Ministerieel besluit tot uitvoering van artikel 57 van het Procedurebesluit van 9 mei 2014, wat betreft de programmatieregels voor de verdeling van de subsidie voor inkomenstarief voor bestaande kinderopvangplaatsen in 2020-2021

Datum 10/12/2020

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
  2. HOOFDSTUK 2. Programmatieregels voor de subsidie voor inkomenstarief
  3. HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen

Inhoud

(... - ...)

Rechtsgronden

Dit besluit is gebaseerd op:
- het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, artikel 5, § 2, 2°, artikel 8, § 2, en artikel 13, § 2, gewijzigd bij het decreet van 2 juni 2006;
- het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, artikel 8, § 1, gewijzigd bij de decreten van 29 juni 2012 en 23 maart 2018 en artikel 12, § 1, tweede lid;
- het Procedurebesluit van 9 mei 2014, artikel 57, § 2, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2018, en § 5, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2018.

Vormvereisten

De volgende vormvereisten zijn vervuld:
- De inspectie van financiën heeft advies gegeven op 8 oktober 2020.
- De Raad van State heeft advies 68.246/1 gegeven op 3 december 2020, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

DE VLAAMSE MINSITER VAN WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID, GEZIN EN ARMOEDEBESTRIJDING BESLUIT:

HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. (15/10/2020- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° agentschap: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, opgericht bij artikel 3 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie;
2° basissubsidie: de basissubsidie, vermeld in artikel 1, 1°, van het Subsidiebesluit van 22 november 2013;
3° subsidie voor inkomenstarief: de subsidie voor inkomenstarief, vermeld in artikel 1, 17°, van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, conform de bedragen, vermeld in artikel 59, § 2, van het voormelde besluit.

Artikel 2. (15/03/2021- ...)

In 2020-2021 bestaat het totaal te verdelen budget uit:
1° een nieuw subsidiebudget van 5.161.409 euro (vijf miljoen honderdeenenzestigduizend vierhonderdennegen euro);
2° een vrijgekomen bestaand budget van 48.000 euro (achtenveertigduizend euro) in de gemeente Torhout, dat herbesteed wordt in die gemeente.

Artikel 3. (15/10/2020- ...)

Het subsidiebudget, vermeld in artikel 2, wordt volledig verdeeld voor de omschakeling van bestaande kinderopvangplaatsen groepsopvang zonder subsidie of met de basissubsidie naar kinderopvangplaatsen met de subsidie voor inkomenstarief, met inbegrip van de basissubsidie als dat nodig is.

Er is een voorafname van het te verdelen budget, vermeld in artikel 2, 1°, volgens de volgende percentages van het voormelde budget voor de volgende gebieden, die opgenomen zijn in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd:
1° 15 % voor de stad Antwerpen;
2° 10 % voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
3° 5 % voor de stad Gent.

Er is een voorafname van het volledige budget, vermeld in artikel 2, 2°, voor de gemeente Torhout.

HOOFDSTUK 2. Programmatieregels voor de subsidie voor inkomenstarief

Artikel 4. (15/10/2020- ...)

Het subsidiebudget, vermeld in artikel 2, voor de subsidie voor inkomenstarief, eventueel met inbegrip van de basissubsidie, wordt verdeeld conform artikel 5 tot en met 9.

Artikel 5. (15/10/2020- ...)

De geografische gebieden waar de subsidie voor inkomenstarief, eventueel met inbegrip van de basissubsidie, verdeeld wordt, bovenop de gebieden waar de voorafname van artikel 3, tweede en derde lid, geldt, zijn de gemeenten op de lijst, die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

Per gemeente wordt het maximale aantal plaatsen vermeld dat kan worden toegekend, en dat rekening houdt met de volgende grenzen:
1° een grenspercentage van 75 %;
2° een maximaal aantal plaatsen dat per gemeente toegekend kan worden van 27 plaatsen.

Het grenspercentage en het maximale aantal plaatsen, vermeld in het tweede lid, gelden niet voor de steden of de specifieke situaties waarvoor een voorafname geldt als vermeld in artikel 3, tweede en derde lid.

Artikel 6. (15/10/2020- ...)

De aanvraag van een subsidie voor inkomenstarief, eventueel met inbegrip van de basissubsidie, is ontvankelijk als ze aan al de volgende criteria voldoet:
1° het aanvraagformulier dat het agentschap ter beschikking stelt op zijn website, is ingevuld;
2° de aanvraag is naar het e-mailadres gestuurd dat vermeld wordt op het aanvraagformulier;
3° de aanvraag heeft betrekking op een kinderopvanglocatie groepsopvang waarvoor de organisator op het moment van de oproep al een vergunning heeft en waar de organisator voor geen enkele kinderopvangplaats werkt met het systeem voor inkomenstarief, vermeld in artikel 27 tot en met 36/1 van het Subsidiebesluit van 22 november 2013;
4° de aanvraag heeft betrekking op kinderopvangplaatsen in een kinderopvanglocatie in een van de volgende gemeenten of gebieden:
a) in een van de gemeenten die opgenomen zijn op de lijst, vermeld in artikel 5, eerste lid, van dit besluit, die bij de algemene oproep wordt bekend gemaakt;
b) in een van de gebieden waarvoor een voorafname als vermeld in artikel 3, tweede en derde lid, van dit besluit, geldt.

Artikel 7. (15/10/2020- ...)

 De aanvraag van een subsidie voor inkomenstarief wordt uitgesloten en geweigerd als aan een of meer van de volgende criteria is voldaan:
1° er zijn ernstige dossiermatige indicaties die erop wijzen dat de vergunningsvoorwaarden, vermeld in het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, of de subsidievoorwaarden, vermeld in het Subsidiebesluit van 22 november 2013, niet nageleefd kunnen worden;
2° de organisator heeft de aanvraag niet gemeld aan het lokaal bestuur uiterlijk op 15 december 2020 of er is een gemotiveerd en gegrond negatief advies van het lokaal bestuur als uit contact met het lokaal loket blijkt dat de organisator de samenwerking, als vermeld in artikel 61 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, weigert of omdat de aanvraag niet tegemoetkomt aan de lokale behoeften aan kinderopvangplaatsen met de subsidie voor inkomenstarief;
3° er is geen duidelijk en realistisch perspectief op een concrete realisatie van de gevraagde subsidieerbare kinderopvangplaatsen tegen de opgegeven realisatiedatum of tegen 30 juni 2021;
4° er is een te hoog minimumaantal gevraagde subsidieerbare kinderopvangplaatsen in vergelijking met het beschikbare aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen, vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, dat het agentschap kan toekennen in de gemeente;
5° het minimumaantal gevraagde subsidieerbare kinderopvangplaatsen is op het moment van de oproep groter dan het bestaande aantal vergunde kinderopvangplaatsen in de kinderopvanglocatie waar de organisator de subsidie voor inkomenstarief wil realiseren;
6° de organisator garandeert niet dat vanaf de subsidietoekenning alle kinderbegeleiders in de kinderopvanglocatie waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, een werknemersstatuut zullen krijgen. Als de organisator bestaat uit maximaal twee zaakvoerders in het zelfstandigenstatuut die ook de taak als kinderbegeleider opnemen, hoeven alleen de andere kinderbegeleiders, die geen zaakvoerder zijn, het werknemersstatuut te krijgen. Het gaat daarbij om minstens één kinderbegeleider.

Artikel 8. (15/10/2020- ...)

Bij de beoordeling van de aanvragen wordt per gemeente voorrang verleend aan de aanvraag van de organisator die op het moment van de oproep alle kinderbegeleiders in de betrokken kinderopvanglocatie al in een werknemersstatuut tewerkstelt. De aanvragen met voorrang worden per gemeente door het agentschap eerst behandeld en gerangschikt conform artikel 9 vóór de aanvragen zonder voorrang.

Als de organisator bestaat uit maximaal twee zaakvoerders die ook de taak als kinderbegeleider opnemen, hoeven, om voorrang te krijgen, alleen de andere kinderbegeleiders die geen zaakvoerders zijn in de betrokken kinderopvanglocatie, het werknemersstatuut te hebben op het moment van de oproep. Het gaat daarbij om minstens één kinderbegeleider.

Artikel 9. (15/10/2020- ...)

In dit artikel wordt verstaan onder attest van toezicht: het attest van toezicht dat toegekend is op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2019 houdende de regeling van het attest van toezicht voor zelfstandige opvangvoorzieningen.

Bij de beoordeling van de aanvragen van een subsidie voor inkomenstarief geldt de opstartdatum van de kinderopvanglocatie waarvoor subsidieerbare plaatsen gevraagd worden als criterium van gegrondheid.

Het agentschap rangschikt de aanvragen per gemeente op basis van de opstartdatum van de kinderopvanglocatie. De aanvraag met de oudste opstartdatum komt het hoogst in de rangschikking. Het agentschap behandelt de aanvragen achtereenvolgens op basis van de rangschikking tot het aantal plaatsen dat in de gemeente toegekend kon worden, verdeeld is.

In het tweede lid wordt verstaan onder opstartdatum: de startdatum van de huidige vergunning van de kinderopvanglocatie of de startdatum van het attest van toezicht voor de kinderopvanglocatie, als dat attest onmiddellijk aan de huidige vergunning voorafging.

In afwijking van het vierde lid kunnen de volgende data ook als opstartdatum beschouwd worden:
1° de startdatum van de vergunning of van het attest van toezicht waarover een organisator beschikte voor de ononderbroken werking verhuisde naar een andere kinderopvanglocatie;
2° de startdatum van de vergunning van de organisator die vóór een procedure tot wijziging van de rechtsvorm van de organisator als vermeld in artikel 13/2 van het Procedurebesluit van 9 mei 2014, een vergunning voor de kinderopvanglocatie had;
3° de startdatum van het attest van toezicht van de organisator die, voorafgaand aan een nieuw attest van toezicht, naar aanleiding van een wijziging van de rechtsvorm van de organisator een attest van toezicht voor de kinderopvanglocatie had;
4° de startdatum van de vergunning of van het attest van toezicht van de organisator die, voorafgaand aan een overname door een nieuwe organisator, een vergunning of een attest van toezicht voor de kinderopvanglocatie had, op voorwaarde dat minstens een van de personen die bij de eerste organisator instond voor de organisatie van de kinderopvang en die deel uitmaakte van de voorgaande organisator, ook deel uitmaakt van de overnemende organisator;
5° de startdatum van het attest van toezicht voor zelfstandige onthaalouder of de vergunning voor gezinsopvang die onmiddellijk voorafging aan de huidige vergunning voor groepsopvang van dezelfde organisator, of aan het attest van toezicht voor zelfstandig kinderdagverblijf dat onmiddellijk aan de huidige vergunning van dezelfde organisator voorafging.

Als verschillende aanvragen dezelfde opstartdatum hebben, komt de aanvraag van de organisator die, op de datum van de algemene oproep van het agentschap, in het totaal de minste subsidieerbare kinderopvangplaatsen met een subsidiebelofte of subsidietoekenning voor de subsidie voor inkomenstarief heeft, hoger in de rangschikking. Als er dan nog altijd verschillende aanvragen op dezelfde plaats gerangschikt zijn, komt de aanvraag van de organisator die op het moment van de oproep in totaal het minst subsidieerbare plaatsen met basissubsidie heeft, hoger in de rangschikking.

HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen

Artikel 10. (15/10/2020- ...)

De volgende regelingen worden opgeheven:
1° het ministerieel besluit van 19 juni 2018 tot uitvoering van artikel 57 van het Procedurebesluit van 9 mei 2014, wat betreft de programmatieregels voor de verdeling van de basissubsidie in 2018;
2° het ministerieel besluit van 27 november 2018 tot uitvoering van artikel 57 van het Procedurebesluit van 9 mei 2014 en artikel 56 van het Procedurebesluit Buitenschoolse Opvang van 19 december 2014, wat betreft de programmatieregels voor de verdeling van de basissubsidie voor nieuwe plaatsen groepsopvang, voor de subsidie inkomenstarief en voor de subsidie voor Centrum inclusieve kinderopvang in 2018;
3° het ministerieel besluit van 27 maart 2019 tot uitvoering van artikel 57 van het Procedurebesluit van 9 mei 2014, wat betreft de programmatieregels voor de verdeling van de subsidie voor ruimere openingsmomenten, de subsidie voor dringende kinderopvang en de plussubsidie in 2019.

Artikel 11. (15/10/2020- ...)

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 15 oktober 2020.

BIJLAGE 1 (15/03/2021- ...)


Bijlage 1. Tabel met de voorafnamen van het te verdelen budget voor de gebieden, vermeld in artikel 3
 

    budget richtinggevend aantal plaatsen
TOTAAL 100% € 5.161.409 634
voorafname Antwerpen 15% € 774.211,35 95
voorafname tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad 10% € 516.140,90 63
voorafname Gent 5% € 258.070,45 32
voorafname Torhout    € 48.000 6

 

BIJLAGE 2 (15/10/2020- ...)

De lijst, vermeld in artikel 5