Besluit van de Vlaamse Regering over steun voor productieve investeringen en opstartverrichtingen in de landbouw

Datum 21/04/2023

Inhoudstafel

  1. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
  2. Hoofdstuk 2. Productieve investeringen in landbouwbedrijven
    1. Afdeling 1. Algemene bepalingen
    2. Afdeling 2. De begunstigden
    3. Afdeling 3. De investeringen
    4. Afdeling 4. Aanvraag en selectie
    5. Afdeling 5. Bewijs van uitvoering
    6. Afdeling 6. De betalingsaanvraag
    7. Afdeling 7. Het steunbedrag
  3. Hoofdstuk 3. Opstart en overname door jonge landbouwers
    1. Afdeling 1. Algemene bepalingen
    2. Afdeling 2. De begunstigden
    3. Afdeling 3. Aanvraag en selectie
    4. Afdeling 4. De betalingsaanvragen
    5. Afdeling 5. Steunbedrag
  4. Hoofdstuk 4. Communicatieverplichtingen
  5. Hoofdstuk 5. Bijkomende voorwaarden
  6. Hoofdstuk 6. Controle en sancties
  7. Hoofdstuk 7. Bezwaarprocedure
  8. Hoofdstuk 8. Gegevensverwerking
  9. Hoofdstuk 9. Dubbele subsidiëring en cumul
  10. Hoofdstuk 10. Europese regelgeving
  11. Hoofdstuk 11. Uitwisseling van berichten
  12. Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Inhoud

(... - ...)

Rechtsgronden
Dit besluit is gebaseerd op:
- het decreet van 22 december 1993 houdende bepaling tot begeleiding van de begroting 1994, artikel 12, §6, 1° en 2°, ingevoegd bij het decreet van 28 juni 2013;
- het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid, artikel 9, eerste lid, 1°, en tweede lid;
- het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid, artikel 9, eerste lid, 1°, en tweede lid, en artikel 44, tweede lid.

Vormvereisten
De volgende vormvereisten zijn vervuld:
- De Europese Commissie heeft het Vlaams Strategisch Plan voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023 – 2027 goedgekeurd op 5 december 2022;
- De Vlaamse minister, bevoegd voor het budgettair beleid, heeft zijn akkoord gegeven op 25 januari 2023;
- De Gegevensbeschermingsautoriteit heeft advies nr. 67/2023 gegeven op 21 maart 2023;
- De Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens heeft advies nr. 2023/031 gegeven op 21 maart 2023;
- Er is op 8 maart 2023 bij de Raad van State een aanvraag ingediend voor een advies binnen dertig dagen, met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Het advies is niet meegedeeld binnen die termijn. Daarom wordt artikel 84, §4, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toegepast.

Initiatiefnemer
Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw.

Na beraadslaging,

DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen (... - ...)

Artikel 1. (01/01/2024- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° actieve landbouwer: de actieve landbouwer, vermeld in artikel 4, §2, van het besluit van 21 april 2023;
2° bedrijfsbekleding: het geheel van roerende materiële productiemiddelen van een landbouwbedrijf;
3° besluit van 21 april 2023: het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
4° bevoegde entiteit: het Agentschap Landbouw en Zeevisserij, vermeld in artikel 29/1, eerste lid, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
5° blokperiode: een periode van maximaal drie maanden waarin steunaanvragen ingediend kunnen worden;
6° eenheidskosten: de gemiddelde marktconforme kosten van een investering per meest geschikte technische of gebruikseenheid;
7° factorinkomen: het factorinkomen, vermeld in artikel 4, §1, 3°, van het besluit van 21 april 2023;
8° e-loket: het elektronische loket om steun aan te vragen dat ontwikkeld en beheerd wordt door de bevoegde entiteit; 
9° jonge landbouwer: de jonge landbouwer, vermeld in artikel 37 van het besluit van 21 april 2023;
10° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw;
11° potentiële steun: het maximale steunbedrag voor een investering dat is opgenomen in de selectiebeslissing, vermeld in artikel 14;
12° standaardverdiencapaciteit: de standaardverdiencapaciteit, vermeld in artikel 4, §1, 7°, van het besluit van 21 april 2023;
13° verordening (EU) 2021/2115: verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013;
14° verordening (EU) 2021/2116: verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

Artikel 2. (01/01/2023- ...)

Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke uitvoering van:
1° verordening (EU) 2021/2115;
2° verordening (EU) 2021/2116.

Hoofdstuk 2. Productieve investeringen in landbouwbedrijven (... - ...)

Afdeling 1. Algemene bepalingen (... - ...)

Artikel 3. (01/01/2023- ...)

Binnen de grenzen van de begrotingskredieten die daarvoor zijn bestemd, kan de bevoegde entiteit, volgens de bepalingen die zijn vastgesteld in dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, steun verlenen voor productieve investeringen in landbouwbedrijven.

De steun, vermeld in het eerste lid, wordt verleend in de vorm van:
1° een investeringspremie;
2° een waarborg als vermeld in artikel 12, §5, van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994.

Afdeling 2. De begunstigden (... - ...)

Artikel 4. (01/01/2023- ...)

De volgende kandidaat-begunstigden komen in aanmerking voor de steun, vermeld in artikel 3:
1° actieve landbouwers met een standaardverdiencapaciteit die overeenkomt met een minimaal factorinkomen van 20.000 euro. In geval van een rechtspersoon zijn alle bestuurders en zaakvoerders natuurlijke personen;
2° samenwerkingsverbanden van landbouwers die aan al de volgende voorwaarden voldoen:
  a) het samenwerkingsverband heeft rechtspersoonlijkheid;
  b) alle leden en vennoten zijn actieve landbouwer;
  c) minstens de helft van de leden en vennoten is actieve landbouwer en heeft een standaardverdiencapaciteit die overeenkomt met een minimaal factorinkomen van 20.000 euro;
  d) ten minste drie leden of vennoten zijn actieve landbouwer en hebben een standaardverdiencapaciteit die overeenkomt met een minimaal factorinkomen van 20.000 euro.

De standaardverdiencapaciteit, vermeld in het eerste lid, kan rekening houden met de verwachte gevolgen van de aangevraagde investering of de verwachte bedrijfsontwikkeling na een recente start als jonge landbouwer, op voorwaarde dat dit aangetoond wordt door middel van een ondernemingsplan.

Afdeling 3. De investeringen (... - ...)

Artikel 5. (01/01/2023- ...)

De volgende investeringen komen in aanmerking voor de steun, vermeld in artikel 3:
1° investeringen in onroerende goederen;
2° investeringen in installaties, machines en uitrusting;
3° investeringen in software en sturingsprogramma’s.

Als de begunstigde een samenwerkingsverband als vermeld in artikel 4, eerste lid, 2°, is komen enkel investeringen die ten goede komen aan het samenwerkingsverband, in aanmerking voor de steun, vermeld in artikel 3.

Als het Unierecht leidt tot nieuwe vereisten voor landbouwers, kan tot uiterlijk 24 maanden na de datum waarop de nieuwe eisen voor het betrokken bedrijf van kracht zijn geworden, steun worden verstrekt voor investeringen om te voldoen aan deze eisen.

Artikel 6. (01/01/2023- ...)

De categorieën investeringen die opgenomen zijn in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, komen in aanmerking voor de steun, vermeld in artikel 3.

De bevoegde entiteit bepaalt voor elke categorie, vermeld in het eerste lid, welke investeringen in die categorie in aanmerking komen voor de steun, vermeld in artikel 3.

Artikel 7. (01/01/2023- ...)

§1. De volgende investeringen komen niet in aanmerking voor de steun, vermeld in artikel 3 van dit besluit:
1° de investeringen, vermeld in artikel 73, lid 3, van verordening (EU) 2021/2115;
2° de aankoop van grond;
3° de aankoop van tweedehands materiaal;
4° investeringen waarvoor een alternatief bestaat dat significant milieuvriendelijker is en niet significant duurder;
5° de aankoop van bedrijfsgebouwen;
6° investeringen in mestverwerking;
7° leasing;
8° investeringen voor irrigatie met grondwater en oppervlaktewater;
9° investeringen die economisch onverantwoord zijn in het licht van de structuur of de financieel-economische toestand van het bedrijf.

§2. In afwijking van paragraaf 1, 8°, komen de volgende investeringen in aanmerking voor de steun, vermeld in artikel 3 van dit besluit: 
1° investeringen in vervanging en verbetering van bestaande installaties als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  a) de investering kan potentieel tot een reductie van minstens 10% leiden in het watergebruik; 
  b) als de toestand voor de kwantiteit van het gebruikte oppervlaktewater of grondwater niet goed is, kan aangetoond worden dat de effectieve waterbesparing minstens 50% van de potentiële waterbesparing bedraagt;
2° investeringen in de uitbreiding van het areaal als de toestand niet minder dan goed is voor waterkwantiteit voor het gebruikte oppervlakte- of grondwater, zoals bepaald in de kaderrichtlijn water, en uit een milieueffectanalyse blijkt dat de investering niet tot significante negatieve milieueffecten zal leiden.

De investeringen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, beschikken per waterbron over een watermeter.

Artikel 8. (01/01/2023- ...)

In dit artikel wordt verstaan onder AEA-systemen: de stalsystemen die zijn opgenomen in bijlage I bij het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne of ook toekomstige maatregelen en technieken die leiden tot een voldoende reductie van ammoniakemissie. 

Investeringen in de AEA-systemen, vermeld in het eerste lid, komen alleen in aanmerking voor de steun, vermeld in artikel 3 van dit besluit, als de toezichthoudende architect, ingenieur-architect, burgerlijk bouwkundig ingenieur, industrieel ingenieur bouwkunde, landbouwkundig ingenieur of bio-ingenieur, attesteert dat de investering gerealiseerd is conform bijlage I, die bij het voormelde ministerieel besluit van 19 maart 2004 is gevoegd.

Artikel 9. (01/01/2023- ...)

Investeringen die hernieuwbare energie opleveren, komen alleen in aanmerking voor de steun, vermeld in artikel 3, als aangetoond wordt dat de investering op jaarbasis, samen met de investeringen in hernieuwbare energie die al aanwezig zijn, niet meer hernieuwbare energie produceert dan op het landbouwbedrijf wordt gebruikt.

Afdeling 4. Aanvraag en selectie (... - ...)

Artikel 10. (01/01/2023- ...)

De kandidaat-begunstigde die de steun, vermeld in artikel 3, wil verkrijgen, dient daarvoor via het e-loket een steunaanvraag in bij de bevoegde entiteit.

Een kandidaat-begunstigde kan elke blokperiode ten hoogste één steunaanvraag als vermeld in het eerste lid, indienen.

De bevoegde entiteit bepaalt de eerste en laatste dag van elke blokperiode.

Om een steunaanvraag te kunnen indienen, moeten kandidaat-begunstigden die nog niet geïdentificeerd zijn bij de bevoegde entiteit, hun onderneming en de personen die hen kunnen vertegenwoordigen op het e-loket van de bevoegde entiteit registreren.

Artikel 11. (01/01/2023- ...)

In de steunaanvraag, vermeld in artikel 10, vermeldt de kandidaat-begunstigde al de volgende elementen:
1° voor welke investeringen en voor hoeveel investeringen van de investeringscategorieën, vermeld in artikel 6, tweede lid, hij steun aanvraagt;
2° welke verhoogde steunpercentages als vermeld in artikel 18, tweede lid, hij aanvraagt.

Als de bevoegde entiteit voor de voorgenomen investering geen eenheidskosten bepaald heeft, staaft de kandidaat-begunstigde de geraamde kosten van de investering met offertes.

De steunaanvraag om een waarborg als vermeld in artikel 3, tweede lid, 2°, van dit besluit, te verkrijgen, wordt ingediend door tussenkomst van een kredietinstelling als vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 betreffende de taken, het beheer en de werkwijze van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds.

Artikel 12. (01/01/2023- ...)

De steunaanvraag, vermeld in artikel 10, bevat al de volgende documenten:
1° een verklaring op erewoord waarin de kandidaat-begunstigde verklaart dat voor dezelfde investeringen geen andere steun van welke aard ook aangevraagd is of aangevraagd zal worden bij een andere overheidsinstantie;
2° een omgevingsvergunning, als de investering dat vereist;
3° in voorkomend geval een verklaring dat de kandidaat-begunstigde bij de indiening van de betalingsaanvraag, vermeld in artikel 16, zal voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, 8°;
4° technische gegevens om de eenheidskosten en gegevens te onderbouwen die toelaten de effecten van de investering op de doelstellingen, vermeld in artikel 13, eerste lid, 1°, te kwantificeren.

Artikel 13. (01/01/2023- ...)

Per blokperiode worden aan alle investeringen waarvoor steun aangevraagd is, de volgende scores toegekend:
1° de duurzaamheidsscore geeft weer in welke mate de investering bijdraagt tot de realisatie van de volgende doelstellingen:
  a) verhogen van economische weerbaarheid;
  b) innovatie;
  c) primaire energiebesparing;
  d) gebruik van hernieuwbare energie;
  e) emissiereductie van niet-energetische broeikasgassen;
  f) emissiereductie van ammoniak;
  g) emissiereductie van fijn stof en NOx;
  h) verbetering op het vlak van waterkwaliteit;
  i) verbetering op het vlak van waterkwantiteit;
  j) verbetering op het vlak van bodemkwaliteit;
  k) verbetering op het vlak van biodiversiteit;
  l) verbetering op het vlak van afval en voedselverlies en circulariteit;
  m) verbetering op het vlak van ruimtelijke kwaliteit;
  n) verbetering op het vlak van bovenwettelijk dierenwelzijn;
  o) verbetering van de tewerkstelling;
  p) verbetering van arbeidskwaliteit en -veiligheid;
  q) verbetering op het vlak van voedselveiligheid en sanitaire risico’s;
2° de contextscore geeft weer in welke mate een groepering van investeringen in een bepaald domein bijdraagt tot een hogere graad van verduurzaming dan de afzonderlijke investeringen;
3° een score die weergeeft of de investering uitgevoerd wordt door een samenwerkingsverband van landbouwers;
4° een score die weergeeft of de aanvrager een actieve landbouwer is waarvan minstens één bedrijfsleider een jonge landbouwer is;
5° een doelmatigheidsscore, die bestaat uit de optelsom van de scores, vermeld in punt 1° tot en met 4°.

Per blokperiode worden alle investeringen waarvoor steun aangevraagd is, gerangschikt van hoog naar laag, volgens de behaalde doelmatigheidsscore, vermeld in het eerste lid, 5°. Als investeringen dezelfde doelmatigheidsscore hebben gekregen, worden ze gerangschikt volgens de leeftijd van de jongste bedrijfsleider, van jong naar oud. Als ook na het voormelde criterium investeringen op gelijke hoogte in de rangschikking staan, worden ze gerangschikt volgens de hoogte van de potentiële steun, van hoog naar laag.

De scores en de rangschikking worden vastgesteld door de bevoegde entiteit.

Artikel 14. (01/01/2023- ...)

Binnen de grenzen van de begrotingskredieten die daarvoor bestemd zijn, selecteert de bevoegde entiteit welke investeringen in aanmerking komen voor de steun, vermeld in artikel 3. Per blokperiode komen bij voorrang de investeringen die conform artikel 13 het hoogst zijn gerangschikt, in aanmerking voor de steun, vermeld in artikel 3.

Afdeling 5. Bewijs van uitvoering (... - ...)

Artikel 15. (01/01/2023- ...)

Uiterlijk op de vijftiende dag van de derde maand na de blokperiode waarin de steunaanvraag, vermeld in artikel 10, is ingediend, dient de begunstigde, via het e-loket, voor elke geselecteerde investering een bewijs van uitvoering in. Alleen een steunaanvraag met bewijs van uitvoering kan aanleiding geven tot een betalingsaanvraag als vermeld in artikel 16.

Als het bewijs van uitvoering, vermeld in het eerste lid, niet of laattijdig ingediend wordt, vervalt de ingediende steunaanvraag, vermeld in artikel 10, van rechtswege.

Nadat de begunstigde het bewijs van uitvoering conform het eerste lid heeft ingediend, wordt de volledige potentiële steun die voortvloeit uit de selectie, in mindering gebracht van het maximum van 300.000 euro potentiële steun als vermeld in artikel 20.

Afdeling 6. De betalingsaanvraag (... - ...)

Artikel 16. (01/01/2023- ...)

Uiterlijk op de laatste dag van de dertigste maand na de blokperiode waarin de steunaanvraag, vermeld in artikel 10, is ingediend, dient de begunstigde via het e-loket een betalingsaanvraag in.

De betalingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° welke en hoeveel investeringen zijn uitgevoerd; 
2° minstens drie offertes, als de bevoegde entiteit voor de voorgenomen investering geen eenheidskosten bepaald heeft. Als minder dan drie offertes beschikbaar zijn of als er niet gekozen wordt voor de goedkoopste offerte, wordt dat verantwoord;
3° facturen;
4° het attest, vermeld in artikel 8, voor investeringen in AEA-systemen;
5° stukken waaruit blijkt dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, is voldaan.

Artikel 17. (01/01/2024- ...)

Een begunstigde komt in aanmerking voor de steun, vermeld in artikel 3, als al de volgende voorwaarden zijn vervuld op het moment dat de betalingsaanvraag, vermeld in artikel 16, wordt ingediend:
1° de investering is gerealiseerd conform de voorwaarden van de omgevingsvergunning als de investering dat vereist;
2° onroerende investeringen zijn gerealiseerd op een landbouwexploitatie in het Vlaamse Gewest, in geval van een samenwerkingsverband als vermeld in artikel 4, eerste lid, 2°, zijn de onroerende investeringen gerealiseerd in het Vlaamse Gewest;
3° de realisatie van roerende investeringen komt ten goede aan een landbouwexploitatie in het Vlaamse Gewest, in geval van een samenwerkingsverband als vermeld in artikel 4, eerste lid, 2°, komt de realisatie van roerende investeringen ten goede aan het samenwerkingsverband;
4° de uitvoering van de investering is op zijn vroegst van start gegaan op de dag na de laatste dag van de blokperiode waarin de steunaanvraag, vermeld in artikel 10, is ingediend;
5° de investering is gerealiseerd conform de technische en bijkomende voorwaarden die zijn bepaald in de beschrijving in het e-loket op het moment van de steunaanvraag, vermeld in artikel 10;
6° de investering is operationeel en wordt gebruikt;
7° de begunstigde die de betalingsaanvraag, vermeld in artikel 16, indient, is een actieve landbouwer of een samenwerkingsverband van actieve landbouwers als vermeld in artikel 4; 
8° als de aanvrager actieve landbouwer op het moment van de steunaanvraag, vermeld in artikel 10, geen standaardverdiencapaciteit heeft die overeenkomt met een minimaal factorinkomen van 20.000 euro, omwille van artikel 4, tweede lid, komt de standaardverdiencapaciteit van de aanvrager overeen met een factorinkomen van minstens 20.000 euro;
9° de jonge landbouwer, vermeld in artikel 13, eerste lid, 4°, en artikel 18, tweede lid, 1°, en vierde lid, is vakbekwaam.

Afdeling 7. Het steunbedrag (... - ...)

Artikel 18. (01/01/2024- ...)

De steun, vermeld in artikel 3, wordt berekend als een percentage van de totale geselecteerde subsidiabele kosten van de investering. De minimale en maximale basissteunpercentages voor de verschillende categorieën van investeringen zijn opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.

Voor de volgende investeringen worden de steunpercentages van 30% en meer, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, verhoogd met de volgende percentages:
1° met 10% voor investeringen die aangevraagd worden door een actieve landbouwer waarvan minstens één bedrijfsleider een jonge landbouwer is;
2° met 10% voor investeringen die aangevraagd worden door een samenwerkingsverband als vermeld in artikel 4, eerste lid, 2°;
3° met 5% voor investeringen met een contextscore als vermeld in artikel 13, eerste lid, 2°, van meer dan 0.

De verhogingen, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, kunnen niet gecumuleerd worden.

Voor nieuwe rundvee, pluimvee en varkensstallen, waar ammoniak-reducerende technieken toegepast worden, die gebouwd worden met een passende omgevingsvergunning die dateert van na de inwerkingtreding van dit besluit, geldt een steunpercentage voor de hele stal van 40%. In geval van een actieve landbouwer waarbij tenminste één bedrijfsleider een jonge landbouwer is wordt het voormelde steunpercentage 65%. Voor ammoniakemissie reducerende investeringen in de veehouderij in bestaande stallen geldt een maximaal steunpercentage van 80%.

De steun per geselecteerde investering is het minimum van de potentiële steun na selectie en de aanvaarde steun bij de betalingsaanvraag, vermeld in artikel 16.

De steun wordt uitbetaald in één schijf na de indiening van de betalingsaanvraag, vermeld in artikel 16.

Artikel 19. (01/01/2023- ...)

De eenheidskosten worden in aanmerking genomen als de subsidiabele kosten van een investering als vermeld in artikel 18.

Voor investeringen waarvoor geen eenheidskosten beschikbaar zijn, worden de werkelijk gemaakte kosten in aanmerking genomen als subsidiabele kosten van een investering als vermeld in artikel 18. Er kunnen enkel facturen in rekening gebracht worden van minimaal 100 euro.

De bevoegde entiteit bepaalt de eenheidskosten voor alle investeringen waarvoor voldoende gegevens beschikbaar zijn.

Artikel 20. (01/01/2023- ...)

Een begunstigde kan in de periode vanaf 2023 niet meer dan 300.000 euro potentiële steun verkrijgen. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de verhoging van het steunpercentage zoals bepaald in artikel 18, tweede lid, 1°, 2° en 3°. Wanneer een bedrijf wordt overgenomen van een landbouwer die reeds 300.000 euro steun of een deel er van heeft toegekend gekregen, kan de nieuwe actieve landbouwer enkel het resterende deel van de steun verkrijgen.

De investeringen, vermeld in artikel 18, vierde lid, komen niet in aanmerking voor de maximale potentiële steun, vermeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 3. Opstart en overname door jonge landbouwers (... - ...)

Afdeling 1. Algemene bepalingen (... - ...)

Artikel 21. (01/01/2023- ...)

Binnen de grenzen van de begrotingskredieten die daarvoor bestemd zijn, kan de bevoegde entiteit conform dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan steun verlenen voor vestigingen in de landbouw.

De steun, vermeld in het eerste lid, wordt verleend in de vorm van een forfaitaire vestigingspremie.

Afdeling 2. De begunstigden (... - ...)

Artikel 22. (01/01/2024- ...)

Voor de steun, vermeld in artikel 21, komen alleen jonge landbouwers in aanmerking die zich voor het eerst als jonge landbouwer vestigen in de periode die start 24 maanden voor de laatste dag van de blokperiode waarin ze de steunaanvraag, vermeld in artikel 23, ingediend hebben en eindigt als ze de eerste betalingsaanvraag, vermeld in artikel 25, indienen.

In het eerste lid wordt verstaan onder vestiging als landbouwer: de oprichting van een landbouwbedrijf of de overname van ten minste 20% van de aandelen of van de bedrijfsbekleding van een landbouwbedrijf. De bedrijfszetel en minstens één landbouwexploitatie moeten gelegen zijn in het Vlaams Gewest. De vestiging blijkt uit de registratie door de bevoegde entiteit van de begunstigde als lid, zaakvoerder, vennoot of bestuurder van een landbouwer.

Afdeling 3. Aanvraag en selectie (... - ...)

Artikel 23. (01/01/2023- ...)

De kandidaat-begunstigde die de steun, vermeld in artikel 21, wil verkrijgen, dient daarvoor via het e-loket een steunaanvraag in bij de bevoegde entiteit. 

De steunaanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° een bedrijfsplan dat de volgende elementen bevat:
  a) in geval van een overname, een beschrijving van de juridische structuur van het over te nemen bedrijf met het percentage overgenomen aandelen of bedrijfsbekleding op het moment van de tweede betalingsaanvraag, vermeld in artikel 26;
  b) in geval van een oprichting, een beschrijving van de juridische structuur van het bedrijf na de oprichting;
  c) een beschrijving van de doelstellingen en de ontwikkeling van het bedrijf;
2° een omgevingsvergunning op naam van de onderneming waar de begunstigde zich gevestigd heeft, als op dezelfde exploitatie geen landbouwactiviteiten plaatsvonden minder dan 24 maanden voor de laatste dag van de blokperiode waarin de steunaanvraag, vermeld in het eerste lid, is ingediend;
3° al de volgende gegevens: 
  a) de inschatting van de standaardverdiencapaciteit na de uitvoering van het bedrijfsplan op het moment van de tweede betalingsaanvraag, vermeld in artikel 26;
  b) het aantal bedrijfsleiders op het moment van de voormelde tweede betalingsaanvraag;
  c) een verklaring dat het bedrijf op het moment van de voormelde tweede betalingsaanvraag al dan niet minstens 50% van de omzet zal genereren via de korte keten of de biologische landbouwproductie.

De bevoegde entiteit bepaalt de eerste en laatste dag van elke blokperiode.

Om een steunaanvraag te kunnen indienen, moeten kandidaat-begunstigden die nog niet geïdentificeerd zijn bij de bevoegde entiteit zich op het e-loket van de bevoegde entiteit registreren.

Artikel 24. (01/01/2023- ...)

De steunaanvragen worden beoordeeld op de verwachte toestand na de voltooiing van het bedrijfsplan, vermeld in artikel 23, tweede lid, 1°. Ze worden beoordeeld op basis van de volgende selectiecriteria:
1° het percentage van de aandelen of bedrijfsuitrusting dat in het bezit is van de jonge landbouwer;
2° het verwachte aantal bedrijfsleiders na de uitvoering van het voormelde bedrijfsplan op het moment van de tweede betalingsaanvraag, vermeld in artikel 26;
3° de verwachte verdiencapaciteit per bedrijfsleider na de uitvoering van het voormelde bedrijfsplan op het moment van de voormelde tweede betalingsaanvraag;
4° een verwezenlijking van meer dan 50% van de omzet via biologische landbouw of korteketenverkoop na de uitvoering van het voormelde bedrijfsplan op het moment van de voormelde tweede betalingsaanvraag.

Aan elke steunaanvraag, vermeld in artikel 23, wordt een doelmatigheidsscore toegekend. Die bestaat uit de optelsom van de scores voor de selectiecriteria, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 4°.

Per blokperiode worden alle steunaanvragen, vermeld in artikel 23, gerangschikt van hoog naar laag, volgens de behaalde doelmatigheidsscore. De doelmatigheidsscore van de laagste geselecteerde steunaanvraag is de selectiedrempel.

De scores, de rangschikking en de minimumscore en de selectiedrempel worden vastgesteld door de bevoegde entiteit.

Binnen de grenzen van de begrotingskredieten die daarvoor bestemd zijn, selecteert de bevoegde entiteit welke steunaanvragen in aanmerking komen voor de steun, vermeld in artikel 21. Per blokperiode komen bij voorrang de hoogst gerangschikte steunaanvragen in aanmerking voor de steun. Alleen aanvragen die de minimumscore behalen, komen in aanmerking voor de steun, vermeld in artikel 21.

Afdeling 4. De betalingsaanvragen (... - ...)

Artikel 25. (01/01/2024- ...)

De begunstigde dient via het e-loket een eerste betalingsaanvraag in binnen één jaar na de laatste dag van de blokperiode waarin de steunaanvraag, vermeld in artikel 23, is ingediend.

De eerste betalingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° in geval van een overname, een geregistreerd overnamecontract;
2° in geval van oprichting, afdoende bewijs van uitvoering van de activiteiten die zijn beschreven in het bedrijfsplan, vermeld in artikel 23, tweede lid, 1°.

Artikel 26. (01/01/2023- ...)

Op zijn vroegst twee jaar en uiterlijk drie jaar na de indiening van de eerste betalingsaanvraag, vermeld in artikel 25, dient de begunstigde via het e-loket een tweede betalingsaanvraag in.

De tweede betalingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat de volgende elementen als die niet opgehaald kunnen worden uit een authentieke databron als vermeld in artikel III.66 van het bestuursdecreet van 7 december 2018:
1° een getuigschrift, een diploma of een installatieattest van de begunstigde;
2° de omgevingsvergunning van het bedrijf;
3° in voorkomend geval bewijsmateriaal van de arbeidstijd, namelijk de breuk van tewerkstelling in de twaalf maanden vóór de tweede betalingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, op basis van gegevens op mycareer.be of andere gegevensbron bij tewerkstelling in buitenland;
4° in voorkomend geval bewijs van opgenomen studiepunten in de twaalf maanden vóór de tweede betalingsaanvraag, vermeld in het eerste lid;
5° in voorkomend geval een bewijs van het belastbaar inkomen uit zelfstandige activiteiten buiten het landbouwbedrijf.

Artikel 27. (01/01/2024- ...)

Een begunstigde komt in aanmerking voor de steun, vermeld in artikel 21, als al de volgende voorwaarden zijn vervuld op het moment dat de tweede betalingsaanvraag, vermeld in artikel 26, wordt ingediend:
1° de begunstigde is vakbekwaam;
2° de begunstigde heeft zeggenschap over het bedrijf;
3° het toepassen van de selectiecriteria, vermeld in artikel 24, eerste lid, op de werkelijke toestand van het bedrijf levert een doelmatigheidsscore als vermeld in artikel 24, tweede lid, op die ten minste even hoog is als de selectiedrempel, vermeld in artikel 24, derde lid, van de blokperiode waarin de steunaanvraag, vermeld in artikel 23, is ingediend;
4° de omgevingsvergunning van het bedrijf staat op naam van de onderneming waar de begunstigde zich gevestigd heeft;
5° het bedrijf is een actieve landbouwer;
6° het bedrijf heeft, per bedrijfsleider, een standaardverdiencapaciteit die overeenkomt met een minimaal factorinkomen van 20.000 euro;
7° het bedrijf wordt uitgebaat conform de omgevingsvergunning;
8° de begunstigde voldoet tijdens twaalf maanden voor de indiening van de betalingsaanvraag aan een van de volgende reeksen van voorwaarden:
  a) de begunstigde heeft maximaal een halftijdse job uitgeoefend als werknemer, heeft geen enkele opleiding met studiepunten gevolgd en heeft geen enkel beroepsinkomen verworven uit zelfstandige activiteiten buiten het landbouwbedrijf;
  b) de begunstigde heeft een opleiding gevolgd van maximaal dertig studiepunten, heeft geen job uitgeoefend als werknemer en heeft geen enkel beroepsinkomen verworven uit zelfstandige activiteiten buiten het landbouwbedrijf;
  c) de begunstigde heeft een zelfstandige activiteit buiten het landbouwbedrijf uitgeoefend met maximaal een netto belastbaar beroepsinkomen van 15.000 euro uit die activiteit;
  d) een combinatie van a), b) en c) waarbij de som van het percentage tewerkstelling als werknemer/50, het aantal opgenomen studiepunten/30 en het netto belastbaar inkomen uit een zelfstandige activiteit buiten het landbouwbedrijf/15.000 kleiner of gelijk moet zijn aan 1.

In het eerste lid wordt verstaan onder: 
1° vakbekwaamheid: de vakbekwaamheid, vermeld in artikel 37 van het besluit van 21 april 2023, in afwijking van artikel 15, 1°, b), van het ministerieel besluit van 23 juni 2023 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, voor wat de rechtstreekse betalingen betreft, is voor de toepassing van dit besluit het installatieattest uiterlijk behaald op het moment dat de tweede betalingsaanvraag, vermeld in artikel 26, wordt ingediend;
2° zeggenschap: de zeggenschap, vermeld in artikel 37 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023.

Afdeling 5. Steunbedrag (... - ...)

Artikel 28. (01/01/2023- ...)

De steun, vermeld in artikel 21, bedraagt na de uitvoering van het bedrijfsplan:
1° als de begunstigde de enige bedrijfsleider is:
  a) 100.000 euro als de verdiencapaciteit van het bedrijf overeenkomt met een factorinkomen van minstens 70.000 euro;
  b) 70.000 euro als de verdiencapaciteit van het bedrijf overeenkomt met een factorinkomen van minstens 40.000 euro en minder dan 70.000 euro;
  c) 40.000 euro als de verdiencapaciteit van het bedrijf overeenkomt met een factorinkomen van minstens 20.000 euro en minder dan 40.000 euro;
2° als de begunstigde niet de enige bedrijfsleider is:
  a) 100.000 euro als de verdiencapaciteit van het bedrijf overeenkomt met een factorinkomen van minstens 85.000 euro per bedrijfsleider;
  b) 70.000 euro als de verdiencapaciteit van het bedrijf overeenkomt met een factorinkomen van minstens 55.000 euro en minder dan 85.000 per bedrijfsleider;
  c) 40.000 euro als de verdiencapaciteit van het bedrijf overeenkomt met een factorinkomen van minstens 20.000 euro en minder dan 55.000 euro per bedrijfsleider.
 

Artikel 29. (01/01/2024- ...)

De steun, vermeld in artikel 21, wordt op de volgende wijze uitbetaald:
1° een eerste schijf van 50% van het totale steunbedrag“, met een maximum van 40.000 euro, nadat de begunstigde de eerste betalingsaanvraag, vermeld in artikel 25, heeft ingediend;
2° een tweede schijf van het resterende saldo nadat de begunstigde de tweede betalingsaanvraag, vermeld in artikel 26, heeft ingediend.

Hoofdstuk 4. Communicatieverplichtingen (... - ...)

Artikel 30. (01/01/2023- ...)

In geval van financiering uit de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap vermelden de begunstigden het logo van de Vlaamse overheid in alle communicatievormen over de gesubsidieerde activiteiten.

In geval van financiering uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling geven de begunstigden blijk van de ontvangen financiële steun door de verplichtingen na te leven, vermeld in artikel 123, lid 2, j), van verordening (EU) 2021/2115 en de uitvoeringsbepalingen ervan.

De bevoegde entiteit kan materiaal ter beschikking stellen en instructies geven over de verplichtingen, vermeld in het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 5. Bijkomende voorwaarden (... - ...)

Artikel 31. (01/01/2024- ...)

Tot vijf jaar nadat de steun, vermeld in artikel 3, is uitbetaald blijft het goed verbonden aan het bedrijf dat de voormelde steun heeft verkregen of de overnemer van dat bedrijf. Het goed wordt niet doorverkocht en blijft in gebruik. 

Als stallen gesubsidieerd worden op voorwaarde dat dieren gehuisvest zijn volgens het dierenwelzijnslastenboek moet tot vijf jaar na uitbetaling van de steun, vermeld in artikel 3, voldaan blijven aan dit lastenboek.

In de periode die loopt vanaf het indienen van de tweede betalingsaanvraag, vermeld in artikel 26, en eindigt drie jaar na indiening van de tweede betalingsaanvraag, vermeld in artikel 26, voldoet de jonge landbouwer bedrijfsleider aan al de volgende voorwaarden:
1° de selectiedrempel, vermeld in artikel 24, behalen;
2° de minimumscore die hoort bij het selectieproces van de steunaanvraag, vermeld in artikel 24, behalen;
3° minstens 20% van de aandelen of bedrijfsbekleding behouden in geval van overname.
4° De combinatie van factorinkomen en aantal bedrijfsleiders moet de steun, vermeld in artikel 28, blijven verantwoorden

In de periode die loopt vanaf het indienen van de tweede betalingsaanvraag, vermeld in artikel 26, en eindigt drie jaar na indiening van de tweede betalingsaanvraag, vermeld in artikel 26, mag de jonge landbouwer zich in een van de volgende situaties bevinden:
1° maximaal een halftijdse job uitoefenen als werknemer, geen enkel uur opleiding met studiepunten volgen en geen enkel beroepsinkomen verwerven uit zelfstandige activiteiten buiten het landbouwbedrijf;
2° een opleiding volgen die overeenkomt met maximaal dertig studiepunten per jaar, geen job uitoefenen als werknemer en geen enkel beroepsinkomen verwerven uit zelfstandige activiteiten buiten het landbouwbedrijf;
3° een zelfstandige activiteit buiten het landbouwbedrijf uitoefenen met per jaar maximaal een netto belastbaar beroepsinkomen van 15.000 euro uit deze activiteit;
4° een combinatie van punt 1°, 2° en 3°, waarbij per jaar de som van het percentage tewerkstelling als werknemer/50, het aantal opgenomen studiepunten/30 en het  netto belastbaar inkomen uit een zelfstandige activiteit buiten het landbouwbedrijf/15.000 kleiner of gelijk moet zijn aan 1.

De steun, vermeld in artikel 3, wordt herrekend en in verhouding teruggevorderd voor de periode waarin de voorwaarden, vermeld in het eerste en tweede lid, niet meer vervuld zijn, vanaf de eerste dag die volgt op de uitbetaling van de voormelde steun. De voormelde voorwaarden zijn minstens één jaar vervuld nadat de voormelde steun is uitbetaald.

De steun, vermeld in artikel 21, wordt herrekend en in verhouding teruggevorderd voor de periode waarin de voorwaarden, vermeld in het derde en vierde lid, niet meer vervuld zijn, vanaf de eerste dag die volgt op het indienen van de tweede betalingsaanvraag, vermeld in artikel 26. De voormelde voorwaarden zijn minstens één jaar vervuld na de tweede betalingsaanvraag, vermeld in artikel 26.

Hoofdstuk 6. Controle en sancties (... - ...)

Artikel 32. (01/01/2023- ...)

De bevoegde entiteit is verantwoordelijk voor de coördinatie en voor de uitvoering van de controles, vermeld in verordening (EU) 2021/2115, verordening (EU) 2021/2116 en de gedelegeerde en uitvoeringsverordeningen ervan. De minister kan bijkomende regels bepalen.

De controles, vermeld in het eerste lid, bestaan uit:
1° de administratieve controles, met inbegrip van controles op het terrein in het kader van die administratieve controles die voor elk dossier kunnen plaatsvinden;
2° de controles ter plaatse die plaatsvinden op basis van een steekproef;
3° de controles achteraf op de naleving van de voorwaarden, vermeld in artikel 31, die plaatsvinden op basis van een steekproef.

De bevoegde entiteit kan het voorwerp van de steun- en betaalaanvraag controleren en kan de nodige vaststellingen doen over de nakoming van de voorwaarden waaronder de steun werd verleend.

De bevoegde entiteit kan rekening houden met de vaststellingen van andere bevoegde autoriteiten bij de uitoefening van de opdrachten die hun wettelijk toegewezen zijn.

De bevoegde entiteit kan de controles overdragen aan derden.

Artikel 33. (01/01/2023- ...)

Controles ter plaatse mogen worden aangekondigd op voorwaarde dat het doel of de doeltreffendheid ervan daardoor niet in het gedrang komt. De periode tussen de aankondiging en de controle wordt beperkt tot het noodzakelijke minimum en bedraagt niet meer dan veertien dagen.

Artikel 34. (01/01/2023- ...)

De begunstigde houdt alle bewijsstukken, die in dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan worden opgelegd, ter beschikking voor controle tot minimaal tien jaar na de laatste betaling of na het aflopen van de verbintenis, als de laatste betaling eerder heeft plaatsgevonden.

Artikel 35. (01/01/2023- ...)

De bevoegde entiteit kan op elk ogenblik bijkomende stukken of informatie opvragen in het kader van beleidsevaluaties en om de controles, vermeld in artikel 32, uit te voeren. In dat geval bezorgt de begunstigde de gevraagde stukken of informatie onmiddellijk aan de bevoegde entiteit.

Artikel 36. (01/01/2023- ...)

§1. De bevoegde entiteit staat in voor het bepalen en opleggen van de administratieve sancties, vermeld in de verordening (EU) 2021/2115, verordening (EU) 2021/2116 en de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ervan.

§2. In de volgende gevallen kan de bevoegde entiteit één of meer administratieve sancties als vermeld in paragraaf 1, opleggen:
1° de voorwaarden, waaronder de steun werd verleend, worden niet nageleefd;
2° de steun, vermeld in artikel 3 en 21, wordt niet aangewend voor de doeleinden, waarvoor zij werd verleend;
3° de controle, vermeld in artikel 32, wordt verhinderd;
4° de begunstigde beschikt niet over de vereiste bewijsstukken, die correct en volledig zijn;
5° de begunstigde bezorgt de bevoegde entiteit de vereiste bewijsstukken of de informatie, niet of niet binnen de bepaalde termijn;
6° de begunstigde heeft valse informatie verstrekt om de steun, vermeld in artikel 3 en 21, te ontvangen;
7° het bedrag in de betalingsaanvraag, vermeld in artikel 16, is minstens 10% hoger dan het bedrag dat na een onderzoek naar de subsidiabiliteit van de uitgaven in de voormelde betalingsaanvraag subsidiabel bevonden is. 

§3. De administratieve sancties, vermeld in paragraaf 1, kunnen een van de volgende vormen aannemen:
1° een vermindering van het steunbedrag van de steun- of betalingsaanvraag waarop de niet-naleving van toepassing is, dan wel op volgende aanvragen;
2° de uitsluiting van het recht om aan de steunmaatregel, vermeld in dit besluit, of aan andere steunmaatregelen deel te nemen of om ze te verkrijgen.

§4. Als de begunstigde geen recht heeft op de steun, vermeld in artikel 3 en 21, en de voormelde steun al is uitbetaald, vordert de bevoegde entiteit de steun die al is uitbetaald, volledig of gedeeltelijk terug.

De ingevorderde bedragen worden binnen maximaal zestig dagen betaald. De betalingstermijn wordt opgenomen in de invorderingsbrief. 

De rente over de ingevorderde bedragen, vermeld in het tweede lid, wordt berekend voor de periode tussen de datum waarop de betalingstermijn in de invorderingsbrief, vermeld in het tweede lid, verstrijkt, en de datum van de terugbetaling.

Om de rente, vermeld in het derde lid, te berekenen, wordt de wettelijke rentevoet, vermeld in artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen interest, toegepast

§5. De administratieve sancties, vermeld in paragraaf 1, zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend en staan in verhouding tot de ernst, de omvang, het permanente karakter en de herhaling van de geconstateerde niet-naleving, overeenkomstig artikel 59 van verordening (EU) 2021/2116, binnen de volgende grenzen: 
1° de sanctie, vermeld in de paragraaf 3, 1°, is niet hoger dan 100% van het bedrag in de betalingsaanvraag, vermeld in artikel 16, of 100% van de som van de bedragen in de betalingsaanvragen, vermeld in artikel 25 en 26;
2° de uitsluiting, vermeld in de paragraaf 3, 2°, geldt ten hoogste voor een periode van twee opeenvolgende jaren, namelijk het jaar van de vaststelling en het jaar erna;
3° in het geval, vermeld in paragraaf 2, 7°, is het bedrag van de sanctie gelijk aan het verschil tussen het bedrag in de betalingsaanvraag, vermeld in artikel 16, en het bedrag dat na een onderzoek naar de subsidiabiliteit van de uitgaven in de voormelde betalingsaanvraag subsidiabel bevonden is, maar gaat de administratieve sanctie niet verder dan de volledige intrekking van de subsidie.

Artikel 37. (01/01/2023- ...)

De bevoegde entiteit onderzoekt de betalingsaanvraag, vermeld in artikel 16, 25 en 26, die ze van de begunstigde heeft ontvangen en ze bepaalt de subsidiabele bedragen.

Artikel 38. (01/01/2023- ...)

De bevoegde entiteit kan, boven op de administratieve sancties, vermeld in artikel 36 van dit besluit, administratieve sancties opleggen conform artikel 56 van het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid.

Hoofdstuk 7. Bezwaarprocedure (... - ...)

Artikel 39. (01/01/2023- ...)

§1. De bevoegde entiteit behandelt bezwaren tegen beslissingen die rechtsgevolgen tot stand brengen ter uitvoering van dit besluit, de uitvoeringsbesluiten ervan, verordening (EU) 2021/2115 en verordening (EU) 2021/2116 en de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ervan.

§2. Het bezwaar, vermeld in paragraaf 1, wordt binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing ingediend bij de bevoegde entiteit met een bezwaarschrift. De bevoegde entiteit beslist over het bezwaar. Het bezwaarschrift voldoet aan al de volgende ontvankelijkheidsvoorwaarden:
1° het wordt op schriftelijke wijze ingediend;
2° het vermeldt de naam en de woonplaats van de indiener van het bezwaar. Als woonplaatskeuze wordt gedaan bij een raadsman, wordt dat in het bezwaarschrift aangegeven;
3° het is ondertekend door de indiener van het bezwaar of zijn raadsman. Een schriftelijke machtiging wordt bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
4° het vermeldt het voorwerp van het bezwaar, met een omschrijving van de ingeroepen argumenten.

§3. Als het bezwaar, vermeld in paragraaf 1, niet voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 2, wordt het bezwaar onontvankelijk verklaard.

§4. De bezwaarindiener of zijn vertegenwoordiger wordt binnen honderdtwintig dagen op de hoogte gebracht van de beslissing van de bevoegde entiteit over het bezwaar. De voormelde termijn wordt gerekend vanaf de dag na de dag waarop de termijn voor de indiening van het bezwaar verstreken is. Tegen de voormelde beslissing staat geen nieuwe bezwaarmogelijkheid open.

De termijn, vermeld in het eerste lid, kan één keer verlengd worden met een nieuwe termijn van honderdtwintig dagen die begint op de dag nadat de eerste termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken. De bevoegde entiteit brengt de bezwaarindiener of zijn vertegenwoordiger op de hoogte van de voormelde verlenging voor de eerste termijn van honderdtwintig dagen is verstreken, en vermeldt de reden of de redenen van de verlenging.

Als de bevoegde entiteit bij de bezwaarindiener of via derden informatie of bewijzen opvraagt, wordt de termijn van honderdtwintig dagen, vermeld in het eerste lid, geschorst tot op de datum dat de informatie of het bewijs ontvangen is. De bevoegde entiteit meldt de schorsing, die het gevolg is van het inwinnen van informatie of het opvragen van bewijzen bij derden, aan de bezwaarindiener of zijn vertegenwoordiger en vermeldt de reden van de schorsing. Om het bezwaar te behandelen, kan rekening gehouden worden met informatie die van derden verkregen is.

Hoofdstuk 8. Gegevensverwerking (... - ...)

Artikel 40. (01/01/2023- ...)

De bevoegde entiteit is verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).

De persoonsgegevens van de volgende categorieën betrokkenen kunnen worden verwerkt:
1° de begunstigden;
2° de personen die de begunstigden kunnen vertegenwoordigen in het e-loket van de bevoegde entiteit.

Voor de uitvoering van dit besluit kunnen de volgende categorieën van persoonsgegevens verwerkt worden:
1° de identificatiegegevens;
2° de financiële gegevens;
3° de persoonlijke kenmerken;
4° de gegevens over het beroep en de betrekking;
5° de gegevens over de opleiding en de vorming.

De verwerking van de gegevens, vermeld in het derde lid, is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang als vermeld in artikel 6, lid 1, e), van de voormelde verordening.

Het doel voor de gegevensverwerking is het verlenen van subsidies en alle activiteiten die daarmee verband houden.

Hoofdstuk 9. Dubbele subsidiëring en cumul (... - ...)

Artikel 41. (01/01/2023- ...)

Kosten waarvoor met toepassing van andere regelingen van de Vlaamse overheid of andere overheden subsidies worden ontvangen, komen niet in aanmerking voor de toekenning van de steun, vermeld in artikel 3 en 21, als dat ertoe leidt dat die kosten dubbel worden gesubsidieerd.

Bijkomende subsidiëring door de Vlaamse overheid of andere overheden voor de realisatie van de activiteiten, vermeld in artikel 3, is uitgesloten.

Hoofdstuk 10. Europese regelgeving (... - ...)

Artikel 42. (01/01/2023- ...)

De steun, vermeld in artikel 3 van dit besluit, wordt verleend onder de voorwaarden die gelden voor de steun voor investeringen, vermeld in artikel 73 en 74 van verordening (EU) 2021/2115.

De steun, vermeld in artikel 21 van dit besluit, wordt verleend onder de voorwaarden die gelden voor de steun voor de vestiging van jonge landbouwers, vermeld in artikel 75 van verordening (EU) 2021/2115.

Hoofdstuk 11. Uitwisseling van berichten (... - ...)

Artikel 43. (01/01/2023- ...)

De uitwisseling van berichten ter uitvoering van dit besluit gebeurt op elektronische wijze. Tenzij in dit besluit of de uitvoeringsbesluiten ervan al een bepaalde elektronisch procedure bepaald is, kiest de bevoegde entiteit de te volgen elektronische procedure en maakt die bekend. De bevoegde entiteit kan daarbij beperkingen en technische eisen opleggen.

Artikel II.23 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 is van toepassing voor het tijdstip van verzending en ontvangst van berichten die op elektronische wijze worden uitgewisseld.

Als voor bepaalde berichten bepaald is dat ze voor een bepaalde datum meegedeeld of ingediend moeten worden bij de bevoegde entiteit, zijn de berichten die elektronisch uitgewisseld worden, op die datum ontvangen door de bevoegde entiteit. Berichten die op papier uitgewisseld worden, worden op die datum verzonden aan de bevoegde entiteit. De datum van de poststempel geldt daarbij als tijdstip waarop een bericht verzonden is.

Voor elektronische verzendingen die uitgaan van de bevoegde entiteit, geldt de dag na de dag van de verzending als startpunt van de termijnen die worden opgelegd in het kader van procedures ter uitvoering van dit besluit. 

In afwijking van het eerste lid kunnen terugvorderingen ook op papier verstuurd worden door de bevoegde entiteit. In dat geval geldt de derde werkdag na de dag van de verzending als startpunt van de termijnen die worden opgelegd in het kader van de procedures ter uitvoering van dit besluit.

In afwijking van het eerste lid mogen de bezwaren, vermeld in artikel 39, ook op papier ingediend worden.

In het vijfde lid wordt verstaan onder werkdag: een dag die geen zaterdag, zondag of wettelijke of decretale feestdag is.

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen (... - ...)

Artikel 44. (01/01/2023- ...)

Het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 betreffende steun aan de investeringen en aan de overname in de landbouw, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, 14 september 2018, 19 juli 2019 en 22 januari 2021, wordt opgeheven.

Artikel 45. (01/01/2023- ...)

Het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 betreffende steun aan de investeringen en aan de overname in de landbouw, zoals van kracht op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, blijft van toepassing op aanvragen die ingediend zijn voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.

In afwijking van het eerste lid is artikel 17 van het voormelde besluit van 19 december 2014 niet meer van toepassing op aanvragen die zijn ingediend voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit en waarvoor de verbintenissen, vermeld in artikel 17 van het voormelde besluit van 19 december 2014, nog gelden. Op die aanvragen is artikel 31, eerste, vijfde en zesde lid, van dit besluit van toepassing.

Artikel 46. (01/01/2023- ...)

Begunstigden die een steunaanvraag ingediend hebben voor de maatregel ‘overnames in de landbouw’ op basis van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 2014 betreffende steun aan de investeringen en aan de overname in de landbouw, zoals van kracht op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, kunnen een nieuwe steunaanvraag als vermeld in artikel 23 van dit besluit, indienen als er nog geen overnameverrichtingen hebben plaatsgevonden vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit en als de begunstigde de geselecteerde aanvraag op basis van het voormelde besluit van 19 december 2014, zoals van kracht op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, heeft geannuleerd.

Artikel 47. (01/01/2023- ...)

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2023.
 

Artikel 48. (01/01/2023- ...)

De Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE (01/01/2023- ...)

Bijlage. Categorieën investeringen en steunpercentages als vermeld in artikel 6 en 18
 

categorie van investeringen steunpercentage
investeringen die gericht zijn op de verbetering van de biodiversiteit 40%-50%
investeringen die gericht zijn op de verbetering van de bodemkwaliteit 40% - 50%
investeringen die gericht zijn op de verbetering van de waterkwaliteit 30% - 40% - 50%
investeringen die gericht zijn op de verbetering van de waterkwantiteit 30% - 40%- 50%
investeringen die specifiek gericht zijn op de vermindering van de emissies van ammoniak, fijnstof, methaan, lachgas, fluorkoolwaterstoffen en stikstofoxiden 30% - 40%
investeringen die gericht zijn op de vermindering van de hoeveelheid afval en voedselverliezen en op de circulaire economie 30% - 40%
specifieke investeringen die gericht zijn op het uitoefenen van activiteiten voor de verwerking van voornamelijk bedrijfseigen landbouwproducten, korte keten van voornamelijk bedrijfseigen landbouwproducten, zorgboerderijen, recreatie, educatie en hoevetoerisme 40%
investeringen in hernieuwbare energie 40%
investeringen die specifiek gericht zijn op een primaire energiebesparing 30% - 40%
investeringen in onroerend goed om een structuurverbetering te realiseren in stallen met dieren die tot vijf jaar na eindbetaling biologisch gecertificeerd zijn en aanplant van biologisch gecertificeerd meerjarig plantgoed 30%
investeringen in het kader van precisielandbouw 30%
investeringen die gericht zijn op de verbetering van het dierenwelzijn en die verder gaan dan de wettelijke normen 30%
investeringen in automatisatie die gericht zijn op een verhoging van de arbeidsproductiviteit 30%
investeringen die gericht zijn op de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit 30%
investeringen die gericht zijn op de verbetering van de voedselveiligheid en de sanitaire veiligheid 30%
investeringen die gericht zijn op de verbetering van de arbeidskwaliteit en de arbeidsveiligheid 30%
aanplant van nieuwe beloftevolle fruitvariëteiten 30%
investeringen in onroerend goed om een structuurverbetering te realiseren 15%
investeringen in roerend goed met een minimale bijdrage aan de verduurzaming 15%
aankoop van meerjarig plantgoed 15%


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 23/05/2024