Besluit van de Vlaamse Regering tot toekenning van subsidies voor sensibiliseringsacties om duurzame landbouw te bevorderen

Datum 21/04/2023

Inhoudstafel

  1. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
  2. Hoofdstuk 2. Subsidie
  3. Hoofdstuk 3. Uitvoerders en demonstratieprojecten die in aanmerking komen voor een subsidie
  4. Hoofdstuk 4. Subsidiebedrag
  5. Hoofdstuk 5. De indiening van steunaanvragen
  6. Hoofdstuk 6. De beoordeling van de steunaanvragen
  7. Hoofdstuk 7. Opvolging
  8. Hoofdstuk 8. Verantwoording en uitbetaling van de subsidie
  9. Hoofdstuk 9. Resultaten
  10. Hoofdstuk 10. Communicatieverplichtingen
  11. Hoofdstuk 11. Controles en sancties
  12. Hoofdstuk 12. Bezwaarprocedure
  13. Hoofdstuk 13. Gegevensverwerking
  14. Hoofdstuk 14. Reservevorming en dubbele subsidiëring
  15. Hoofdstuk 15. Europese regelgeving
  16. Hoofdstuk 16. Uitwisseling van berichten
  17. Hoofdstuk 17. Voorafgaande controle door de Inspectie van Financiën bij de toekenning van de subsidies
  18. Hoofdstuk 18. Slotbepalingen

Inhoud

(... - ...)

Rechtsgronden
Dit besluit is gebaseerd op:
- het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid, artikel 16, vervangen bij het decreet van 8 juli 2022, artikel 44, tweede lid, artikel 70 en 71;
- het Programmadecreet van 8 juli 2022 bij de aanpassing van de begroting 2022, artikel 22, eerste lid, 1°.

Vormvereisten
De volgende vormvereisten zijn vervuld:
- De Europese Commissie heeft het Vlaams Strategisch Plan voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023 – 2027 goedgekeurd op 5 december 2022.
- De Vlaamse minister, bevoegd voor het budgettair beleid, heeft zijn akkoord gegeven op 16 februari 2023.
- De Gegevensbeschermingsautoriteit heeft advies nr. 69/2023 gegeven op 21 maart 2023.
- De Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens heeft advies nr. 2023/030 gegeven op 21 maart 2023.
- Er is op 8 maart 2023 bij de Raad van State een aanvraag ingediend voor een advies binnen dertig dagen, met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Het advies is niet meegedeeld binnen die termijn. Daarom wordt artikel 84, §4, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toegepast.

Initiatiefnemer
Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw.

Na beraadslaging,

DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen (... - ...)

Artikel 1. (01/01/2024- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° bevoegde entiteit: het Agentschap Landbouw en Zeevisserij, vermeld in artikel 29/1, eerste lid, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
2° demonstratieproject: een sensibiliseringsactie om duurzame landbouw te bevorderen;
3° e-loket: het elektronisch loket dat ontwikkeld en beheerd wordt door de bevoegde entiteit;
4° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw;
5° promotor: de organisatie met rechtspersoonlijkheid die de subsidie, vermeld in artikel 3, aanvraagt en die de verantwoordelijkheden, vermeld in artikel 4, tweede lid, draagt;
6° verordening (EU) 2021/2115: verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013;
7° verordening (EU) 2021/2116: verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

Artikel 2. (21/04/2023- ...)

Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke uitvoering van:
1° verordening (EU) 2021/2115;
2° verordening (EU) 2021/2116.

Hoofdstuk 2. Subsidie (... - ...)

Artikel 3. (21/04/2023- ...)

Binnen de grenzen van de begrotingskredieten die daarvoor bestemd zijn, kan de minister, volgens de bepalingen die zijn vastgesteld in dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, een subsidie verlenen voor demonstratieprojecten.

Hoofdstuk 3. Uitvoerders en demonstratieprojecten die in aanmerking komen voor een subsidie (... - ...)

Artikel 4. (21/04/2023- ...)

Alleen organisaties met rechtspersoonlijkheid die geen commerciële doelen nastreven kunnen een steunaanvraag voor een demonstratieproject indienen. 

De promotor is de eindverantwoordelijke voor de uitvoering van het hele demonstratieproject en is het aanspreekpunt voor de subsidiërende overheid. Conform artikel 73 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 kan de promotor hoofdelijk en onverdeeld aansprakelijk worden gesteld bij alle betwistingen over of terugvorderingen van de toegekende subsidie.

Artikel 5. (21/04/2023- ...)

Een organisatie met rechtspersoonlijkheid kan voor de uitvoering van het demonstratieproject samenwerken met andere partners.  De samenwerking wordt geformaliseerd met een samenwerkingsovereenkomst tussen alle partners.

De promotor bezorgt de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, uiterlijk dertig dagen na de start van het project aan de bevoegde entiteit.

Artikel 6. (21/04/2023- ...)

In dit artikel wordt verstaan onder doelgroep: actoren die actief zijn in de landbouwsector.

Een demonstratieproject komt in aanmerking voor subsidiëring als het voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° het demonstratieproject is een initiatief met een tijdelijk karakter dat zich richt tot een bepaalde doelgroep en op een bepaalde probleemsituatie en dat expliciet en overwegend erop gericht is een meer duurzame landbouw in het Vlaamse Gewest te stimuleren;
2° het demonstratieproject draagt bij tot een of meer van de doelstellingen, vermeld in artikel 6, lid 1 en 2, van verordening (EU) 2021/2115. Een oproep als vermeld in artikel 10 van dit besluit, kan beperkt worden tot een of meer van de voormelde doelstellingen;
3° de activiteiten vinden plaats in het Nederlands;
4° het lidmaatschap van een organisatie mag geen voorwaarde zijn om toegang tot de sensibiliseringsactiviteit te krijgen;
5° de sensibiliseringsactiviteit en de resultaten zijn voor iedereen toegankelijk op een uniforme wijze.

Artikel 7. (21/04/2023- ...)

De demonstratieprojecten worden uitgevoerd binnen een periode van maximaal twee jaar tenzij in de oproep, vermeld in artikel 10, een kortere periode bepaald wordt.

Verlenging van de projectperiode, vermeld in het eerste lid, is alleen toegelaten als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de promotor heeft een gemotiveerde aanvraag ingediend voor de periode, vermeld in het eerste lid, is verstreken;
2° de wijziging brengt geen budgettaire meerkosten teweeg;
3° de bevoegde entiteit keurt de wijziging van de periode goed.

Hoofdstuk 4. Subsidiebedrag (... - ...)

Artikel 8. (21/04/2023- ...)

De subsidie, vermeld in artikel 3, bedraagt maximaal 100% van de totale aanvaarde projectkosten.

De maximale subsidie per demonstratieproject wordt in de oproep, vermeld in artikel 10, bepaald.

Artikel 9. (21/04/2023- ...)

De volgende kosten komen in aanmerking voor subsidiëring:
1° personeelskosten van personeel dat betrokken is bij de uitvoering van het demonstratieproject;
2° overheadkosten voor maximaal 15% van de aanvaarde personeelskosten;
3° werkingskosten;
4° investeringskosten als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  a) de investering wordt gerealiseerd in het Vlaamse Gewest;
  b) er is een omgevingsvergunning verleend als de investering dat vereist;
  c) de subsidiabele investeringskosten mogen maximaal 40% van de totale aanvaarde projectkosten bedragen;
  d) maximaal 50% van de totale aanvaarde investeringskosten komt in aanmerking voor subsidiëring;
  e) tot vijf jaar nadat de subsidie, vermeld in artikel 3, is uitbetaald blijft het goed verbonden aan het bedrijf dat de voormelde subsidie heeft verkregen of de overnemer van dat bedrijf. Het goed wordt niet doorverkocht en blijft in gebruik;
5° kosten voor externe prestaties.

De belasting over de toegevoegde waarde komt niet in aanmerking voor subsidiëring, behalve als ze niet terugvorderbaar is.

De minister kan per oproep als vermeld in artikel 10, afwijken van het percentage, vermeld in het eerste lid, 2°.

De subsidie, vermeld in artikel 3, wordt herrekend en in verhouding teruggevorderd voor de periode waarin de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 4°, e), niet meer vervuld zijn, vanaf de eerste dag die volgt op de uitbetaling van de voormelde subsidie. De voormelde voorwaarden zijn minstens één jaar vervuld nadat de voormelde subsidie is uitbetaald.

De volgende investeringen komen niet voor subsidiëring in aanmerking:
1° de investeringen, vermeld in artikel 73, lid 3, van verordening (EU) 2021/2115;
2° de aankoop van grond;
3° de aankoop van tweedehands materiaal;
4° investeringen waarvoor een alternatief bestaat dat significant milieuvriendelijker is en niet significant duurder;
5° leasing;
6° investeringen voor irrigatie met grondwater en oppervlaktewater.

Hoofdstuk 5. De indiening van steunaanvragen (... - ...)

Artikel 10. (21/04/2023- ...)

De minister kan jaarlijks een of meer oproepen lanceren voor de subsidiëring van demonstratieprojecten.

Naast de elementen, vermeld in artikel 6, tweede lid, 2°, artikel 7, eerste lid, artikel 8, tweede lid, artikel 9, derde lid, artikel 11, derde lid, en artikel 14, zesde lid, kan de minister bij elke oproep het volgende bepalen:
1° de thema's waarvoor demonstratieprojecten kunnen worden ingediend. Als er geen thema’s bepaald worden, gaat het om een open oproep;
2° het aantal demonstratieprojecten waarin per thema wordt voorzien;
3° het totale beschikbare subsidiebedrag;
4° de periode waarin de projecten moeten lopen;
5° de termijn waarin en de wijze waarop steunaanvragen ingediend worden;
6° de ontvankelijkheidscriteria waaraan steunaanvragen getoetst worden.

De bevoegde entiteit maakt de oproep bekend.

Artikel 11. (21/04/2023- ...)

De steunaanvraag, vermeld in artikel 4, eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° de identificatie van het demonstratieproject;
2° de volgende gegevens van de promotor:
  a) de naam, het adres, de rechtsvorm, het telefoonnummer, het e-mailadres en het rekeningnummer;
  b) het btw-statuut en het btw-nummer;
  c) de naam, de functie, het telefoonnummer en het e-mailadres van een contactpersoon;
  d) de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de budgettaire verantwoordelijke en van de verantwoordelijke voor de praktische uitvoering van het project;
3° de volgende gegevens van elke partner:
  a) de naam en het adres;
  b) het btw-statuut en het btw-nummer;
  c) de naam, de functie, het telefoonnummer en het e-mailadres van een contactpersoon;
4° de naam van andere betrokkenen bij de sensibiliseringsactiviteiten;
5° de projectbeschrijving inclusief een overzicht van de sensibiliseringsactiviteiten;
6° de situering en verantwoording van het demonstratieproject;
7° de beschrijving van de samenwerking tussen de partners en de samenstelling van de projectgroep;
8° de wetenschappelijke basis;
9° de verwachte resultaten van het demonstratieproject;
10° de gegevens over de financiering van het project.

Bij de steunaanvraag, vermeld in artikel 4, eerste lid, verbindt de promotor zich ertoe:
1° het demonstratieproject, vermeld in de voormelde steunaanvraag en zoals het goedgekeurd is in het toekenningsbesluit, vermeld in artikel 15, uit te voeren en alle wijzigingen die betrekking hebben op de gegevens van die steunaanvraag, onmiddellijk aan de bevoegde entiteit ter goedkeuring voor te leggen;
2° een aparte projectboekhouding en administratie te voeren tijdens de looptijd van het demonstratieproject en op verzoek van de bevoegde entiteit alle inlichtingen te verstrekken;
3° om tijdens het demonstratieproject en na de afloop ervan de nodige schikkingen te treffen om controle en toezicht op de uitvoering van het project mogelijk te maken;
4° op eenvoudig verzoek van de bevoegde entiteit medewerking te verlenen aan onderzoeken in het kader van de evaluatie van demonstratieprojecten;
5° de stukken, vermeld in artikel 18, 19 en 20, in te dienen;
6° als dat van toepassing is, de regelgeving over overheidsopdrachten na te leven; 
7° de verplichtingen, vermeld in artikel 24, na te leven;
8° elke sensibiliseringsactiviteit te melden aan de bevoegde entiteit;
9° de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in artikel 5, uiterlijk dertig dagen na de start van het project aan de bevoegde entiteit te bezorgen.

De minister kan per oproep als vermeld in artikel 10, bepalen dat de steunaanvraag, vermeld in artikel 4, eerste lid, bijkomende elementen of documenten moet bevatten.

Artikel 12. (21/04/2023- ...)

Promotors die nog niet geïdentificeerd zijn bij de bevoegde entiteit, registreren hun onderneming en de personen die hen kunnen vertegenwoordigen, op het e-loket van de bevoegde entiteit om een steunaanvraag als vermeld in artikel 4, eerste lid, te kunnen indienen.

Hoofdstuk 6. De beoordeling van de steunaanvragen (... - ...)

Artikel 13. (21/04/2023- ...)

De bevoegde entiteit onderzoekt of steunaanvragen, vermeld in artikel 4, eerste lid, ontvankelijk zijn conform de ontvankelijkheidscriteria, vermeld in artikel 10, tweede lid, 6°, en stelt een projectenlijst op met alle ontvankelijke steunaanvragen.

Artikel 14. (01/01/2024- ...)

De ontvankelijke steunaanvragen, vermeld in artikel 13 van dit besluit, worden beoordeeld door een beoordelingscommissie die de bevoegde entiteit samenstelt en die minimaal uit de volgende leden bestaat:
1° drie personeelsleden van bevoegde entiteit;
2° één vertegenwoordiger van het Agentschap Innoveren en Ondernemen, vermeld in artikel 29/1, eerste lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, van het voormelde besluit.

De bevoegde entiteit kan bij de samenstelling van de beoordelingscommissie een beroep doen op externe experten in functie van de noodzaak aan expertise voor een bepaald thema.

De beoordelingscommissie beoordeelt de ontvankelijke steunaanvragen, vermeld in artikel 13 van dit besluit, aan de hand van een evaluatierooster, dat de bevoegde entiteit ter beschikking stelt, en op basis van al de volgende selectiecriteria:
1° de mate waarin het doelpubliek bereikt wordt;
2° de inhoud, namelijk de kwaliteit van het demonstratieproject en de bijdrage aan de doelstellingen, vermeld in artikel 6, tweede lid, 2°;
3° het te verwachten sensibiliseringseffect;
4° de technische of wetenschappelijke basis; 
5° de redelijkheid van de kosten: de verhouding tussen de kostprijs en het resultaat;
6° de geschiktheid van de uitvoerders.

De beoordelingscommissie rangschikt de ontvankelijke steunaanvragen volgens de rangorde van beoordeling. Voor ieder beoordeeld project wordt een beknopte motivatie gegeven op basis van de selectiecriteria, vermeld in het derde lid.

De bevoegde entiteit maakt het verslag van de beoordeling en bezorgt het aan de minister.

De minister kan de selectiecriteria, vermeld in het derde lid, per oproep als vermeld in artikel 10, nader bepalen.

Artikel 15. (21/04/2023- ...)

De minister beslist welke demonstratieprojecten geselecteerd worden en kent de subsidies, vermeld in artikel 3, toe, rekening houdende met:
1° de beschikbare begrotingskredieten;
2° de selectiecriteria, vermeld in artikel 14, derde lid;
3° het verslag van de bevoegde entiteit, vermeld in artikel 14, vijfde lid. 

Alleen projecten die de minimumscore behalen die de bevoegde entiteit vaststelt, komen in aanmerking voor steun.

In het toekenningsbesluit, vermeld in het eerste lid, kan de minister binnen de grenzen van de bepalingen van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, de volgende elementen bepalen:
1° de activiteiten waarvoor de subsidie, vermeld in artikel 3, wordt toegekend;
2° het maximale subsidiebedrag dat voor die activiteiten kan worden toegekend;
3° de kosten die al dan niet in rekening mogen worden gebracht bij de verantwoording van de subsidie, vermeld in artikel 3;
4° specifieke voorwaarden over de uitvoering van de demonstratieprojecten;
5° de termijn waarin de schuldvordering, de tussentijdse verantwoording, de functionele en de financiële verantwoording, vermeld in artikel 21, eerste lid, 1° en 2°, ingediend moeten worden.

De bevoegde entiteit brengt de promotor op de hoogte van de beslissing.

Hoofdstuk 7. Opvolging (... - ...)

Artikel 16. (21/04/2023- ...)

Een personeelslid van de bevoegde entiteit wordt door de promotor altijd uitgenodigd om de vergaderingen van de projectgroep bij te wonen.

Artikel 17. (21/04/2023- ...)

De promotor en de partners voeren het demonstratieproject uit zoals het is goedgekeurd in het toekenningsbesluit, vermeld in artikel 15. Eventuele wijzigingen zijn alleen mogelijk nadat de promotor een gemotiveerde aanvraag heeft ingediend bij de bevoegde entiteit en nadat de bevoegde entiteit de aanvraag heeft goedgekeurd.

Hoofdstuk 8. Verantwoording en uitbetaling van de subsidie (... - ...)

Artikel 18. (21/04/2023- ...)

De promotor dient een tussentijdse verantwoording in van de subsidie, vermeld in artikel 3, die bestaat uit al de volgende elementen:
1° een overzicht van de gerealiseerde activiteiten ten opzichte van de geplande activiteiten;
2° een bondig verslag van de uitgevoerde acties;
3° een tussentijdse financiële afrekening waarin alle kosten en opbrengsten van de gesubsidieerde activiteiten zijn opgenomen en de bewijsstukken.

Als de promotor samenwerkt met andere partners, maken de promotor en de partners het overzicht en het verslag, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, op in onderling overleg. Elke partner bezorgt aan de promotor al de stukken, vermeld in het eerste lid, 3°.

Artikel 19. (21/04/2023- ...)

De promotor dient een functionele verantwoording in van de subsidie, vermeld in artikel 3. In de functionele verantwoording wordt aangetoond dat, of in welke mate, de activiteiten waarvoor de voormelde subsidie is toegekend, gerealiseerd zijn. De functionele verantwoording bestaat uit de volgende elementen:
1° een overzicht van de projectrealisaties;
2° een technisch verslag van het demonstratieproject;
3° een evaluatie van de sensibiliseringswaarde van het demonstratieproject;
4° een reflectie over het verloop en de bereikte resultaten van het demonstratieproject;
5° een digitale versie van alle publicaties die over het gesubsidieerde project verspreid zijn tijdens de projectperiode;
6° de omgevingsvergunning voor de gerealiseerde investeringen als het demonstratieproject investeringskosten omvat en de investering een vergunning vereist.

Als de promotor samenwerkt met andere partners, maken de promotor en de partners de functionele verantwoording, vermeld in het eerste lid, op in onderling overleg.

Artikel 20. (21/04/2023- ...)

De promotor dient een financiële verantwoording in van de subsidie, vermeld in artikel 3. In de financiële verantwoording wordt aangetoond welke kosten zijn gemaakt om de activiteiten waarvoor de subsidie is toegekend, te realiseren, en welke opbrengsten in het kader van die activiteiten zijn verworven, uit de activiteiten zelf of uit andere bronnen. De financiële verantwoording bestaat uit al de volgende elementen:
1° een verzamelstaat met een globaal overzicht van alle kosten en opbrengsten in de gesubsidieerde periode voor de gesubsidieerde activiteiten van de promotor en van elke partner;
2° een resultatenrekening van de promotor en van elke partner waarin alle kosten en opbrengsten in de gesubsidieerde periode zijn opgenomen voor de gesubsidieerde activiteiten. Eventuele bijkomende subsidies van de Vlaamse overheid of andere overheden voor dezelfde activiteiten worden ook opgenomen in de resultatenrekening;
3° de bewijsstukken van de promotor en van elke partner.

Als de promotor samenwerkt met andere partners, bezorgt elke partner aan de promotor al de stukken, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°.

Artikel 21. (21/04/2023- ...)

De subsidie, vermeld in artikel 3, wordt op de volgende wijze uitbetaald:
1° een eerste schijf van maximaal 60% nadat de volgende stukken zijn ingediend bij de bevoegde entiteit en de bevoegde entiteit de stukken heeft beoordeeld:
  a) een ondertekende schuldvordering;
  b) de tussentijdse verantwoording, vermeld in artikel 18;
2° een tweede schijf, die maximaal het resterende saldo omvat, nadat de volgende stukken zijn ingediend bij de bevoegde entiteit en de bevoegde entiteit de stukken heeft beoordeeld:
  a) een ondertekende schuldvordering;
  b) de functionele verantwoording, vermeld in artikel 19;
  c) de financiële verantwoording, vermeld in artikel 20.

De schuldvordering en de tussentijdse verantwoording, vermeld in het eerste lid, 1°, worden ingediend ten vroegste zes maanden en uiterlijk een jaar na de startdatum van het project, tenzij de minister in het toekenningsbesluit, vermeld in artikel 15, een andere termijn bepaalt.

De schuldvordering, de functionele verantwoording en de financiële verantwoording, vermeld in het eerste lid, 2°, worden uiterlijk zes maanden na de einddatum van het project ingediend, tenzij de minister in het toekenningsbesluit, vermeld in artikel 15, een andere termijn bepaalt.

De subsidie, vermeld in artikel 3, wordt uitbetaald aan de promotor. De promotor stort in voorkomend geval de deelbudgetten door aan de partners als vermeld in de steunaanvraag, vermeld in artikel 4, eerste lid. De promotor bezorgt de volgende stukken aan de bevoegde entiteit uiterlijk zes maanden na de datum waarop de bevoegde entiteit de voormelde subsidie heeft uitbetaald:
1° de schuldvorderingen van de partners aan de promotor; 
2° het bewijs dat de promotor de deelbudgetten heeft uitbetaald aan de partners.

Artikel 22. (21/04/2023- ...)

De stukken, vermeld in artikel 21, worden ingediend conform de instructies van de bevoegde entiteit. De bevoegde entiteit kan modelformulieren ter beschikking stellen die gebruikt moet worden voor de voormelde indiening.

Hoofdstuk 9. Resultaten (... - ...)

Artikel 23. (21/04/2023- ...)

De Vlaamse overheid kan de resultaten gebruiken die zijn gerealiseerd in het kader van de activiteiten die conform dit besluit zijn gesubsidieerd, zonder dat ze eventuele kosten moet betalen of aan andere verplichtingen moet voldoen.

Hoofdstuk 10. Communicatieverplichtingen (... - ...)

Artikel 24. (21/04/2023- ...)

In geval van financiering uit de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap vermelden de begunstigden het logo van de Vlaamse overheid in alle communicatievormen over de gesubsidieerde activiteiten.

In geval van financiering uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling geven de begunstigden blijk van de ontvangen financiële steun door de verplichtingen na te leven, vermeld in artikel 123, lid 2, j), van verordening (EU) 2021/2115 en de uitvoeringsbepalingen ervan.

De bevoegde entiteit kan materiaal ter beschikking stellen en instructies geven over de verplichtingen, vermeld in het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 11. Controles en sancties (... - ...)

Artikel 25. (21/04/2023- ...)

De bevoegde entiteit is verantwoordelijk voor de coördinatie en voor de uitvoering van de controles, vermeld in verordening (EU) 2021/2115, verordening (EU) 2021/2116 en de gedelegeerde en uitvoeringsverordeningen ervan. De minister kan bijkomende regels bepalen.

De controles, vermeld in het eerste lid, bestaan uit:
1° de administratieve controles, met inbegrip van controles op het terrein in het kader van die administratieve controles die voor elk dossier kunnen plaatsvinden;
2° de controles ter plaatse die plaatsvinden op basis van een steekproef;
3° de controles achteraf op de naleving van de voorwaarden, vermeld in artikel 9, eerste lid, 4°, e), die plaatsvinden op basis van een steekproef.

De bevoegde entiteit kan het voorwerp van de steun- en betalingsaanvraag controleren en kan de nodige vaststellingen doen over de nakoming van de voorwaarden waaronder de steun werd verleend.

De bevoegde entiteit kan rekening houden met de vaststellingen van andere bevoegde autoriteiten bij de uitoefening van de opdrachten die hun wettelijk toegewezen zijn.

De bevoegde entiteit kan de controles overdragen aan derden.

Artikel 26. (21/04/2023- ...)

Controles ter plaatse mogen worden aangekondigd op voorwaarde dat het doel of de doeltreffendheid ervan daardoor niet in het gedrang komt. De periode tussen de aankondiging en de controle wordt beperkt tot het noodzakelijke minimum en bedraagt niet meer dan veertien dagen.

Artikel 27. (21/04/2023- ...)

De begunstigde houdt alle bewijsstukken, die in dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan worden opgelegd, ter beschikking voor controle tot minimaal tien jaar na de laatste betaling of na het aflopen van de laatste verbintenis, als de laatste betaling eerder heeft plaatsgevonden.

Artikel 28. (21/04/2023- ...)

De bevoegde entiteit kan op elk ogenblik bijkomende stukken of informatie opvragen in het kader van beleidsevaluaties en om de controles vermeld in artikel 25, uit te voeren. In dat geval bezorgt de begunstigde de gevraagde stukken of informatie onmiddellijk aan de bevoegde entiteit.

Artikel 29. (21/04/2023- ...)

§1. De bevoegde entiteit staat in voor het bepalen en opleggen van de administratieve sancties, vermeld in de verordening (EU) 2021/2115, verordening (EU) 2021/2116 en de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ervan.

§2. In de volgende gevallen kan de bevoegde entiteit een of meer administratieve sancties als vermeld in paragraaf 1, opleggen:
1° de voorwaarden, waaronder de steun, vermeld in artikel 3, werd verleend, worden niet nageleefd;
2° de steun, vermeld in artikel 3, wordt niet aangewend voor de doeleinden, waarvoor zij werd verleend;
3° de controle, vermeld in artikel 25, wordt verhinderd;
4° de begunstigde beschikt niet over de vereiste bewijsstukken, die correct en volledig zijn;
5° de begunstigde bezorgt de bevoegde entiteit de vereiste bewijsstukken of de informatie niet of niet binnen de termijn;
6° de begunstigde heeft valse informatie verstrekt om de steun, vermeld in artikel 3, te ontvangen;
7° de som van de bedragen in de betalingsaanvragen, vermeld in artikel 21, eerste lid, 1° en 2°, is minstens 10% hoger dan het bedrag dat na een onderzoek naar de subsidiabiliteit van de uitgaven in de voormelde betalingsaanvragen subsidiabel bevonden is. 

§3. De administratieve sancties, vermeld in paragraaf 1, kunnen een van de volgende vormen aannemen:
1° een vermindering van het steunbedrag van de steun- of betalingsaanvraag waarop de niet-naleving van toepassing is, dan wel op volgende aanvragen;
2° de uitsluiting van het recht om aan de steunmaatregel, vermeld in dit besluit, of aan andere steunmaatregelen deel te nemen of ze te verkrijgen.

§4. Als de begunstigde geen recht heeft op de steun, vermeld in artikel 3, en de voormelde steun al is uitbetaald, vordert de bevoegde entiteit de steun die al is uitbetaald, volledig of gedeeltelijk terug.

De ingevorderde bedragen worden binnen maximaal zestig dagen betaald. De betalingstermijn wordt opgenomen in de invorderingsbrief. 

De rente over de ingevorderde bedragen, vermeld in het tweede lid, wordt berekend voor de periode tussen de datum waarop de betalingstermijn in de invorderingsbrief, vermeld in het tweede lid, verstrijkt, en de datum van de terugbetaling.

Om de rente, vermeld in het derde lid, te berekenen, wordt de wettelijke rentevoet, vermeld in artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen interest, toegepast.

§5. De administratieve sancties, vermeld in paragraaf 1, zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend en staan in verhouding tot de ernst, de omvang, het permanente karakter en de herhaling van de geconstateerde niet-naleving, overeenkomstig artikel 59 van verordening (EU) 2021/2116, binnen de volgende grenzen:
1° de sanctie, vermeld in paragraaf 3, 1°, is niet hoger dan 100% van de som van de bedragen in de betalingsaanvragen, vermeld in artikel 21, eerste lid, 1° en 2°;
2° de uitsluiting, vermeld in paragraaf 3, 2°, geldt ten hoogste voor een periode van twee opeenvolgende jaren, namelijk het jaar van de vaststelling en het jaar erna;
3° in het geval, vermeld in paragraaf 2, 7°, is het bedrag van de sanctie gelijk aan het verschil tussen de som van de bedragen in de betalingsaanvragen, vermeld in artikel 21, eerste lid, 1° en 2°, en het bedrag dat na een onderzoek naar de subsidiabiliteit van de uitgaven in de voormelde betalingsaanvragen subsidiabel bevonden is, maar gaat de administratieve sanctie niet verder dan de volledige intrekking van de steun.

Artikel 30. (21/04/2023- ...)

De bevoegde entiteit onderzoekt de betalingsaanvragen, vermeld in artikel 21, eerste lid, 1° en 2°, die ze van de begunstigde heeft ontvangen en ze bepaalt de subsidiabele bedragen.

Artikel 31. (21/04/2023- ...)

De bevoegde entiteit kan, bovenop de administratieve sancties, vermeld in artikel 29 van dit besluit, administratieve sancties opleggen conform artikel 56 van het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw en visserijbeleid.

Hoofdstuk 12. Bezwaarprocedure (... - ...)

Artikel 32. (21/04/2023- ...)

§1. De bevoegde entiteit behandelt bezwaren tegen beslissingen die rechtsgevolgen tot stand brengen ter uitvoering van dit besluit, de uitvoeringsbesluiten ervan, verordening (EU) 2021/2115 en verordening (EU) 2021/2116 en de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ervan.

§2. Het bezwaar, vermeld in paragraaf 1, wordt binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing ingediend bij de bevoegde entiteit met een bezwaarschrift. De bevoegde entiteit beslist over het bezwaar. Het bezwaarschrift voldoet aan al de volgende ontvankelijkheidsvoorwaarden:
1° het wordt op schriftelijke wijze ingediend;
2° het vermeldt de naam en de woonplaats van de indiener van het bezwaar. Als woonplaatskeuze wordt gedaan bij een raadsman, wordt dat in het bezwaarschrift aangegeven;
3° het is ondertekend door de indiener van het bezwaar of zijn raadsman. Een schriftelijke machtiging wordt bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
4° het vermeldt het voorwerp van het bezwaar, met een omschrijving van de ingeroepen argumenten.

§3. Als het bezwaar, vermeld in paragraaf 1, niet voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 2, wordt het bezwaar onontvankelijk verklaard.

§4. De bezwaarindiener of zijn vertegenwoordiger wordt binnen honderdtwintig dagen op de hoogte gebracht van de beslissing van de bevoegde entiteit over het bezwaar. De voormelde termijn wordt gerekend vanaf de dag na de dag waarop de termijn voor de indiening van het bezwaar verstreken is. Tegen de voormelde beslissing staat geen nieuwe bezwaarmogelijkheid open.

De termijn, vermeld in het eerste lid, kan één keer verlengd worden met een nieuwe termijn van honderdtwintig dagen die begint op de dag nadat de eerste termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken. De bevoegde entiteit brengt de bezwaarindiener of zijn vertegenwoordiger op de hoogte van de voormelde verlenging voor de eerste termijn van honderdtwintig dagen is verstreken, en vermeldt de reden of de redenen van de verlenging.

Als de bevoegde entiteit bij de bezwaarindiener of via derden informatie of bewijzen opvraagt, wordt de termijn van honderdtwintig dagen, vermeld in het eerste lid, geschorst tot op de datum dat de informatie of het bewijs ontvangen is. De bevoegde entiteit meldt de schorsing, die het gevolg is van het inwinnen van informatie of het opvragen van bewijzen bij derden, aan de bezwaarindiener of zijn vertegenwoordiger en vermeldt de reden van de schorsing. Om het bezwaar te behandelen, kan rekening gehouden worden met informatie die van derden verkregen is.

Hoofdstuk 13. Gegevensverwerking (... - ...)

Artikel 33. (21/04/2023- ...)

De bevoegde entiteit is verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).

De persoonsgegevens van de volgende categorieën betrokkenen kunnen worden verwerkt:
1° de begunstigden, externe dienstverleners en hun contactpersonen;
2° de personen die de promotor kunnen vertegenwoordigen op het e-loket van de bevoegde entiteit;
3° de landbouwers die sensibiliseringsactiviteiten uitvoeren.

Voor de uitvoering van dit besluit kunnen de volgende categorieën van persoonsgegevens verwerkt worden:
1° de identificatiegegevens;
2° de financiële gegevens.

De verwerking van de gegevens, vermeld in het derde lid, is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang als vermeld in artikel 6, lid 1, e), van de voormelde verordening.

Het doel voor de gegevensverwerking is het verlenen van subsidies en alle activiteiten die daarmee verband houden.

Hoofdstuk 14. Reservevorming en dubbele subsidiëring (... - ...)

Artikel 34. (21/04/2023- ...)

Reservevorming ten laste van de subsidie, vermeld in artikel 3, wordt niet aanvaard.

Artikel 35. (21/04/2023- ...)

Kosten waarvoor met toepassing van andere regelingen van de Vlaamse overheid of andere overheden subsidies worden ontvangen, komen niet in aanmerking voor de toekenning van de subsidie, vermeld in artikel 3, als dat ertoe leidt dat die kosten dubbel worden gesubsidieerd.

Hoofdstuk 15. Europese regelgeving (... - ...)

Artikel 36. (21/04/2023- ...)

De subsidie, vermeld in artikel 3 van dit besluit, wordt verleend onder de voorwaarden voor steun voor de uitwisseling van kennis en de verspreiding van informatie, vermeld in artikel 78 van verordening (EU) 2021/2115.

Hoofdstuk 16. Uitwisseling van berichten (... - ...)

Artikel 37. (21/04/2023- ...)

De uitwisseling van berichten ter uitvoering van dit besluit gebeurt op elektronische wijze. Tenzij in dit besluit of de uitvoeringsbesluiten ervan al een bepaalde elektronisch procedure bepaald is, kiest de bevoegde entiteit de te volgen elektronische procedure en maakt die bekend. De bevoegde entiteit kan daarbij beperkingen en technische eisen opleggen.

Artikel II.23 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 is van toepassing voor het tijdstip van verzending en ontvangst van berichten die op elektronische wijze worden uitgewisseld.

Als voor bepaalde berichten bepaald is dat ze voor een bepaalde datum meegedeeld of ingediend moeten worden bij de bevoegde entiteit, zijn de berichten die elektronisch uitgewisseld worden, op die datum ontvangen door de bevoegde entiteit. Berichten die op papier uitgewisseld worden, worden op die datum verzonden aan de bevoegde entiteit. De datum van de poststempel geldt daarbij als tijdstip waarop een bericht verzonden is.

Voor elektronische verzendingen die uitgaan van de bevoegde entiteit, geldt de dag na de dag van de verzending als startpunt van de termijnen die worden opgelegd in het kader van procedures ter uitvoering van dit besluit. 

In afwijking van het eerste lid kunnen terugvorderingen ook op papier verstuurd worden door de bevoegde entiteit. In dat geval geldt de dag na de dag van de verzending als startpunt van de bezwaartermijn, vermeld in artikel 32.

In afwijking van het eerste lid mogen de bezwaren, vermeld in artikel 32, ook op papier ingediend worden.

Hoofdstuk 17. Voorafgaande controle door de Inspectie van Financiën bij de toekenning van de subsidies (... - ...)

Artikel 38. (21/04/2023- ...)

De oproep, vermeld in artikel 10, wordt voor advies aan de Inspectie van Financiën voorgelegd.

Als de Inspectie van Financiën een gunstig advies verleent over de oproep, worden de toekenningsbesluiten, vermeld in artikel 15, niet meer voor advies aan de Inspectie van Financiën voorgelegd, tenzij de Inspectie van Financiën anders adviseert in het advies over de oproep in kwestie.

Hoofdstuk 18. Slotbepalingen (... - ...)

Artikel 39. (21/04/2023- ...)

Artikel 10 en 11 van het Programmadecreet van 8 juli 2022 bij de aanpassing van de begroting 2022 treden in werking op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 40. (21/04/2023- ...)

De volgende regelingen worden opgeheven:
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 betreffende het erkennen van centra en subsidiëren van sensibiliseringsacties ter bevordering van een duurzame landbouw, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 april 2006, 6 juni 2014, 19 december 2014 en 14 september 2018;
2° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Landbouwcentrum voor Voedergewassen als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
3° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Proef- en Vormingscentrum voor de Landbouw als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
4° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Algemeen Boerensyndicaat als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
5° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Werkgroep voor een Rechtvaardige en Verantwoorde Landbouw als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
6° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Proefcentrum voor Sierteelt als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
7° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Kempisch Vormingscentrum voor Land- en Tuinbouw als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
8° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Praktijkcentrum voor Land- en Tuinbouw als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
9° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw ‘t Boerenlandschap als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
10° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Biogas-E vzw – Platform voor implementatie van anaërobe vergisting in Vlaanderen als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
11° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Vredeseilanden als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
12° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Landwijzer als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
13° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Bodemkundige Dienst van België als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
14° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Stichting Leven Erfgoed als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
15° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Landbouwcentrum voor Granen, Eiwitrijke Gewassen, Oliehoudende Zaden en Kleine Industriegewassen (Vlaanderen) als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
16° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Vlaams Agrarisch Centrum Dienstencentrum als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
17° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Proefstation voor de Groenteteelt als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
18° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Nationaal Agrarisch Centrum als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
19° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Nationale Boomgaarden Stichting als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
20° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Provinciaal Instituut voor Biotechnologisch Onderwijs - Campus als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
21° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Proefcentrum Hoogstraten als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
22° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw De Westhoek Hoeveproducten als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
23° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Dierengezondheidszorg Vlaanderen als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
24° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Land- en Tuinbouwcentrum Waasland als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
25° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Interprovinciaal Proefcentrum voor de Aardappelteelt als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
26° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Vlaamse Rundveeteelt Vereniging als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
27° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Regionaal Landschap Haspengouw en Voeren als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
28° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Provinciaal Proefcentrum voor de Groenteteelt Oost-Vlaanderen als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
29° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen Campus Roeselare – Hoger Instituut voor Verpleegkunde en Biotechnologie als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
30° ministerieel besluit van 30 september 2005 betreffende de erkenning van de vzw Steunpunt Groen Zorg als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
31° ministerieel besluit van 19 oktober 2005 betreffende de erkenning van de vzw Symbios als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
32° ministerieel besluit van 9 juni 2006 betreffende de erkenning van de vzw Vlaams Milieuplan Sierteelt als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
33° ministerieel besluit van 9 juni 2006 betreffende de erkenning van de vzw Proefcentrum Fruitteelt als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
34° ministerieel besluit van 21 september 2006 betreffende de erkenning van de vzw Vlaams Centrum voor Bewaring van Tuinbouwproducten als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
35° ministerieel besluit van 9 november 2007 betreffende de erkenning van de vzw Vlaamse Schapenhouderij als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
36° ministerieel besluit van 7 oktober 2008 betreffende de erkenning van de vzw Vlaams Vulgarisatiecentrum voor Bijenteelt als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
37° ministerieel besluit van 20 oktober 2008 betreffende de erkenning van de vzw Melkcontrolecentrum – Vlaanderen als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
38° ministerieel besluit van 20 oktober 2008 betreffende de erkenning van de vzw Vereniging Varkenshouders als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
39° ministerieel besluit van 3 maart 2011 betreffende de erkenning van de vzw Innovatiesteunpunt voor landbouw en platteland als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 8 november 2021;
40° ministerieel besluit van 14 november 2011 betreffende de erkenning van de vzw Coördinatiecentrum praktijkgericht onderzoek en voorlichting biologische teelt als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
41° ministerieel besluit van 28 november 2011 betreffende de erkenning van de vzw Inagro als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
42° ministerieel besluit van 7 maart 2013 betreffende de erkenning van de vzw Boerennatuur Vlaanderen als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 11 maart 2021;
43° ministerieel besluit van 25 november 2013 betreffende de erkenning van de vzw DLV Agri Business Center (United Experts) als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
44° ministerieel besluit van 25 november 2013 betreffende de erkenning van de vzw Proefbedrijf Pluimveehouderij als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
45° ministerieel besluit van 22 juni 2017 betreffende de erkenning van de vzw Bioforum Vlaanderen als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
46° ministerieel besluit van 4 juli 2018 betreffende de erkenning van de vzw BOS+ Vlaanderen als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
47° ministerieel besluit van 4 juli 2018 betreffende de erkenning van de vzw Regionaal Landschap Zuid-Hageland als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
48° ministerieel besluit van 11 juni 2020 betreffende de erkenning van de vzw Praktijkpunt Landbouw Vlaams-Brabant als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
49° ministerieel besluit van 9 november 2021 betreffende de erkenning van de vzw Boerenbond als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
50° ministerieel besluit van 7 september 2022 betreffende de erkenning van de vzw Boeren op een Kruispunt als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
51° ministerieel besluit van 7 september 2022 betreffende de erkenning van de vzw Ferm - Landbouwcel als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw;
52° ministerieel besluit van 7 september 2022 betreffende de erkenning van de vzw Impact als centrum voor sensibilisering van meer duurzame landbouw.

Artikel 41. (21/04/2023- ...)

De regelingen, vermeld in artikel 40, zoals van kracht op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op de subsidies die zijn toegekend naar aanleiding van oproepen die voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit gedaan zijn conform het voormelde besluit van 14 juli 2004.

Artikel 42. (21/04/2023- ...)

Dit besluit treedt in werking op de dag van de goedkeuring ervan door de Vlaamse Regering.

Artikel 43. (21/04/2023- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw, is belast met de uitvoering van dit besluit.


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 25/06/2024