Besluit van de Vlaamse Regering over het lokaal beleid, de samenwerking en de subsidie voor buitenschoolse opvang en activiteiten

Datum 09/07/2021

Inhoudstafel

  1. HOOFDSTUK 1. Definities
  2. HOOFDSTUK 2. Lokaal beleid
  3. HOOFDSTUK 3. Samenwerking
  4. HOOFDSTUK 4. Subsidie
  5. HOOFDSTUK 4/1. Monitoring van het aanbod en het gebruik, de opvolging en de terugvordering van subsidies
    1. Afdeling 1. Monitoring door lokale besturen
    2. Afdeling 2. Opvolging en terugvordering van subsidies door het agentschap
  6. HOOFDSTUK 5. Overgangsbepalingen
    1. Afdeling 1. Bepalingen over de overgangstermijn als vermeld in artikel 17, eerste lid, van het decreet van 3 mei 2019
    2. Afdeling 2. Termijn voor de compensatie van subsidieverlies en de toepassing van een sociale toeslag en zorgtoeslag
  7. HOOFDSTUK 6. Slotbepalingen

Inhoud

( ... - ... )

Rechtsgronden
Dit besluit is gebaseerd op:
-de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;
- het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, artikel 5, § 1, eerste lid, 1°, i), ingevoegd bij het decreet van 3 mei 2019, en § 2, ingevoegd bij het decreet van 1 maart 2019 en gewijzigd bij het decreet van 3 mei 2019, en artikel 8, § 2;
- het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten, artikel 4, artikel 6, tweede lid, artikel 8, vijfde lid, artikel 11, artikel 12, vierde lid, artikel 15, derde lid en artikel 16, tweede lid.

Vormvereisten
De volgende vormvereisten zijn vervuld:
- De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 15 maart 2021;
- De Raad van State heeft advies 69.483/1 gegeven op 30 juni 2021;
- De Vlaamse Onderwijsraad heeft advies gegeven op 15 juni 2021;
- De Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen heeft advies gegeven op 21 juni 2021;
- De Vlaamse Raad voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin heeft advies gegeven op 22 juni 2021.

Motivering
Dit besluit is gebaseerd op de volgende motieven:
- Het lokaal bestuur neemt de regie op voor de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten door een lokaal beleid te ontwikkelen en beslist over de besteding en de verdeling van de beschikbare financiële, personele, logistieke en infrastructurele middelen, waaronder de decretaal bepaalde subsidie. Dat gebeurt binnen het kader van Vlaamse beleidsprioriteiten. Vanuit zijn regierol is het lokaal bestuur in principe initiatiefnemer en organisator van het lokaal samenwerkingsverband, dat het lokaal bestuur kan adviseren, gezamenlijke operationele doelstellingen ontwikkelt en operationele acties coördineert. De Vlaamse Regering kent een subsidie toe aan de lokale besturen, die deels bij voorrang moet worden besteed aan het aanbod van kleuteropvang met een kwaliteitslabel;
- Dit besluit bepaalt de nadere regels met betrekking tot lokaal beleid, samenwerking en subsidie, en vervangt het besluit dat dit al deels regelde, namelijk het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2020 over het lokaal beleid buitenschoolse opvang en activiteiten en over overgangsbepalingen.

Juridisch kader
Dit besluit sluit aan bij de volgende regelgeving:
- het decreet van 15 juli 2011 houdende vaststelling van de algemene regels waaronder in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest periodieke plan- en rapporteringsverplichtingen aan lokale besturen kunnen worden opgelegd;
- het besluit van de Vlaamse Regering van 4 december 2020 over de beleids- en beheerscyclus van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

Initiatiefnemer
Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding.

Na beraadslaging,

DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:

HOOFDSTUK 1. Definities (... - ...)

Artikel 1. ( 01/09/2021 - ... )

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° agentschap: het agentschap, vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie;
2° decreet van 3 mei 2019: het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten;
3° overgangstermijn: de periode, vermeld in artikel 17, eerste lid, van het decreet van 3 mei 2019.

HOOFDSTUK 2. Lokaal beleid (... - ...)

Artikel 2. ( 01/01/2026 - ... )

De Vlaamse beleidsprioriteiten voor buitenschoolse activiteiten zijn:
1° de regierol, vermeld in artikel 4 tot en met 6 van het decreet van 3 mei 2019, vervullen, met het oog op:
a) het geïntegreerd aanbod van buitenschoolse activiteiten, waarbij er ook aandacht is voor het Nederlands; 
b) de samenwerking, vermeld in artikel 7 tot en met 9 van het voormelde decreet, organiseren;
c) de erkenning, het toezicht en de handhaving van het erkend lokaal aanbod van buitenschoolse activiteiten;
d) de toegankelijkheid, met bijzondere aandacht voor kleuters, kwetsbare gezinnen en kinderen met een specifieke zorgbehoefte. 
2° het erkend lokaal aanbod van buitenschoolse activiteiten, vermeld in artikel 4, eerste lid, 3°, van het decreet van 3 mei 2019, financieren.

De Vlaamse Gemeenschapscommissie geeft uitwerking aan voormelde beleidsprioriteiten in haar meerjarenplan, vermeld in artikel 7 tot en met 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 december 2020 over de beleids- en beheerscyclus van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

Als het lokaal bestuur subsidies toekent aan organisatoren, doet het dat met inachtneming van het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.

Artikel 2/1. ( 01/01/2026 - ... )

Het lokaal bestuur heeft een lokaal erkenningskader, rekening houdend met artikel 11/1 van het decreet van 3 mei 2019, waarmee het lokaal bestuur het lokaal aanbod buitenschoolse activiteiten, dat nog niet beschikt over een erkenning op basis van een andere regelgeving, erkent. 

Het lokaal bestuur evalueert op periodieke basis het lokaal erkenningskader in samenwerking met het lokaal samenwerkingsverband, vermeld in artikel 7 van het decreet van 3 mei 2019.

Artikel 2/2. ( 01/01/2026 - ... )

In het kader van de rol van toezichthouder en handhaver, als vermeld in artikel 4 van het decreet, zorgt het lokaal bestuur minstens voor volgende zaken:
1° het registreren en documenteren van de behandeling van klachten over het door het lokaal bestuur erkend aanbod buitenschoolse activiteiten; 
2° het periodiek evalueren van het erkend aanbod buitenschoolse activiteiten op basis van de voorwaarden opgenomen in het lokaal erkenningskader; 
3° het overeenkomen, op initiatief van het lokaal bestuur, van verbeteracties, en de bijhorende voorwaarden, alsook het opvolgen van deze verbeteracties met betrekking tot het erkend aanbod buitenschoolse activiteiten als er zorgen zijn over de veiligheid en kwaliteit, op basis van artikel 11/1 van het decreet van 3 mei 2019, of als de voorwaarden uit het lokaal erkenningskader, vermeld in artikel 2/1, niet nageleefd worden. 

Artikel 3. ( 01/01/2026 - ... )

De bewaking van de neutraliteit, vermeld in artikel 6, eerste lid, van het decreet van 3 mei 2019, gebeurt op een transparante wijze en houdt onder meer in:
1°    dat de lokale besturen hun rol van regisseur functioneel scheiden van hun rol van organisator;
2°    dat de lokale besturen altijd advies vragen aan het lokale samenwerkingsverband bij de opdrachten, vermeld in artikel 4, eerste lid, van het decreet van 3 mei 2019;
3°    dat de lokale besturen transparant communiceren over de organisatie en structuur van het lokale samenwerkingsverband.

Het lokaal bestuur voorziet in een procedure om klachten over de schending van de voormelde neutraliteit in te dienen en te behandelen.

HOOFDSTUK 3. Samenwerking (... - ...)

Artikel 4. ( 01/09/2021 - ... )

Als het lokaal bestuur er zelf voor kiest om de organisatie van het lokaal samenwerkingsverband, vermeld in artikel 7 en 8 van het decreet van 3 mei 2019, niet op zich te nemen, doet het lokaal bestuur een oproep om dat volledig of gedeeltelijk over te laten aan één of aan verschillende actoren. Die oproep is gericht aan alle relevante lokale actoren.

Overeenkomstig artikel 8, derde lid, van het voormelde decreet, kunnen bij gebrek aan initiatief van het lokaal bestuur, een of meer andere actoren die relevant zijn voor buitenschoolse activiteiten, het initiatief nemen voor het lokaal samenwerkingsverband. Die initiatiefnemers brengen het lokaal bestuur daarvan op de hoogte.

De actoren, vermeld in het eerste en tweede lid, nodigen elke andere relevante actor uit met het oog op één lokaal samenwerkingsverband binnen de gemeente.

Als er sprake is van samenwerking met andere lokale besturen met toepassing van artikel 5 van het voormelde decreet, en er één gezamenlijk lokaal samenwerkingsverband is als vermeld in artikel 7, derde lid, van het voormelde decreet, gelden de bepalingen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, over het geheel van de lokale besturen in kwestie.

In geval van samenvoeging of splitsing van gemeenten wordt het lokaal samenwerkingsverband aangepast. In dat geval gelden de bepalingen, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, over het geheel van de lokale besturen in kwestie.

Artikel 5. ( 01/09/2021 - ... )

Het bewaken van de neutraliteit, vermeld in artikel 8, vierde lid, van het decreet van 3 mei 2019, gebeurt op een transparante wijze en houdt onder meer in dat de actoren hun rol van initiatiefnemer of organisator van het lokaal samenwerkingsverband functioneel scheiden van hun rol van organisator.

De organisator van het lokaal samenwerkingsverband voorziet in een procedure om klachten over de schending van de voormelde neutraliteit in te dienen en te behandelen.

HOOFDSTUK 4. Subsidie (... - ...)

Artikel 6. ( 01/01/2026 - ... )

Het lokaal bestuur ontvangt, binnen de grenzen van de kredieten die daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap worden ingeschreven, een subsidie, als het de twee Vlaamse beleidsprioriteiten, vermeld in artikel 2, eerste lid, opneemt in zijn meerjarenplanning of in zijn meerjarenplan voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Het lokaal bestuur vertaalt de beleidsprioriteiten in doelstellingen en acties. Daarbij wordt duidelijk aangegeven op welke manier omgegaan wordt met de besteding, vermeld in artikel 7.

De subsidie geldt voor onbepaalde duur.

Artikel 7. ( 01/01/2026 - ... )

Het lokaal bestuur besteedt de subsidie, vermeld in dit besluit, aan de twee Vlaamse beleidsprioriteiten, vermeld in artikel 2, eerste lid.

In het kader van de toepassing van het eerste lid gelden de volgende bepalingen met betrekking tot reserves:
1° er kan maximaal 20% als reserve overgedragen worden naar het volgende kalenderjaar. De gecumuleerde reserve die wordt opgebouwd uit de jaarlijkse subsidiebedragen, is maximaal 50% van het jaarlijkse subsidiebedrag. Als de reservebedragen hoger zijn dan één van de vermelde maximumpercentages, of niet besteed worden aan de vermelde doelstellingen, wordt het bedrag dat de grens overschrijdt vanaf 1 januari 2028 teruggestort aan het agentschap. Het lokaal bestuur bezorgt jaarlijks tegen 31 juli een overzicht van de opgebouwde reserve van het voorgaande jaar, samen met de doelstelling van de reserveopbouw aan het agentschap. De opgebouwde reserve mag uitsluitend worden aangewend voor uitgaven voor infrastructuurwerken en uitrusting voor buitenschoolse activiteiten. Onder uitrusting wordt verstaan: alle materialen en gereedschappen die worden ingezet voor de realisatie van buitenschoolse activiteiten;
2° in afwijking van 1° kan een lokaal bestuur dat een compensatiebedrag krijgt als vermeld in artikel 16/1, geen reserve opbouwen op het compensatiebedrag voor de periode waarin het een compensatiebedrag ontvangt.

Artikel 8. ( 01/01/2026 - ... )

§1. Overeenkomstig artikel 12, eerste lid, van het decreet van 3 mei 2019, wordt de subsidie toegekend op basis van de in die bepaling vastgestelde parameters en indicatoren.

Het bedrag van de subsidie bestaat uit de som van: 
1°    een basisbedrag dat wordt berekend conform paragraaf 2; 
2°    een bedrag voor toegankelijkheid dat berekend wordt conform paragraaf 3.

90% van de kredieten, vermeld in artikel 6, wordt voorbehouden aan het basisbedrag, vermeld in het tweede lid, 1°, en 10% van de kredieten aan het bedrag voor toegankelijkheid, vermeld in het tweede lid, 2°.

§2. Het basisbedrag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, wordt berekend op basis van de volgende percentages: 
1°    de parameter, vermeld in artikel 12, eerste lid, 1°, van het decreet van 3 mei 2019, weegt door voor 40%; 
2°    de parameter, vermeld in artikel 12, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet, weegt door voor 60%.

De berekening van het aantal kinderen is als volgt: 
X = (40% * Y) en (60% * Z), waarbij: 
1°    X: het af te ronden resultaat van de som van 0,40*Y en 0,60*Z;
2°    Y: het gemiddeld aantal kinderen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, 1° van het decreet van 3 mei 2019, over drie jaar;
3°    Z: het gemiddelde aantal kinderen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, 2°, van ditzelfde decreet, over drie jaar.

Bij de berekening van het aantal kinderen, vermeld in §2, tweede lid, worden de volgende afrondingsregels gebruikt:
1°    als het resultaat eindigt op minder dan 50 honderdsten, wordt het eindresultaat naar het lagere gehele getal afgerond;  
2°    als het resultaat eindigt op minstens 50 honderdsten, wordt het eindresultaat naar het eerstvolgende gehele getal afgerond.  

Bij de toepassing van de parameter, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad 30% van het aantal kinderen in rekening genomen.

Bij de toepassing van de parameter, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt het aantal kinderen dat naar het basisonderwijs gaat, gebaseerd op de jaarlijkse cijfergegevens van het Departement Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 22, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.

Het basisbedrag wordt driejaarlijks geactualiseerd op basis van het gemiddeld aantal kinderen op 31 december van de drie jaar voorafgaand aan het berekeningsjaar. Onder berekeningsjaar wordt verstaan: het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. 

In afwijking van het vijfde lid, wordt voor de subsidie toegekend in de periode van 1 september 2031 tot en met 31 december 2031 het basisbedrag berekend op basis van het gemiddeld aantal kinderen op 31 december 2028, 2029 en 2030.

§3. In toepassing van artikel 8, §1, tweede lid, 2°, wordt het bedrag voor toegankelijkheid gedurende de in artikel 17/1, eerste lid, van het decreet van 3 mei 2019 bedoelde termijn per gemeente berekend op basis van volgende berekening:
1°    een forfaitair bedrag per kind dat als volgt berekend wordt: het beschikbaar totaalbudget voor toegankelijkheid, gedeeld door het aantal kinderen in Vlaanderen, berekend volgens de parameters in artikel 8, paragraaf 2, 1° en 2°, met een sociale toeslag en kinderen met een zorgtoeslag. 
2°    de berekening van het bedrag voor toegankelijkheid per gemeente is als volgt: X = [(A * B) + (C * D)] * E, waarbij: 
a)    X: het bedrag voor toegankelijkheid per gemeente;    
b)    A: het aantal kinderen per gemeente (samengestelde parameter op basis van artikel 12, 1° en 2°);
c)    B: het % kinderen met een zorgtoeslag;
d)    C: het aantal kinderen per gemeente (samengestelde parameter op basis van artikel 12, 1° en 2°);
e)    D: het % kinderen met een sociale toeslag;
f)    E: het forfaitair bedrag voor toegankelijkheid per kind, vermeld in 1°.

Artikel 9. ( 01/09/2021 - ... )

De toegekende subsidie wordt telkens in de eerste maand van het kwartaal uitbetaald, ten belope van 80% van het geraamde subsidiebedrag per lokaal bestuur. Het saldo wordt uitbetaald uiterlijk op 1 april van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de toegekende subsidie werd uitbetaald.

Artikel 10. ( 01/09/2021 - ... )

De toegekende subsidie wordt aangepast aan de afgevlakte gezondheidsindex.

In het eerste lid wordt verstaan onder afgevlakte gezondheidsindex: het prijsindexcijfer, vermeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen, dat wordt berekend en toegepast conform artikel 2 tot en met 2quater van het voormelde besluit.

De toepassing van het eerste lid mag niet leiden tot een nominale vermindering van de subsidies, vermeld in het eerste lid, in de periode van 1 april tot aan de referentiemaand, vermeld in artikel 2, § 4, van het voormelde besluit.

De aanpassing, vermeld in het eerste lid, gebeurt telkens twee maanden nadat de afgevlakte gezondheidsindex de spilindex overschrijdt.

HOOFDSTUK 4/1. Monitoring van het aanbod en het gebruik, de opvolging en de terugvordering van subsidies (01/09/2026 - ...)

Dit hoofdstuk is nog niet in werking. Hierboven vindt u het eerste "toekomstige hoofdstuk"

Afdeling 1. Monitoring door lokale besturen (01/09/2026 - ...)

Dit hoofdstuk is nog niet in werking. Hierboven vindt u het eerste "toekomstige hoofdstuk"

Artikel 10/1.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

( 01/09/2026 - ... )

Het lokaal bestuur monitort het aanbod buitenschoolse activiteiten in de gemeente en registreert daarvoor de aantallen voor het structureel aanbod en het occasioneel aanbod. Het maximaal aantal kinderen dat op eenzelfde moment gebruik kan maken van het aanbod maakt deel uit van de monitoring en wordt meer bepaald opgedeeld in de volgende categorieën: 
1°    voor en na de schooluren op maandag, dinsdag, woensdagvoormiddag, donderdag en vrijdag;
2°    op woensdagnamiddag na de schooluren;
3°    op weekdagen in de vakantieperiodes.

In het eerste lid wordt verstaan onder:
1°    occasioneel aanbod: het erkend lokaal aanbod van buitenschoolse activiteiten, vermeld in artikel 4, eerste lid, 3°, van het decreet van 3 mei 2019, dat niet onder het structurele aanbod valt;
2°    structureel aanbod: het erkend lokaal aanbod van buitenschoolse activiteiten, vermeld in artikel 4, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet, dat structureel wordt georganiseerd en minimaal 200 openingsuren per jaar heeft.

Artikel 10/2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

( 01/09/2026 - ... )

Het lokaal bestuur rapporteert de aantallen, vermeld in artikel 10/1, in de digitale rapportering, vermeld in artikel 10/4.

Afdeling 2. Opvolging en terugvordering van subsidies door het agentschap (01/09/2026 - ...)

Dit hoofdstuk is nog niet in werking. Hierboven vindt u het eerste "toekomstige hoofdstuk"

Artikel 10/3.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

( 01/09/2026 - ... )

Het agentschap oefent toezicht uit op de besteding van de subsidie, vermeld in artikel 6 en 7, op basis van de digitale rapportering, vermeld in artikel 10/4.

Artikel 10/4.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

( 01/09/2026 - ... )

Overeenkomstig artikel 13, eerste lid, van het decreet van 3 mei 2019 rapporteert het lokaal bestuur, met uitzondering van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, over de besteding van de subsidie via een digitale rapportering over de gegevens van de jaarrekening, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale en de provinciale besturen.

De Vlaamse Gemeenschapscommissie rapporteert over de besteding van de subsidie via een digitale rapportering over de gegevens van de jaarrekening, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 december 2020 over de beleids- en beheerscyclus van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

Als de digitale rapportering over de gegevens van de jaarrekening, vermeld in het eerste en het tweede lid, onvoldoende zicht geeft op de realisatie van de opdrachten, vermeld in artikel 4, eerste lid, van het decreet van 3 mei 2019 en dit besluit, kan het agentschap bijkomende gegevens over de besteding van de subsidie opvragen.

Artikel 10/5.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

( 01/09/2026 - ... )

In al de volgende gevallen gaat het agentschap in gesprek met het lokaal bestuur:
1°    als uit het toezicht, vermeld in artikel 10/3, blijkt dat het lokaal bestuur de bepalingen, vermeld in artikel 6 en 7, niet naleeft;
2°    als uit het toezicht, vermeld in artikel 10/3, blijkt dat de subsidie niet gebruikt wordt voor de doelstelling waarvoor ze is verleend;
3°    als het toezicht wordt verhinderd.

Artikel 10/6.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

( 01/09/2026 - ... )

In al de volgende gevallen wordt het lokaal bestuur schriftelijk aangemaand door het agentschap:
1°    als na het gesprek, vermeld in artikel 10/5, wordt vastgesteld dat het lokaal bestuur de bepalingen, vermeld in artikel 6 en 7 nog altijd niet naleeft;
2°    als na het gesprek, vermeld in artikel 10/5, wordt vastgesteld dat de subsidie nog altijd niet wordt gebruikt voor de doelstelling waarvoor ze is verleend;
3°    als na het gesprek, vermeld in artikel 10/5, wordt vastgesteld dat het toezicht nog altijd wordt verhinderd.

De aanmaning, vermeld in het eerste lid, vermeldt een termijn waarin het lokaal bestuur de inbreuken, vermeld in het eerste lid, moet wegwerken, en kan specifieke voorwaarden bevatten.

Artikel 10/7.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

( 01/09/2026 - ... )

Als na een aanmaning als vermeld in artikel 10/6, het lokaal bestuur geen verantwoording bezorgt of het toezicht verhindert, brengt het agentschap, vóór ze beslist de subsidie terug te vorderen of de betaling van de subsidie op te schorten, het lokaal bestuur op de hoogte van het voornemen om die beslissing te nemen.

Het lokaal bestuur kan reageren op het voornemen, vermeld in het eerste lid, en kan verweer uitoefenen. Het lokaal bestuur reageert tijdens een mondelinge hoorzitting die het agentschap organiseert, tenzij het agentschap oordeelt dat de aard van de inbreuk of het verloop van het dossier verantwoordt dat een schriftelijk verweer volstaat. 

Als het agentschap conform het tweede lid beslist dat een schriftelijk verweer volstaat, kan het lokaal bestuur alsnog gemotiveerd en schriftelijk vragen om mondeling gehoord te worden.

Artikel 10/8.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de eerste "toekomstige versie".

( 01/09/2026 - ... )

Het agentschap beslist tot terugvordering van de subsidie overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.

Het agentschap kan de uitkering van subsidies opschorten overeenkomstig artikel 14 van de voormelde wet.

HOOFDSTUK 5. Overgangsbepalingen (... - ...)

Afdeling 1. Bepalingen over de overgangstermijn als vermeld in artikel 17, eerste lid, van het decreet van 3 mei 2019 (01/01/2026 - ...)

Artikel 11. ( 01/09/2021 - ... )

In afwijking van artikel 6 gelden de volgende voorwaarden gedurende de overgangstermijn:
1° er wordt alleen een subsidie toegekend aan lokale besturen die een aanvraag indienen als vermeld in artikel 16, tweede lid, en die in aanmerking komen volgens een rangschikking die in 2021 is opgemaakt conform artikel 13 tot en met 16;
2° de subsidie wordt toegekend, ook als de twee Vlaamse beleidsprioriteiten, vermeld in artikel 2, eerste lid, niet opgenomen zijn in de meerjarenplanning of in het meerjarenplan voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie, op voorwaarde dat de geplande acties om de opdrachten, vermeld in artikel 2, eerste lid, te realiseren in de aanvraag zijn opgenomen.

Artikel 12. ( 01/09/2021 - ... )

Gedurende de overgangstermijn zijn de volgende bepalingen van toepassing:
1° het recurrente krediet voor de subsidies aan de lokale besturen dat het agentschap kan besteden, bedraagt in totaal 6,3 miljoen euro per kalenderjaar;
2° in de beslissing tot toekenning wordt aan het lokaal bestuur een subsidiebedrag toegekend dat op de volgende wijze wordt berekend:
a) het aantal kinderen, vermeld in artikel 8, § 2, van dit besluit, wordt vermenigvuldigd met 50 euro;
b) het resultaat van de berekening, vermeld in punt a), wordt verminderd met het bedrag van de bestaande subsidies, vermeld in artikel 17, eerste lid, van het decreet van 3 mei 2019, die worden verleend aan organisatoren gevestigd in de gemeente of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

Artikel 13. ( 01/09/2021 - ... )

§ 1. Om de lokale besturen te rangschikken, kent het agentschap aan elk lokaal bestuur een score toe op basis van de volgende twee criteria:
1° het gemiddeld percentage kwetsbare gezinnen dat in de gemeente of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad is gedomicilieerd in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020;
2° het gemiddeld aantal kinderen dat naar een basisschool gaat in de gemeente of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020.

§ 2. Het agentschap bepaalt het percentage kwetsbare gezinnen, vermeld in paragraaf 1, 1°, door een kansarmoedepercentage toe te kennen op basis van de volgende indicator, die samengesteld is uit al de volgende elementen:
1° de kansarmoede-index van het agentschap, zoals gepubliceerd op de website van Opgroeien;
2° het aantal minderjarigen dat recht heeft op een verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering ten opzichte van het totale aantal minderjarigen;
3° het aantal minderjarigen in een eenoudergezin ten opzichte van het totale aantal minderjarigen.

Voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad wordt 30% van het aantal minderjarigen, vermeld in artikel 13, § 2, 2° en 3°, in rekening genomen.

Bij de toepassing van paragraaf 2, 3°, wordt voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad dit berekend op basis van gegevens in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018.

Op het criterium van het percentage kwetsbare gezinnen in de gemeente of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, wordt op de volgende wijze een score toegekend:
1° score 8 voor een kansarmoedepercentage vanaf 25%;
2° score 7 voor een kansarmoedepercentage tussen 20 en 24,99%;
3° score 6 voor een kansarmoedepercentage tussen 15 en 19,99%;
4° score 5 voor een kansarmoedepercentage tussen 10 en 14,99%;
5° score 4 voor een kansarmoedepercentage tussen de 5 en 9,99%;
6° score 0 voor een kansarmoedepercentage tussen de 0 en 4,99%.

§ 3. Op het criterium van het aantal kinderen dat naar de basisschool gaat in de gemeente of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt op de volgende wijze een score toegekend:
1° score 6 vanaf 20.000 leerlingen;
2° score 5 bij 4000 tot 19.999 leerlingen;
3° score 4 bij 2500 tot 3999 leerlingen;
4° score 3 bij 1500 tot 2499 leerlingen;
5° score 2 bij 1000 tot 1499 leerlingen;
6° score 0 bij minder dan 1000 leerlingen.

Artikel 14. ( 01/09/2021 - ... )

Op basis van de totaalscore op de twee criteria samen, vermeld in artikel 13, § 1, berekend conform artikel 13, § 2 en § 3, rangschikt het agentschap de lokale besturen op de volgende wijze:
1° lokale besturen met de hoogste score komen het hoogst in de rangschikking en komen eerst in aanmerking voor een subsidie;
2° in geval van een gelijke score komen lokale besturen met het hoogste kansarmoedepercentage, vermeld in artikel 13, § 2, het hoogst in de rangschikking en komen ze eerst in aanmerking voor een subsidie.

Artikel 15. ( 01/09/2021 - ... )

Binnen het beschikbare krediet en in de volgorde van de rangschikking kent het agentschap de subsidie, vermeld in artikel 12, 2°, toe aan het lokaal bestuur.

Als na toepassing van het eerste lid nog beschikbaar krediet overblijft, maar onvoldoende voor het bedrag dat conform artikel 12, 2°, is berekend, kent het agentschap het lokaal bestuur in kwestie het resterende bedrag van het beschikbare krediet toe.

Artikel 16. ( 01/09/2021 - ... )

De subsidie, vermeld in artikel 12, 2°, wordt conform het tweede tot en met het vierde lid toegekend of geweigerd.

Het agentschap doet een algemene oproep bij de lokale besturen om de subsidie aan te vragen en vermeldt daarbij al de volgende informatie:
1° de begin- en einddatum voor de indiening van de aanvraag;
2° het aanvraagformulier dat gebruikt moet worden;
3° de criteria van ontvankelijkheid en de toekenningsprocedure;
4° de lijst met de lokale besturen die conform artikel 14 zijn gerangschikt, die, rekening houdend met het beschikbare krediet, een aanvraag kunnen indienen.

Het aanvraagformulier bevat volgende gegevens:
1° de naam, het adres, het rekeningnummer en het ondernemingsnummer van het lokaal bestuur;
2° contactgegevens van de contactpersoon inzake de Vlaamse beleidsprioriteiten, vermeld in artikel 2, eerste lid;
3° een verklaring op eer dat is voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6 of een weergave van de acties, zoals opgenomen in artikel 11, 2° ;
4° de handtekening van de persoon die gemachtigd is om in naam van het lokaal bestuur de aanvraag in te dienen.

Het agentschap beslist uiterlijk dertig dagen na de datum waarop het agentschap de aanvraag heeft ontvangen, over de ontvankelijkheid van de aanvraag. De aanvraag is ontvankelijk als ze aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° ze wordt elektronisch ingediend conform de administratieve richtlijnen van het agentschap en binnen de termijnen die in de oproep zijn vastgelegd;
2° ze wordt ingediend met het aanvraagformulier dat het agentschap ter beschikking stelt, en is volledig ingevuld;
3° ze is afkomstig van een lokaal bestuur dat vermeld is op de lijst in de algemene oproep, vermeld in het tweede lid.

Het agentschap beslist over de toekenning of de weigering van de subsidie uiterlijk zestig dagen na de uiterlijke indieningsdatum, vermeld in het tweede lid, 1°. Het agentschap weigert de subsidie in al de volgende gevallen:
1° het lokaal bestuur heeft de twee Vlaamse beleidsprioriteiten, vermeld in artikel 2, eerste lid, niet opgenomen in de meerjarenplanning, of in het meerjarenplan voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie, of de geplande acties om de opdrachten, vermeld in artikel 2, eerste lid, te realiseren zijn niet in de aanvraag opgenomen;
2° er is geen krediet meer beschikbaar, na toepassing van artikel 15.

Afdeling 2. Termijn voor de compensatie van subsidieverlies en de toepassing van een sociale toeslag en zorgtoeslag (01/01/2026 - ...)

Artikel 16/1. ( 01/01/2026 - ... )

Als het basisbedrag, vermeld in artikel 8, §1, tweede lid, 1°, lager is dan de subsidies die op grond van artikel 17, eerste lid van het decreet van 3 mei 2019, aan de organisatoren zijn verleend, vastgesteld op 1 januari 2025, krijgt het lokaal bestuur gedurende de in artikel 17/1, eerste lid, van het decreet van 3 mei 2019 bedoelde termijn, een compensatiebedrag dat dat verlies wegwerkt.

Artikel 16/2. ( 01/01/2026 - ... )

In afwijking van artikel 8, §1, derde lid, wordt gedurende de in artikel 17/1, eerste lid, van het decreet van 3 mei 2019 bedoelde termijn het totaalbudget dat nodig is voor de uitvoering van de compensatiemaatregel, vermeld in artikel 16/1, in mindering gebracht van de kredieten die beschikbaar zijn om het basisbedrag te berekenen conform artikel 8, §2.

HOOFDSTUK 6. Slotbepalingen (... - ...)

Artikel 17. ( 01/09/2021 - ... )

Het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2020 over het lokaal beleid buitenschoolse opvang en activiteiten en over overgangsbepalingen wordt opgeheven.

Artikel 18. ( 01/09/2021 - ... )

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2021, met uitzondering van:
1° artikel 2, tweede lid, dat in werking treedt op 1 januari 2022;
2° artikel 7, tweede lid en artikel 8, § 2, vijfde lid, en § 3, die in werking treden na afloop van de overgangstermijn.

Artikel 19. ( 01/09/2021 - ... )

De Vlaamse minister, bevoegd voor opgroeien, is belast met de uitvoering van dit besluit.


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 17/06/2026