Decreet over regiovorming en tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur (citeeropschrift: "het Regiodecreet van 3 februari 2023").

Datum 03/02/2023

Inhoudstafel

  1. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
  2. Hoofdstuk 2. Regiovorming
    1. Afdeling 1. Definities en toepassingsgebied
    2. Afdeling 2. Indeling in referentieregio’s en principes van regioconform samenwerken
    3. Afdeling 3. Regiowerking
  3. Hoofdstuk 3. Wijzigingen van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur
  4. Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
    1. Afdeling 1. Opheffingsbepaling
    2. Afdeling 2. Overgangsbepalingen
    3. Afdeling 3. Inwerkingtredingsbepaling

Inhoud

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen (... - ...)

Artikel 1. (19/03/2023- ...)

Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.

Artikel 2. (19/03/2023- ...)

Dit decreet wordt aangehaald als: het Regiodecreet van 3 februari 2023.

Hoofdstuk 2. Regiovorming (... - ...)

Afdeling 1. Definities en toepassingsgebied (... - ...)

Artikel 3. (19/03/2023- ...)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° decreet van 22 december 2017: het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
2° intergemeentelijke samenwerkingsverbanden:
a) de projectverenigingen, vermeld in artikel 398, §2, 1°, van het decreet van 22 december 2017;
b) de dienstverlenende verenigingen, vermeld in artikel 398, §2, 2°, van het voormelde decreet;
c) de opdrachthoudende verenigingen, vermeld in artikel 398, §2, 3°, van het voormelde decreet;
d) de opdrachthoudende verenigingen met private deelname, vermeld in artikel 398, §2, 4°, van het voormelde decreet;
3° regiomobiliteit: de personeelsmobiliteit tussen besturen in dezelfde referentieregio;
4° referentieregio: een gebiedsafbakening van verschillende gemeenten samen;
5° supraregionale samenwerking: de samenwerking die verschillende referentieregio’s in zijn geheel bestrijkt.

Artikel 4. (19/03/2023- ...)

De principes, vermeld in artikel 6, gelden niet voor de volgende intergemeentelijke samenwerkingsverbanden:
1° de samenwerkingsverbanden, vermeld in artikel 388, 2°, en artikel 390 van het decreet van 22 december 2017;
2° de samenwerkingsverbanden waarbij de landschappelijke gegevenheid dominant is of die gebonden zijn aan fysische en natuurlijke structuren;
3° de erkende toeristische samenwerkingsverbanden, vermeld in artikel 3, §2, derde streepje, van het decreet van 6 maart 2009 betreffende de organisatie en erkenning van toeristische samenwerkingsverbanden;
4° de samenwerkingsverbanden waarbij het schaalvoordeel de enige drijfveer voor die samenwerking is en de link met het lokale of regionale strategische beleid beperkt is, als er wordt samengewerkt rond:
a) het beheer of de uitbating van crematoria, woonzorgvoorzieningen, zwembaden en onderwijsinstellingen;
b) informatie- en communicatietechnologie, verzekeringen, financiering, aankoopbeheer en facilitair beheer;
c) energiedistributie, drinkwatervoorziening, riolering, telecom en kabeldistributie.

Afdeling 2. Indeling in referentieregio’s en principes van regioconform samenwerken (... - ...)

Artikel 5. (19/03/2023- ...)

Het Vlaamse Gewest wordt ingedeeld in referentieregio’s, die samen het volledige grondgebied van het Vlaamse Gewest omvatten. Elke gemeente behoort tot één referentieregio.

De indeling van de referentieregio’s en de toewijzing van gemeenten aan een referentieregio is opgenomen in de bijlage die bij dit decreet is gevoegd.

De Vlaamse Regering kan de naam van een referentieregio die is opgenomen in de bijlage die bij dit decreet is gevoegd, wijzigen.

Artikel 6. (19/03/2023- ...)

§1. De gemeenten organiseren hun intergemeentelijke samenwerkingsverbanden binnen de grenzen van hun referentieregio. Samenwerkingsverbanden passen binnen de grenzen van een referentieregio of vallen ermee samen.

§2. In afwijking van paragraaf 1 kunnen de gemeenten hun intergemeentelijke samenwerkingsverbanden organiseren via supraregionale samenwerking.

Als een of meer gemeenten beslissen niet deel te nemen in de oprichting van een supraregionaal samenwerkingsverband, blijft het supraregionale samenwerkingsverband in overeenstemming met het principe, vermeld in het eerste lid, als per referentieregio minstens 90 procent van de gemeenten deelneemt aan de samenwerking.

Als een of meer gemeenten beslissen tijdens de duur uit een supraregionaal samenwerkingsverband te treden, blijft het supraregionale samenwerkingsverband in overeenstemming met het principe, vermeld in het eerste lid.

Artikel 7. (19/03/2023- ...)

§1. In dit artikel wordt verstaan onder het bevoegde orgaan van het intergemeentelijk samenwerkingsverband:
1° de algemene vergadering bij een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging;
2° de raad van bestuur bij een projectvereniging.

§2. Bij de Vlaamse Regering kan een gemotiveerde aanvraag tot tijdelijke of definitieve afwijking van de principes, vermeld in artikel 6, ingediend worden door de volgende actoren:
1° een intergemeentelijk samenwerkingsverband;
2° de verschillende gemeenten die willen deelnemen aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband dat wordt opgericht.

De aanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat minstens al de volgende elementen:
1° in het geval, vermeld in het eerste lid, 1°, de beslissing van het bevoegde orgaan van het intergemeentelijk samenwerkingsverband;
2° in het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, de gemeenteraadsbeslissingen van alle gemeenten die willen deelnemen aan het samenwerkingsverband;
3° een motivatie waarom het intergemeentelijk samenwerkingsverband hetzelfde doel niet kan bereiken binnen een intergemeentelijk samenwerkingsverband dat voldoet aan de principes, vermeld in artikel 6.

De gemeente die deelneemt aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband, kan bij het bevoegde orgaan van dat intergemeentelijk samenwerkingsverband een gemotiveerd verzoek indienen om een aanvraag als vermeld in het eerste lid, 1°, in te dienen. Het bevoegde orgaan van het intergemeentelijk samenwerkingsverband neemt een gemotiveerde beslissing over het verzoek. Als het intergemeentelijk samenwerkingsverband het verzoek steunt, dient het een aanvraag als vermeld in het eerste lid, 1°, in.

§3. De Vlaamse Regering bepaalt of ze de afwijking toekent binnen negentig dagen vanaf de dag na de dag waarop de aanvraag, vermeld in paragraaf 2, is verzonden. Het besluit van de Vlaamse Regering bevat minstens al de volgende elementen:
1° het al dan niet toestaan van de afwijking;
2° de motivering van de beslissing conform artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen;
3° de tijdelijke of definitieve aard van de toegestane afwijking;
4° in geval van een tijdelijk toegestane afwijking: de termijn waarin het intergemeentelijke samenwerkingsverband in overeenstemming wordt gebracht met de principes, vermeld in artikel 6 van dit decreet, en de datum waarop de afwijking eindigt.

§4. De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze de communicatie met de aanvrager of aanvragers, vermeld in paragraaf 2, verloopt.

Afdeling 3. Regiowerking (... - ...)

Artikel 8. (19/03/2023- ...)

De regiowerking wordt maandelijks ingeschreven op de agenda van het college van burgemeester en schepenen.

De voorzitter van de gemeenteraad schrijft de regiowerking minstens twee keer per jaar in op de agenda van de gemeenteraad.

Met behoud van de toepassing van artikel 389, tweede lid, van het decreet van 22 december 2017 waakt de gemeenteraad of diezelfde gemeenteraadscommissie over de afstemming van het beleid van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden op de regiowerking.

Artikel 9. (19/03/2023- ...)

§1. In dit artikel wordt verstaan onder bestuur:
1° een gemeente;
2° een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
3° het autonome gemeentebedrijf als de gemeente die het opricht of erin deelneemt, ook deelneemt aan de regiomobiliteit, vermeld in paragraaf 2;
4° een intergemeentelijk samenwerkingsverband als vermeld in deel 3, titel 3, hoofdstuk 3, van het decreet van 22 december 2017 als alle gemeenten die lid zijn van dat intergemeentelijk samenwerkingsverband, ook deelnemen aan de regiomobiliteit, vermeld in paragraaf 2;
5° een welzijnsvereniging als alle openbare centra voor maatschappelijk welzijn die lid zijn van die welzijnsvereniging, ook deelnemen aan de regiomobiliteit, vermeld in paragraaf 2.

§2. De bevoegde organen van twee of meer besturen die deel uitmaken van dezelfde referentieregio, kunnen elk in hun rechtspositieregeling een regiomobiliteit vaststellen die betrekking heeft op de personeelsmobiliteit tussen de besturen in kwestie.

De bevoegde organen van de besturen binnen de gebiedsafbakening, vermeld in het eerste lid, die gebruik willen maken van die regiomobiliteit, bepalen met behoud van de toepassing van paragraaf 3 tot en met 5 de voorwaarden waaronder dit mogelijk is in een beheersovereenkomst. Ook de nadere procedure en de nadere modaliteiten voor de toepassing van de regiomobiliteit worden in de beheersovereenkomst vastgelegd.
 
§3. De regiomobiliteit kan op een van de volgende wijzen verwezenlijkt worden:
1° door deelname van personeelsleden van een van de besturen aan de procedure voor interne personeelsmobiliteit bij een ander bestuur uit de gebiedsafbakening, vermeld in paragraaf 2;
2° door deelname van personeelsleden van een van de besturen aan de bevorderingsprocedure bij een ander bestuur uit de gebiedsafbakening, vermeld in paragraaf 2;
3° door aanwending van een bestaande wervings- of bevorderingsreserve van een van de besturen uit de gebiedsafbakening, vermeld in paragraaf 2.

De regiomobiliteit is niet van toepassing op de betrekkingen van algemeen directeur, adjunct-algemeen directeur, financieel directeur en adjunct-financieel directeur.

§4. Bij de toepassing van de regiomobiliteit maakt het aanstellende bestuur de vacature bekend aan alle personeelsleden uit de gebiedsafbakening, vermeld in paragraaf 2.

§5. De volgende personeelsleden kunnen zich, ongeacht hun administratieve toestand, kandidaat stellen om deel te nemen aan een procedure van regiomobiliteit:
1° de vast aangestelde statutaire personeelsleden van de besturen uit de gebiedsafbakening, vermeld in paragraaf 2;
2° de contractuele personeelsleden van de besturen uit de gebiedsafbakening, vermeld in paragraaf 2, die aan de voorwaarden voldoen en die bij het eigen bestuur zijn aangeworven na een externe bekendmaking van de vacature en nadat ze een selectieprocedure hebben doorlopen die gelijkwaardig is aan de procedure die van toepassing is op vacatures in statutaire betrekkingen.

Hoofdstuk 3. Wijzigingen van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur (... - ...)

Artikel 10. (01/01/2024- ...)

In artikel 286 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1°  aan paragraaf 1, 10°, worden de woorden “en de wijzigingen aan die statuten” toegevoegd;
2° aan paragraaf 2, 4°, worden de woorden “en de wijzigingen aan die statuten” toegevoegd.

Artikel 11. (19/03/2023- ...)

In artikel 348 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid wordt de zinsnede “de nieuwe gemeente en,” vervangen door de zinsnede “de nieuwe gemeente,”;
2° aan het tweede lid wordt de zinsnede “en, als de samen te voegen gemeenten niet tot dezelfde referentieregio behoren, de referentieregio waartoe de nieuwe gemeente behoort” toegevoegd;
3° aan het tweede lid wordt de zin “Onder referentieregio wordt verstaan: een referentieregio als vermeld in artikel 3, 4°, van het Regiodecreet van 3 februari 2023” toegevoegd.

Artikel 12. (19/03/2023- ...)

In artikel 392, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden “een welbepaald project” vervangen door de woorden “een welbepaalde doelstelling”.

Artikel 13. (19/03/2023- ...)

In artikel 393 van hetzelfde decreet worden tussen de woorden “inbreng van de deelnemers” en de woorden “en de wijze waarop” de woorden “waaronder een eventuele inbreng in nijverheid” ingevoegd.

Artikel 14. (01/01/2024- ...)

In artikel 415 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1°  het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
“Het definitieve voorstel wordt op straffe van nietigheid voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt. De Vlaamse Regering verleent een niet-bindend advies aan het overlegorgaan binnen zestig dagen vanaf de dag na de dag waarop het definitieve voorstel aan de Vlaamse Regering is verzonden. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt geacht aan de adviesplicht te zijn voldaan.”;
2° tussen het derde en het vierde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
“Het definitieve voorstel wordt samen met het advies, vermeld in het derde lid, aan de overblijvende gemeenten voorgelegd. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt dat vermeld op het definitieve voorstel van het overlegorgaan. De gemeenten kunnen het voorstel alleen goedkeuren of afkeuren.”.

Artikel 15. (01/01/2024- ...)

In artikel 418 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zinsnede “en het administratief goedkeuringstoezicht,” opgeheven;
2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
“De oprichtingsakte omvat de statuten en alle eventuele bijlagen.”;
3° in het vierde lid wordt de zinsnede “De goedgekeurde oprichtingsakte wordt integraal bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad en wordt, samen” vervangen door de zinsnede “Na afloop van de toezichtstermijn, vermeld in artikel 332, wordt de oprichtingsakte integraal bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad en samen”;
4° in het vierde lid worden de woorden “en bij de toezichthoudende overheid” opgeheven.

Artikel 16. (01/01/2024- ...)

In artikel 427 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
“De raad van bestuur legt het ontwerp van statutenwijziging uiterlijk honderdvijftig dagen voor de algemene vergadering die de statutenwijzigingen beoordeelt, op straffe van nietigheid voor advies voor aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt. De Vlaamse Regering verleent een niet-bindend advies aan de raad van bestuur binnen zestig dagen vanaf de dag na de dag waarop het ontwerp van statutenwijziging aan de Vlaamse Regering is verzonden. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt geacht aan de adviesplicht te zijn voldaan.”;
 2° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de zinsnede “deelnemers voorgelegd.” en de woorden “De beslissingen” de volgende zinnen ingevoegd:
“Dat ontwerp wordt samen met het advies, vermeld in het tweede lid, voorgelegd. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt dat vermeld op het ontwerp van statutenwijziging.”.

Artikel 17. (01/01/2024- ...)

In artikel 429 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
“Na afloop van de toezichtstermijn, vermeld in artikel 332, wordt een volledig gecoördineerde tekst van de statuten neergelegd in de zetel van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging en in de gemeentehuizen van elke deelnemende gemeente.”.

Artikel 18. (01/01/2024- ...)

In artikel 430, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de zin “De statutenwijzigingen zijn pas uitvoerbaar nadat ze zijn goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse Regering of als de termijn voor goedkeuring verstreken is.” vervangen door de zin “De statutenwijzigingen zijn uitvoerbaar op de datum van de ondertekening door de vertegenwoordigers van alle gemeenten en andere rechtspersonen die aan de vereniging deelnemen.”.
 

Artikel 19. (01/01/2024- ...)

In artikel 471, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt de zin “Die statuten worden aan de Vlaamse Regering ter goedkeuring voorgelegd overeenkomstig artikel 418, derde lid.” vervangen door de zin “De ontwerpstatuten worden op straffe van nietigheid voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt conform artikel 415, derde lid, en artikel 427, tweede lid.”.

Artikel 20. (01/01/2024- ...)

In artikel 474 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 25 mei 2018 en 16 juli 2021, wordt paragraaf 5 vervangen door wat volgt:

“§5. Voor de ontwerpen van beslissingen die overeenkomstig deze titel voor advies voorgelegd worden aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt, geldt dat geacht wordt aan de adviesplicht te zijn voldaan als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn.”.

Artikel 21. (01/01/2024- ...)

Artikel 476 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:

“Art. 476. Het ontwerp van het met redenen omklede besluit van de raad of raden voor maatschappelijk welzijn tot oprichting van de welzijnsvereniging en het ontwerp van de statuten van de welzijnsvereniging en ook de bijlagen die er krachtens de statuten integraal deel van uitmaken, worden op straffe van nietigheid voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt. De Vlaamse Regering verleent een niet-bindend advies aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waarin de zetel van de welzijnsvereniging gevestigd is binnen zestig dagen vanaf de dag na de dag waarop het ontwerpbesluit tot oprichting en de ontwerpstatuten aan de Vlaamse Regering zijn verzonden.

Het ontwerpbesluit tot oprichting en de ontwerpstatuten worden samen met het niet-bindende advies voor beraadslaging en voor stemming voorgelegd aan de raad of raden voor maatschappelijk welzijn. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt dat vermeld op het ontwerpbesluit tot oprichting en op de ontwerpstatuten.”.

Artikel 22. (01/01/2024- ...)

In artikel 482 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2021, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:

“Elk ontwerpbesluit tot wijziging van de statuten, tot verlenging van de duur van de welzijnsvereniging of tot vrijwillige ontbinding ervan wordt op straffe van nietigheid voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt conform artikel 476, eerste lid.”.

Artikel 23. (01/01/2024- ...)

In artikel 494 van hetzelfde decreet wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:

“De volgende besluiten worden bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt:
1° de besluiten, vermeld in dit hoofdstuk, na afloop van de toezichtstermijn, vermeld in artikel 332;
2° het definitief geworden goedkeuringsbesluit over de jaarrekening, vermeld in artikel 490, §4;
3° de beslissing waarbij akte wordt genomen van het ontslag, vermeld in artikel 483.”.

Artikel 24. (01/01/2024- ...)

In artikel 502 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
Ҥ1. Het ontwerp van het met redenen omklede besluit van de raad of raden voor maatschappelijk welzijn tot oprichting van de vereniging, vermeld in artikel 501, wordt op straffe van nietigheid voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt. De Vlaamse Regering verleent een niet-bindend advies aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waarin de zetel van de vereniging gevestigd is binnen zestig dagen vanaf de dag na de dag waarop het ontwerpbesluit tot oprichting is verzonden aan de Vlaamse Regering.
Het ontwerpbesluit tot oprichting wordt samen met het niet-bindende advies voor beraadslaging en voor stemming voorgelegd aan de raad of raden voor maatschappelijk welzijn. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt dat vermeld op het ontwerpbesluit tot oprichting.
Voor het ontwerpbesluit tot oprichting voor advies aan de Vlaamse Regering wordt verzonden, wordt het gemotiveerde advies van het beheerscomité ingewonnen, met behoud van de bevoegdheden van de medische raad, vermeld in titel 4, hoofdstuk 1, afdeling 1, van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen.”;
2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede “aanvragen van de goedkeuring,” vervangen door de zinsnede “adviesaanvragen,” en worden de woorden “aanvraag tot goedkeuring” vervangen door de woorden “voormelde adviesaanvraag”;
3° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede “dat wordt overgelegd om de goedkeuring te krijgen,” vervangen door de zinsnede “dat voor advies wordt voorgelegd,”.

Artikel 25. (01/01/2024- ...)

In artikel 504, §1, van hetzelfde decreet worden de woorden “Elke beslissing” vervangen door de woorden “Elk ontwerp van beslissing”.

Artikel 26. (01/01/2024- ...)

In artikel 508, §1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2021, wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:

“In het geval, vermeld in het derde lid, 3°, wordt het ontwerpbesluit over het lidmaatschap bij wijze van oprichting of toetreding van de vereniging, vermeld in het eerste lid, op straffe van nietigheid voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt. Vóór dat advies ingewonnen kan worden, toont het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan dat, rekening houdend met het bestaande aanbod, de nieuwe dienst optimaal past in de programmatie, en wordt op grond van het onderzoek, vermeld in artikel 60, §6, tweede en derde lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, bewezen wat de redenen zijn om de nieuwe dienst in samenwerking met private rechtspersonen aan te bieden.”.

Artikel 27. (01/01/2024- ...)

Artikel 509 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:

“Art. 509. Als conform artikel 508 het advies van de Vlaamse Regering vereist is, verleent de Vlaamse Regering een niet-bindend advies over het ontwerpbesluit, vermeld in artikel 508, §1, vierde lid, binnen zestig dagen vanaf de dag na de dag waarop dat ontwerpbesluit aan de Vlaamse Regering is verzonden.

Bij de adviesaanvragen, vermeld in het eerste lid, wordt het ontwerp van statuten van de vereniging gevoegd en ook de bijlagen die er krachtens de statuten integraal deel van uitmaken. Bij de adviesaanvraag worden ook de beslissingen van de eventuele deelgenoten tot deelname aan de vereniging gevoegd.

Het ontwerpbesluit tot oprichting of tot toetreding wordt samen met het niet-bindende advies voor beraadslaging en voor stemming voorgelegd aan de raad of raden voor maatschappelijk welzijn. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt dat vermeld op het voormelde ontwerpbesluit.”.

Artikel 28. (01/01/2024- ...)

In artikel 514 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
“§1. Het ontwerp van het met redenen omklede besluit van de raad of raden voor maatschappelijk welzijn tot oprichting van de vereniging, vermeld in artikel 513, en de statuten van de vereniging en ook de bijlagen die er krachtens de statuten integraal deel van uitmaken, worden op straffe van nietigheid voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt.”;
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “ter goedkeuring aan de Vlaamse Regering” vervangen door de woorden “voor advies aan de Vlaamse Regering”;
3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
Ҥ3. De Vlaamse Regering verleent een niet-bindend advies over het ontwerpbesluit, vermeld in artikel 513, binnen zestig dagen vanaf de dag na de dag waarop dat ontwerpbesluit aan de Vlaamse Regering is verzonden.
Dat ontwerpbesluit wordt samen met het niet-bindende advies voor beraadslaging en voor stemming voorgelegd aan de raad of raden voor maatschappelijk welzijn. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt dat vermeld op het ontwerpbesluit tot oprichting.”.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen (... - ...)

Afdeling 1. Opheffingsbepaling (... - ...)

Artikel 29. (01/01/2024- ...)

Artikel 428 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur wordt opgeheven.

Afdeling 2. Overgangsbepalingen (... - ...)

Artikel 30. (19/03/2023- ...)

§1. Dit artikel is van toepassing op intergemeentelijke samenwerkingsverbanden als vermeld in artikel 3, 2°, die aan elk van de volgende voorwaarden voldoen:
1° ze zijn opgericht vóór de inwerkingtreding van dit artikel;
2° ze behoren niet tot de samenwerkingsverbanden, vermeld in artikel 4;
3° ze stemmen niet overeen met de principes, vermeld in artikel 6;
4° de Vlaamse Regering heeft hun geen tijdelijke of definitieve afwijking als vermeld in artikel 7, verleend.

§2. De gemeenten die deel uitmaken van een intergemeentelijk samenwerkingsverband als vermeld in paragraaf 1, brengen dat intergemeentelijke samenwerkingsverband uiterlijk op 31 december 2028 in overeenstemming met de principes, vermeld in artikel 6.

In afwijking van artikel 401, tweede lid, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur is voor de toepassing van het eerste lid een uittreding uit een projectvereniging mogelijk om te voldoen aan de principes, vermeld in artikel 6 van dit decreet, als de raad van bestuur daarmee instemt. Voor de beslissing tot uittreding is een gewone meerderheid van het aantal deelnemende gemeenten vereist. De deelnemer die uittreedt, is hiervoor geen schadevergoeding verschuldigd aan het intergemeentelijk samenwerkingsverband en aan de andere vennoten.

Voor de toepassing van het eerste lid is een uittreding uit een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging mogelijk om te voldoen aan de principes, vermeld in artikel 6 van dit decreet. In afwijking van artikel 422, eerste lid, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur is voor die beslissing tot uittreding slechts een gewone meerderheid van het aantal deelnemende gemeenten vereist en is de deelnemer die uittreedt hiervoor geen schadevergoeding verschuldigd aan het intergemeentelijk samenwerkingsverband en aan de andere vennoten.

De aandelen van de gemeente die uittreedt om te voldoen aan de principes, vermeld in artikel 6 van dit decreet, worden overgenomen tegen een tussen de partijen overeen te komen waarde. De gemeente die uittreedt, leeft de door haar aangegane contractuele verbintenissen na, maar is voor het overige geen schadevergoeding verschuldigd.

Als het intergemeentelijke samenwerkingsverband, vermeld in het eerste lid, op 1 januari 2029 niet in overeenstemming is gebracht met de principes, vermeld in artikel 6 van dit decreet, brengt dat intergemeentelijke samenwerkingsverband zich uiterlijk op 31 december 2030 in overeenstemming met die principes. De algemene vergadering beslist uiterlijk op 31 december 2030 over de uitsluiting van de deelnemende gemeenten die buiten een referentieregio vallen, op de wijze die bepaald is in de statuten conform artikel 426, 9°, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.

De aandelen van de gemeente die uitgesloten wordt om te voldoen aan de principes, vermeld in artikel 6 van dit decreet, worden overgenomen tegen een tussen de partijen overeen te komen waarde. De gemeente die uitgesloten wordt,
 
leeft de door haar aangegane contractuele verbintenissen na, maar is voor het overige geen schadevergoeding verschuldigd.

§3. In afwijking van paragraaf 2, eerste lid, brengen de gemeenten die deel uitmaken van een afvalintercommunale als vermeld in artikel 396, §2, 2°, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, dat intergemeentelijke samenwerkingsverband uiterlijk op 31 december 2034 in overeenstemming met de principes, vermeld in artikel 6.

In afwijking van paragraaf 2, vijfde lid, brengt de afvalintercommunale, vermeld in het eerste lid, zich uiterlijk op 31 december 2036 in overeenstemming met de principes, vermeld in artikel 6, als de afvalintercommunale op 1 januari 2035 niet in overeenstemming is gebracht met die principes. De algemene vergadering beslist uiterlijk op 31 december 2036 over de uitsluiting van de deelnemende gemeenten die buiten een referentieregio vallen, op de wijze die bepaald is in de statuten, conform artikel 426, 9°, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.

Artikel 31. (19/03/2023- ...)

Dit artikel is van toepassing op de verenigingen en vennootschappen voor maatschappelijk welzijn, vermeld in artikel 474, §1, derde lid, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.

Met behoud van de toepassing van deel 3, titel 4, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur kan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uittreden uit een vereniging of vennootschap voor maatschappelijk welzijn om te voldoen aan de principes, vermeld in artikel 6. Als de uittreding plaatsvindt voor 1 januari 2031 en gemotiveerd is door die principes, is het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen schadevergoeding verschuldigd aan die vereniging of vennootschap voor maatschappelijk welzijn. De uittreding gebeurt voor het overige onder de voorwaarden die bepaald zijn in de statuten van die vereniging of vennootschap voor maatschappelijk welzijn.

Artikel 32. (01/01/2024- ...)

Als de dienstverlenende vereniging, vermeld in artikel 3, 2°, b), van dit decreet, of de opdrachthoudende verenigingen, vermeld in artikel 3, 2°, c), en 2°, d), van dit decreet, op 1 januari 2024 niet overeenstemmen met de principes, vermeld in artikel 6 van dit decreet, of een tijdelijke afwijking als vermeld in artikel 7, §3, 3°, van dit decreet, hebben verkregen, wordt, in afwijking van artikel 427 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, zoals van kracht vanaf 1 januari 2024, het verslag van de algemene vergadering houdende wijziging van de statuten, samen met de bijbehorende documenten waaronder de beslissingen van de deelnemers, binnen dertig dagen na de dagtekening ervan aan de toezichthoudende overheid voorgelegd.

De wijzigingen van de statuten worden goedgekeurd door de Vlaamse Regering binnen negentig dagen na de dag waarop het verslag naar de toezichthoudende overheid is verzonden. Als die termijn verstrijkt zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing heeft genomen en verstuurd naar de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging, wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.

De termijn, vermeld in het tweede lid, wordt gestuit door de indiening van een aanvraag tot afwijking als vermeld in artikel 7, §2, van dit decreet. Een nieuwe termijn gaat in op de dag die volgt op de verzending van het besluit van de Vlaamse Regering over de toekenning van de afwijking aan de aanvrager of aanvragers.

Afdeling 3. Inwerkingtredingsbepaling (... - ...)

Artikel 33. (19/03/2023- ...)

De volgende artikelen treden in werking op 1 januari 2024:
1° artikel 10;
2° artikel 14 tot en met 28;
3° artikel 29 en 32.

(19/03/2023- ...)


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 29/02/2024