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.162. (25/04/2022- ...)

...

Hoofdstuk 2. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Afdeling 1. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.163. (25/04/2022- ...)

...

Afdeling 2. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.164. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 4.165. (25/04/2022- ...)

...

Afdeling 3. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.166. (25/04/2022- ...)

...

Hoofdstuk 3. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Afdeling 1. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.167. (25/04/2022- ...)

...

Afdeling 2. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.168. (25/04/2022- ...)

...

Hoofdstuk 4. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Afdeling 1. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.169. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 4.170. (25/04/2022- ...)

...

Afdeling 2. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.171. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 4.172. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 4.173. (25/04/2022- ...)

...

Afdeling 3. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.174. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 4.175. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 4.176. (25/04/2022- ...)

...

Afdeling 4. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.177. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 4.178. (25/04/2022- ...)

...

Hoofdstuk 5. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Afdeling 1. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.179. (25/04/2022- ...)

...

Afdeling 2. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.180. (25/04/2022- ...)

...

Hoofdstuk 6. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.181. (25/04/2022- ...)

...

Hoofdstuk 7. [... (opgeh. BVR 17 december 2021, art. 128, I: 25 april 2022)]

Artikel 4.182. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 4.183. (25/04/2022- ...)

...

Titel 5. Vlaams Woningfonds

Hoofdstuk 1. Toelage

Artikel 4.184. (01/01/2021- 31/12/2022)

Met toepassing van artikel 4.63 en artikel 5.69 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 kan aan het VWF een toelage worden verleend voor de financiering van de bijzondere sociale leningen, de huurwaarborgleningen en de huurhulpverrichtingen.
 
De toelage bestaat uit:
1°       de toelage ter financiering van de werkingskosten die wordt berekend op basis van het verschil tussen de uit de werking voortvloeiende ontvangsten en uitgaven;
2°       de financieringstoelage die wordt berekend als het verschil van de financiële opbrengsten en de financiële kosten.
 
De bij de berekening van de toelage, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, in rekening te brengen componenten en de rapporteringsvereisten, worden bepaald in gezamenlijk overleg tussen de minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen.
 
De uitgavenkredieten in de begroting van het VWF zijn limitatief. De minister kan overschrijdingen van deze limitatieve kredieten toestaan.

Hoofdstuk 2. Voorwaarden waaronder de toelating wordt verstrekt om leningen aan te gaan

Artikel 4.185. (01/01/2021- ...)

Het Vlaamse Gewest waarborgt, ten opzichte van de inschrijvers, de goede afloop van de leningen waarvoor aan het VWF toelating is verleend onder de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk.

Artikel 4.186. (25/04/2022- ...)

De opbrengst van de leningen zal door de vennootschap worden geboekt op een rekening "Fonds B2" genaamd, waarop ook de voorschotten worden geboekt, die haar eventueel worden verleend door het "Woningfonds van de Bond der Kroostrijke Gezinnen van België".
 
De voorwaarden waaronder de in het Fonds B2 aanwezige gelden worden aangewend worden bij besluit van de Vlaamse regering vastgesteld.
 
De hypothecaire leningen en de huurwaarborgleningen die de vennootschap toekent, verwezenlijkt door middel van de kapitalen van het Fonds B2, worden in een onderscheiden boekhouding geboekt.
 
De winst die het Fonds B2 maakt, komt het Vlaamse Gewest ten goede. Ze wordt in een reserve gestort waarvan de aanwending in gezamenlijk overleg wordt geregeld door de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en de Vlaamse minister van Wonen.

Hoofdstuk 3. De aanwending van de kapitalen uit Fonds B2

Artikel 4.187. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 4.188. (25/04/2022- ...)

Het VWF is ertoe gemachtigd om, onder de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk, de kapitalen van het Fonds B2 aan te wenden voor:
1°       ...
2°       ...
3°       ...
4°       andere verrichtingen waartoe de Vlaamse Regering opdracht geeft en die passen in het Vlaamse woonbeleid en in de specifieke opdracht van het VWF voor woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden;
5°       ...
 
Het VWF geeft prioriteit aan woningen die ongeschikt of onbewoonbaar zijn verklaard conform boek 3, deel 5, titel 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
 
De minister stelt jaarlijks vast welk gedeelte van de leningen of kredieten het VWF in kwestie moet besteden aan de verwerving en/of renovatie, en zo nodig de sloping en vervanging, van ongeschikte woningen of ongeschikte gebouwen, aan de verbetering of aanpassing van woningen en/of het toestaan van leningen voor dergelijke verrichtingen aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden. Dat gedeelte bedraagt minstens 30%.

Artikel 4.189. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 4.190. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 4.191. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 4.192. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 4.193. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 4.194. (25/04/2022- ...)

...

Titel 6. Huurdersbonden

Hoofdstuk 1. Erkenning

Afdeling 1. Voorwaarden

Artikel 4.195. (01/01/2021- ...)

In het Vlaamse Gewest kan per provincie ten hoogste één huurdersbond erkend worden. Als er meerdere huurdersbonden per provincie om een erkenning vragen gaat de erkenning naar de organisatie met de grootste representativiteit. Die representativiteit wordt gemeten aan de hand van het aantal individuele en collectieve leden.
 
Om die indicator te bepalen, wordt het aantal collectieve leden met een factor vijf verhoogd. Het aantal individuele en collectieve leden wordt vastgesteld op het moment van de aanvraag.
 
Om als huurdersbond erkend te kunnen worden en te blijven, moet de huurdersbond aan de volgende voorwaarden voldoen:
1°       de opdrachten, vermeld in artikel 4.198, vervullen;
2°       samenwerken met de erkende ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven;
3°       opgericht zijn in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk conform het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen;
4°       beschikken over een centraal secretariaat met een consultatieruimte;
5°       gedurende ten minste twintig uur per week voor advies beschikbaar zijn voor het publiek op het centraal secretariaat en ten minste drie uur per week 's avonds na 18 uur of tijdens het weekend. Ten minste vierentwintig adviesuren per maand worden georganiseerd in andere gemeenten dan de gemeenten waar het centraal secretariaat zich bevindt;
6°       het bewijs leveren dat hij gedurende ten minste één jaar voor de erkenningsaanvraag de opdrachten, vermeld in artikel 4.198, heeft vervuld;
7°       ten minste één voltijdsequivalent personeelslid met een diploma universitair onderwijs of met vijf jaar nuttige ervaring in de huisvestingsproblematiek en één voltijdsequivalent personeelslid met een diploma niet-universitair hoger onderwijs of met drie jaar nuttige ervaring in de huisvestingsproblematiek tewerkstellen;
8°       een overzicht opstellen van de doelstellingen die hij de volgende vijf jaar wil realiseren, alsook een gemotiveerd actieprogramma waarin de activiteiten zijn opgenomen om die doelstellingen te bereiken;
9°       een gemotiveerde planning opstellen voor een optimaal territoriaal bereik van de huurders, met bijzondere aandacht voor de ondersteuning van de adviesverlening van de lokale besturen en de ontwikkeling van lokale samenwerkingsnetwerken;
10°     zich verbinden tot mededeling aan het agentschap van elke wijziging in de statuten, van het werkingsgebied en van elke wijziging waardoor niet meer voldaan wordt aan de erkenningsvoorwaarden;
11°     een jaarverslag opmaken of zich ertoe verbinden om een jaarverslag op te maken over de eigen werking van het voorbije jaar, alsook, in voorkomend geval, over de werking van zijn regionale steunpunt of steunpunten.

Afdeling 2. Erkenningsaanvraag

Artikel 4.196. (01/01/2021- ...)

De aanvraag tot erkenning wordt ingediend bij het agentschap en bevat de volgende gegevens en stukken:
1°       bewijzen waaruit blijkt dat aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4.195, derde lid, is voldaan;
2°       ten minste toelichting over:
a)       de structuur van de organisatie;
b)       de personeelsformatie;
c)       de statuten en het huishoudelijk reglement;
d)       het werkingsgebied;
e)       de lokale netwerkvorming en de ondersteuning van de lokale besturen;
f)        de beleidsplannen voor de komende vijf jaar.
 
Zodra het agentschap een ontvangstmelding van een volledig aanvraagdossier heeft gegeven, beslist de minister binnen een termijn van drie maanden over de erkenningsaanvraag. De gemotiveerde beslissing wordt door het agentschap betekend aan de huurdersbond met een afschrift aan de toezichthouder.

Artikel 4.197. (01/01/2021- ...)

§1. Het erkenningsbesluit wordt aan de huurdersbond betekend. Het besluit treedt in werking op de datum van de ondertekening ervan door de minister. De periode waarin de huurdersbond wordt erkend, gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van de inwerkingtreding van het erkenningsbesluit en loopt tot 31 december van het vijfde kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het erkenningsbesluit in werking is getreden.
 
§2. De periode, vermeld in paragraaf 1, kan telkens met vijf jaar worden verlengd als de huurdersbond uiterlijk zes maanden voor het einde van de periode in kwestie een aanvraag tot verlenging van de erkenning indient bij het agentschap.
 
De minister beslist over de verlengingsaanvraag op basis van de evaluatie van de werking van de huurdersbond tijdens de voorgaande jaren.
 
De verlengingsaanvraag wordt behandeld conform de procedure, vermeld in artikel 4.196, tweede lid.

Hoofdstuk 2. Opdrachten

Artikel 4.198. (01/01/2021- ...)

Een huurdersbond heeft als opdracht:
1°       op individuele of collectieve basis informatie en advies te verstrekken over alle aangelegenheden inzake het wonen in huurwoningen, onder meer bevattelijke huurinformatie en huuradvies. Hij kan juridische bijstand verlenen aan huurders en kandidaat-huurders in het algemeen en aan de meest behoeftige huurders in het bijzonder;
2°       op te treden als belangenbehartiger van huurders in het algemeen en van de meest behoeftige huurders in het bijzonder;
3°       de kwaliteit van een goede rechtshulp inzake bereikbaarheid, beschikbaarheid, begrijpbaarheid, bruikbaarheid en betaalbaarheid te bevorderen met bijzondere aandacht voor de ondersteuning van de adviesverlening van de lokale besturen en de ontwikkeling van lokale samenwerkingsnetwerken.

Artikel 4.199. (01/01/2021- ...)

Een erkende huurdersbond kan één regionaal steunpunt uitbouwen met het oog op een betere regionale spreiding en lokale inbedding van de adviesconsultaties. De afbakening van het regionale werkingsgebied van het regionale steunpunt moet aan de hand van de beschikbare indicatoren inzake de huurderspopulatie, de kansarmoede of de sociaal-economische achterstelling, de kwaliteit en het comfort van de woningen en de betaalbaarheid voldoende worden gemotiveerd.

Hoofdstuk 3. Subsidie

Afdeling 1. Voorwaarden

Artikel 4.200. (01/01/2021- ...)

Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbaar zijn, wordt er onder de voorwaarden, vermeld in dit besluit, een basissubsidie-enveloppe toegekend aan de erkende huurdersbond.
 
De basissubsidie-enveloppe voor de huurdersbonden van de provincies Limburg en Vlaams-Brabant bedraagt 202.059,71 euro per kalenderjaar en voor de huurdersbond van de provincie West-Vlaanderen 263.225,05 euro per kalenderjaar. Voor de huurdersbonden van de provincies Oost-Vlaanderen en Antwerpen bedraagt de subsidie 249.212,69 euro per kalenderjaar.

Artikel 4.201. (01/01/2021- ...)

Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbaar zijn, kan, met ingang van 1 januari 2010, aan een erkende huurdersbond een aanvullende subsidie-enveloppe van 122.279,48 euro per kalenderjaar worden toegekend voor de werking van een nieuw regionaal steunpunt als vermeld in artikel 4.199.
 
Om voor de aanvullende subsidie-enveloppe in aanmerking te komen, moet het regionale steunpunt aan de volgende voorwaarden voldoen:
1°       de voorwaarden, vermeld in artikel 4.195, derde lid, 1°, naleven;
2°       zich ertoe verbinden om binnen een termijn van drie maanden na de toekenning van de aanvullende subsidie-enveloppe over een centraal secretariaat met een consultatieruimte als vermeld in artikel 4.195, derde lid, 4°, te beschikken;
3°       zich ertoe verbinden om binnen een termijn van drie maanden na de toekenning van de aanvullende subsidie-enveloppe gedurende ten minste tien extra uur per week voor advies beschikbaar te zijn voor het publiek, waarvan ten minste één uur per week 's avonds na 18 uur of tijdens het weekend;
4°       ten minste één voltijdsequivalent personeelslid met een diploma niet-universitair hoger onderwijs of met drie jaar nuttige ervaring in de huisvestingsproblematiek tewerkstellen of zich ertoe verbinden om binnen een termijn van drie maanden na de toekenning van de aanvullende subsidie-enveloppe daaraan te voldoen.

Afdeling 2. Subsidieaanvraag

Artikel 4.202. (01/01/2021- ...)

De aanvraag van de aanvullende subsidie-enveloppe wordt ingediend bij het agentschap en bevat de volgende gegevens en stukken:
1°       bewijzen waaruit blijkt dat aan de subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 4.201, tweede lid, is voldaan;
2°       de motivatie, vermeld in artikel 4.199.
 
De minister of zijn gemachtigde beslist over de subsidieaanvraag binnen een termijn van drie maanden na de ontvangstmelding door het agentschap van een volledig aanvraagdossier.

Artikel 4.203. (01/01/2021- ...)

§1. Het subsidiebesluit over de aanvullende subsidie-enveloppe voor de uitbouw van een regionaal steunpunt wordt door het agentschap betekend aan de huurdersbond met een afschrift aan de toezichthouder. Het subsidiebesluit treedt in werking op de datum van de ondertekening door de minister. De periode waarin de huurdersbond in aanmerking komt voor de aanvullende subsidie-enveloppe begint op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van de inwerkingtreding van het subsidiebesluit. De subsidieperiode loopt tot de einddatum van het erkenningsbesluit dat de basissubsidie-enveloppe toekent.
 
§2. De periode, vermeld in paragraaf 1, kan telkens met vijf jaar worden verlengd als de huurdersbond uiterlijk zes maanden voor het einde van de lopende periode een aanvraag tot verlenging van de subsidie indient bij het agentschap.
 
De verlengingsaanvraag wordt behandeld conform de procedure, vermeld in artikel 4.202, tweede lid.

Afdeling 3. Subsidie en uitbetaling

Artikel 4.204. (01/01/2021- ...)

De basissubsidie-enveloppe, eventueel vermeerderd met een aanvullende subsidie-enveloppe voor het regionale steunpunt, wordt besteed aan de werkings- en personeelskosten van de huurdersbond en, in voorkomend geval, van haar regionale steunpunt.
 
De subsidiëring voor de personeelskosten wordt bij de jaarlijkse afrekening berekend op grond van de uitbetaalde brutopersoneelskosten inclusief sociale bijdragen, toelagen en vergoedingen volgens de voorwaarden die vastgelegd zijn binnen het Paritair Subcomité 319.01 voor de Opvoedings- en Huisvestingsinrichtingen en Diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
 
Als de aangetoonde personeelskosten lager zijn dan 75% van de totale subsidie-enveloppe, wordt er bij de jaarlijkse afrekening alleen rekening gehouden met de aangetoonde personeelskosten. Als de aangetoonde werkingskosten lager zijn dan 25% van de totale subsidie-enveloppe, wordt er bij de jaarlijkse afrekening alleen rekening gehouden met de aangetoonde werkingskosten. Als ze hoger zijn, dan worden ze maar voor 25% van de totale subsidie-enveloppe aanvaard.

Artikel 4.205. (01/01/2021- ...)

De bedragen, vermeld in artikel 4.200 en 4.201, worden jaarlijks geïndexeerd. Het loonaandeel wordt geïndexeerd conform de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982 en met behoud van de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. Het is gekoppeld aan de spilindex die van toepassing is op 1 september 2018. Het niet-loonaandeel wordt geïndexeerd volgens de indexatieparameter voor werkingskredieten die in de begrotingsinstructies is opgenomen.

Artikel 4.206. (01/01/2021- ...)

De basissubsidie-enveloppe, eventueel vermeerderd met een aanvullende subsidie-enveloppe voor het regionale steunpunt, wordt uitbetaald voor elk volledig kalenderjaar via twee voorschotten van 45% op het toegestane maximumbedrag. Ze worden, respectievelijk, betaalbaar gesteld bij het begin van het kalenderjaar en het begin van het tweede semester. De jaarlijkse afrekening wordt uiterlijk op 31 mei van het volgende kalenderjaar opgemaakt op basis van de stukken, vermeld in artikel 4.207, tweede lid, met het oog op de uitbetaling van het saldo.
 
De basissubsidie-enveloppe, eventueel vermeerderd met een aanvullende subsidie-enveloppe voor een regionaal steunpunt, voor de maanden tussen de inwerkingtreding van het subsidiebesluit en 1 januari van het eerste volledige kalenderjaar wordt berekend in verhouding tot het aantal maanden.
 
Ze wordt uitbetaald volgens de voorschotregeling, vermeld in het eerste lid. Als na controle van de verantwoordingsstukken blijkt dat niet-verschuldigde subsidies zijn uitbetaald, kunnen die bedragen worden afgetrokken van het voorschot of de afrekening voor het volgende kalenderjaar.

Afdeling 4. Jaarverslag, boekhouding en rapportering

Artikel 4.207. (01/01/2021- ...)

Elke erkende huurdersbond voert een dubbele boekhouding, gebaseerd op het genormaliseerde rekeningstelsel, conform de nadere regelen die de minister heeft bepaald.
 
Jaarlijks legt de erkende huurdersbond uiterlijk op 15 maart, en voor de eerste keer uiterlijk op 15 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarin de huurdersbond werd erkend en gesubsidieerd, de volgende stukken voor aan het agentschap:
1°       een gedetailleerde afrekening van de met de subsidiemiddelen gedane kosten, met onder meer een resultatenrekening en een balans van het voorbije kalenderjaar, conform het genormaliseerde rekeningstelsel, vermeld in het eerste lid, alsook een begroting voor het lopende kalenderjaar, zoals goedgekeurd door de algemene ledenvergadering;
2°       een gedetailleerde afrekening van de personeelskosten, met onder meer een afschrift van de RSZ-staten en de individuele jaarrekeningen over de gesubsidieerde periode met betrekking tot de tewerkgestelde personeelsleden;
3°       een detailafrekening van de met subsidies gefinancierde effect-uitgaven;
4°       het jaarverslag, vermeld in artikel 4.195, tweede lid, 11°, dat een beschrijving van en een toelichting bij de activiteiten en de werking van het voorbije jaar bevat.

Hoofdstuk 4. Sancties

Artikel 4.208. (01/01/2021- ...)

§1. Met behoud van de toepassing van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen kan de uitbetaling van de subsidie geheel of gedeeltelijk worden stopgezet en/of de erkenning worden ingetrokken als:
1°       wordt vastgesteld, na de huurdersbond en de erkende ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven te hebben gehoord, dat de huurdersbond niet meer voldoet aan een van de erkenningsvoorwaarden en niet kan aantonen dat ze opnieuw aan de voorwaarden zal voldoen binnen drie maanden die volgen op de datum van de vaststelling, en dit vanaf het moment dat wordt vastgesteld dat de huurdersbond niet meer voldoet aan een van de erkennings- en subsidievoorwaarden;
2°       de huurdersbond een ernstige onregelmatigheid begaat bij de uitvoering van zijn opdracht;
3°       de huurdersbond ten onrechte een erkenning heeft ontvangen op grond van onjuiste informatie. In dat geval wordt de uitbetaling onmiddellijk stopgezet en wordt de uitbetaalde subsidie teruggevorderd;
4°       wordt vastgesteld, na de huurdersbond en de erkende ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven te hebben gehoord, dat het regionale steunpunt van de erkende huurdersbond niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel 4.201, tweede lid, 1° tot en met 4°, en de huurdersbond niet kan aantonen dat het regionale steunpunt opnieuw aan die voorwaarden zal voldoen binnen drie maanden na de datum van de vaststelling.

Hoofdstuk 5. Ondersteuningsstructuur

Afdeling 1. Opdrachten

Artikel 4.209. (01/01/2021- ...)

§1. De ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven heeft, conform artikel 4.73 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, als opdracht:
1°       de erkende huurdersbonden ondersteunen bij de uitvoering van hun taken, vermeld in artikel 4.69 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en in het bijzonder:
a)       het overleg en de ervaringsuitwisseling tussen de huurdersbonden  voorbereiden, organiseren en coördineren;
b)       zorgen voor de doorstroming en uitwisseling van de informatie over de beleidsontwikkelingen, de regelgeving en de goede praktijkvormen;
c)       de huurdersbonden ondersteunen op het vlak van methodiek-, proces- en organisatie-ontwikkeling;
d)       vorming en bijscholing uitwerken en aanbieden;
e)       de netwerkvorming met relevante organisaties bevorderen;
f)        de huurdersbonden in advies- en overlegorganen inzake wonen vertegenwoordigen;
2°       bewonersgroepen in de sociale huisvesting op Vlaams niveau ondersteunen, en meer bepaald de werking van VIVAS ondersteunen, en in het bijzonder:
a)       het overleg en de ervaringsuitwisseling tussen de bewonersgroepen die deel uitmaken van VIVAS, voorbereiden, organiseren en coördineren;
b)       zorgen voor de doorstroming en uitwisseling van de informatie over de beleidsontwikkelingen, de regelgeving en de goede praktijkvormen;
3°       initiatieven nemen ten aanzien van andere organisaties en instanties, ter bevordering van de positie van kandidaat-huurders en huurders op de private huurmarkt en in de sociale huisvesting, met bijzondere aandacht voor de meest kwetsbare gezinnen en alleenstaanden.
 
§2. Bij de uitvoering van de opdrachten, vermeld in paragraaf 1, treedt de ondersteuningsstructuur op als belangenbehartiger van kandidaat-huurders en huurders op de private huurmarkt en in de sociale huisvesting, met bijzondere aandacht voor de meest kwetsbare gezinnen en alleenstaanden.

Afdeling 2. Erkenning en subsidie

Artikel 4.210. (01/01/2021- ...)

De minister kan onder de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk, een erkenning verlenen aan een ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven. De minister kent, binnen de kredieten die daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbaar zijn, onder de voorwaarden, vermeld in dit besluit, subsidies toe voor de uitvoering van de opdrachten, vermeld in dit hoofdstuk.

Artikel 4.211. (01/01/2021- ...)

De ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven kan pas worden erkend en gesubsidieerd als ze voldoet aan de volgende voorwaarden:
1°       ze voert de opdrachten, vermeld in artikel 4.209, uit;
2°       ze beschikt over een centraal secretariaat;
3°       ze is opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk conform het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen;
4°       ze verbindt zich ertoe een stuurgroep op te richten, met daarin evenwaardige participatie van VIVAS en Samenlevingsopbouw, met het oog op de aansturing, in nauw overleg met die organisaties, van de opdrachten vermeld in artikel 4.209, §1, 2° en 3°, voor zover het de sociale huisvesting betreft;
5°       ze verbindt zich ertoe elke wijziging in de statuten en de personeelsformatie, en elke wijziging waardoor niet meer voldaan wordt aan de erkenningsvoorwaarden, aan het agentschap te melden;
6°       ze verbindt zich ertoe een jaarverslag op te maken over de eigen werking van het voorbije jaar;
7°       ze verbindt zich ertoe een planning op te maken voor het volgende werkingsjaar in overleg met het agentschap, voor het einde van het lopende werkingsjaar.
 
In het eerste lid, 4°, wordt verstaan onder Samenlevingsopbouw: het maatschappelijk opbouwwerk dat erkend en gesubsidieerd is conform het decreet van 26 juni 1991 betreffende de erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk.
 
De vereniging dient de aanvraag tot erkenning en subsidiëring in bij het agentschap. Zodra het agentschap het ontvangstbewijs van het volledige aanvraagdossier heeft bezorgd, beslist de minister over de aanvraag binnen een termijn van drie maanden na de datum van het ontvangstbewijs. De beslissing van de minister wordt betekend aan de aanvrager met een afschrift aan de toezichthouder.

Artikel 4.212. (01/01/2021- ...)

De erkenning en de subsidiëring gaan in op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van de ondertekening van het erkennings- en subsidiëringsbesluit door de minister, en gelden tot en met 31 december van het vijfde kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de ondertekening heeft plaatsgevonden.
 
De periode, vermeld in het eerste lid, kan telkens met vijf jaar worden verlengd op voorwaarde dat de ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven uiterlijk zes maanden voor het einde van de periode in kwestie een aanvraag tot verlenging van de erkenning en de subsidiëring indient bij het agentschap.
 
De verlengingsaanvraag wordt afgehandeld conform de procedure, vermeld in artikel 4.211, derde lid.

Artikel 4.213. (01/01/2021- ...)

§1. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten bedraagt de subsidie-enveloppe maximaal 328.010,06 euro per kalenderjaar. De subsidie-enveloppe wordt besteed aan de werkings- en personeelskosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de opdrachten van de ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven.
 
§2. De subsidie wordt voor elk volledig kalenderjaar uitbetaald via drie voorschotten van elk 30% op het toegestane maximumbedrag. De voorschotten worden ambtshalve betaalbaar gesteld door het agentschap bij het begin van elke periode van vier maanden. Ze worden afgetrokken bij de afrekening van de subsidie voor elk kalenderjaar nadat de minister het jaarverslag over de werking heeft goedgekeurd en nadat de bewijsstukken van de personeels- en werkingskosten zijn gecontroleerd.
 
De subsidiëring van de personeelskosten wordt bij de jaarlijkse afrekening berekend op grond van de werkelijke lasten van de bezoldiging van de voltijds of deeltijds tewerkgestelde personeelsleden, met inbegrip van de werkgeverslasten, het vakantiegeld, de eindejaarstoelage en het vervroegde vakantiegeld bij uitdiensttreding. Er wordt rekening gehouden met de anciënniteit in een voltijdse of deeltijdse dagtaak.
 
§3. De subsidie voor de maanden tussen de datum van de ondertekening van het erkennings- en subsidiebesluit door de minister en 1 januari van het eerste volledige kalenderjaar wordt berekend in verhouding tot het aantal maanden. Ze wordt uitbetaald volgens de voorschottenregeling, vermeld in paragraaf 2, per periode van maximaal vier maanden.

Artikel 4.214. (01/01/2021- ...)

§1. De ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven voert een boekhouding die gebaseerd is op een minimaal genormaliseerd rekeningstelsel conform de voorwaarden, bepaald door de minister.
 
Ze bezorgt jaarlijks uiterlijk op 31 maart de volgende stukken aan het agentschap:
1°       een gedetailleerde afrekening van de kosten en opbrengsten die verbonden zijn aan de werking van de ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven, aangevuld met de resultatenrekening en een balans over het voorbije kalenderjaar, conform het genormaliseerde rekeningstelsel, vermeld in het eerste lid, alsook een begroting voor het lopende kalenderjaar, die goedgekeurd is door het bevoegde bestuursorgaan;
2°       een gedetailleerde afrekening van de personeelskosten, met onder meer een afschrift van de RSZ-staten en de individuele jaarrekeningen over de gesubsidieerde periode met betrekking tot de tewerkgestelde personeelsleden;
3°       een jaarverslag over de eigen activiteiten en de resultaten met betrekking tot de opdrachten, vermeld in artikel 4.209.
 
Ze bezorgt bovendien jaarlijks uiterlijk op 15 mei de verslagen met een analyse van de werking van de huurdersbonden en de werking van VIVAS tijdens het voorbije kalenderjaar.
 
§2. Het agentschap is belast met de controle op de stukken, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1° en 2°. Het maakt een ontwerp van afrekening op als vermeld in artikel 4.213, §2.
 
Het agentschap legt uiterlijk op 31 mei de verslagen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, samen met een advies over de werking en activiteiten van de erkende ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven, met het ontwerp van afrekening ter goedkeuring voor aan de minister.

Artikel 4.215. (01/01/2021- ...)

Het bedrag, vermeld in artikel 4.213, §1, is uitgedrukt tegen 100% op basis van de spilindex die van toepassing is op 1 januari 2019. Het wordt, wat het loonaandeel betreft, geïndexeerd conform de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van het Rijk gekoppeld worden. Het niet-loonaandeel wordt geïndexeerd volgens de indexatieparameter voor werkingskredieten die in de begrotingsinstructies is opgenomen.

Afdeling 3. Sancties

Artikel 4.216. (01/01/2021- ...)

Met behoud van de toepassing van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen, af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, zal de minister na gemotiveerd advies van het agentschap of de toezichthouder en nadat hij de ondersteuningsstructuur heeft gehoord, de uitbetaling van de subsidie stopzetten, de reeds uitbetaalde subsidie terugvorderen en de erkenning intrekken als:
1°       wordt vastgesteld dat de ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven niet meer voldoet aan een van de erkennings- en subsidievoorwaarden en ze niet kan aantonen dat ze opnieuw aan de voorwaarden zal voldoen binnen drie maanden die volgen op de datum van de vaststelling, vanaf het moment dat wordt vastgesteld dat de ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven niet meer voldoet aan een van de erkennings- en subsidievoorwaarden;
2°       de ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven een voldoende ernstige onregelmatigheid begaat bij de uitvoering van haar opdracht;
3°       de ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven ten onrechte een erkenning en subsidiëring heeft verkregen op grond van onjuiste informatie;
4°       de ondersteuningsstructuur huurdersinitiatieven de controle, vermeld in artikel 4.213, §2, verhindert.

Deel 2. Andere woonactoren

Titel 1. Verhuurdersorganisaties

Titel 1. Verhuurdersorganisaties

Hoofdstuk 1. Definitie

Artikel 4.217. (01/01/2021- ...)

In deze titel wordt verstaan onder project: een planmatig opgezette thematische of experimentele actie met concrete doelstellingen, die afgebakend is in de tijd.

Hoofdstuk 2. Erkenning
Afdeling 1. Voorwaarden

Artikel 4.218. (01/01/2021- ...)

In het Vlaamse Gewest kunnen ten hoogste twee verhuurdersorganisaties die private verhuurders vertegenwoordigen, en één verhuurdersorganisatie die vastgoedmakelaars vertegenwoordigt, erkend worden.
 
Als meer verhuurdersorganisaties een erkenning vragen, worden de organisaties met de grootste representativiteit erkend. Die representativiteit wordt gemeten aan de hand van het aantal leden. Het aantal leden wordt vastgesteld op het moment van de aanvraag.
 
Om als verhuurdersorganisatie erkend te kunnen worden en te blijven, moet de verhuurdersorganisatie aan al de volgende voorwaarden voldoen:
1°       de opdrachten, vermeld in artikel 4.221, vervullen;
2°       particuliere verhuurders of vastgoedmakelaars vertegenwoordigen;
3°       deelnemen aan overlegstructuren of samenwerken met het agentschap voor beleidsinitiatieven op de private huurmarkt;
4°       opgericht zijn in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk conform het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen;
5°       beschikken over een centraal secretariaat met een consultatieruimte en gedurende ten minste twintig uur per week voor advies ter plaatse, telefonisch en per e-mail beschikbaar zijn voor het publiek en ten minste drie uur per week 's avonds na 18 uur of tijdens het weekend. In provincies waar geen centraal secretariaat is, worden ten minste vijf adviesuren per maand georganiseerd;
6°       het bewijs leveren dat ze gedurende ten minste één jaar voor de erkenningsaanvraag de opdrachten, vermeld in artikel 4.221, heeft vervuld;
7°       ten minste één voltijdsequivalent personeelslid met een diploma universitair onderwijs of met vijf jaar nuttige ervaring in de huisvestingsproblematiek en één voltijdsequivalent personeelslid met een diploma niet-universitair hoger onderwijs of met drie jaar nuttige ervaring in de huisvestingsproblematiek tewerkstellen;
8°       een beleidsplan opstellen, waarin een overzicht wordt gegeven van de doelstellingen die ze de volgende vijf jaar wil realiseren, alsook een gemotiveerd actieprogramma waarin de activiteiten zijn opgenomen om die doelstellingen te bereiken. De minister kan inhoudelijke prioriteiten bepalen waarmee de verhuurdersorganisatie rekening moet houden bij de opmaak van het beleidsplan;
9°       zich ertoe verbinden elke wijziging in de statuten en in het werkingsgebied, en elke wijziging waardoor ze niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, mee te delen aan het agentschap;
10°     een jaarverslag over de eigen werking in het voorbije jaar opmaken.
 
De voorwaarde, vermeld in het derde lid, 5°, geldt niet voor een verhuurdersorganisatie die vastgoedmakelaars vertegenwoordigt.
 
In afwijking van het derde lid, 6°, hoeft de opdracht, vermeld in artikel 4.221, §1, eerste lid, 3°, en §2, eerste lid, 3°, niet kosteloos te zijn vervuld.

Afdeling 2. Erkenningsaanvraag

Artikel 4.219. (01/01/2021- ...)

De aanvraag tot erkenning wordt ingediend bij het agentschap en bevat al de volgende gegevens en stukken:
1°       de bewijzen waaruit blijkt dat aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4.218, is voldaan;
2°       een toelichting over:
a)       de structuur van de organisatie;
b)       de personeelsformatie;
c)       de statuten en het huishoudelijk reglement;
d)       het werkingsgebied;
e)       het aantal leden;
f)        het beleidsplan voor de komende vijf jaar.
 
Het agentschap bezorgt de aanvrager onmiddellijk een ontvangstbevestiging en beoordeelt de volledigheid van het dossier binnen dertig kalenderdagen vanaf de dag van de ontvangstbevestiging.
 
Als het aanvraagdossier onvolledig is, brengt het agentschap de aanvrager daarvan op de hoogte. De aanvrager bezorgt de ontbrekende stukken binnen dertig kalenderdagen vanaf de vraag tot vervollediging aan het agentschap.
 
Als het aanvraagdossier volledig is, brengt het agentschap de aanvrager daarvan op de hoogte. Binnen negentig kalenderdagen na de dag van de volledigverklaring neemt de minister een beslissing over de erkenningsaanvraag.
 
De minister legt vijfjaarlijks de periode vast waarin een aanvraag tot erkenning kan worden ingediend.

Artikel 4.220. (01/01/2021- ...)

§1. Het erkenningsbesluit treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de minister het erkenningsbesluit heeft ondertekend en geldt tot en met 31 december van het vijfde kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het erkenningsbesluit in werking is getreden.
 
§2. De periode, vermeld in paragraaf 1, kan telkens met vijf jaar worden verlengd als de verhuurdersorganisatie op zijn vroegst negen maanden en uiterlijk zes maanden voor het einde van de periode in kwestie een aanvraag tot verlenging van de erkenning indient bij het agentschap.
 
De minister beslist over de verlengingsaanvraag op basis van de evaluatie van de werking van de verhuurdersorganisatie tijdens de voorgaande jaren.
 
De verlengingsaanvraag wordt behandeld conform de procedure, vermeld in artikel 4.219.

Hoofdstuk 3. Opdrachten

Artikel 4.221. (01/01/2021- ...)

§1. Een verhuurdersorganisatie die private verhuurders vertegenwoordigt, heeft de volgende opdrachten:
1°       ertoe bijdragen om het recht op wonen voor iedereen te helpen realiseren;
2°       optreden als belangenbehartiger van verhuurders op de privéwoninghuurmarkt;
3°       op individuele of collectieve basis informatie en advies verstrekken over alle aangelegenheden in verband met het verhuren van woningen;
4°       juridische bijstand verlenen aan verhuurders en potentiële verhuurders.
 
De verhuurdersorganisatie vervult de opdracht, vermeld in het eerste lid, 3°, in de vorm van een eerste kosteloze raadpleging ten aanzien van niet-leden.
 
§2. Een verhuurdersorganisatie die vastgoedmakelaars vertegenwoordigt, heeft de volgende opdrachten:
1°       ertoe bijdragen het recht op wonen voor iedereen te helpen realiseren;
2°       optreden als belangenbehartiger van vastgoedmakelaars;
3°       op individuele of collectieve basis informatie en advies verstrekken over alle aangelegenheden in verband met het verhuren van woningen.
 
De verhuurdersorganisatie vervult de opdracht, vermeld in het eerste lid, 3°, kosteloos ten aanzien van niet-leden.

Hoofdstuk 4. Subsidie
Afdeling 1. Basissubsidie

Artikel 4.222. (01/01/2021- ...)

Binnen de perken van de kredieten die daarvoor beschikbaar zijn op de algemene uitgavenbegroting wordt een basissubsidie-enveloppe toegekend aan de erkende verhuurdersorganisaties.
 
De basissubsidie-enveloppe wordt gedurende de erkenningsperiode, vermeld in artikel 4.220, §1, jaarlijks toegekend nadat het agentschap aan de hand van de stukken, vermeld in artikel 4.230, tweede lid, heeft vastgesteld dat de verhuurdersorganisatie aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4.218, derde lid, voldoet. Als het agentschap vaststelt, nadat het de verhuurdersorganisatie heeft gehoord, dat de verhuurdersorganisatie niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4.218, derde lid, toont de verhuurdersorganisatie binnen drie maanden vanaf de vaststelling, aan dat zij opnieuw aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4.218, derde lid, voldoet.
 
De basissubsidie-enveloppe voor een verhuurdersorganisatie die private verhuurders vertegenwoordigt, bedraagt 164.500 euro per kalenderjaar.
 
De basissubsidie-enveloppe voor de verhuurdersorganisatie die vastgoedmakelaars vertegenwoordigt, bedraagt 98.700 euro per kalenderjaar.

Artikel 4.223. (22/02/2021- ...)

De basissubsidie-enveloppe wordt besteed aan de werkings- en personeelskosten van de verhuurdersorganisatie.
 
De subsidiëring van de personeelskosten wordt bij de jaarlijkse afrekening berekend op grond van de uitbetaalde brutopersoneelskosten, inclusief sociale bijdragen, toelagen en vergoedingen, volgens de voorwaarden die vastgelegd zijn in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité 200 voor Bedienden.

Artikel 4.224. (01/01/2021- ...)

De bedragen, vermeld in artikel 4.222, zijn uitgedrukt tegen 100% op basis van de spilindex die van toepassing is op 1 januari 2019. Binnen de perken van de begroting wordt het bedrag geïndexeerd conform de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Het niet-loonaandeel wordt geïndexeerd volgens de indexatieparameter voor werkingskredieten die in de begrotingsinstructies is opgenomen.

Artikel 4.225. (01/01/2021- ...)

De basissubsidie-enveloppe wordt uitbetaald voor elk volledig kalenderjaar via twee voorschotten van 45% op het toegestane maximumbedrag. De voorschotten worden betaald bij het begin van het kalenderjaar en het begin van het tweede semester. De jaarlijkse afrekening wordt uiterlijk op 15 september van het volgende kalenderjaar opgemaakt op basis van de stukken, vermeld in artikel 4.230, tweede lid, met het oog op de uitbetaling van het saldo.
 
De basissubsidie-enveloppe voor de maanden tussen de inwerkingtreding van het subsidiebesluit en 1 januari van het eerste volledige kalenderjaar wordt berekend in verhouding tot het aantal maanden. Ze wordt uitbetaald volgens de voorschotregeling, vermeld in het eerste lid.
 
Als na controle van de bewijsstukken blijkt dat niet-verschuldigde subsidies zijn uitbetaald, worden die bedragen in mindering gebracht van het voorschot bij de afrekening voor het volgende kalenderjaar. Als de bedragen die in mindering gebracht moeten worden, groter zijn dan het voorschot, worden ze teruggevorderd.

Afdeling 2. Projectsubsidie

Artikel 4.226. (01/01/2021- ...)

Binnen de perken van de kredieten die daarvoor beschikbaar zijn op de algemene uitgavenbegroting, kan een projectsubsidie-enveloppe voor een thematische actie worden toegekend aan een erkende verhuurdersorganisatie.

Artikel 4.227. (01/01/2021- ...)

Binnen de perken van de kredieten die daarvoor beschikbaar zijn op de algemene uitgavenbegroting, kan er een projectsubsidie-enveloppe voor een experimentele actie worden toegekend aan een erkende verhuurdersorganisatie of een andere actor.

Artikel 4.228. (01/01/2021- ...)

De projectsubsidie-enveloppe, vermeld in artikel 4.226 en 4.227, wordt gebruikt om thematische of experimentele acties tijdelijk te ondersteunen op het vlak van de werkings- en personeelskosten die inherent zijn aan de realisatie ervan.

Artikel 4.229. (01/01/2021- ...)

De minister legt jaarlijks, na voorafgaande mededeling aan de Vlaamse Regering, de onderwerpen vast van de thematische en experimentele acties waarvoor een projectsubsidie-enveloppe kan worden aangevraagd. De minister regelt de procedure voor de aanvraag en beoordeling en bepaalt de regels voor de inhoudelijke en financiële verantwoording over de aanwending van de projectsubsidie-enveloppe.

[Afdeling 2/1. Bepaling over de de-minimissteun (ing. BVR 22 januari 2021, art.2, I: 22 februari 2021)]

Artikel 4.229/1. (22/02/2021- ...)

De subsidiebedragen die worden toegestaan met toepassing van dit hoofdstuk, worden verleend met inachtneming van de voorwaarden, vermeld in de verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun.

De steun die via de erkende verhuurdersorganisaties ten goede komt van een private verhuurder of vastgoedmakelaar, bedraagt per drie jaar ten hoogste 1500 euro per private verhuurder of vastgoedmakelaar.

Afdeling 3. Jaarverslag en boekhouding

Artikel 4.230. (01/01/2021- ...)

Elke erkende verhuurdersorganisatie voert een dubbele boekhouding die gebaseerd is op het genormaliseerde rekeningstelsel, conform de nadere regels die de minister heeft bepaald.
 
Jaarlijks legt de erkende verhuurdersorganisatie uiterlijk op 30 juni en voor de eerste keer uiterlijk op 30 juni van het jaar dat volgt op het jaar waarin de verhuurdersorganisatie is erkend en gesubsidieerd, de volgende stukken voor aan het agentschap:
1°       een gedetailleerde afrekening van de kosten die met de subsidiemiddelen betaald zijn, met een resultatenrekening en een balans van het voorbije kalenderjaar, conform het genormaliseerde rekeningstelsel, vermeld in het eerste lid, alsook een begroting voor het lopende kalenderjaar, zoals goedgekeurd door de algemene ledenvergadering;
2°       een gedetailleerde afrekening van de personeelskosten, met een afschrift van de RSZ-staten en de individuele jaarrekeningen over de gesubsidieerde periode met betrekking tot de tewerkgestelde personeelsleden;
3°       een detailafrekening van de effectuitgaven die met subsidies gefinancierd zijn;
4°       het jaarverslag, vermeld in artikel 4.218, derde lid, 10°, dat een beschrijving van en een toelichting bij de activiteiten en de werking gedurende het voorbije jaar bevat.

Hoofdstuk 5. Sancties

Artikel 4.231. (01/01/2021- ...)

Met behoud van de toepassing van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof en het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaring af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen kan de uitbetaling van de subsidie geheel of gedeeltelijk worden stopgezet of kan de erkenning worden ingetrokken in de volgende gevallen:
1°       nadat het agentschap de verhuurdersorganisatie heeft gehoord, stelt het vast dat de verhuurdersorganisatie niet meer voldoet aan een van de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4.218, derde lid. De verhuurdersorganisatie kan niet aantonen dat ze opnieuw aan de voorwaarden zal voldoen binnen drie maanden die volgen op de datum waarop het agentschap heeft vastgesteld dat de verhuurdersorganisatie niet meer voldoet aan een van de erkennings- en subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 4.218, derde lid;
2°       de verhuurdersorganisatie begaat een ernstige onregelmatigheid bij de uitvoering van haar opdracht.

Titel 2. (Voorbehouden voor toekomstig gebruik)

Artikel 4.232. (01/01/2021- ...)

Voorbehouden voor toekomstig gebruik

Deel 3. Toezicht

Titel 1. Definities

Artikel 4.233. (01/01/2021- ...)

In dit deel wordt verstaan onder:
1°       beveiligde zending: een van de hiernavolgende betekeningswijzen:
a)       een aangetekende brief;
b)       een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c)       elke andere betekeningswijze die door de minister is toegestaan, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
2°       woonactoren: de organisaties, vermeld in artikel 4.79 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

Titel 2. Toezicht op woonactoren

Artikel 4.234. (01/01/2021- ...)

De toezichthouder is belast met het toezicht op de activiteiten van de huurdersbonden, de naleving van de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4.195, derde lid, en het optimale gebruik van de toegekende subsidies.

Artikel 4.235. (01/01/2021- ...)

De toezichthouder is belast met het toezicht op de activiteiten van de verhuurdersorganisaties en de actoren, de naleving van de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4.218, derde lid, en het optimale gebruik van de toegekende subsidies.

Titel 3. Profiel, statuut en ambtsgebied van de toezichthouder

Artikel 4.236. (01/01/2021- 31/12/2022)

Het afdelingshoofd van de afdeling Toezicht oefent de functie uit van toezichthouder. De overige toezichthouders worden aangesteld onder de ambtenaren van niveau A die minstens één jaar bij de afdeling Toezicht hebben gewerkt, en onder de ambtenaren van niveau B die minstens drie jaar hebben gewerkt bij de afdeling Toezicht. De lijnmanager van het agentschap waartoe de afdeling Toezicht behoort, kan voor kandidaat-toezichthouders van niveau B bijzondere vereisten in overeenstemming met de functiebeschrijving en het competentieprofiel vaststellen.
 
De ambtenaren die als toezichthouder zijn aangesteld, blijven in die hoedanigheid onderworpen aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid.

Artikel 4.237. (25/04/2022- ...)

De functie van toezichthouder is onverenigbaar met:
1°       de functie van voorzitter of lid van het bestuursorgaan van de beheersorganen van de instanties of van elk ander beheersorgaan van de organisaties, vermeld in artikel 4.79 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, die tot zijn ambtsgebied behoren;
2°       een bestuursfunctie of andere functie bij een koepelorganisatie van de organisaties, vermeld in punt 1°.

Artikel 4.238. (01/01/2021- ...)

Tenzij hem een beperkter ambtsgebied wordt toegewezen, oefent de toezichthouder zijn bevoegdheden uit op het hele grondgebied van het Vlaamse Gewest.
 
Een territoriaal ambtsgebied, als dat beperkter is dan het ambtsgebied van het Vlaamse Gewest, wordt toegewezen voor een termijn van ten hoogste vijf jaar. Daarna krijgt de toezichthouder een ander ambtsgebied toegewezen.

Titel 4. Uitoefening van het toezicht

Artikel 4.239. (25/04/2022- ...)

§1. De woonactoren bezorgen aan de toezichthouder een lijst met een beknopte beschrijving van de beslissingen die betrekking hebben op de verrichtingen vermeld in artikel 4.79 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
 
§2. De woonactoren bezorgen aan de toezichthouder op zijn uitdrukkelijk verzoek en binnen de termijn, die hij bepaalt, de volgende informatie:
1°       rapporten over de aangelegenheden, die hij heeft aangeduid;
2°       agenda's en notulen van de beraadslaging van de organen met beslissingsbevoegdheid over aangelegenheden als vermeld in artikel 4.79 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
3°       de documenten die de grondslag vormen van de beslissingen die de toezichthouder heeft aangeduid.
 
§3. De woonmaatschappijen, vermeld in artikel 4.36, §1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en de erkende huurdiensten bezorgen de volgende beslissingen, documenten of gegevens aan de toezichthouder:
1°       de agenda met een korte omschrijving van elk agendapunt van de algemene en buitengewone vergadering, uiterlijk vijftien kalenderdagen voor de vergadering;
2°       de notulen van de beraadslaging van de algemene en buitengewone algemene vergadering;
3°       de benoeming of ambtsbeëindiging van de bestuurders, alsook de verkiezing of het ontslag van de voorzitter, binnen acht kalenderdagen na de beslissing;
4°       in voorkomend geval, jaarlijks het aantal aandelen dat elke vennoot bezit, de inschrijvingen op nieuwe aandelen en de terugbetalingen;
5°       beslissingen die betrekking hebben op de verrichtingen krachtens de Vlaamse Codex Wonen van 2021 of op de opdrachten die opgelegd zijn door de voormelde codex, de besluiten ter uitvoering ervan en elk ander decreet of besluit, als dat betrekking heeft op aspecten van het sociale woonbeleid.
 
§4. De erkende kredietmaatschappijen bezorgen de volgende beslissingen, documenten of gegevens aan de toezichthouder:
1°       de agenda met korte omschrijving van elk agendapunt van de algemene en buitengewone vergadering, uiterlijk vijftien kalenderdagen voor de vergadering;
2°       de notulen van de beraadslaging van de algemene en buitengewone vergadering;
3°       de beslissing van het bevoegde beheersorgaan tot toekenning van een bindend aanbod voor een sociale lening, binnen vijf kalenderdagen na de beslissing tot toekenning van een bindend aanbod.
 
De erkende kredietmaatschappij stelt voor elke sociale lening een dossier op dat aan de toezichthouder ter beschikking wordt gesteld. De minister bepaalt de samenstelling van dat dossier en de wijze waarop de toezichthouder er kennis van krijgt.
 
§5. Voor de berekening van de termijnen, vermeld in dit artikel, is de vervaldag in de termijn begrepen. Als de vervaldag een zaterdag, een zondag, een wettelijke of decretale feestdag is, wordt die verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
 
Het overmaken van de stukken, vermeld in paragraaf 1, 3 en 4, eerste lid, gebeurt met een beveiligde zending of elektronisch, als dat een ontvangstbewijs van de toezichthouder oplevert.
 
De termijn om de stukken, vermeld in paragraaf 1, 3, 2° en 5° en 4, eerste lid, 2°, over te maken, is vijf kalenderdagen na de desbetreffende vergadering of beslissing.

Artikel 4.240. (01/01/2021- ...)

De toezichthouder kan zich laten bijstaan door deskundigen, in het bijzonder bij het afleggen van plaatsbezoeken.
 
Conform artikel 4.81, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 beschikt de toezichthouder over de bevoegdheid om alle informatie te verkrijgen die noodzakelijk of nuttig is voor de uitoefening van zijn toezichtsfunctie. Die informatie wordt hem kosteloos bezorgd.

Artikel 4.241. (25/04/2022- ...)

De toezichthouder wordt op alle vergaderingen van het bestuursorgaan van het VWF uitgenodigd.

Artikel 4.242. (01/01/2021- ...)

De toezichthouder heeft vrije toegang tot de lokalen van de erkende huurdersbonden en regionale steunpunten. Hij heeft het recht zich ter plaatse alle administratieve stukken die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn opdracht, ter inzage te laten overhandigen.
 
De toezichthouder heeft bovendien het recht deel te nemen aan alle overlegvergaderingen die worden belegd door de huurdersbonden.

Artikel 4.243. (01/01/2021- ...)

De toezichthouder heeft de vrije toegang tot de lokalen van de verhuurdersorganisaties en de actoren. Hij heeft het recht zich ter plaatse alle administratieve stukken ter inzage te laten overhandigen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn opdracht.
 
De toezichthouder heeft daarnaast het recht om zich een kopie van alle administratieve stukken te laten overhandigen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn opdracht.
 
De toezichthouder heeft het recht deel te nemen aan alle overlegvergaderingen die de verhuurdersorganisaties en de actoren beleggen.

Titel 5. Maatregelen en sancties

Hoofdstuk 1. Schorsing en vernietiging

Artikel 4.244. (01/01/2021- ...)

De toezichthouder geeft kennis van de schorsing met een beveiligde zending. Als de toezichthouder een beslissing schorst of vernietigt op de vergadering zelf van het beheersorgaan, wordt de beslissing tot schorsing of vernietiging, binnen twee werkdagen na de mondelinge beslissing tot schorsing of vernietiging, met een beveiligde zending overgemaakt aan het beheersorgaan. Als daaraan niet voldaan is, is de beslissing tot schorsing of vernietiging niet geldig.
 
Voor de berekening van de termijn, vermeld in dit artikel, is de vervaldag in de termijn begrepen. Als de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke of decretale feestdag is, wordt die verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
 
Elke beslissing tot schorsing of vernietiging van de toezichthouder vermeldt de geschonden regels, een toelichting over de schending van de regels, of, in voorkomend geval, een motivering over de wijze waarop het algemeen belang is geschonden. Als die vermeldingen ontbreken, is de beslissing niet geldig.

Artikel 4.245. (01/01/2021- ...)

Het beroep, vermeld in artikel 4.87 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, wordt op straffe van onontvankelijkheid ingediend met een beveiligde zending die gericht is aan de minister op het adres van het agentschap.

Artikel 4.246. (01/01/2021- ...)

Als de toezichthouder, conform artikel 4.88 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, de aangelegenheid bepaalt waarover en de termijn waarin een beheersorgaan een beslissing moet nemen, brengt hij het betrokken beheersorgaan daarvan op de hoogte met een beveiligde zending of elektronisch, als dat een ontvangstbewijs van het beheersorgaan oplevert.
 
Als de toezichthouder, conform artikel 4.88 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, de plaats inneemt van een beheersorgaan, is de uitvoering van de door hem genomen beslissing ten laste van de gemachtigden van het betrokken beheersorgaan. De toezichthouder bepaalt de termijn waarin de beslissing moet worden uitgevoerd. Als de beslissing niet is uitgevoerd binnen de gestelde termijn, of als de beslissing op een foutieve wijze is uitgevoerd, kan de toezichthouder de beslissing zelf uitvoeren.

Hoofdstuk 2. Administratieve geldboete

Artikel 4.247. (01/01/2021- 31/12/2022)

§1. De ingebrekestelling, vermeld in artikel 4.89 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, bevat:
1°       de uiteenzetting van de feiten, de bepalingen waarop de feiten een overtreding vormen en, in voorkomend geval, een lijst van de documenten waarop de ingebrekestelling is gebaseerd;
2°       de melding dat een voortzetting van de overtreding of een overtreding van dezelfde reglementaire bepalingen als vermeld in de ingebrekestelling aanleiding geeft tot een administratieve geldboete;
3°       de melding dat de woonactor, die in gebreke gesteld is, een schriftelijk verweerschrift kan indienen.
 
De ingebrekestelling wordt met een beveiligde zending bezorgd.
 
§2. Het verweerschrift, vermeld in artikel 4.89, derde lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, wordt op straffe van onontvankelijkheid ingediend met een beveiligde zending, gericht aan de toezichthouder op het adres van de afdeling Toezicht.
 
Het verweerschrift moet, op straffe van onontvankelijkheid, binnen dertig kalenderdagen na de ingebrekestelling ingediend worden. De termijn om een verweerschrift in te dienen begint te lopen de dag na de kennisname van de ingebrekestelling.
 
§3. Als er geen verweer wordt gevoerd of de toezichthouder het verweer onontvankelijk of ongegrond acht, en de overtreding, vermeld in de ingebrekestelling, gehandhaafd blijft, kan de toezichthouder een administratieve geldboete opleggen binnen een vervaltermijn van drie maanden na de datum van de ingebrekestelling, vermeld in paragraaf 1, maar op zijn vroegst dertig kalenderdagen na de ingebrekestelling. Die vervaltermijn van drie maanden geldt niet voor het opleggen van een administratieve geldboete voor een overtreding van dezelfde reglementaire bepalingen als vermeld in de ingebrekestelling.

Artikel 4.248. (01/01/2021- ...)

§1. Bij het vaststellen van het bedrag van de administratieve geldboete houdt de toezichthouder minstens rekening met:
1°       de ernst van de inbreuk;
2°       eventuele soortgelijke precedenten;
3°       verzachtende omstandigheden;
4°       de voortdurende of tijdelijke, volledige of gedeeltelijke onmogelijkheid om aan de verplichtingen te voldoen.
 
§2. Bij het vaststellen van het bedrag van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 4.90 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, wegens een overtreding van dezelfde reglementaire bepalingen als vermeld in de ingebrekestelling, houdt de toezichthouder bijkomend rekening met:
1°       de tijd tussen de ingebrekestelling en de vastgestelde overtreding;
2°       eventueel gewijzigde omstandigheden na de ingebrekestelling.
 
§3. Een administratieve geldboete kan niet worden opgelegd als een gerechtelijke uitspraak voor de overtreding in kwestie gezag van gewijsde heeft gekregen.
 
§4. De woonactor wordt van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete op de hoogte gebracht met een beveiligde zending.
Die beslissing bevat minstens:
1°       in voorkomend geval, de uiteenzetting van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de ingebrekestelling;
2°       in voorkomend geval, de wettelijke regel of het algemeen belang waarop die feiten een overtreding vormen;
3°       in voorkomend geval, de datum van ingebrekestelling;
4°       in voorkomend geval, de vastgestelde feiten na de ingebrekestelling;
5°       in voorkomend geval, een antwoord op het verweerschrift;
6°       het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete en de elementen die in aanmerking zijn genomen om dat bedrag te bepalen;
7°       de termijn waarin en het rekeningnummer waarop de administratieve geldboete moet worden voldaan;
8°       de vermelding van de mogelijkheid om tegen die beslissing in beroep te gaan.

Boek 5. Instrumenten van het woonbeleid

Deel 1. Fondsen

Titel 1. Fonds voor de Huisvesting

Artikel 5.1. (01/01/2021- ...)

Voorbehouden voor toekomstig gebruik

Titel 2. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]

Artikel 5.2. (01/01/2021- 31/12/2022)

In deze titel wordt verstaan onder:
1° fonds: het Garantiefonds voor Huisvesting, vermeld in boek 5, deel 1, titel 2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
2°  leegstand: het ontbreken van een huurovereenkomst gedurende meer dan drie opeenvolgende maanden;
3°  wanbetaling: de gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de reële huurprijs, vermeld in artikel 6.46, en de eventuele huurlasten aan de LHI gedurende een periode van meer dan zes opeenvolgende maanden.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]

Artikel 5.3. (01/01/2021- 31/12/2022)

§1. De minister is belast met de werking en het beheer van het Fonds. Hij beslist welke personeelsleden, uitrusting en installaties ter beschikking worden gesteld aan het Fonds.

De minister kan zijn bevoegdheid geheel of gedeeltelijk delegeren.

§2. De minister sluit met het Fonds een protocol over de uitvoering en de voortgangscontrole van de tegemoetkomingen die het Fonds heeft verleend in het kader van de gesloten PPS-overeenkomsten.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]

Artikel 5.4. (01/01/2021- 31/12/2022)

Het Fonds maakt jaarlijks een boekhouding en begroting conform het Besluit Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 17 mei 2019, conform de bepalingen van dit besluit en conform de jaarlijkse begrotingsrichtlijnen, die de Vlaamse Regering verstrekt.

Conform artikel 6 van het decreet van 8 juli 1996 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1996 moet de Vlaamse Regering uiterlijk 15 maart van het jaar na het begrotingsjaar beschikken over de jaarrekening van het Fonds.

Artikel 5.5. (01/01/2021- 31/12/2022)

De begroting wordt onderverdeeld in ontvangsten en uitgaven.

De minister kan de ontvangsten en uitgaven nader indelen in de economische categorieën die hij bepaalt.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]

Artikel 5.6. (01/01/2021- 31/12/2022)

De middelen van het Fonds kunnen uitsluitend worden aangewend voor de gehele of gedeeltelijke tegemoetkomingen van:
1° projecten voor de bouw en uitbating van PPS-woningen;
2° werkingskosten die eigen zijn aan het Fonds.

Artikel 5.7. (01/01/2021- 31/12/2022)

De minister doet volgens de noodzaak en binnen de perken van de beschikbare middelen een oproep voor PPS-projecten sociale huisvesting.

De minister wijst binnen de perken van de beschikbare middelen vervolgens de projecten voor de bouw en de uitbating van PPS-woningen aan die in aanmerking komen voor tegemoetkomingen.

Behoudens afwijkend besluit van de minister worden geen tegemoetkomingen vastgelegd voor PPS-projecten sociale huisvesting zonder voorafgaande aanwijzing door de minister. De toekenning van de tegemoetkomingen, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 1, is onderworpen aan de voorafgaande ondertekening van het model van PPS-overeenkomst, dat bij dit besluit gevoegd is.

Het model van PPS-overeenkomst dat als bijlage 15 bij dit besluit gevoegd is, kan worden gewijzigd bij ministerieel besluit.

Als de minister het project voor de bouw en uitbating van PPS-woningen heeft aangewezen op basis van het bij dit besluit gevoegde en ondertekende model van PPS-overeenkomst, heeft de LHI, die partij is bij de ondertekende PPS-overeenkomst, het recht om van het Fonds de tegemoetkomingen, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 1, te ontvangen.

Artikel 5.8. (01/01/2021- 31/12/2022)

De LHI, die partij is bij de ondertekende PPS-overeenkomst, deelt aan het Fonds, op sanctie van opschorting van de financiële tegemoetkomingen, schriftelijk de reële huurprijs, vermeld in artikel 6.46, en de eventuele huurlasten van de PPS-woningen bij de eerste verhuring mee.

De LHI, die partij is bij de ondertekende PPS-overeenkomst, deelt aan het Fonds, op sanctie van opschorting van de financiële tegemoetkomingen, jaarlijks vóór 31 oktober schriftelijk het volgende mee:
1° de reële huurprijs, vermeld in artikel 6.46, van de PPS-woningen voor de maand januari van het volgende kalenderjaar, alsook de berekeningswijze van die reële huurprijs;
2° de laatst bekende reële huurprijs, met vermelding van het tijdstip van de laatste verhuring, van de PPS-woningen die niet meer verhuurd zijn of die in januari van het volgende kalenderjaar niet meer verhuurd zullen zijn;
3° de maanden waarvoor tijdens de voorbije twaalf maanden van 1 oktober tot 30 september een huurovereenkomst ontbreekt voor de PPS-woningen;
4° de maanden van niet-betaling van de reële huurprijs en de eventuele huurlasten van de PPS-woningen tijdens de voorbije twaalf maanden van 1 oktober tot 30 september.

 

Artikel 5.9. (01/01/2021- 31/12/2022)

De tegemoetkomingen worden jaarlijks voor de duur van een volledig kalenderjaar bepaald op basis van de gegevens die verstrekt zijn conform artikel 5.8. Het Fonds betaalt de tegemoetkomingen maandelijks, voor de vijftiende van elke maand, aan de LHI, die partij is bij de PPS-overeenkomst.

Artikel 5.10. (01/01/2021- 31/12/2022)

De tegemoetkomingen die ten onrechte uitgekeerd zijn, worden verrekend met tegemoetkomingen die nog verschuldigd zijn. Bij gebrek aan verschuldigde tegemoetkomingen vordert het Fonds de tegemoetkomingen terug die ten onrechte uitgekeerd zijn.

Artikel 5.11. (01/01/2021- 31/12/2022)

De LHI is verplicht om het Fonds onmiddellijk op de hoogte te brengen als de LHI, om welke reden ook, geen erfpachtcanon is verschuldigd. De overeenkomstige tegemoetkomingen van het Fonds vervallen op het ogenblik dat geen erfpachtcanon verschuldigd is.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]

Artikel 5.12. (01/01/2021- 31/12/2022)

Onder de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, betaalt het Fonds de volgende tegemoetkomingen aan de LHI uit:
1° een verhuursubsidie, die het verschil is tussen de basishuurprijs, vermeld in artikel 6.46, en de reële huurprijs, vermeld in artikel 6.46;
2° een eventuele tegemoetkoming voor een netto te financieren saldo, die het verschil is tussen de erfpachtcanon en de basishuurprijs, vermeld in artikel 6.46;
3° een forfaitaire tegemoetkoming voor leegstand en wanbetalingen.

Artikel 5.13. (01/01/2021- 31/12/2022)

Het maandelijkse bedrag van de verhuursubsidie en de tegemoetkoming voor een netto te financieren saldo voor de PPS-woningen voor het kalenderjaar waarvoor de reële huurprijzen worden opgegeven in artikel 5.8, aangegeven als T, is het resultaat van de volgende formule:

T = Em – R,

waarbij:
1° Em staat voor de maandelijkse erfpachtcanon (btw inbegrepen);
2° R de som is van de reële huurprijzen van alle PPS-woningen van een PPS- overeenkomst voor de maand januari van het kalenderjaar waarvoor de tegemoetkoming wordt bepaald. Als de reële huurprijs van januari niet bepaald kan worden, komt de laatst bekende reële huurprijs, geïndexeerd met 2,5%, in de plaats. De indexering van 2,5% wordt zo veel keer toegepast als er een verschil van jaartallen is tussen het kalenderjaar waarvoor de tegemoetkoming is bepaald en het jaartal van de laatst bekende reële huurprijs. Als de PPS-woning nog nooit is verhuurd, komt 75% van de geïndexeerde basishuurprijs in de plaats van de reële huurprijs.

Artikel 5.14. (01/01/2021- 31/12/2022)

§1. Als de mate van leegstand meer dan 3% bedraagt of als de mate van wanbetalingen meer dan 2% bedraagt, wordt voor het gedeelte dat deze procenten overschrijdt een vermindering op de verhuursubsidie en de tegemoetkoming voor een netto te financieren saldo toegepast.

§2. De mate van leegstand wordt cijfermatig uitgedrukt voor een periode van 1 oktober tot 30 september als een leegstandspercentage, aangegeven als Lpc. Het leegstandspercentage Lpc is gelijk aan het quotiënt van twee grootheden.

De eerste grootheid, het deeltal van het quotiënt, is de som van het aantal maanden dat woningen door leegstand getroffen worden volgens de leegstandsdefinitie van artikel 5.2, 2°. Per leegstaande woning wordt één term van de som bepaald als het aantal maanden in de voormelde periode dat de drie maanden, vermeld in artikel 5.2, 2°, overtreft.

De tweede grootheid, de deler van het quotiënt, is gelijk aan het product van het totale aantal woningen met het aantal maanden erfpacht van deze periode.

§3. De mate van wanbetalingen wordt cijfermatig uitgedrukt voor een periode van 1 oktober tot 30 september als een wanbetalingspercentage, aangegeven als Wpc. Het wanbetalingspercentage Wpc is het quotiënt van twee grootheden.

De eerste grootheid, het deeltal van het quotiënt, is de som van het aantal maanden dat woningen door wanbetalingen getroffen worden volgens de wanbetalingsdefinitie van artikel 5.2, 3°. Per woning met wanbetaling wordt één term van de som bepaald als het aantal maanden in de vermelde periode dat de zes maanden, vermeld in artikel 5.2, 3°, overtreft.

De tweede grootheid, de deler van het quotiënt, is gelijk aan het product van het totale aantal woningen met het aantal maanden erfpacht van deze periode.

§4. De verminderingscoëfficiënt, aangegeven als dLpc, voor de overschrijding van de leegstandsnorm van 3% is gelijk aan het verschil tussen het leegstandspercentage Lpc en de leegstandsnorm van 3%.

De verminderingscoëfficiënt, aangegeven als dWpc, voor de overschrijding van de wanbetalingsnorm van 2% is gelijk aan het verschil tussen het wanbetalingspercentage Wpc en de wanbetalingsnorm van 2%.

De verminderingscoëfficiënten worden telkens voor één periode van 1 oktober tot 30 september bepaald op basis van de gegevens, verstrekt volgens de bepalingen van artikel 5.8.

De verhuursubsidie en de tegemoetkoming voor een netto te financieren saldo voor de voormelde periode worden procentueel verminderd met de som van de verminderingscoëfficiënten dLpc en dWpc.

De verminderingen worden verrekend conform artikel 5.10. Die verminderingen worden indien mogelijk in gelijke schijven ingehouden op de maandelijkse betalingen van het komende kalenderjaar.

§5. Een afsluitende verrichting voor de laatste kalendermaanden gebeurt na afloop van de erfpacht. Daarvoor bezorgt de LHI binnen drie maanden vanaf de laatste erfpachtbetaling de volgende gegevens aan het Fonds:
1° de maanden waarvoor een huurovereenkomst ontbreekt voor de PPS-woningen over de periode van 1 oktober tot het einde van de erfpacht;
2° de maanden van niet-betaling van de reële huurprijs en de eventuele huurlasten van de PPS-woningen over de periode van 1 oktober tot het einde van de erfpacht.

De eventuele verminderingen worden bepaald conform paragraaf 4. Ze worden door het Fonds gevorderd van de LHI conform artikel 5.10.

Artikel 5.15. (01/01/2021- 31/12/2022)

De forfaitaire tegemoetkoming voor leegstand wordt voor een bepaald kalenderjaar, ongeacht de mate van leegstand, vastgesteld op 3% van de reële huurprijs van dat kalenderjaar voor al de PPS-woningen die opgenomen zijn in een PPS-overeenkomst.

De forfaitaire tegemoetkoming voor wanbetalingen wordt voor een bepaald kalenderjaar, ongeacht de mate van wanbetalingen, vastgesteld op 2% van de reële huurprijs van dat kalenderjaar voor al de PPS-woningen die opgenomen zijn in een PPS-overeenkomst.

De forfaitaire tegemoetkoming voor leegstand en wanbetaling die het Fonds maandelijks betaalt, wordt aangegeven als LW. LW wordt berekend op basis van de volgende formule: LW = 0,05 x R, waarbij R staat voor de som van de reële huurprijzen, vermeld in artikel 5.13.

 

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]

Artikel 5.16. (01/01/2021- 31/12/2022)

Als de minister op de hoogte is van de voorafgaande ingebrekestelling van de LHI en de minister oordeelt dat de LHI een van de verbintenissen, bepaald in de PPS-overeenkomst, zoals de verhuring aan sociale huurders, de onderhoudsverplichting en de betaling van de erfpachtcanon aan de private partner, kennelijk niet nakomt, treedt het Fonds ambtshalve in de plaats van de LHI voor de uitvoering van die overeenkomst.

Die indeplaatsstelling wordt onmiddellijk schriftelijk aan de LHI en aan de private partij meegedeeld.

Bij de indeplaatsstelling beschikt het Fonds over dezelfde rechten en plichten als de LHI, zoals overeengekomen in de PPS-overeenkomst.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]

Artikel 5.17. (01/01/2021- 31/12/2022)

PPS-woningen worden verhuurd conform boek 6 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 74, I: 1 januari 2023)]

Artikel 5.18. (01/01/2021- 31/12/2022)

De minister brengt jaarlijks voor 30 juni verslag uit over de werking en het beheer van het Fonds aan het Vlaams Parlement.

Titel 3. [... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 75, I: 1 januari 2023)]

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 75, I: 1 januari 2023)]

Artikel 5.19. (01/01/2021- 31/12/2022)

In deze titel wordt verstaan onder initiatiefnemer: een van de initiatiefnemers, vermeld in artikel 5.15, zevende lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 75, I: 1 januari 2023)]

Artikel 5.20. (01/01/2021- 31/12/2022)

De gedelegeerd bestuurder van de VMSW wordt aangesteld als leidend ambtenaar van het Financieringsfonds. Hij is belast met de algemene leiding en het dagelijks beheer van het Financieringsfonds. Hij treedt op namens de minister conform zijn richtlijnen en brengt jaarlijks verslag uit aan de Vlaamse Regering over de werking van het Financieringsfonds.

De opdracht van de leidend ambtenaar van het Financieringsfonds omvat de volgende taken:
1° renteloze leningen toestaan aan Vlabinvest apb en de uitgaven die daarmee overeenstemmen, vastleggen conform de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4 van deze titel;
2° de toegekende verbintenissenmachtiging, vermeld in artikel 5.15, vijfde lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, opvolgen;
3° het thesauriebeheer en de betalingen verrichten;
4° de jaarlijkse begroting en de jaarlijkse uitvoeringsrekening van de begroting, de balans en de resultatenrekening opstellen;
5° dadingen en minnelijke schikkingen sluiten waarvan de budgettaire weerslag niet meer bedraagt dan 65.000 euro;
6° het dagelijkse beheer verrichten.

De leidend ambtenaar van het Financieringsfonds heeft delegatie om overheidsopdrachten te plaatsen tot een bedrag dat niet hoger is dan de bedragen in euro, vermeld in de volgende tabel:

 

open aanbesteding/

open offerteaanvraag

beperkte aanbesteding/beperkte offerteaanvraag

onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking

onderhandelings-procedure zonder voorafgaande bekendmaking

 

werken

13.000.000

2.000.000

1.500.000

1.000.000

 

leveringen

8.000.000

1.200.000

900.000

600.000

 

diensten

2.400.000

800.000

500.000

200.000

 


De leidend ambtenaar van het Financieringsfonds heeft delegatie om beslissingen te nemen over de uitvoering van overheidsopdrachten. Voor beslissingen met financiële weerslag geldt de delegatie alleen binnen het voorwerp van de opdracht tot een gezamenlijke maximale financiële weerslag van 15% boven het initiële gunningsbedrag.

De leidend ambtenaar van het Financieringsfonds heeft delegatie om opdrachten te plaatsen in het kader van een raamovereenkomst, binnen het voorwerp en de bepalingen ervan, tot een bedrag per geplaatste opdracht van respectievelijk:
1° 1.500.000 euro voor werken;
2° 900.000 euro voor leveringen;
3° 500.000 euro voor diensten.

Als de bestelling bestaat uit continue prestaties, zoals exploitatie en recurrent onderhoud, geldt de delegatie zonder beperking van het bedrag.

De leidend ambtenaar van het Financieringsfonds kan de taken, vermeld in dit artikel, delegeren tot op het meest functionele niveau.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 75, I: 1 januari 2023)]

Artikel 5.21. (01/01/2021- 31/12/2022)

De onroerende goederen, participaties en alle niet-projectfinancieringsgebonden rechten en verplichtingen die op 31 december 2013 het vermogen uitmaakten van Vlabinvest, vermeld in artikel 4, eerste lid, van het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de provincie Vlaams-Brabant, en die met ingang van 1 januari 2014 van rechtswege zijn overgedragen aan Vlabinvest apb, zijn opgenomen in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd.

[... (opgeh. BVR 10 november 2022, art. 75, I: 1 januari 2023)]

Artikel 5.22. (01/01/2021- 31/12/2022)

Het Financieringsfonds verleent, conform artikel 5.15, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en onder de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk, renteloze leningen aan Vlabinvest apb.

Artikel 5.23. (01/01/2021- 31/12/2022)

Op verzoek van Vlabinvest apb kan het Financieringsfonds aan Vlabinvest apb een renteloze lening verstrekken die zal worden aangewend op een van de volgende wijzen:
1° voor het toestaan van leningen aan de initiatiefnemers van woonprojecten met sociaal karakter, conform artikel 5.15, derde lid, 1°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
2° voor de financiering van bouwverrichtingen die Vlabinvest apb zelf realiseert, conform artikel 5.15, derde lid, 2°, van de voormelde codex.

Bij de aanvraag van een lening die zal worden aangewend voor het doel, vermeld in het eerste lid, 1°, voegt Vlabinvest apb alle documenten ter staving van het leningsbedrag dat de initiatiefnemer gevraagd heeft, met vermelding van de begunstigde, de beoogde projectrealisatie, de voorgestelde looptijd en het aflossingsschema. Als de initiatiefnemer een lening voor een grondaankoop aangevraagd heeft, wordt minstens het schattingsverslag bij de aanvraag gevoegd.

Bij de aanvraag van een lening die zal worden aangewend voor het doel, vermeld in het eerste lid, 2°, voegt Vlabinvest apb alle documenten ter staving van het gevraagde leningsbedrag, met vermelding van de begunstigde, de beoogde projectrealisatie, de voorgestelde looptijd en het aflossingsschema.

Artikel 5.24. (01/01/2021- 31/12/2022)

Het Financieringsfonds sluit voor het toegestane leningsbedrag een individuele kredietovereenkomst met Vlabinvest apb.

Als de lening verstrekt wordt voor het doel, vermeld in artikel 5.23, eerste lid, 1°, kunnen de volgende types van kredieten gebruikt worden:
1° de financiering van de bouw van een of meer huurwoningen in het kader van een woonproject met sociaal karakter;
2° de financiering van de bouw van een of meer koopwoningen in het kader van een woonproject met sociaal karakter;
3° de financiering van een grondaankoop in het Vlabinvest-werkingsgebied.

Als de lening verstrekt wordt voor het doel, vermeld in artikel 5.23, eerste lid, 2°, kunnen de volgende types van kredieten gebruikt worden:
1° de financiering van de bouw van een of meer huurwoningen in het kader van een woonproject met sociaal karakter;
2° de financiering van de bouw van een of meer koopwoningen in het kader van een woonproject met sociaal karakter.

Als het Financieringsfonds een lening aan Vlabinvest apb verstrekt, reserveert het een gedeelte van het jaarlijkse leningsvolume, vermeld in artikel 5.15, vierde lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, dat overeenkomt met het toegestane leningsbedrag.

Artikel 5.25. (01/01/2021- 31/12/2022)

Als het Financieringsfonds een lening aan Vlabinvest apb verstrekt voor het doel, vermeld in artikel 5.23, eerste lid, 1°, gelden de volgende voorwaarden voor de geldopnames, de aflossingen en de looptijd van de lening:
1°       het toegestane leningsbedrag is niet hoger dan het bestelbedrag, verhoogd met 10% voor de studiekosten;
2°       de geldopnames worden gedaan afhankelijk van de geldaanvragen die de initiatiefnemer bij Vlabinvest apb indient, op basis van facturen of andere stavingsdocumenten, ter realisatie van het beoogde woonproject met sociaal karakter, en zijn beperkt tot het saldo van het leningsbedrag;
3°       de kapitaalaflossingen worden gedaan op basis van het aflossingsschema dat tussen Vlabinvest apb en de initiatiefnemer afgesproken is, rekening houdend met de bepalingen, vermeld in punt 4° en 5°;
4°       als er sprake is van consolidatie van de lening, worden de kapitaalaflossingen jaarlijks gedaan volgens een annuïteitenlening en vindt de eerste aflossing een jaar na de consolidatie plaats;
5°       de looptijd van de lening:
a)       als er sprake is van consolidatie van de lening, vindt het tijdstip van consolidatie uiterlijk vijf jaar na de ondertekening van de kredietovereenkomst plaats en wordt de lening uiterlijk 35 jaar na de ondertekening van de kredietovereenkomst volledig terugbetaald;
b)       als er geen sprake is van consolidatie van de lening, wordt de lening uiterlijk tien jaar na de ondertekening van de kredietovereenkomst volledig terugbetaald.

Vlabinvest apb neemt een rekening-courant bij het Financieringsfonds. Het Financieringsfonds stort de geldopname op die rekening-courant en Vlabinvest apb machtigt het Financieringsfonds om dat bedrag door te storten aan de initiatiefnemer op dezelfde valutadag. De initiatiefnemer stort de kapitaalaflossing op die rekening-courant en Vlabinvest apb machtigt het Financieringsfonds om ze van de rekening-courant te halen.

Artikel 5.26. (01/01/2021- 31/12/2022)

Als het Financieringsfonds een lening aan Vlabinvest apb verstrekt voor het doel, vermeld in artikel 5.23, eerste lid, 2°, gelden de volgende voorwaarden voor de geldopnames, de aflossingen en de looptijd van de lening:
1°       het toegestane leningsbedrag is niet hoger dan het bestelbedrag, verhoogd met 10% voor de studiekosten;
2°       de geldopnames worden gedaan naargelang van de geldaanvragen die  Vlabinvest apb heeft ingediend, op basis van facturen of andere stavingsdocumenten, ter realisatie van de beoogde bouwverrichting, en zijn beperkt tot het saldo van het leningsbedrag;
3°       de kapitaalaflossingen worden gedaan op basis van het aflossingsschema dat Vlabinvest apb gevraagd heeft, rekening houdend met de bepalingen, vermeld in punt 4° en 5°;
4°       als er sprake is van consolidatie van de lening, worden de kapitaalaflossingen jaarlijks gedaan volgens een annuïteitenlening en vindt de eerste aflossing één jaar na de consolidatie plaats;
5°       de looptijd van de lening:
a)       als er sprake is van consolidatie van de lening, vindt het tijdstip van consolidatie uiterlijk vijf jaar na de ondertekening van de kredietovereenkomst plaats en wordt de lening uiterlijk 35 jaar na de ondertekening van de kredietovereenkomst volledig terugbetaald;
b)       als er geen sprake is van consolidatie van de lening, wordt de lening uiterlijk tien jaar na de ondertekening van de kredietovereenkomst volledig terugbetaald.

Artikel 5.27. (01/01/2021- 31/12/2022)

De leningen die toegestaan zijn met toepassing van dit hoofdstuk, worden verstrekt met inachtneming van de voorwaarden van het besluit (EG) nr. 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.

Het Financieringsfonds voert op geregelde tijdstippen, en ten minste om de drie jaar, controles op overcompensatie uit. In geval van een overcompensatie vordert het Fonds het overschot terug.

Titel 4. Fonds ter bestrijding van de uithuiszettingen

Artikel 5.28. (21/10/2022- ...)

In deze titel wordt verstaan onder:
1°       begeleidingsovereenkomst: de overeenkomst tussen de huurder, de verhuurder en het OCMW waarin afspraken over de afbetaling van de huurachterstal en de begeleiding van de huurder door het OCMW worden vastgelegd;
2°       fonds: het Fonds ter bestrijding van de uithuiszettingen, vermeld in artikel 5.16 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
3°       huurachterstal: de som van de vervallen huurgelden, het vervallen forfaitair bepaalde bedrag voor de kosten en de lasten, de vervallen provisie voor de kosten en de lasten en het vervallen saldo na de afrekening van de kosten en lasten;
4°       huurder: de persoon die als huurder wordt vermeld in een woninghuurovereenkomst als vermeld in boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling II, van het Burgerlijk Wetboek of in titel 2 van het Vlaams Woninghuurdecreet van 9 november 2018 of in een huurovereenkomst die is opgemaakt conform boek 6 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 als de woning wordt verhuurd door een woonmaatschappij in het kader van haar opdracht, vermeld in artikel 4.40, 4°, van de voormelde codex;
5°       huurprijs: de prijs die de huurder betaalt voor het gebruik van de woning en de gemeenschappelijke delen, met uitsluiting van de kosten en de lasten;
6°       verhuurder: de persoon die als verhuurder wordt vermeld in een woninghuurovereenkomst als vermeld in boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling II, van het Burgerlijk Wetboek of in titel 2 van het Vlaams Woninghuurdecreet van 9 november 2018 of in een huurovereenkomst die is opgemaakt conform boek 6 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 als de woning wordt verhuurd door een woonmaatschappij in het kader van haar opdracht, vermeld in artikel 4.40, 4°, van de voormelde codex.

Artikel 5.29. (01/01/2021- ...)

Binnen de kredieten die daarvoor worden ingeschreven op de begroting van het Vlaamse Gewest, en onder de voorwaarden, vermeld in deze titel, verleent het Fonds een financiële tegemoetkoming aan het OCMW dat een huurder met huurachterstal begeleidt om een uithuiszetting te vermijden.

Artikel 5.30. (01/01/2021- ...)

Als het OCMW ambtshalve of na ontvangst van een melding van betalingsachterstand van een huurder beslist om die huurder specifiek te begeleiden bij de afbetaling van zijn huurachterstal, deelt het zijn beslissing mee aan het Fonds. Het OCMW bezorgt die mededeling met een formulier, dat minstens de identiteit van de huurder en van de verhuurder, de huurprijs, het bedrag van de huurachterstal, een kopie van de begeleidingsovereenkomst en de contactgegevens van het OCMW vermeldt. Het Fonds stelt het formulier vast.

Het Fonds meldt binnen vijf werkdagen de ontvangst van het dossier en deelt het dossiernummer en de ontvangstdatum mee aan het OCMW.

Artikel 5.31. (21/10/2022- ...)

Nadat het Fonds de beslissing van het OCMW, vermeld in artikel 5.30, eerste lid, ontvangen heeft, verleent het de tegemoetkoming, vermeld in artikel 5.33, §1, eerste lid, 1° en 2°, als op de ontvangstdatum, vermeld in artikel 5.30, tweede lid, de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1°       de huurder heeft een huurachterstal;
2°       het OCMW heeft een sociaal onderzoek als vermeld in artikel 60, §1, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, uitgevoerd, waaruit blijkt dat de huurder in aanmerking komt voor dienstverlening en dat de huurder onder begeleiding zijn huurachterstal kan afbetalen;
3°       de huurder, de verhuurder en het OCMW ondertekenen een begeleidingsovereenkomst.

De begeleidingsovereenkomst wordt opgesteld volgens de typeovereenkomst die opgenomen is in bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd.

Artikel 5.32. (01/01/2021- ...)

Het OCMW streeft er met de begeleiding van de huurder naar de huurachterstal af te betalen en een stabiele woonsituatie voor de huurder te creëren. Een stabiele woonsituatie kan gerealiseerd worden in dezelfde huurwoning of in een andere woning.

Als de huurder dezelfde huurwoning blijft bewonen, is er sprake van een stabiele woonsituatie als hij de begeleidingsovereenkomst heeft uitgevoerd en als hij op dat ogenblik en twaalf maanden na de ondertekening van de begeleidingsovereenkomst geen nieuwe huurachterstal heeft opgebouwd.

Als de huurder de huurovereenkomst heeft beëindigd, is er sprake van een stabiele woonsituatie als hij de begeleidingsovereenkomst heeft uitgevoerd en op het ogenblik van de beëindiging van de huurovereenkomst geen nieuwe huurachterstal heeft opgebouwd.

Artikel 5.33. (01/01/2021- ...)

§1. De tegemoetkoming van het Fonds aan het OCMW bedraagt:
1°       bij de start van de begeleiding door het OCMW een vast bedrag van 200 euro;
2°       bij de start van de begeleiding door het OCMW een bedrag van een vierde van de huurachterstal, met een maximum van 625 euro;
3°       bij de beëindiging van de begeleiding door het OCMW een bedrag van 35% van de huurachterstal, met een maximum van 875 euro.

Het bedrag, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt alleen toegekend nadat het OCMW op basis van een schriftelijke bevestiging van de verhuurder verklaard heeft dat de huurder zich in een stabiele woonsituatie als vermeld in artikel 5.32, tweede en derde lid, bevindt.

Het OCMW vraagt het bedrag, vermeld in het eerste lid, 3°, aan het Fonds met een formulier, dat minstens het dossiernummer, de identiteit van de huurder, een beknopt overzicht van de geboden begeleiding, de afbetalingen door de huurder aan het OCMW, de huidige of laatst bekende woonsituatie van de huurder en de contactgegevens van het OCMW vermeldt. Het OCMW voegt de schriftelijke bevestiging van de verhuurder, vermeld in het tweede lid, bij het formulier. Het Fonds stelt het formulier vast.

Het OCMW vraagt het bedrag, vermeld in het eerste lid, 3°, aan het Fonds binnen zes maanden nadat de stabiele woonsituatie is ontstaan, vermeld in artikel 5.32, tweede en derde lid.

Het Fonds betaalt de bedragen, vermeld in dit artikel, aan het OCMW uiterlijk een maand nadat het het formulier, vermeld in het derde lid of in artikel 5.30, eerste lid, heeft ontvangen.

§2. De bedragen in euro, vermeld in dit artikel, worden jaarlijks op 1 januari aangepast volgens de volgende formule: nieuw bedrag = basisbedrag x aangepaste gezondheidsindex/gezondheidsindex oktober 2018.

In het eerste lid wordt verstaan onder:
1°       aangepaste gezondheidsindex: de gezondheidsindex van de maand oktober die voorafgaat aan de aanpassing, vermeld in het eerste lid;
2°       gezondheidsindex: het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.

Artikel 5.34. (01/01/2021- ...)

Als het Fonds door bedrog, list of valse verklaringen overgegaan is tot een niet-verschuldigde betaling, vordert het de terugbetaling van de niet-verschuldigde sommen, verhoogd met een nalatigheidsinterest die berekend wordt tegen de wettelijke interestvoet, vanaf de dag van de betaling van die sommen.

Het bedrag dat terugbetaald moet worden aan het Vlaamse Gewest, wordt gestort ten voordele van het Fonds.

Artikel 5.35. (01/01/2021- ...)

Het Fonds verkrijgt van het OCMW de identiteits- en contactgegevens van de huurder en de verhuurder en de noodzakelijke financiële informatie voor de controle op de naleving van het afbetalingsplan, zoals vermeld in dit besluit.

Het Fonds is voor de ontvangen documenten en gegevens de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.

Het Fonds gebruikt de ontvangen documenten en gegevens alleen voor de controle van de aanvragen van het OCMW en de betaling van de vergoedingen aan het OCMW.

De bewaartermijn van de ontvangen documenten en gegevens bedraagt zeven jaar na de betaling van de laatste tegemoetkoming. Na pseudonimisering mogen de ontvangen documenten en gegevens ook na de vermelde bewaartermijn bewaard worden.

Het Fonds mag de ontvangen documenten en gegevens gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek of statistische verwerking nadat ze gepseudonimiseerd zijn. Het Fonds mag de ontvangen documenten en gegevens na pseudonimisering ter beschikking stellen van de andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving, vermeld in artikel 29 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.

Het Fonds stelt een functionaris voor gegevensbescherming aan als vermeld in artikel 37 van de algemene verordening gegevensbescherming.

Deel 2. Financiering van woonprojecten

Titel 1. Sociale woonprojecten

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 5.36. (01/01/2021- ...)

§1. Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbaar zijn, kan de minister volgens de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 2, jaarlijks subsidies verlenen om initiatiefnemers in staat te stellen sociale huurwoningen ter beschikking te stellen.

De minister stelt de subsidies voor de financiering van verrichtingen voor de realisatie en de instandhouding van sociale huurwoningen, vermeld in artikel 5.37, §1, eerste lid, ter beschikking van de VMSW. De VMSW geeft de subsidies in de vorm van een tussenkomst in de leningslast door aan de initiatiefnemers.

§2. Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbaar zijn, kan de minister volgens de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 3, jaarlijks subsidies verlenen om initiatiefnemers in staat te stellen sociale huurwoningen ter beschikking te stellen.

De minister stelt de subsidies voor de financiering van verrichtingen voor de realisatie en de instandhouding van sociale huurwoningen, vermeld in artikel 5.37, §2, eerste lid, ter beschikking van de VMSW. De VMSW geeft de subsidies in de vorm van een tussenkomst in de prefinanciering door aan de initiatiefnemers. 

Artikel 5.37. (25/04/2022- 31/12/2022)

§1. Een tussenkomst in de leningslast kan worden verstrekt aan de initiatiefnemers voor de volgende verrichtingen voor de realisatie en de instandhouding van sociale huurwoningen:
1°       de verwerving van een of meer onroerende goederen;
2°       de sloop van een of meer constructies;
3°       de nieuwbouw of vervangingsbouw van een of meer sociale huurwoningen;
4°       de investering in de renovatie, verbetering of aanpassing van een of meer sociale huurwoningen;
5°       elke combinatie van de verrichtingen, vermeld in punt 1°, 2°, 3° en 4°.

De tussenkomst in de leningslast voor de verrichtingen vermeld in het eerste lid, wordt verstrekt aan de volgende initiatiefnemers:
1°       de woonmaatschappijen;
2°       het VWF, voor verwervingen van onroerende goederen, voor de vervangingsbouw van sociale huurwoningen en voor investeringen in de renovatie, verbetering of aanpassing van een of meer sociale huurwoningen;
3°       gemeenten en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden als vermeld in deel 3, titel 3, van het decreet van 22 december 2017;
4°       openbare centra voor maatschappelijk welzijn of welzijnsverenigingen.

§2. Een tussenkomst in de prefinanciering kan worden verstrekt aan de initiatiefnemers voor de verwervingen van onroerende goederen voor de realisatie van sociale huurwoningen.

De tussenkomst in de prefinanciering voor de verwervingen van onroerende goederen voor de realisatie van sociale huurwoningen, vermeld in het eerste lid, wordt verstrekt aan de initiatiefnemers, vermeld in paragraaf 1, tweede lid.

§3. De VMSW kan de financiering, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, en paragraaf 2, tweede lid, ook zelf aanwenden volgens dezelfde voorwaarden.

 

Hoofdstuk 2. Verrichtingen voor de realisatie en de instandhouding van sociale huurwoningen waarvoor een tussenkomst in de leningslast wordt verstrekt

Artikel 5.38. (01/01/2021- 31/12/2022)

§1. Voor de verwerving, vermeld in artikel 5.37, §1, eerste lid, 1°, is het subsidiabele bedrag gelijk aan de som van:
1°       de kostprijs van de verwerving, vermeld in paragraaf 2;
2°       de extra kosten bij de verwerving, vermeld in paragraaf 3;
3°       de vergoeding, verschuldigd op basis van artikel 4.79;
4°       de btw of de registratierechten op de kostprijs van de verwerving van een onroerend goed en op de extra kosten bij de verwerving van een onroerend goed.

§2. Als de verwerving van het onroerend goed de aankoop van een of meer onroerende goederen betreft, is de kostprijs gelijk aan de reële kostprijs van de aankoop, beperkt tot de schattingsprijs, verminderd met eventuele subsidies die voor de aankoop zijn verstrekt op een andere basis dan deze titel. Onroerende goederen kunnen aangekocht worden door de tussenkomst van een commissaris van de Vlaamse Belastingdienst die bevoegd is voor schattingen. In dat geval, of bij uitoefening van het recht van voorkoop, is er geen beperking op de reële kostprijs.

De kostprijs, vermeld in het eerste lid, wordt beperkt tot een prijsplafond dat wordt vastgesteld op het moment van de ondertekening van de verkoopovereenkomst. Als basis voor de berekening van het prijsplafond wordt het bedrag gebruikt dat gelijk is aan 15.000 euro per te realiseren sociale huurwoning, cumulatief verhoogd met:
1°       5000 euro als het onroerend goed in woongebied ligt;
2°       5000 euro als de te realiseren huurwoningen eengezinswoningen zijn;
3°       12.500 euro als de grond volledig uitgerust is.

Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verhouding van de verkoopprijs per vierkante meter van bouwgronden in de gemeente in kwestie tot de verkoopprijs per vierkante meter van bouwgronden in het Vlaamse Gewest, met een ondergrens van 0,75 en een bovengrens van 1,50. De minister stelt jaarlijks in de maand mei voor elke gemeente de factor vast waarmee het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt vermenigvuldigd. Voor de vaststelling van de bouwgrondprijs in het Vlaamse Gewest, respectievelijk de bouwgrondprijs in een gemeente wordt gerekend met het gemiddelde van de prijs waartegen bouwgrond tijdens de laatste vijf jaar is verkocht, zoals die door de Federale Overheidsdienst Economie wordt bekendgemaakt, gewogen volgens het aantal vierkante meter per verkoop in kwestie. Voor gemeenten in het werkgebied van Vlabinvest apb geldt een minimale verhoging met 10%.

Als de kostprijs, vermeld in het eerste lid, onder het prijsplafond ligt dat is berekend conform het tweede en het derde lid, kan het saldo worden toegevoegd aan de prijsplafonds voor toekomstige aankopen, op voorwaarde dat die plaatsvinden binnen een termijn van vijf jaar na de huidige aankoop. De som van de bedragen die aan de prijsplafonds voor toekomstige aankopen worden toegevoegd, blijft beperkt tot het beschikbare saldo van de huidige aankoop. Voor elke individuele toekomstige aankoop mag het toepasselijke prijsplafond op basis van deze regel met maximaal 20% verhoogd worden.

Als de verwerving van het onroerend goed de onteigening van een of meer onroerende goederen betreft, is de kostprijs gelijk aan het bedrag van de onteigeningsvergoeding, met inbegrip van de wederbeleggingsvergoeding. Dat bedrag wordt beperkt tot een prijsplafond, dat wordt vastgesteld op het moment van de onteigeningsakte. Het prijsplafond wordt vastgesteld conform het tweede en het derde lid. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op een onteigening.

Als de verwerving van het onroerend goed de vestiging van een recht van erfpacht of een recht van opstal op een of meer onroerende goederen betreft, is de kostprijs gelijk aan het bedrag dat op het moment van de vestiging van het zakelijk recht wordt betaald. Dat bedrag wordt beperkt tot een prijsplafond dat wordt vastgesteld op het moment van de vestiging van het recht van erfpacht of het recht van opstal. Het prijsplafond bedraagt 25% van het prijsplafond, berekend conform het eerste tot en met het derde lid, voor een erfpacht- of opstalperiode van maximaal veertig jaar, en wordt vermeerderd met een half procentpunt per extra jaar. Het vierde lid is niet van toepassing op de vestiging van een recht van erfpacht of een recht van opstal.

§3. De extra kosten bij de verwerving van het onroerend goed betreffen de reële uitgaven met betrekking tot:
1°       het ereloon van de notaris en de aktekosten;
2°       de opmeting van het onroerend goed;
3°       het grondmechanische en milieutechnische onderzoek;
4°       het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
5°       keuringen of proeven.

De extra kosten worden beperkt tot 2% van de kostprijs van de verwerving, vermeld in paragraaf 2.

 

Artikel 5.39. (01/01/2021- 31/12/2022)

Voor de sloop, vermeld in artikel 5.37, §1, eerste lid, 2°, is het subsidiabele bedrag gelijk aan de reële kostprijs van de sloop, verminderd met eventuele subsidies die voor de sloop zijn verstrekt op een andere basis dan dit besluit. De reële kostprijs van de sloop is de som van:
1°       de kosten voor de aanneming van de sloop;
2°       de erelonen;
3°       de btw op de aanneming;
4°       de vergoeding, verschuldigd op basis van artikel 4.79.

Technisch ondeelbare werken die niet uitsluitend voor de te realiseren sociale huurwoningen worden uitgevoerd, worden in het subsidiabele bedrag opgenomen naar rato van het grondaandeel van de sociale huurwoningen in kwestie.

Artikel 5.40. (09/05/2022- 31/12/2022)

§1. Voor de bouw, vermeld in artikel 5.37, §1, eerste lid, 3°, is het subsidiabele bedrag gelijk aan de som van:
1°       de kostprijs van de bouw, vermeld in paragraaf 2;
2°       de studiekosten, vermeld in paragraaf 3;
3°       de btw op de kostprijs van de bouw en op de studiekosten;
4°       de vergoeding, verschuldigd op basis van artikel 4.79.

§2. De kostprijs van de bouw is gelijk aan de reële kostprijs van de bouw, verminderd met eventuele subsidies die voor de bouw zijn verstrekt op een andere basis dan dit deel, beperkt tot een prijsplafond dat wordt bepaald op basis van de simulatietabel voor bouwverrichtingen die is opgenomen in de normen waaraan sociale woningen moeten voldoen, vastgesteld krachtens artikel 4.1.

Het prijsplafond wordt vastgesteld op de datum van de opening van de bieding. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden worden de contractueel overeengekomen prijsherzieningen pro rata toegepast op het prijsplafond, op basis van de procentuele stijging van het totale aanbestedingsbedrag. Als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden de investering in het aantal sociale huurwoningen naar beneden wordt bijgesteld, wordt het prijsplafond herrekend met het nieuwe aantal sociale huurwoningen.

Op voorstel van de VMSW kan de minister het prijsplafond, vermeld in het eerste lid, tijdelijk verhogen.

In afwijking van het eerste lid kan de minister, op voorstel van de VMSW en na advies van de kwaliteitskamer, het prijsplafond vaststellen van een verrichting waarvoor met toepassing van artikel 4.2, zevende lid, of artikel 4.3, derde en vierde lid, een afwijking wordt toegestaan op de omschrijving en de dossiersamenstelling, het bestek of de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen.


§3. De studiekosten betreffen de reële uitgaven, exclusief btw, voor:
1°       de studie en de leiding van de werkzaamheden;
2°       de veiligheids- en de gezondheidscoördinatie;
3°       het toezicht op de uitvoering van de opdracht;
4°       het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en archeologische opgravingen;
5°       keuringen of proeven;
6°       het houden van de plaatsingsprocedure;
7°       de asbestinventaris, ingevolge het koninklijk besluit van 16 maart 2006 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest;
8°       de EPB-aangifte, ingevolge het decreet van 22 december 2006 houdende eisen en handhavingsmaatregelen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen en tot invoering van een energieprestatiecertificaat en tot wijziging van artikel 22 van het REG-decreet.

De studiekosten worden beperkt tot 10% van de kostprijs van de bouw, vermeld in paragraaf 2.

Artikel 5.41. (09/05/2022- 31/12/2022)

§1. Voor de investering, vermeld in artikel 5.37, §1, eerste lid, 4°, is het subsidiabele bedrag gelijk aan de som van:
1°       de kostprijs van de investering, vermeld in paragraaf 2;
2°       de studiekosten, vermeld in paragraaf 3;
3°       de btw op de kostprijs van de investering en op de studiekosten;
4°       de vergoeding, verschuldigd op basis van artikel 4.79.

§2. De kostprijs van de investering is gelijk aan de reële kostprijs van de investering, verminderd met eventuele subsidies die voor de investering zijn verstrekt op een andere basis dan deze titel, beperkt tot een prijsplafond dat wordt bepaald op basis van de simulatietabel voor investeringsverrichtingen die is opgenomen in de normen waaraan sociale woningen moeten voldoen, vastgesteld bij artikel 4.2.

Het prijsplafond wordt vastgesteld op de datum van de opening van de bieding. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden worden de contractueel overeengekomen prijsherzieningen pro rata toegepast op het prijsplafond, op basis van de procentuele stijging van het totale aanbestedingsbedrag. Als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden de investering in het aantal sociale huurwoningen naar beneden wordt bijgesteld, wordt het prijsplafond herrekend met het nieuwe aantal sociale huurwoningen.

Als de investering wordt gedaan in gebouwen, woningen of aanhorigheden die zijn aangekocht conform artikel 5.42, en als het gedeelte van het subsidiabele bedrag dat aan de verwervingskosten is toegeschreven en dat het subsidiabele bedrag voor grondverwerving, vermeld in artikel 5.38, overschrijdt, groter is dan 50% van het subsidiabele bedrag, vermeld in artikel 5.40, dat van toepassing is op de bouw van dezelfde woningtypes, wordt de lening bijkomend beperkt tot het subsidiabele bedrag, vermeld in artikel 5.40, dat van toepassing is op de bouw van dezelfde woningtypes, verminderd met de niet-afgeschreven investeringskosten. De niet-afgeschreven investeringskosten worden berekend als de som van:
1°       de kosten van verrichtingen als vermeld in artikel 5.37, §1, eerste lid, 3° of 4°, waarvoor een renteloze lening als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten, of een marktconforme lening als vermeld in artikel 5.44, §2, eerste lid, van dit besluit, is verleend;
2°       het gedeelte van het subsidiabele bedrag dat conform artikel 5.42 aan de verwervingskosten is toegeschreven en dat het subsidiabele bedrag voor grondverwerving, vermeld in artikel 5.38, overschrijdt.

Elk van de uitgaven, vermeld in het vierde lid, 1° en 2°, wordt individueel verminderd met een drieëndertigste per volledig jaar dat is verlopen sinds 1 januari van het jaar waarin de uitgave plaatsvond.

Op voorstel van de VMSW kan de minister het prijsplafond, vermeld in het eerste lid, tijdelijk verhogen.

In afwijking van het eerste lid kan de minister, op voorstel van de VMSW en na advies van de kwaliteitskamer, het prijsplafond vaststellen van een verrichting waarvoor met toepassing van artikel 4.2, zevende lid, of artikel 4.3, derde en vierde lid, een afwijking wordt toegestaan op de omschrijving en de dossiersamenstelling, het bestek of de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen.


§3. De studiekosten bij een investering betreffen de reële uitgaven, exclusief btw, vermeld in artikel 5.40, §3, en worden beperkt tot 10% van de kostprijs van de investering, vermeld in paragraaf 2.

Artikel 5.42. (25/04/2022- ...)

§1. Voor de combinatie van een verwerving als vermeld in artikel 5.37, §1, eerste lid, 1°, en een bouw als vermeld in artikel 5.37, §1, eerste lid, 3°, of een investering als vermeld in artikel 5.37, §1, eerste lid, 4°, is het subsidiabele bedrag gelijk aan de som van het subsidiabele bedrag voor de verwerving, vermeld in artikel 5.38, §1, en het subsidiabele bedrag voor de bouw, vermeld in artikel 5.40, §1, die van toepassing zijn op een verwerving en een bouw voor dezelfde combinatie van woningtypes en aanhorigheden als betrokken in het woonproject. Bij het bepalen van het subsidiabele bedrag wordt geen rekening gehouden met eigenschappen van de grond die een kostprijsverhogend effect hebben op de bouw. Het gedeelte van het subsidiabele bedrag dat aan de verwerving van het onroerend goed kan worden toegeschreven, blijft beperkt tot de schattingsprijs. Voor de verwerving van het onroerend goed wordt het prijsplafond genomen dat van toepassing is op het moment van de ondertekening van de verkoopovereenkomst, de onteigeningsakte of de vestiging van het recht van erfpacht of het recht van opstal. Voor de bouw of de investering wordt het prijsplafond genomen dat van toepassing is op de datum van de opening van de bieding. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden worden de contractueel overeengekomen prijsherzieningen pro rata toegepast op het prijsplafond, op basis van de procentuele stijging van het totale aanbestedingsbedrag.

De verwerving van een bestaande woning waarin geen investeringen gedaan hoeven te worden voor ze ter beschikking kan worden gesteld als sociale huurwoning, wordt gelijkgesteld met de combinatie van een verwerving van een onroerend goed en een bouw of een investering als vermeld in het eerste lid. De respectieve prijsplafonds zijn die welke van toepassing zijn op het moment van de ondertekening van de verkoopovereenkomst, de onteigeningsakte of de vestiging van het recht van erfpacht of het recht van opstal.

Als de verwerving de vestiging van een recht van erfpacht betreft, is de kostprijs gelijk aan het bedrag dat op het moment van de vestiging van het zakelijk recht wordt betaald. Dat bedrag wordt beperkt tot een prijsplafond dat wordt vastgesteld op het moment van de vestiging van het recht van erfpacht. Het prijsplafond bedraagt 25% van het prijsplafond van de verwerving, berekend conform het eerste lid, voor een erfpachtperiode van maximaal veertig jaar, en wordt vermeerderd met een half procentpunt per extra jaar. Paragraaf 2 is niet van toepassing op de vestiging van een erfpachtrecht.

§2. Het eventuele saldo onder het toepasselijke prijsplafond van een verwerving van een onroerend goed dat conform artikel 5.38, §2, vierde lid, aan het prijsplafond voor een andere verwerving van een onroerend goed wordt toegevoegd, kan voor de toepassing van paragraaf 1 in rekening gebracht worden als dat ook werkelijk aan die verwerving wordt besteed. Als het bedrag dat besteed wordt aan de verwerving van een onroerend goed, lager is dan het toepasselijke prijsplafond voor de verwerving, vermeld in artikel 5.38, §2, eerste tot en met derde lid, wordt het eventuele bedrag dat daardoor extra aan de bouw of de investering wordt besteed, afgetrokken van het saldo, vermeld in artikel 5.38, §2, vierde lid.

Artikel 5.43. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 5.44. (01/01/2021- 31/12/2022)

§1. Voor de financiering van verwervingen van onbebouwde onroerende goederen als vermeld in artikel 5.37, §1, eerste lid, 1°, verstrekt de VMSW in aanvang een bulletlening op tien jaar, gekoppeld aan een tussenkomst in de prefinanciering als vermeld in hoofdstuk 3, als de initiatiefnemer daarvan wil gebruikmaken. Een bulletlening is een marktconforme lening waarop de initiatiefnemer tijdens de looptijd geen kapitaalaflossingen doet, maar op 31 december alleen de jaarlijkse intresten betaalt. Het ontleende kapitaal wordt uiterlijk aan het einde van de looptijd van de bulletlening in een keer afgelost.

Voor de financiering van verwervingen van goede woningen als vermeld in artikel 1.2, eerste lid, 51°, verstrekt de VMSW in afwijking van het eerste lid een markconforme lening als vermeld in paragraaf 2, eerste lid, gekoppeld aan een tussenkomst in de leningslast als vermeld in paragraaf 3, als de initiatiefnemer daarvan wil gebruikmaken. Voor de financiering van verwervingen van andere bebouwde onroerende goederen dan goede woningen verstrekt de VMSW een bulletlening op tien jaar als vermeld in het eerste lid, gekoppeld aan een tussenkomst in de prefinanciering als vermeld in hoofdstuk 3, als de initiatiefnemer daarvan wil gebruikmaken.

Op voorwaarde dat een verrichting voor de realisatie of de instandhouding van sociale huurwoningen op de grond in kwestie vatbaar is voor toewijzing op een jaarbudget conform artikel 4.28, §1, vijfde lid, zet de VMSW binnen een termijn van een maand na de datum van kennisneming van de gunning de bulletlening, vermeld in het eerste en het tweede lid, om in een markconforme lening als vermeld in paragraaf 2, eerste lid, gekoppeld aan een tussenkomst in de leningslast als vermeld in paragraaf 3, als de initiatiefnemer daarvan wil gebruikmaken. Als de VMSW in de maand december op de hoogte wordt gebracht van de gunning van de werkzaamheden, zet ze de bulletlening om in een marktconforme lening in de maand januari van het jaar dat volgt.

Als een initiatiefnemer de verwerving van het onroerend goed met eigen middelen heeft gefinancierd, verstrekt de VMSW op de wijze, vermeld in het derde lid, een marktconforme lening als vermeld in paragraaf 2, eerste lid, gekoppeld aan een tussenkomst in de leningslast als vermeld in paragraaf 3, als de initiatiefnemer daarvan wil gebruikmaken. Als een initiatiefnemer de verwerving van het onroerend goed met middelen van het Financieringsfonds of van Vlabinvest apb heeft gefinancierd, die de initiatiefnemer aan dat fonds of dat agentschap moet terugbetalen, wordt dat gelijkgesteld met een verwerving van een onroerend goed met eigen middelen.

Voor de financiering van sloop-, bouw- en investeringsverrichtingen als vermeld in artikel 5.37, §1, eerste lid, 2°, 3° en 4°, verstrekt de VMSW naargelang de vordering van de werkzaamheden een marktconforme lening als vermeld in paragraaf 2, eerste lid, gekoppeld aan een tussenkomst in de leningslast als vermeld in paragraaf 3, als de initiatiefnemer daarvan wil gebruikmaken.

§2. De marktconforme lening die de VMSW verstrekt, is een lening met een looptijd van 33 jaar met de toepasselijke referentierentevoet, in voorkomend geval verhoogd met een marge. De methodiek van vaststelling van de referentierentevoet en de marge worden door de raad van bestuur van de VMSW bepaald. De kapitaalaflossingen op die lening stemmen overeen met de kapitaalaflossingen op een theoretische lening voor hetzelfde bedrag en met dezelfde looptijd, maar met een negatieve rentevoet van -1% waarvan de annuïteiten jaarlijks met 2% toenemen.

Als de initiatiefnemer een bedrag wil lenen dat hoger is dan het subsidiabele bedrag voor de verrichting in kwestie, verstrekt de VMSW een marktconforme lening als vermeld in het eerste lid voor het subsidiabele bedrag en een aanvullende lening voor het gedeelte dat het subsidiabele bedrag overschrijdt. De kapitaalaflossingen op de aanvullende lening verlopen volgens een annuïteitentabel met vaste annuïteiten met de toepasselijke referentierentevoet, in voorkomend geval verhoogd met een marge. De methodiek waarmee de referentierentevoet en de marge worden vastgesteld, worden door de raad van bestuur van de VMSW bepaald.

§3. De tussenkomst in de leningslast wordt verleend bij elke aflossing op de marktconforme lening, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, inclusief de eventuele tussentijdse vereffening van interesten.

De tussenkomst is gelijk aan de verschuldigde rente op de marktconforme lening die de VMSW verstrekt, vermeld in paragraaf 2, eerste lid.

Zodra de aflossingsperiode van de marktconforme lening begint te lopen, wordt de tussenkomst verhoogd met 1% van het openstaande af te lossen kapitaal.

§4. Op voorstel van de raad van bestuur van de VMSW legt de minister de voorwaarden voor de toekenning en uitbetaling van de leningen die de VMSW verstrekt conform dit artikel en voor de terugbetaling ervan, vast in een basisreglement.

 

Artikel 5.45. (25/04/2022- ...)

De woonmaatschappij kan, na advies van de VMSW, een lening sluiten bij een regionale of lokale overheid en bij een publiekrechtelijke instelling als de lening wordt verstrekt tegen een voordelige rentevoet. De woonmaatschappij bezorgt de aflossingstabel aan de VMSW. De lening komt niet in aanmerking bij de berekening van de GSC, vermeld in titel 4 van dit deel.

Artikel 5.45/1. (09/05/2022- ...)

Een initiatiefnemer komt voor de bouw of renovatie van een kamer als vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 25°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, alleen in aanmerking voor een lening als vermeld in artikel 5.44, § 2, van dit besluit, als ze verhuurd wordt in het kader van een samenwerkingsovereenkomst die gesloten is met een erkende welzijnsinstantie. De initiatiefnemer voegt de samenwerkingsovereenkomst bij zijn verzoek van de bouw- of investeringsverrichting tot opname in de meerjarenplanning, vermeld in artikel 4.21 van dit besluit.

Artikel 5.45/2. (03/12/2022- ...)

Een woonmaatschappij kan beslissen om bescheiden huurwoningen om te vormen tot sociale huurwoningen.

Als de woonmaatschappij de beslissing, vermeld in het eerste lid, neemt, komt ze in aanmerking voor een marktconforme lening als vermeld in artikel 5.44, §2 van dit besluit. Daarbij geldt dezelfde programmatiecyclus als voor een project als vermeld in artikel 2.33/5, §1, eerste lid, 3°.
 

Hoofdstuk 3. Verwervingen voor de realisatie van sociale huurwoningen waarvoor een tussenkomst in de prefinanciering wordt verstrekt

Artikel 5.46. (01/01/2021- 31/12/2022)

§1. De tussenkomst in de prefinanciering van verwervingen van onroerende goederen voor de realisatie van sociale huurwoningen wordt verstrekt zodra de bouwverrichting principieel in aanmerking komt voor opname in de meerjarenplanning conform artikel 4.21, §3, vierde of zesde lid.

De tussenkomst in de prefinanciering, vermeld in het eerste lid, wordt verleend bij elke betaling op 31 december van de jaarlijkse intresten op de bulletlening, vermeld in artikel 5.44, §1, eerste lid. De tussenkomst is gelijk aan de verschuldigde rente op 40% van het subsidiabele bedrag, vermeld in artikel 5.38, §1, met een rentevoet die overeenstemt met de rentevoet die aangerekend wordt op de bulletlening.

§2. De tussenkomst in de prefinanciering van verwervingen van onroerende goederen voor de realisatie van sociale huurwoningen wordt stopgezet zodra de bulletlening conform artikel 5.44, §1, derde lid, wordt omgezet in een markconforme lening, gekoppeld aan een tussenkomst in de leningslast, en uiterlijk na vijf jaar.

 

Hoofdstuk 4. Indexatiebepaling

Artikel 5.47. (01/01/2021- ...)

De prijsplafonds, vermeld in artikel 5.38, §2, tweede lid, worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan de evolutie van de verkoopprijs per vierkante meter van bouwgronden in het Vlaamse Gewest tijdens de laatste vier bekende kwartalen, zoals die door de Federale Overheidsdienst Economie wordt bekendgemaakt, met als basis de gemiddelde verkoopprijs van 111 euro per vierkante meter in 2005. Het resultaat wordt afgerond naar het eerstvolgende veelvoud van 100 euro.

Titel 2. Bevordering van rationeel energieverbruik

Artikel 5.48. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 5.49. (01/01/2021- 31/12/2022)

De subsidie, vermeld in artikel 5.48, wordt aangewend om sociale huisvestingsmaatschappijen en het VWF te stimuleren in bestaande of te realiseren sociale huurwoningen maatregelen te nemen voor:
1°       de vervanging van verouderde verwarmingsinstallaties door individuele verwarmingsinstallaties met condenserende ketels in woningen;
2°       de vervanging van verouderde verwarmingsinstallaties door collectieve verwarmingsinstallaties met condenserende ketels in woningen;
3°       de vervanging van verouderde verwarmingsinstallaties door individuele hoogrendementskachels van het gesloten type in woningen;
4°       de optimalisatie van verouderde collectieve verwarmingsinstallaties door de vervanging of betere afstelling van delen ervan in woongebouwen;
5°       de vervanging van ramen door hoogrendementsraamsystemen in woningen;
6°       de installatie van zonneboilers voor de productie van sanitair warm water;
7°       de installatie van warmtepompen;
8°       de isolatie van daken of zoldervloeren in woningen;
9°       de na-isolatie van spouwmuren in bestaande woningen;
10°     de buitenisolatie van gevels;
11°     de isolatie van de onderste vloeren of kelders in woningen;
12°     de vervanging van elektrische weerstandsverwarming in woningen;
13°     de vervanging van beglazing door hoogrendementsglas in bestaande woningen;
14°     de sloop bij vervangingsbouw;
15°     de plaatsing van spouwisolatie;
16°     de vervanging van een waterverwarmer van het open type naar een waterverwarmer van het gesloten type;
17°     de installatie van een ventilatiesysteem;
18°     het plaatsen van een individuele verbruiksmeter en warmtekostenverdeler.

 

Artikel 5.50. (25/04/2022- 31/12/2022)

§1. ...

§2. De VMSW keert de subsidies uit het Vlaams Klimaatfonds, vermeld in paragraaf 3 en 4, uit aan de woonmaatschappijen en het VWF volgens de volgende provinciale verdeelsleutel:
1°       voor de provincie Antwerpen: 28,3%;
2°       voor de provincie Limburg: 10,9%;
3°       voor de provincie Oost-Vlaanderen: 27%;
4°       voor de provincie Vlaams-Brabant: 9,9%;
5°       voor de provincie West-Vlaanderen: 23,9%.

De provinciale verdeling van de middelen kan jaarlijks door de minister worden geëvalueerd, voor de eerste keer in 2016. Als bij die evaluatie een onderaanwending van de beschikbare middelen in een of meer provincies blijkt, kan de minister een herverdeling doorvoeren na mededeling aan de Vlaamse Regering.

§3. De eenmalige subsidie uit het Vlaams Klimaatfonds die met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013 betreffende de toekenning vanuit het Vlaams Klimaatfonds van een eenmalige subsidie aan de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen voor het verstrekken van een grondige energierenovatiepremie aan de woonmaatschappijen, aan de VMSW toegekend wordt om een grondige renovatiepremie te verstrekken, kan alleen aangewend worden bij grondige renovaties van appartementen en woningen en mag niet gecumuleerd worden met de andere premies voor maatregelen als vermeld in paragraaf 1 en 4. De VMSW keert in dat geval voor de maatregelen, vermeld in artikel 5.49, de volgende subsidiebedragen uit aan woonmaatschappijen:
1°       een forfaitair bedrag van 800 euro per geplaatste individuele verwarmingsinstallatie met condenserende ketel;
2°       650 euro per wooneenheid die aangesloten is op de geplaatste of geoptimaliseerde collectieve verwarmingsinstallatie met condenserende ketel;
3°       een forfaitair bedrag van 130 euro per m² voor het geplaatste hoogrendementsraamsysteem, gemeten volgens de dagmaat;
4°       een forfaitair bedrag van 400 euro per geplaatste individuele hoogrendementskachel van het gesloten type;
5°       1500 euro per geplaatste zonneboiler, te vermeerderen met 250 euro per m² zonnecollectoroppervlak boven de 4 m². De premie wordt berekend op basis van de apertuuroppervlakte;
6°       een forfaitair bedrag van 800 euro per geplaatste niet-geothermische warmtepomp of, als er meer dan één wooneenheid op de werking van de warmtepomp wordt aangesloten, 500 euro per aangesloten wooneenheid;
7°       een forfaitair bedrag van 21 euro per m², verminderd met het bedrag van de premie per m² van de netbeheerder op de datum van de facturatie, voor de geplaatste dak- of zoldervloerisolatie. Dat bedrag wordt verhoogd met 10 euro per m² in geval van platte daken;
8°       een forfaitair bedrag van 16 euro per m², verminderd met het bedrag van de premie per m² van de netbeheerder op de datum van de facturatie, voor de na-isolatie van de spouwmuur;
9°       een forfaitair bedrag van 115 euro per m², verminderd met het bedrag van de premie per m² van de netbeheerder op de datum van de facturatie, voor de aangebrachte buitenisolatie op de gevels;
10°     een forfaitair bedrag van 20 euro per m², verminderd met het bedrag van de premie per m² van de netbeheerder op de datum van de facturatie, voor de isolatie van de onderste vloeren of kelders;
11°     een forfaitair bedrag van 2500 euro per aangesloten wooneenheid voor de installatie van een collectieve geothermische warmtepomp;
12°     een forfaitair bedrag van 150 euro per kW geïnstalleerd elektrisch verwarmingsvermogen, verminderd met het bedrag van de premie van de netbeheerder per kW op de datum van de facturatie, voor de vervanging van elektrische verwarming;
13°     een forfaitair bedrag van 33 euro per m², gemeten volgens glasmaat, voor het vervangen van de beglazing door hoogrendementsglas, niet cumuleerbaar met de subsidie vermeld in punt 3°.

§4. De subsidies die vanaf 2016 uit het Vlaams Klimaatfonds en via een toelage vanuit het begrotingsartikel QF0-1QDG2QK-IS aan de VMSW toegekend worden om een grondige renovatie- of vervangingsbouwpremie te verstrekken, kan alleen aangewend worden voor renovatie en vervangingsbouw van woningen die bestemd zijn voor sociale huur. Er mag maximaal drie jaar verstreken zijn tussen de datum van de voorlopige oplevering van de sloopwerken en de premieaanvraag voor de vervangingsbouw. De subsidie mag niet gecumuleerd worden met de andere premies voor maatregelen, vermeld in paragraaf 1 en 3. De VMSW keert voor de maatregelen, vermeld in artikel 5.49, de volgende subsidiebedragen uit aan de woonmaatschappijen en het VWF:
1°       ...
2°       650 euro per wooneenheid die aangesloten is op de geoptimaliseerde collectieve verwarmingsinstallatie;
3°       een forfaitair bedrag van 130 euro per m² voor het geplaatste hoogrendementsraamsysteem, gemeten volgens de dagmaat, of een forfaitair bedrag van 150 euro per m² voor het geplaatste hoogrendements+-raamsysteem, gemeten volgens de dagmaat;
4°      ...
5°       1500 euro per geplaatste zonneboiler, te vermeerderen met 250 euro per m² zonnecollectoroppervlak boven de 4 m². De premie wordt berekend op basis van de apertuuroppervlakte;
6°       een forfaitair bedrag van 800 euro per geplaatste niet-geothermische warmtepomp of, als er meer dan één wooneenheid op de werking van de warmtepomp wordt aangesloten, 500 euro per aangesloten wooneenheid;
7°       een forfaitair bedrag van 21 euro per m², verminderd met het bedrag van de premie per m² van de netbeheerder op de datum van de facturatie, voor de geplaatste dak- of zoldervloerisolatie. Dat bedrag wordt verhoogd met 10 euro per m² in geval van platte daken;
8°       een forfaitair bedrag van 16 euro per m², verminderd met het bedrag van de premie per m² van de netbeheerder op de datum van de facturatie, voor de na-isolatie van de bestaande spouwmuur;
9°       een forfaitair bedrag voor de aangebrachte buitenisolatie op de gevels van 60 euro per m² bij pleistersystemen en van 115 euro per m² bij andere systemen, verminderd met het bedrag van de premie per m² van de netbeheerder op de datum van de facturatie;
10°     een forfaitair bedrag van 20 euro per m², verminderd met het bedrag van de premie per m² van de netbeheerder op de datum van de facturatie, voor de isolatie van de onderste vloeren of kelders;
11°     een forfaitair bedrag van 2500 euro per aangesloten wooneenheid voor de installatie van een collectieve geothermische warmtepomp;
12°     een forfaitair bedrag van 150 euro per kW geïnstalleerd elektrisch verwarmingsvermogen, verminderd met het bedrag van de premie van de netbeheerder per kW op de datum van de facturatie, voor de vervanging van elektrische verwarming;
13°     een forfaitair bedrag van 33 euro per m², gemeten volgens glasmaat, voor het vervangen van de beglazing door hoogrendementsglas bij renovatie, niet cumuleerbaar met de subsidie, vermeld in punt 3°;
14°     een forfaitair bedrag van 2500 euro per gesloopt huis of 1250 euro per gesloopt appartement bij vervangingsbouw;
15°     een forfaitair bedrag van 10 euro per m² geplaatste spouwisolatie, gemeten volgens de netto-oppervlakte;
16°     een forfaitair bedrag van 1500 euro per woning bij de installatie van een vraaggestuurd ventilatiesysteem met vrije toevoer en mechanische afvoer of van een ventilatiesysteem met mechanische aan- en afvoer met warmteterugwinning.

§5. ...

§ 6. De subsidiebedragen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, en paragraaf 4, mogen onderling en met andere energieprestatiebevorderende voordelen en subsidies gecumuleerd worden, zolang die samen de totale gefactureerde kostprijs van de werkzaamheden die betrekking hebben op de subsidiabele maatregelen, inclusief btw, niet overschrijden. Als de subsidiebedragen, gecumuleerd met andere voordelen en subsidies, de totale gefactureerde kostprijs overschrijden, zullen de subsidiebedragen verminderd worden tot het verschil van de totale gefactureerde kostprijs en de gecumuleerde andere voordelen en subsidies.

De toepasbare extra premie van de netbeheerder Eandis voor woonmaatschappijen Actie 2013-2014 wordt in elk geval afgetrokken van het subsidiebedrag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 7°, voor dak- of zoldervloerisolatie, met uitzondering van de bijkomende premie van 10 euro per m² in geval van platte daken, het subsidiebedrag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 12°, voor elektrische verwarming, en het subsidiebedrag, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 7°, voor dak- of zoldervloerisolatie, met uitzondering van de bijkomende premie van 10 euro per m² in geval van platte daken, en het subsidiebedrag, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 12°, voor elektrische verwarming.

Artikel 5.51. (25/04/2022- 31/12/2022)

Om een beroep te kunnen doen op de subsidiebedragen, vermeld in artikel 5.50, §3 en §4, van dit besluit, moet in geval van vergunningsplichtige renovatiewerken en vervangingsbouw voldaan worden aan de stedenbouwkundige voorschriften en de EPB-eisen, vermeld in het Energiebesluit van 19 november 2010. In de overige gevallen moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
1°       de warmtegeneratoren van de te vervangen verwarmingsinstallaties zijn minimaal 15 jaar oud op het moment van de subsidieaanvraag, tenzij het een installatie betreft die hoofdzakelijk werkt op basis van elektrische weerstandsvorming of die bestaat uit individuele kachels, ongeacht of ze eigendom zijn van de sociale huisvestingsmaatschappij. De plaatsing van een hoogrendementsketel voor stookolie wordt niet gesubsidieerd als er langs de openbare weg een aardgasnet, een biogasnet of een warmtenet aanwezig is;
2°       de verwarmingsinstallaties worden geplaatst en aangepast door een erkende technicus als vermeld in artikel 6, 2°, van het VLAREL van 19 november 2010;
3°       de plaatsing van het hoogrendementsraamsysteem en de vervanging van de beglazing door hoogrendementsglas gebeuren onder de voorwaarden, vermeld in artikel 4, §1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 houdende de toekenning van subsidies aan de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen voor het vervangen van ramen door thermisch isolerende ramen door sociale huisvestingsmaatschappijen en voor het uitwerken van een energetische optimalisatieprocedure door de VMSW met toepassing van REG-maatregelen voor bestaande collectieve installaties voor verwarming, sanitair en ventilatie;
4°       de nieuw toegevoegde dak- of zolderisolatie heeft een Rd-waarde van minstens 3,5 m²K/W en de Rd-waarde van het totale nieuwe en eventueel bestaande isolatiepakket, bedraagt minstens 4,5 m²K/W;
5°       de na-isolatie van de spouw voldoet minstens aan de criteria, vermeld in artikel 1, 2°, van het ministerieel besluit van 5 december 2018 houdende vaststelling van de nadere regels, technische vereisten en hoogten van de premies, trajectbegeleidingen en collectieve renovatieprojecten, vermeld in artikel 6.4.1/1, artikel 6.4.1/1/1, artikel 6.4.1/1/2, artikel 6.4.1/1/3, artikel 6.4.1/4, artikel 6.4.1/5, artikel 6.4.1/9 en artikel 6.4.1/9/1 van het Energiebesluit van 19 november 2010;
6°       de nieuw toegevoegde gevelisolatie heeft een Rd-waarde van minstens 3 m²K/W en de Rd-waarde van het totale nieuwe en eventueel bestaande isolatiepakket bedraagt minstens 3,5 m²K/W;
7°       de nieuw toegevoegde vloer- of kelderisolatie heeft een Rd-waarde van minstens 2 m²K/W;
8°       de warmtepomp voldoet minstens aan de criteria, vermeld in artikel 2, 2°, van het ministerieel besluit van 5 december 2018 houdende vaststelling van de nadere regels, technische vereisten en hoogten van de premies, trajectbegeleidingen en collectieve renovatieprojecten, vermeld in artikel 6.4.1/1, artikel 6.4.1/1/1, artikel 6.4.1/1/2, artikel 6.4.1/1/3, artikel 6.4.1/4, artikel 6.4.1/5, artikel 6.4.1/9 en artikel 6.4.1/9/1 van het Energiebesluit van 19 november 2010;
9°       de spouwisolatie heeft een Rd-waarde van minstens 3,5 m²K/W;
10°     het ventilatiesysteem voldoet aan de EPB-eisen, vermeld in het Energiebesluit van 19 november 2010;
11°     de individuele of collectieve verwarmingsinstallatie met condenserende ketel op gas of op stookolie voldoet aan Verordening (EU) NR. 813/2013 van de Commissie van 2 augustus 2013 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad, wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft;
12°     de hoogrendementskachel op gas is voorzien van een CE-markering. Het toestel is van het gesloten type (type C). De installatie is in overeenstemming met de norm NBN D51-003;
13°     de zonneboiler voldoet minstens aan de criteria, vermeld in artikel 2, 1°, van het ministerieel besluit van 5 december 2018 houdende vaststelling van de nadere regels, technische vereisten en hoogten van de premies, trajectbegeleidingen en collectieve renovatieprojecten, vermeld in artikel 6.4.1/1, artikel 6.4.1/1/1, artikel 6.4.1/1/2, artikel 6.4.1/1/3, artikel 6.4.1/4, artikel 6.4.1/5, artikel 6.4.1/9 en artikel 6.4.1/9/1 van het Energiebesluit van 19 november 2010;
14°     de individuele verbruiksmeter en warmtekostenverdeler voldoen aan de criteria, vermeld in titel III/1, van het Energiebesluit van 19 november 2010.

In afwijking van het eerste lid bedraagt voor de plaatsing van de hoogrendements+- raamsystemen, vermeld in artikel 5.50, §4, 3°, de maximale gemiddelde Uw-waarde 1,5 W/m²K, berekend als een oppervlaktegewogen gemiddelde van alle transparante scheidingsconstructies, met uitzondering van deuren en poorten, lichte gevels, glasbouwstenen en andere scheidingsconstructies dan glas per woning. Voor opake deuren bedraagt de maximale UD-waarde 2,0 W/m²K.

Artikel 5.52. (09/05/2022- 31/12/2022)

§1. ....

§ 2. Het subsidiebedrag, vermeld in artikel 5.50, § 3, eerste lid, en § 4, wordt aangevraagd voor de bestelling, in geval van te gunnen werkzaamheden, of voor de start van de werkzaamheden met het typeformulier dat de VMSW ter beschikking stelt.

De sociale huisvestingsmaatschappij of het VWF voegt bij haar subsidieaanvraag het bewijs dat de werkzaamheden voldoen aan de bij of krachtens dit besluit gestelde voorwaarden aan de hand van:
1° het gunningsdossier, in geval van te gunnen werkzaamheden;
2° het merk, het type en de nodige technische specificaties van de systemen die toegepast worden;
3° de verklaring van de sociale huisvestingsmaatschappij of het VWF dat ze voor de subsidiabele maatregel al dan niet een subsidie van een netbeheerder of een subsidie van een andere overheid of instantie heeft aangevraagd, ontvangen of zal aanvragen met, in voorkomend geval, de vermelding van het bedrag.

De VMSW controleert of de werkzaamheden voldoen aan de bij of krachtens dit besluit gestelde voorwaarden. De goedkeuring van het subsidieaanvraagdossier wordt aan de sociale huisvestingsmaatschappij of het VWF betekend. Die betekening geldt als belofte van subsidie.

Om subsidiabel te zijn, mogen de werkzaamheden niet worden besteld, in geval van te gunnen werkzaamheden, of gestart voor de betekening van de goedkeuring van het subsidieaanvraagdossier.

Na voltooiing van de werkzaamheden maakt de VMSW de afrekening van het subsidiebedrag op basis van de door de sociale huisvestingsmaatschappij of het VWF bezorgde kopie van de factuur of van de vorderingsstaat in geval van gegunde werkzaamheden.

De eerste schijf van 80% wordt als voorschot uitbetaald nadat het bewijs van de bestelling of de start van de werkzaamheden is voorgelegd. Het saldo van het subsidiebedrag wordt uitbetaald na de eindafrekening. Als de werkzaamheden niet voldoen aan de bij of krachtens dit besluit gestelde voorwaarden, vordert de VMSW het voorschot terug.

§3. In afwijking van paragraaf 2 wordt het subsidiebedrag, vermeld in artikel 5.50, §4, 14°, binnen drie jaar na de datum van de sloopvergunning aangevraagd, samen met de subsidie voor de andere werkzaamheden.

Artikel 5.53. (25/04/2022- 31/12/2022)

De VMSW verifieert of de subsidieaanvraag van een woonmaatschappij of het VWF volledig is en of ze voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde voorwaarden. De VMSW kan daartoe alle nuttig geachte documenten en bewijzen opvragen en een verificatie ter plaatse verrichten.

De VMSW rangschikt de subsidieaanvragen in volgorde van indiening en waakt erover dat de provinciale verdeelsleutel, vermeld in artikel 5.50, §2, in acht genomen wordt. Aan de eerst gerangschikte volledige subsidieaanvragen die aan de bij of krachtens dit besluit gestelde voorwaarden voldoen, wordt een subsidie uitgekeerd.

Artikel 5.54. (25/04/2022- ...)

...

Artikel 5.55. (25/04/2022- ...)

...

Titel 3. Aanleg en aanpassing van wooninfrastructuur

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 5.56. (01/01/2021- ...)

Binnen de perken van de daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten kan de minister volgens de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 2, de kosten van de aanleg of de aanpassing van wooninfrastructuur geheel of gedeeltelijk ten laste nemen, of subsidies verlenen om initiatiefnemers in staat te stellen sociale huur- of koopwoningen ter beschikking te stellen.

De minister stelt de subsidies voor de financiering van verrichtingen voor de realisatie en de instandhouding van sociale huur- of koopwoningen, vermeld in artikel 5.57, eerste lid, ter beschikking van de VMSW. De VMSW geeft de subsidies door aan de initiatiefnemers of betaalt daarmee de tenlastenemingen.

Artikel 5.57. (25/04/2022- 31/12/2022)

De kosten kunnen geheel of gedeeltelijk ten laste worden genomen of een subsidie kan worden toegekend aan de iniatiefnemers voor de aanleg of aanpassing van wooninfrastructuur, in het bijzonder:
1°       bouwrijp maken van gronden en, alleen voor verrichtingen voor de realisatie en de instandhouding van sociale koopwoningen in een gemengd sociaal woonproject als vermeld in artikel 5.60, sloop van de aanwezige constructies;
2°       uitvoering van infrastructuurwerken;
3°       oprichting van gemeenschapsvoorzieningen;
4°       ...

De tenlasteneming of subsidie voor de verrichtingen, vermeld in het eerste lid, wordt verstrekt aan de volgende initiatiefnemers:
1°       de woonmaatschappijen;
2°       het VWF;
3°       gemeenten en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden als vermeld in deel 3, titel 3, van het decreet van 22 december 2017;
4°       openbare centra voor maatschappelijk welzijn of welzijnsverenigingen;
5°       andere initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.29 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 die door de Vlaamse Regering als initiatiefnemer erkend worden.

De VMSW kan de financiering, vermeld in het eerste lid, ook zelf aanwenden volgens dezelfde voorwaarden.