Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, wat betreft de organisatie, samenstelling en werking van de afdelingen gesloten oriëntatie, gesloten begeleiding en gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar in de gemeenschapsinstellingen

Datum 16/09/2022

Inhoudstafel

  1. Hoofdstuk 1. Definities
  2. Hoofdstuk 2. Organisatie, samenstelling en werking van de afdelingen van de gemeenschapsinstellingen
    1. Afdeling 1. De afdeling gesloten oriëntatie
    2. Afdeling 2. De afdeling gesloten begeleiding
    3. Afdeling 3. De afdeling gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar
    4. Afdeling 4. Minimale kwaliteitsvereisten met betrekking tot de werking van de afdelingen van de gemeenschapsinstellingen
  3. Hoofdstuk 3. Het dossier van de gemeenschapsinstellingen
  4. Hoofdstuk 4. Opmaak en inhoud van het medisch-psychologisch onderzoek met het oog op een uithandengeving of een gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar 
  5. Hoofdstuk 5. Wijzigings- en opheffingsbepalingen
  6. Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Inhoud

(... - ...)

Rechtsgronden
Dit besluit is gebaseerd op:
- het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, artikel 8, § 2;
- het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, artikel 11, §4, zesde lid, artikel 26, §5, artikel 27, §4, artikel 37, §7 en §9, artikel 38, §3, tweede lid en artikel 40, §1.
    
Vormvereisten
De volgende vormvereisten zijn vervuld: 
- de Vlaamse Toezichtscommissie heeft advies gegeven op 17 mei 2022;
- de Vlaamse Raad heeft advies gegeven op 10 juni 2022.
- De Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, heeft zijn akkoord gegeven op 5 mei 2022;
- De Vlaamse minister, bevoegd voor bestuurszaken, heeft zijn akkoord gegeven op 25 april 2022;
- De Raad van State heeft advies 71.950 gegeven op 1 september 2022 met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 

Juridisch kader
Dit besluit sluit aan bij de volgende regelgeving:
- het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 tot inrichting van de gemeenschapsinstellingen en tot uitvoering van diverse bepalingen van het decreet betreffende het jeugddelinquentierecht.

Initiatiefnemers
Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid, en Gezin en de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme.

Na beraadslaging,

DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:

Hoofdstuk 1. Definities (... - ...)

Artikel 1. (01/03/2023- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° afdeling gesloten begeleiding: een afdeling in een gemeenschapsinstelling voor minderjarige verdachten en delictplegers die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van artikel 20, §2, eerste lid, 5°, of artikel 29, §2, eerste lid, 7°, van het decreet van 15 februari 2019; 
2° afdeling gesloten oriëntatie: een afdeling in een gemeenschapsinstelling voor minderjarige verdachten en delictplegers die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van artikel 20, §2, eerste lid, 4°, of artikel 29, §2, eerste lid, 6°, van het decreet van 15 februari 2019; 
3° contextwerker: een medewerker binnen de afdeling gesloten oriëntatie en gesloten begeleiding die instaat voor het participatief werken met en ondersteunen van ouders, in voorkomend geval opvoedingsverantwoordelijken en betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige verdachte of delictpleger en het bieden van versterkende ondersteuning en begeleiding in de levensdomeinen die alle betrokkenen aanduiden als belangrijk; 
4° decreet van 15 februari 2019: het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht;
5° forensisch traject: een traject waarbij delictgericht en herstelgericht wordt gewerkt met de minderjarige verdachte of delictpleger, zijn ouders, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit zijn leefomgeving, ook tijdens het verblijf binnen een afdeling van een gemeenschapsinstelling;
6° gedeeld handelingsplan: een handelingsplan op maat van de minderjarige verdachte of delictpleger, waarbij in samenspraak en overleg met de minderjarige, de ouders, in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige, een afdeling van een gemeenschapsinstelling en een privaat begeleidingsaanbod, wordt bepaald welke gezamenlijke herstel- en delictgerichte doelstellingen en acties met betrekking tot het gestelde normoverschrijdend gedrag zullen worden aangewend onder regie van de sociale dienst met het oog op de verwachtingen vanuit en advisering richting de jeugdrechter of de jeugdrechtbank;
7° gedeeld traject: een intentioneel opgezet kader aan de hand van vooropgestelde doelstellingen in het gedeelde handelingsplan en het realiseren van een flexibele differentiatie en wisselwerking van het publieke aanbod van de gemeenschapsinstellingen en het private begeleidingsaanbod dat gelijktijdig of opeenvolgend kan worden aangeboden en de bijsturing daarvan op vastgestelde momenten met het oog op re-integratie in de samenleving; 
8° herstelgericht werken: doelgericht orthopedagogisch werken rond herstel van de schade en relaties tussen mensen, naar aanleiding van een jeugddelict, ook tijdens het verblijf binnen een afdeling van een gemeenschapsinstelling;
9° privaat begeleidingsaanbod: een aanbod, vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 5 april 2019 betreffende de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen in de jeugdhulp of een ander intersectoraal aanbod voor minderjarigen;

Hoofdstuk 2. Organisatie, samenstelling en werking van de afdelingen van de gemeenschapsinstellingen (... - ...)

Afdeling 1. De afdeling gesloten oriëntatie (... - ...)

Artikel 2. (01/03/2023- ...)

§1. Vanuit de afdeling gesloten oriëntatie wordt een onderbouwd en gedocumenteerd advies over de noodzaak van gesloten begeleiding in een afdeling van een gemeenschapsinstelling geformuleerd en wordt een multidisciplinair verslag opgemaakt dat een oriëntatievoorstel als vermeld in artikel 26, §4, eerste lid van het decreet van 15 februari 2019 bevat. 

De gesloten oriëntatie verloopt in twee fasen.

§2. Tijdens de eerste fase van de gesloten oriëntatie wordt een initiële risicotaxatie gerealiseerd met betrekking tot het recidiverisico. Die initiële risicotaxatie is erop gericht om minderjarige verdachten of delictplegers met een laag recidiverisico te identificeren en te onderscheiden van minderjarigen met een gemiddeld of hoog recidiverisico.

Het onderscheid tussen minderjarigen met een laag recidiverisico en minderjarigen met een gemiddeld of hoog recidiverisico wordt multidisciplinair gemaakt op basis van een weging van verschillende criminogene factoren en aan de hand van gevalideerde risicotaxatie-instrumenten. De inschatting van het risico op recidive wordt besproken met de minderjarige, de ouders, of in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken, de sociale dienst en in voorkomend geval eventueel het eerder betrokken private begeleidingsaanbod.

De criminogene factoren, vermeld in het vorige lid, zijn de volgende:
1° de persoonlijkheid en gedragingen van de minderjarige;
2° de aard, frequentie en ernst van de voorgaande jeugddelicten en het huidige jeugddelict;
3° de relaties met leeftijdsgenoten;
4° de attitudes en overtuigingen;
5° de gezinsomstandigheden;
6° de schoolse of arbeidsgerichte attitudes en vaardigheden;
7° de aanwezigheid van middelenmisbruik;
8° de vrije tijd en ontspanning.

Om haar opdracht uit te voeren, wint de afdeling gesloten oriëntatie informatie in van, en pleegt ze overleg met de minderjarige verdachte of delictpleger, de ouders, in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige, de sociale dienst en in voorkomend geval eventueel het eerder betrokken private begeleidingsaanbod, met behoud van de toepasselijke regelgeving.

Om het risico op recidive in te schatten, beschikt de afdeling gesloten oriëntatie over het aanvankelijke proces-verbaal, en in voorkomend geval relevante informatie over voorgaande jeugddelicten of voorgaande hulpverlening uit het gerechtelijke dossier.

De weging, vermeld in het tweede lid, resulteert in een onderbouwd advies over de verdere behoefte aan gesloten begeleiding in een afdeling van een gemeenschapsinstelling en bevat een overzicht van de geraadpleegde bronnen. 

De sociale dienst is vanuit zijn regierol actief betrokken bij de opmaak van het advies.

Dat advies wordt, overeenkomstig artikel 26, §4, tweede lid, van het voormelde decreet aan de jeugdrechter of jeugdrechtbank, uiterlijk op de tiende dag na de aanvang van de gesloten oriëntatie bezorgd. 

§3. Tijdens de tweede fase van de gesloten oriëntatie wordt voor minderjarige verdachten of delictplegers waarvoor de jeugdrechter of jeugdrechtbank heeft beslist dat een verdere gesloten oriëntatie nodig is, de initiële risicotaxatie verder uitgediept. Die multidisciplinaire screening resulteert in een oriëntatieverslag. 

Het oriëntatieverslag bevat minstens de volgende elementen:
1° een delict(en)analyse, met aanduiding van de prominente criminogene factoren die aanleiding hebben gegeven tot het jeugddelict;
2° een inschatting van de gevaarlijkheid van de minderjarige verdachte of delictpleger; 
3° een inschatting van de responsiviteit van de minderjarige verdachte of delictpleger, de ouders, in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige;
4° de vooropgestelde objectieven van de minderjarige verdachte of delictpleger en de ouders, in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige;
5° de aangeboden of ondernomen stappen rond herstelrechtelijk aanbod;
6° een oriëntatievoorstel;
7° een plan voor het te volgen onderwijs of opleidingsprogramma;
8° een overzicht van de geraadpleegde bronnen.

In het tweede lid wordt verstaan onder:
1° gevaarlijkheid: de aanwezigheid van een hoog risico op recidive;
2° responsiviteit: de individuele belemmerende of faciliterende kenmerken van de minderjarige verdachte of delictpleger, de ouders, in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige, die een rol kunnen spelen bij de effectiviteit van het aanbod zelf en de omstandigheden waarin dat wordt aangeboden.

Een oriëntatievoorstel als vermeld in het tweede lid, punt 6°, dat een gesloten begeleiding in een afdeling van een gemeenschapsinstelling adviseert, bevat, overeenkomstig artikel 26, §4, vijfde lid, van het voormelde decreet, een voorstel over de maximale duur van de gesloten begeleiding. Het oriëntatievoorstel kan eveneens een advies bevatten voor een toeleiding naar een privaat begeleidingsaanbod.

Een oriëntatievoorstel als vermeld in het tweede lid, punt 6°, dat geen gesloten begeleiding in een afdeling van een gemeenschapsinstelling adviseert, formuleert een voorstel over welke andere reactie nodig wordt geacht in het kader van een herstelgerichte en constructieve afhandeling van het jeugddelict, alsook welk privaat begeleidingsaanbod in voorkomend geval aangewezen is.  

Voor het uitwerken van het oriëntatieverslag, vermeld in het eerste lid, wordt minstens informatie ingewonnen en overleg gepleegd met de minderjarige verdachte of delictpleger, de ouders, in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige, en de sociale dienst. 

Het oriëntatieverslag wordt bezorgd aan de minderjarige verdachte of delictpleger, de ouders of opvoedingsverantwoordelijken, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, en de sociale dienst, uiterlijk twee dagen voor het einde van de gesloten oriëntatie. 

§4. Het oriëntatieverslag wordt opgemaakt door een multidisciplinair team, dat bestaat uit:
1° een trajectcoördinator van de afdeling gesloten oriëntatie; 
2° een contextwerker van de afdeling gesloten oriëntatie;
3° een begeleider van de afdeling gesloten oriëntatie;
4° een begeleider van een privaat begeleidingsaanbod als die al betrokken is.

De sociale dienst is vanuit zijn regierol actief betrokken bij de opmaak van het oriëntatieverslag.

Afdeling 2. De afdeling gesloten begeleiding (... - ...)

Artikel 3. (01/03/2023- ...)

§1. Vanuit een afdeling gesloten begeleiding wordt een forensisch traject met een vooraf bepaalde maximale duur afgelegd, dat residentieel start binnen de afdeling gesloten begeleiding en waarbinnen vanuit een gedeeld handelingsplan actief wordt toegewerkt naar re-integratie in de samenleving en verbinding met het gezin en de netwerk- en contextfiguren van de minderjarige verdachte of delictpleger. De afdeling gesloten begeleiding ontvangt de noodzakelijke informatie vanuit de afdeling gesloten oriëntatie. 

Als de jeugdrechter of jeugdrechtbank daartoe beslist, wordt zo snel mogelijk vanaf de aanvang van het verblijf binnen de afdeling gesloten begeleiding een gedeeld traject opgestart. 

§2. Het gedeelde handelingsplan, vermeld in paragraaf 1, vormt binnen de werking van de afdeling gesloten begeleiding de basis voor de inzet van doelgerichte activiteiten met de minderjarige verdachte of delictpleger en de ouders, in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige.

De responsabilisering en participatie van de minderjarige verdachte of delictpleger, de ouders, in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige worden gegarandeerd via regelmatige overlegmomenten.
 
De sociale dienst verduidelijkt de opdracht en verwachtingen vanuit de jeugdrechter of de jeugdrechtbank met betrekking tot het gedeelde handelingsplan en de richting van het gedeelde traject. 

Het gedeelde handelingsplan omvat de volgende delen:
1° de identiteit van de minderjarige verdachte of delictpleger en van de andere partijen die betrokken zijn bij de concrete uitwerking van de doelstellingen en verwachtingen;
2° de verwachtingen, de doelen en de klemtonen die in het individuele traject van de minderjarige verdachte of delictpleger gelegd moeten worden en waarbij de minderjarige, de ouders, in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige, de school, het werkmilieu en het bredere sociale netwerk worden betrokken;
3° de acties en activiteiten die individueel of in groep aangewend zullen worden om de doelstellingen, gelet op de aandachtspunten en klemtonen, te realiseren;             
4° noodzakelijke afspraken over onder meer veiligheidsmaatregelen, het verlaten van de instelling, bezoekregeling en briefwisseling, rekening houdend met wat in voorkomend geval is beslist door de jeugdrechter of jeugdrechtbank;
5° de taakverdeling, afstemming en samenwerkingsafspraken tussen alle betrokken actoren.

§3. Het gedeelde handelingsplan wordt opgemaakt door een multidisciplinair team dat bestaat uit:
1° een trajectcoördinator van de afdeling gesloten begeleiding;
2° de betrokken contextwerker van de afdeling gesloten begeleiding;
3° de individuele begeleider van de minderjarige verdachte of delictpleger van de afdeling gesloten begeleiding;
4° een begeleider van het private begeleidingsaanbod.

§4. Binnen het gedeelde traject, vermeld in paragraaf 1, is er een voortdurende, intensieve afstemming tussen het publieke en private begeleidingsaanbod en vindt er structureel overleg plaats tussen alle actoren op vastgelegde sleutelmomenten. Tijdens die sleutelmomenten wordt de evolutie in het gedeelde traject van de minderjarige verdachte of delictpleger opgevolgd en bijgestuurd via het gedeelde handelingsplan.  

§5. Er wordt een overlegmoment georganiseerd op de volgende sleutelmomenten:
1° uiterlijk op de veertiende dag na de aanvang van de gesloten begeleiding;
2° na twee maanden in geval van een gesloten begeleiding van maximaal drie maanden;
3° na drie en na vijf maanden in geval van een gesloten begeleiding van maximaal zes maanden;
4° na drie, zes en acht maanden in geval van een gesloten begeleiding van maximaal negen maanden.

Het overlegmoment, vermeld in het voorgaande lid, vindt plaats onder leiding van een trajectcoördinator en naast de minderjarige verdachte of delictpleger, de ouders, in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige, zijn minstens de individuele begeleider en de contextwerker van de afdeling gesloten begeleiding, de betrokken contextwerker van het private begeleidingsaanbod en indien mogelijk de sociale dienst aanwezig.

Een verslag van het overleg wordt bezorgd aan alle betrokkenen bij het overleg, aan de jeugdrechter of jeugdrechtbank en de sociale dienst.

De sociale dienst is vanuit zijn regierol actief betrokken bij deze overlegmomenten.

Het verslag, vermeld in het derde lid, bevat minstens de weergave van de bespreking van het gedeelde handelingsplan, met daarbij de geformuleerde verdere stappen en acties die zullen worden ondernomen om de doelstellingen als bepaald in het traject van de minderjarige verdachte of delictpleger te realiseren. 

Afdeling 3. De afdeling gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar (... - ...)

Artikel 4. (01/03/2023- ...)

§1. Met behoud van de toepassing van artikel 3, §1 en §2, wordt in een afdeling gesloten begeleiding voor personen die een gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar opgelegd krijgen, specifiek ingezet op een individueel programma dat gericht is op: 
1° veiligheid;
2° deelname aan het maatschappelijk leven;
3° dag- en vrijetijdsbesteding;
4° gedragsveranderingen; 
5° onderwijsleertraject of passend beroepsaanbod; 
6° zelfstandigheidstraining;
7° desgevallend een persoonsgerichte, gespecialiseerde behandeling voor geestelijke gezondheids- of verslavingsproblemen.

§2. Het multidisciplinair team binnen een afdeling gesloten begeleiding voor personen die een gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar opgelegd krijgen, bestaat uit:
1° een trajectcoördinator van de afdeling gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar; 
2° een contextwerker van de afdeling gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar;
3° een begeleider van de afdeling gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar; 
4° een begeleider van het private begeleidingsaanbod;
5° een verpleegkundige met jeugdpsychiatrische expertise;
6° een klinisch psycholoog met therapeutische expertise.

§3. Het verloop van het traject in een gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar wordt driemaandelijks geëvalueerd tijdens een trajectoverleg onder leiding van een trajectcoördinator waarbij naast de minderjarige delictpleger, de ouders, in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige, minstens de individuele begeleider en de contextwerker van de gemeenschapsinstellingen, de betrokken contextwerker van het private begeleidingsaanbod en indien mogelijk de sociale dienst aanwezig zijn. 

§4. Het multidisciplinair team, vermeld in paragraaf 2, werkt in overleg met en met participatie van de minderjarige delictpleger een individueel perspectiefplan uit, dat, overeenkomstig in artikel 37, §5, van het decreet van 15 februari 2019, wordt voorgelegd op de zittingsdag van de jeugdrechtbank.

Het individuele perspectiefplan omvat een programma van activiteiten die gericht zijn op de re-integratie van de minderjarige delictpleger in de samenleving, zoals:
1° onderwijs- of vormingsprogramma's, opleidings- of beroepsactiviteiten;
2° activiteiten die gericht zijn op deelname aan het maatschappelijke leven, zelfstandig werken en wonen, gezond financieel gedrag, relatie- en gezinsvorming, seksualiteit, dag- en vrijetijdsbesteding;
3° begeleidings- of behandelingsprogramma's;
4° in voorkomend geval de activiteiten die gericht zijn op herstel van de schade die het slachtoffer opgelopen heeft. 

Afdeling 4. Minimale kwaliteitsvereisten met betrekking tot de werking van de afdelingen van de gemeenschapsinstellingen (... - ...)

Artikel 5. (01/03/2023- ...)

1. De werking van de afdelingen van de gemeenschapsinstellingen voldoet aan de volgende kwaliteitsvereisten:
1° ze garandeert de multidisciplinariteit en deskundigheid in het opmaken van de initiële risicotaxatie, het oriëntatievoorstel, het gedeelde handelingsplan en het individuele perspectiefplan en ze is maximaal onderbouwd en samenhangend; 
2° ze sluit maximaal aan bij de individuele situatie van de minderjarige, de ouders, in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige en ze verloopt voor die personen op een transparante wijze;
3° ze houdt maximaal rekening met de mogelijkheden en de leefomgeving van de personen, vermeld in punt 2°;
4° ze geeft maximaal ruimte tot participatie van de personen, vermeld in punt 2°.

§2. De initiële risicotaxatie, het oriëntatieverslag, het gedeelde handelingsplan en het individuele perspectiefplan voldoen minstens aan de volgende voorwaarden:
1° ze zijn zo begrijpelijk mogelijk voor de minderjarige, de ouders, in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige;
2° ze bevatten een synthese van de analyse van de situatie;
3° ze bevatten het perspectief van de minderjarige, de ouders, in voorkomend geval de opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit de leefomgeving van de minderjarige;
4° ze bevatten de naam en contactgegevens van de trajectcoördinator;
5° ze worden meegedeeld en toegelicht aan de personen, vermeld in punt 1°, aan de sociale dienst en alle andere betrokken actoren, en ze worden pas gefinaliseerd nadat de inbreng en eventuele bemerkingen van die personen en actoren zijn genoteerd.

§3. Het multidisciplinair team dat instaat voor de opmaak en opvolging van de initiële risicotaxatie, het oriëntatieverslag, het gedeelde handelingsplan en het individuele perspectiefplan, ontwikkelt een kwaliteitsbeleid met het oog op de vorming, training en opleiding van de leden en zorgt voor structurele ruimte voor intervisie en supervisie met het private begeleidingsaanbod en de sociale dienst.
Het team kan voor de inbreng van relevante expertise een beroep doen op externe deskundigen of organisaties. 

De administrateur-generaal van het agentschap Opgroeien, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering tot van 24 oktober 2008 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Opgroeien, kan bepalen welke expertises in aanmerking komen en wat de voorwaarden zijn voor de samenwerking met de externe deskundigen of organisaties.

Hoofdstuk 3. Het dossier van de gemeenschapsinstellingen (... - ...)

Artikel 6. (01/03/2023- ...)

Voor elke minderjarige verdachte of delictpleger wordt door de afdelingen van de gemeenschapsinstelling een dossier bijgehouden dat minstens bestaat uit:
1° de gerechtelijke beslissingen in verband met de reactie toevertrouwen aan een afdeling in een gemeenschapsinstelling, alsook alle stukken en beslissingen die de jeugdrechter of jeugdrechtbank heeft meegedeeld;
2° de evolutieverslagen en alle documenten die aan de jeugdrechter of jeugdrechtbank worden bezorgd;
3° de documenten over het schooltraject die bewijzen dat de voorwaarden inzake leerplicht vervuld zijn;
4° de documenten met betrekking tot het gedeelde handelingsplan;
5° de documenten met betrekking tot het individuele perspectiefplan;
6° de beslissingen die verband houden met het verlaten van de gemeenschapsinstelling, de beperking of het verbod van contact met bepaalde personen, straffen of afzonderingsmaatregelen, en de stukken daarover.

Het dossier van een minderjarige verdachte of delictpleger wordt bewaard tot de betrokkene de volle leeftijd van 35 jaar heeft bereikt. Bij het afsluiten van het dossier wordt de betrokkene hiervan op de hoogte gebracht.

Na de termijn, vermeld in het vorige lid, wordt het dossier vernietigd.

Hoofdstuk 4. Opmaak en inhoud van het medisch-psychologisch onderzoek met het oog op een uithandengeving of een gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar  (... - ...)

Artikel 7. (01/03/2023- ...)

§1. Het medisch psychologisch onderzoek, vermeld in artikel 37, §8, derde lid, en artikel 38, §3, eerste lid, van het decreet van 15 februari 2019, wordt uitgevoerd door een kinder- en jeugdpsychiater die is erkend krachtens het ministerieel besluit van 3 januari 2002 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten in de psychiatrie, meer bepaald in de volwassenpsychiatrie en van de geneesheren-specialisten in de psychiatrie, meer bepaald in de kinder- en jeugdpsychiatrie, of houder is van de beroepstitel forensisch psychiater die voldoet aan de voorwaarden van het ministerieel besluit van 28 oktober 2015 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten houders van de bijzondere beroepstitel in de forensische psychiatrie, alsmede van stagemeesters en stagediensten.

De deskundige, vermeld in het eerste lid, kan zich laten bijstaan door een specialist naar keuze onder diens supervisie.

§2. Het medisch-psychologisch verslag bevat de volgende onderdelen:
1° een overzicht van de gebruikte bronnen en methoden;
2° een kinder- en jeugdpsychiatrisch onderzoek dat minimaal bestaat uit: 
a) een evaluatie van het huidige functioneren van de minderjarige verdachte;
b) een analyse van het ontwikkelingstraject van de minderjarige verdachte;
c) een analyse van de familiale, relationele en sociale achtergrond van de minderjarige verdachte;
d) een analyse van het schooltraject van de minderjarige verdachte;
e) een psychiatrische observatie en diagnostiek met inbegrip van een evaluatie van de psychopathologie, de persoonlijkheid en de maturiteitsgraad van de minderjarige verdachte;
3° een analyse van de aard van het delict dat het voorwerp uitmaakt van het medisch-psychologisch onderzoek, met inbegrip van de houding van de minderjarige verdachte ten aanzien van de feiten en eventueel het slachtoffer of de slachtoffers;
4° een analyse van de aard, frequentie en ernst van voorgaande delicten, met inbegrip van de houding van de minderjarige verdachte ten aanzien van de feiten en eventueel het slachtoffer of de slachtoffers;
5° een criminogenese en inschatting van het recidiverisico gebaseerd op de bepalende factoren in de persoonlijkheid, de levensloop en de sociale achtergrond van de minderjarige verdachte en de context van de feiten;
6° een responsiviteitsanalyse die bestaat uit een evaluatie van voorbije hulpverlening en de slaagkansen van toekomstige hulpverlening of behandeling;
7° een algemeen besluit en advies als antwoord op de gestelde vragen van de jeugdrechter.

§3. Na afloop van zijn werkzaamheden stuurt de deskundige zijn bevindingen, waarbij hij reeds een voorlopig advies voegt, ter lezing aan de advocaat van de minderjarige verdachte, het openbaar ministerie en de jeugdrechtbank. 

Tenzij de jeugdrechtbank vooraf een termijn heeft vastgesteld, bepaalt de deskundige, een redelijke termijn waarbinnen de advocaat van de minderjarige verdachte zijn opmerkingen kan laten gelden. De termijn bedraagt ten minste vijftien dagen.
De deskundige spreekt zich uit over de opmerkingen, vermeld in het vorige lid, alvorens zijn conclusies te formuleren en voegt deze opmerkingen toe aan zijn eindverslag.

Het verslag, vermeld in het vorige lid, wordt opgemaakt binnen een termijn bepaald door de jeugdrechtbank, die maximaal zes maanden bedraagt vanaf de aanduiding van de deskundigen.

Als de termijn voor het indienen van het eindverslag zes maanden overschrijdt, bezorgen de deskundigen een tussentijds verslag, dat de volgende zaken vermeldt:
1° de reeds uitgevoerde werkzaamheden;
2° de werkzaamheden die uitgevoerd zijn sinds het laatste tussentijdse verslag;
3° de nog uit te voeren werkzaamheden.

Hoofdstuk 5. Wijzigings- en opheffingsbepalingen (... - ...)

Artikel 8. (01/03/2023- ...)

In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 april 2019 tot inrichting van de gemeenschapsinstellingen en tot uitvoering van diverse bepalingen van het decreet betreffende het jeugddelinquentierecht wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:

“De dienst, vermeld in het eerste lid, levert het bewijs aan de procureur des Koning dat de voorwaarden een aanvang hebben genomen. Dat bewijs bestaat uit:
1° de identificatiegegevens van de minderjarige verdachte;
2° de mededeling dat de voorwaarden een aanvang hebben genomen.

Na de uitvoering van de voorwaarden stelt de dienst, vermeld in het eerste lid, een eindverslag op in de vorm van een attestering waaruit blijkt dat de minderjarige verdachte de vastgelegde voorwaarden heeft nageleefd en bezorgt dat aan de procureur des Konings.

Zodra blijkt dat de voorwaarden niet of niet volledig worden nageleefd, licht de dienst, vermeld in het eerste lid, de procureur des Konings daarvan in, alsook van de reden van de niet-naleving.”

Artikel 9. (01/03/2023- ...)

In artikel 3, 3°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “, met toepassing van de wet van 1 maart 2002 betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd” opgeheven.

Artikel 10. (01/03/2023- ...)

Artikel 4 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt: 

“De minister bepaalt de organisatie van de capaciteit en de maximumcapaciteit van elke gemeenschapsinstelling, alsook van de verschillende afdelingen.

Artikel 11. (01/03/2023- ...)

In artikel 5, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “als buffercapaciteit,” opgeheven.

Artikel 12. (01/03/2023- ...)

Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.

Artikel 13. (01/03/2023- ...)

In artikel 9 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “als buffercapaciteit,” opgeheven.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen (... - ...)

Artikel 14. (01/03/2023- ...)

Dit besluit treedt in werking op 1 maart 2023.
 

Artikel 15. (01/03/2023- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor opgroeien en de Vlaamse minister bevoegd voor justitiehuizen, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 13/04/2024