Wet [betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade]

Datum 08/04/1965

Inhoudstafel

  1. [VOORAFGAANDE TITEL BEGINSELEN VAN DE RECHTSBEDELING TEN AANZIEN VAN MINDERJARIGEN (ing. W. 13 juni 2006, art. 3, I: 16 oktober 2006)]
  2. EERSTE TITEL SOCIALE BESCHERMING
  3. TITEL II GERECHTELIJKE BESCHERMING
    1. EERSTE HOOFDSTUK JEUGDRECHTBANKEN EN JEUGDKAMERS VAN DE HOVEN VAN BEROEP
    2. HOOFDSTUK II BURGERRECHTELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE MINDERJARIGEN
    3. HOOFDSTUK III MAATREGELEN TER BESCHERMING VAN DE MINDERJARIGEN
      1. Eerste afdeling Maatregelen ten aanzien van de ouders
      2. Afdeling 2 Maatregelen ten aanzien van de minderjarigen
    4. HOOFDSTUK IV TERRITORIALE BEVOEGDHEID EN RECHTSPLEGING
  4. TITEL III ALGEMENE BEPALINGEN
  5. TITEL IV STRAFBEPALINGEN
  6. TITEL V OPHEFFINGS-, WIJZIGINGS- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Inhoud

[VOORAFGAANDE TITEL BEGINSELEN VAN DE RECHTSBEDELING TEN AANZIEN VAN MINDERJARIGEN (ing. W. 13 juni 2006, art. 3, I: 16 oktober 2006)]

(01/09/2019- ...)

[De volgende beginselen zijn erkend en van toepassing op de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen :
1° [... (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 45, I: 1 september 2019)]
2° elke rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen gebeurt, voor- zover zulks mogelijk is, door actoren, ambtenaren en magistraten met een specifieke en permanente opleiding inzake jeugdrecht;
3° [... (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 45, I: 1 september 2019)]
4° [... (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 45, I: 1 september 2019)]
5° de minderjarigen genieten in het kader van deze wet van persoonlijke rechten en vrijheden, waaronder die omschreven in de Grondwet en in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, inzonderheid het recht om te worden gehoord tijdens het proces dat leidt tot beslissingen die hen aangaan en het recht daaraan deel te nemen. Deze rechten en vrijheden moeten gepaard gaan met bijzondere waarborgen :
a) [... (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 45, I: 1 september 2019)]
b) de vader en moeder nemen het onderhoud en de opvoeding van en het toezicht op hun kinderen op zich. Bijgevolg kunnen de jongeren enkel volledig of gedeeltelijk aan het ouderlijk gezag worden onttrokken in de gevallen waarin maatregelen houdende handhaving van dit gezag als een contra-indicatie kunnen worden beschouwd;  (ing. W. 3 juni 2006, art. 3, I: 16 oktober 2006)]
c) - f) [... (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 45, I: 1 september 2019)].

EERSTE TITEL SOCIALE BESCHERMING

Artikel 1. (01/09/1966- ...)

[... (opgeh. Decr. 27 juni 1985, art. 32, I: 15 juli 1986)]

Artikel 2. (01/09/1966- ...)

[... (opgeh. Decr. 27 juni 1985, art. 32, I: 15 juli 1986)]

Artikel 3. (01/09/1966- ...)

[... (opgeh. Decr. 27 juni 1985, art. 32, I: 15 juli 1986)]

Artikel 4. (01/09/1966- ...)

[... (opgeh. Decr. 27 juni 1985, art. 32, I: 15 juli 1986)]

Artikel 5. (01/09/1966- ...)

[... (opgeh. Decr. 27 juni 1985, art. 32, I: 15 juli 1986)]

Artikel 6. (01/09/1966- ...)

[... (opgeh. Decr. 27 juni 1985, art. 32, I: 15 juli 1986)]

[... (opgeh. Decr. 7 maart 2008, art. 68, I: 2 maart 2009)]

TITEL II GERECHTELIJKE BESCHERMING

EERSTE HOOFDSTUK JEUGDRECHTBANKEN EN JEUGDKAMERS VAN DE HOVEN VAN BEROEP

Artikel 7. (01/09/2017- ...)

[De jeugdrechtbank kan uitspraak doen over alle maatregelen inzake het ouderlijk gezag bedoeld in boek I, titel IX van het Burgerlijk Wetboek, voor zover deze samenhangen met de bevolen jeugdbeschermingsmaatregelen (verv. W. 19 maart 2017, art. 20, I: 1 september 2017)].

Artikel 7/1. (01/09/2017- ...)

[De door de familierechtbank uitgesproken maatregelen inzake ouderlijk gezag worden geschorst voor zover deze onverenigbaar zijn met de bevolen jeugdbeschermingsmaatregelen, tot de beëindiging van de jeugdbeschermingsmaatregel of tot de jeugdrechtbank hier anders over beslist.

Na de beëindiging van de jeugdbeschermingsmaatregel blijven de overeenkomstig artikel 7 bevolen maatregelen van toepassing, of treden, in voorkomend geval, de geschorste maatregelen opnieuw in werking, tot op het ogenblik dat de partijen hieromtrent anders overeenkomen, of de familierechtbank hierover beslist (ing. W. 19 maart 2007, art. 21, I: 1 september 2017)].

Artikel 8. (01/01/2016- ...)

[Met betrekking tot zaken binnen het kader van deze wet doet de jeugdrechtbank, op straffe van nietigheid, eerst uitspraak na het advies of de vordering van het openbaar ministerie te hebben gehoord. (verv. W. 30 juli 2013, art. 240, I: 1 september 2014)]

[
Niettemin, als de zaak uitsluitend betrekking heeft op de omvang van de burgerlijke belangen, is het advies van het openbaar ministerie niet vereist (ing. W. 19 oktober 2015, art. 88, I: op zaken die aanhangig zijn gemaakt vanaf 1 januari 2016)].

Artikel 9. (01/09/1966- ...)

Een of meer door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg aangewezen onderzoeksrechters worden speciaal belast met de zaken die tot de bevoegdheid van de jeugdrechtbank behoren.

Artikel 10. (01/09/2019- ...)

[Elke beslissing, ongeacht of het gaat om een (ing. W. 3 juni 2006, art. 4, I: 16 oktober 2006)] [maatregel of om een sanctie (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 46, I: 1 september 2019)], [die door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank in eerste aanleg of in hoger beroep genomen is, wordt op de dag van de beslissing zelf, door toedoen van de griffier, bij gewone kopie overgezonden aan de advocaat van de minderjarige. (ing. W. 3 juni 2006, art. 4, I: 16 oktober 2006)]

Artikel 11. (01/09/2014- ...)

[... (opgeh. W. 30 juli 2013, art. 241, I: 1 september 2014)]

HOOFDSTUK II BURGERRECHTELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE MINDERJARIGEN

Artikel 12. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Wijzigt artikel 108 van het Burgerlijk Wetboek)

Artikel 13. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Wijzigt artikel 148 van hetzelfde Wetboek en voegt artikel 160 bis in, in hetzelfde Wetboek)

Artikel 14. (... - ...)

[... (opgeh. W. 10 oktober 1967, art. 1, §1, 119°, van art. 2 van de bijlage, I: 1 november 1970)]

Artikel 15. (... - ...)

[... (opgeh. W. 10 oktober 1967, art. 1, §1, 119°, van art. 2 van de bijlage, I: 1 november 1970)]

Artikel 16. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Wijzigt art. 302 van hetzelfde Wetboek)

Artikel 17. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Wijzigt art. 311bis van hetzelfde Wetboek)

Artikel 18. (... - ...)

[... (opgeh. W. 21 maart 1969, art. 5, I: 22 april 1969)]

Artikel 19. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Wijzigt de art. 373, 374, 384 en 386 van hetzelfde Wetboek)

Artikel 20. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Wijzigt de art. 389 en 407 van hetzelfde Wetboek)

Artikel 21. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Wijzigt de art. 477, 478, 479 en 485 van hetzelfde Wetboek)

Artikel 22. (... - ...)

[... (opgeh. W. 10 oktober 1967, art. 1, §1, 119°, van art. 2 van de bijlage, I: 1 november 1970)]

Artikel 23. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Wijzigt artikel 79 van de wet van 10 maart 1925 tot regeling van de openbare onderstand)

Artikel 24. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Wijzigt de art. 4 en 5 van het Wetboek van koophandel)

Artikel 25. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Wijzigt de art. 34, 35 en 36 van de wet van 10 maart 1900 op de arbeidsovereenkomst)

Artikel 26. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Wijzigt art. 102 van de wet van 5 juni 1928 houdende regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst)

Artikel 27. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Wijzigt art. 8 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, art. 5 in de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden en artikel 8 van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de zeelieden ter koopvaardij)

Artikel 28. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Wijzigt art. 5 en 18 van de op 14 december 1932 gecoördineerde wetten op de verwerving, het verlies en de herkrijging van de nationaliteit)

HOOFDSTUK III MAATREGELEN TER BESCHERMING VAN DE MINDERJARIGEN

Eerste afdeling Maatregelen ten aanzien van de ouders

Artikel 29. (01/09/1966- ...)

Wanneer kinderen die recht geven op gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en doorgaans niet voldoen aan de eisen inzake voeding, huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van de uitkeringen niet wordt aangewend in het belang van de kinderen, kan de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een persoon aanwijzen die ermede belast is het bedrag van die uitkeringen te innen en uitsluitend te gebruiken voor de behoeften van de kinderen en voor de gezinsuitgaven die hen betreffen.

[De Sociale Dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank (verv. Decr. 27 juni 1985, art. 33, I: 15 juli 1986)] kan daartoe worden aangewezen.

Wanneer de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, betekent de griffier van de jeugdrechtbank ze bij afschrift per ter post aangetekende brief aan de met de vereffening van de uitkeringen belaste instelling, die zich dan alleen geldig kan bevrijden door het verschuldigde bedrag te storten aan de persoon of aan [de Sociale Dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank (verv. Decr. 27 juni 1985, art. 33, I: 15 juli 1986)] daartoe aangewezen.

Artikel 29bis. (01/09/2019- ...)

[...  (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 47, I: 1 september 2019)]

Artikel 30. (01/09/1966- ...)

[… (opgeh. Decr. 28 maart 1990, art. 22, I: 27 september 1994)]

Artikel 31. (01/09/1966- ...)

[… (opgeh. Decr. 28 maart 1990, art. 22, I: 27 september 1994)]

Artikel 32. (01/09/1966- ...)

Van [het ouderlijk gezag (verv. W. 31 maart 1987, art. 105, I: 6 juni 1987)] ten aanzien van alle kinderen of van één of meer onder hen, kan geheel of ten delen worden ontzet:
1° de vader of de moeder die is veroordeeld tot een criminele of correctionele straf wegens enig feit gepleegd op de persoon of met behulp van een van de kinderen of afstammelingen;
2° de vader of de moeder die, door slechte behandeling, misbruik van gezag, kennelijk slecht gedrag of erge nalatigheid, de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar brengt.

Hetzelfde geldt voor de vader of de moeder die huwt met een persoon die van [het ouderlijk gezag (verv. W. 31 maart 1987, art. 105, I: 6 juni 1987)] is ontzet.

De ontzetting wordt uitgesproken door de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie.

Artikel 33. (01/09/1966- ...)

Volledige ontzetting slaat op alle rechten die uit [het ouderlijk gezag (verv. W. 31 maart 1987, art. 105, I: 6 juni 1987)] voortvloeien.

[Ze slaat evenwel enkel op het recht om toe te stemmen in de adoptie van het kind wanneer het vonnis dit uitdrukkelijk bepaalt. (ing. W.24 april 2003, art. 8, I: 1 september 2005)]

Voor degene die erdoor getroffen wordt, betekend ze ten aanzien van het betrokken kind en van diens afstammelingen:
1° uitsluiting van het recht van bewaring en opvoeding;
2° onbekwaamheid om ze te vertegenwoordigen, tot hun handelingen toestemming te verlenen en hun goederen te beheren;
3° uitsluiting van het recht van genot bedoeld in artikel 384 van het Burgerlijk Wetboek;
4° uitsluiting van het recht om levensonderhoud te vorderen;
5° uitsluiting van het recht om hun nalatenschap geheel of ten dele te verkrijgen overeenkomstig artikel 746 van het Burgerlijk Wetboek.

[Volledige ontzetting brengt bovendien algemene onbekwaamheid mede om voogd, pleegvoogd, toeziend voogd of curator te zijn. (verv. W.29 april 2001, art. 74, I: 1 augustus 2001)]

Gedeeltelijke ontzetting slaat op de rechten die de rechtbank bepaalt.

Artikel 34. (01/09/1966- ...)

Wanneer zij de volledige of gedeeltelijke ontzetting van [het ouderlijk gezag (verv. W. 31 maart 1987, art. 105, I: 6 juni 1987)] uitspreekt, wijst de jeugdrechtbank de persoon aan die, onder haar toezicht, de in artikel 33, 1° en 2°, vermelde rechten waarvan de ouders of een van hen ontzet zijn, zal uitoefenen en de overeenkomstige verplichtingen zal nakomen, of vertrouwt zij de minderjarige toe aan [de Sociale Dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank (verv. Decr. 27 juni 1985, art. 33, I: 15 juli 1986)], dat iemand aanwijst om de genoemde rechten uit te oefenen, nadat zijn aanwijzing door deze rechtbank is gehomologeerd op vordering van het openbaar ministerie.

De vader en de moeder worden vooraf gehoord of opgeroepen.

Werd slechts een der ouders ontzet, dan wijst de jeugdrechtbank, om hem te vervangen, de niet ontzette ouder aan, als dat niet in strijd is met het belang van de minderjarige.

Artikel 35. (01/09/1966- ...)

Onverminderd de regels bepaald in het Burgerlijk Wetboek inzake toestemming tot het huwelijk [tot de adoptie en tot (ing. W. 21 maart 1969, art. 5, I: 22 april 1969)] [de volle adoptie (verv. W.29 april 2001, art. 75, I: 1 augustus 2001)], oefent de persoon die ingevolge artikel 34 is aangewezen, de rechten uit die hem werden verleend, eventueel met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 373 en 374 van het burgerlijk Wetboek. Hij waakt ervoor dat de inkomsten van de minderjarige aan diens onderhoud en opvoeding worden besteed.

In alle gevallen gelden voor het beheer van de goederen van de minderjarige de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende [de werking van de voogdij en de voogdijrekeningen (verv. W.29 april 2001, art. 75, I: 1 augustus 2001)].

De niet ontzette ouder heeft slechts het recht op wettelijk genot van de goederen van de minderjarige, indien hij is bekleed met de machten bedoeld in artikel 34.

Afdeling 2 Maatregelen ten aanzien van de minderjarigen

Artikel 36. (01/09/2019- ...)

De jeugdrechtbank neemt kennis:
1° [... (opgeh. Decr. 28 maart 1990, art. 22, I: 27 september 1994)]
2° [... (opgeh. Decr. 28 maart 1990, art. 22, I: 27 september 1994)]
3° [... (opgeh. Decr. 28 maart 1990, art. 22, I: 27 september 1994)]
4° [...  (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 48, I: 1 september 2019)]
[van het beroep ingediend bij een schriftelijk en kosteloos verzoekschrift tegen de beslissing tot opleggen of niet-opleggen van een administratieve geldboete zoals bedoeld in de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, ten aanzien van minderjarigen die de volle leeftijd van veertien jaar hebben bereikt op het ogenblik van de feiten; (verv. W. 19 juli 2013, art. 2, I: 1 januari 2014)]
[6° van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten. (ing. W. 7 mei 2004, art. 2, I: 5 juli 2004)]
[7° van het beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie bedoeld in de artikelen 29 en 30 van de wet op de politie der spoorwegen, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten (ing. W. 27 april 2018, art. 52, I: 1 november 2018)].

[... (opgeh. W. 10 april 2003, art.47, I: 1 januari 2004)]

Artikel 36bis. (01/03/2023- ...)

[...  (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 48, I: 1 september 2019)]

De wet betreffende de voorlopige hechtenis is niet toepasselijk op de in artikel (ing. W. 9 mei 1972, art. 2, I: 20 juni 1972)][5 (ing. Decr. 15 juli 2022, art. 2, I: 1 maart 2023)] [van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (ing. Decr. 15 februari 2019, art. 49, I: 1 september 2019)] [bedoelde personen (verv. W. 2 februari 1994, art. 1, I: 27 september 1994)] , [tenzij bij vluchtmisdrijf (ing. W. 9 mei 1972, art. 2, I: 20 juni 1972)].

Artikel 37. (28/02/2023- ...)

[... (opgeh. decr. 15 februari 2019, art. 85, I: op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum en uiterlijk op1 september 2022)]

Artikel 37bis. (01/09/2019- ...)

[... (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 51, I: 1 september 2019)]

Artikel 37ter. (01/09/2019- ...)

[... (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 51, I: 1 september 2019)]

Artikel 37quater. (01/01/2019- ...)

[... (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 51, I: 1 september 2019)]

Artikel 37quinquies. (01/09/2019- ...)

[... (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 51, I: 1 september 2019)]

Artikel 38. (01/10/2007- ...)

[... (opgeh. W. 15 mei 2006, art.6, I: 1 oktober 2007)]

Artikel 38bis. (01/11/2018- ...)

[Aan minderjarigen kan een administratieve sanctie worden opgelegd als bedoeld in (ing. W. 7 mei 2004, art. 3, I: 5 juli 2004)]:
[artikel 4, § 1, 1°, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, indien de minderjarige de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt op het ogenblik van de feiten; (verv. W. 19 juli 2013, art. 3, I: 1 januari 2014)]
2° artikel 24, tweede lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, als de minderjarige de volle leeftijd van 14 jaar heeft bereikt op het tijdstip van de feiten (ing. W. 7 mei 2004, art. 3, I: 5 juli 2004)];
[3° de artikelen 29 en 30 van de wet op de politie van de spoorwegen, indien de minderjarige de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt op het tijdstip van de feiten (ing. W. 27 april 2018, art. 52, I: 1 november 2018)].

Artikel 39. (01/09/2019- ...)

[... (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 52, I: 1 september 2019)]

Artikel 40. (01/05/1990- ...)

[... (opgeh. W. 19 januari 1990, art. 48, I: 1 mei 1990)]

Artikel 41. (01/09/2019- ...)

[... (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 53, I: 1 september 2019)]

Artikel 42. (01/09/2019- ...)

[... (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 54, I: 1 september 2019)]

Artikel 43. (01/09/2019- ...)

[Ten aanzien van de in [artikel 14 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 55, I: 1 september 2019)], bedoelde personen past de rechter of de jeugdrechtbank de bepalingen van [het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 55, I: 1 september 2019)] toe onverminderd de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.

In geval van toepassing van de voornoemde wet van 26 juni 1990 op de personen die oorspronkelijk voor de jeugdrechtbank waren verwezen op grond van [artikel 14 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 55, I: 1 september 2019)], wordt de beslissing van de geneesheer-diensthoofd om de maatregel op te heffen, die overeenkomstig artikel 12, 3°, of 19 van de wet van 26 juni 1990 genomen is, slechts uitgevoerd na een termijn van vijf werkdagen te rekenen van de dag waarop de jeugdrechtbank hiervan is geïnformeerd. Binnen deze termijn, en zonder deze te kunnen verlengen, spreekt de rechtbank zich uit over elke andere [sanctie, vermeld in artikel 29, § 2, eerste lid, van het voormelde decreet van 15 februari 2019 (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 55, I: 1 september 2019)], [die zij nuttig acht. (verv. W. 13 juni 2006, art. 9, I: 16 oktober 2006)]

Artikel 43bis. (28/12/2006- ...)

[... (opgeh. W. 27 december 2006, art. 375, I: 28 december 2006)]

HOOFDSTUK IV TERRITORIALE BEVOEGDHEID EN RECHTSPLEGING

Artikel 44. (01/03/2023- ...)

[De territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank wordt bepaald door de verblijfplaats van de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen, of, in geval van gezamenlijke uitoefening door gescheiden personen, door de verblijfplaats van de persoon bij wie de jongere gewoonlijk verblijft.

§ 2. Wanneer die personen geen verblijfplaats in België hebben of wanneer hun verblijfplaats onbekend is of niet vaststaat, is de bevoegde jeugdrechtbank die van de plaats waar de betrokkenen het [jeugddelict (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 56, I: 1 september 2019)] heeft gepleegd, die van de plaats waar hij wordt aangetroffen of van de plaats waar de persoon aan wie of de instelling waaraan hij door de bevoegde instanties werd toevertrouwd, zijn woonplaats of haar zetel heeft.

§ 3. Wanneer de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig gemaakt wordt nadat de jongere de leeftijd van achttien jaar bereikt, is de bevoegde jeugdrechtbank die van de verblijfplaats van de jongere, of, indien die verblijfplaats onbekend is of niet vaststaat, van de plaats waar het [jeugddelict (verv. Decr. 15 juli 2022, art. 3, I: 1 maart 2023)] werd gepleegd.

§ 4. Niettemin is de bevoegde jeugdrechtbank bij toepassing van artikel 18, vijfde lid, die van de verblijfplaats van de eiser.

§ 5. Wanneer de in § 1 bedoelde personen van verblijfplaats veranderen, terwijl voor de jongere [maatregel en sanctie (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 56, I: 1 september 2019)] geldt, moeten ze de bevoegde jeugdrechtbank daarvan onverwijld bericht geven, op straffe van geldboete van een euro tot vijfentwintig euro.

§ 6. De verandering van verblijfplaats brengt met zich dat de zaak aan die rechtbank wordt onttrokken en verwezen wordt naar de jeugdrechtbank van het arrondissement waar de nieuwe verblijfplaats zich bevindt, tenzij de jeugdrechter, het openbaar ministerie of de ouders vragen dat de zaak aanhangig blijft bij de jeugdrechtbank waar ze reeds aanhangig gemaakt werd. De griffier van de rechtbank waaraan de zaak onttrokken wordt, zendt het dossier over aan de rechtbank waarnaar de zaak verwezen wordt. (verv. W. 30 juli 2013, art. 242, I: 1 september 2014)]

Artikel 45. (01/03/2023- ...)

De zaak wordt bij de jeugdrechtbank aanhangig gemaakt:
1. [ambtshalve, op vraag van het openbaar ministerie, de ouders of, in voorkomend geval, de pleegzorgers, in geval van een aangelegenheid overeenkomstig artikel 7 (verv. W. 19 maart 2017, art. 22, I: 1 september 2017)].
2. In de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstuk III:
a) op de vordering van het openbaar ministerie of de in artikel 49, derde lid, bedoelde beschikking tot verwijzing, ten einde de onderzoekingen bedoeld in artikel 50 te verrichten en in voorkomend geval [de in artikel 20, § 2, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht bepaalde maatregelen te bevelen (verv. decr. 15 juli 2022, art. 4, I: 1 maart 2023)];
b) door vrijwillige verschijning ingevolge een met redenen omklede waarschuwing van het openbaar ministerie of bij dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie ten einde over de zaak zelf te beslissen [of ten einde de zaak uit handen te geven overeenkomstig artikel (ing. W. 2 februari 1994, art. 8, I: 27 september 1994)] [57bis (verv. W. 15 mei 2006, art. 8, I: 1 oktober 2007)], na de partijen in hun middelen gehoord te hebben.
[c) door het verzoekschrift bedoeld in de artikelen (ing. W. 2 februari 1994, art. 8, I: 27 september 1994)][... (opgeh. decr. 15 juli 2022, art. 4, I: 1 maart 2023)] [, 47, derde lid, (ing. W. 15 mei 2006, art. 8, I: 1 januari 2011)] [en 60, in welk geval de partijen worden opgeroepen bij gerechtsbrief, bezorgd op de wijze bepaald in artikel 46, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek (ing. W. 2 februari 1994, art. 8, I: 27 september 1994)].

Artikel 45bis. (01/09/2019- ...)

[..  (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 57, I: 1 september 2019)]

Artikel 45ter. (01/09/2019- ...)

[..  (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 57, I: 1 september 2019)]

Artikel 45quater. (01/09/2019- ...)

[..  (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 57, I: 1 september 2019)]

Artikel 46. (01/03/2023- ...)

De dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie of de waarschuwing die het geeft moet, op straffe van nietigheid worden gericht aan de ouders, [opvangouders, (ing. W. 15 mei 2006, art. 9, I: 16 oktober 2006)] voogden of degenen die de minderjarige onder hun bewaring hebben en aan de minderjarige zelf indien de rechtsvordering tot doel heeft zijn ontvoogding te doen intrekken of ten aanzien van hem een van de maatregelen bedoeld in titel II, hoofdstuk III, afdeling II, te doen nemen of wijzigen en hij ten minste twaalf jaar oud is.

[Als een persoon bedoeld in (ing. W. 2 februari 1994, art. 9, I: 27 september 1994)][artikel 14 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (verv. Decr. 15 juli 2022, art. 5, I: 1 maart 2023)][, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt op het ogenblik dat de vordering wordt ingesteld, zal de in het vorige lid bedoelde dagvaarding of waarschuwing worden gericht aan die persoon die, wegens zijn minderjarigheid, voor hem burgerrechtelijk aansprakelijk waren.

Onverminderd de bepaling van artikel 184, derde lid, van het Wetboek van strafvordering, moet, op straffe van nietigheid van het vonnis dat door de rechtbank ten aanzien van de gedagvaarde partij bij verstek wordt uitgesproken, tussen de dagvaarding en de verschijning een termijn van ten minste tien dagen in acht worden genomen die niet kan worden verlengd wegens de afstand (ing. W. 2 februari 1994, art. 9, I: 27 september 1994)].

Artikel 46bis. (01/09/2019- ...)

[Ten aanzien van de persoon bedoeld in [artikel 14 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 58, I: 1 september 2019)] die voor de procureur des Konings wordt gebracht of die zich bij hem meldt, alsook ten aanzien van enig ander persoon bedoeld in artikel 46 die zich bij hem meldt, kan de in artikel 45, 2, b), bedoelde dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie worden gedaan door de kennisgeving van een oproeping tot verschijning voor de jeugdrechtbank binnen een termijn welke niet korter mag zijn dan die bepaald in artikel 46, derde lid, en twee maanden niet te boven mag gaan, en door de overhandiging aan de betrokkene van een kopie van het proces-verbaal waarin die kennisgeving is vermeld.

In de oproeping worden de feiten vermeld waarop de rechtsvordering is gegrond, alsook de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting. (ing. W. 27 april 1999, art. 2, I: 12 juni 1999)]

Artikel 47. (01/03/2023- ...)

Het is niet geoorloofd zich burgerlijke partij te stellen bij rechtstreekse dagvaarding voor de jeugdrechtbank.

Ten aanzien van minderjarigen die onder de jeugdrechtbank ressorteren, kunnen de openbare besturen de vervolgingen die tot hun bevoegdheid behoren, slechts instellen door klacht in te dienen bij de procureur des Konings; deze alleen kan de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig maken.

[Het verval van de strafvordering ten aanzien van de in (ing. W. 15 mei 2006, art. 10, I: 2 april 2007)][artikel 14 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 59, I: 1 september 2019)] [bedoelde persoon, ingevolge de tenuitvoerlegging van een in (ing. W. 15 mei 2006, art. 10, I: 2 april 2007)][artikel 12 van het voormelde decreet  (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 59, I: 1 september 2019)] [bedoelde bemiddeling doet geen afbreuk aan de rechten van de slachtoffers en van de in hun rechten gesubrogeerde personen om een schadevergoeding te verkrijgen, mits het slachtoffer niet heeft deelgenomen aan de bemiddeling of heeft deelgenomen aan een bemiddeling waarvan het akkoord uitdrukkelijk aangeeft dat niet volledig tegemoetgekomen is aan de materiële gevolgen van het (ing. W. 15 mei 2006, art. 10, I: 2 april 2007)][jeugddelict (verv. Decr. 15 juli 2022, art. 6, I: 1 maart 2023)]. [Tegenover hen wordt de fout van de dader van het (ing. W. 15 mei 2006, art. 10, I: 2 april 2007)][jeugddelict (verv. Decr. 15 juli 2022, art. 6, I: 1 maart 2023)] onweerlegbaar vermoed (ing. W. 15 mei 2006, art. 10, I: 2 april 2007)].

Artikel 48. (01/03/2023- ...)

[§ 1. In de rechtsplegingen bedoeld in titel II, hoofdstuk III, eerste afdeling, maakt iedere ouder of persoon die een jongere onder zijn bewaring heeft, het voorwerp uit van een onderscheiden rechtspleging.

Die rechtsplegingen kunnen alleen tijdens de voorbereidende rechtspleging met andere rechtsplegingen worden samengevoegd. De stukken welke gegevens bevatten betreffende elk van de ouders of personen die de betrokkene onder hun bewaring hebben, moeten gescheiden blijven van de andere procedurestukken. Zij mogen niet aan de andere partijen worden medegedeeld.

Tijdens de duur van de voorbereidende rechtspleging kan het openbaar ministerie de mededeling van deze stukken aan de partijen weigeren, indien het oordeelt dat deze mededeling de belangen van de betrokken personen kan schaden.

§ 2. Indien in de rechtsplegingen bedoeld in titel II, hoofdstuk III, afdeling 2, het feit gepleegd door de persoon beneden de achttien jaar samenhangt met een misdrijf dat begaan zou zijn door een of meer personen die niet aan de rechtsmacht van de jeugdrechtbank zijn onderworpen, worden de vervolgingen gesplitst zodra zulks zonder nadeel voor het vooronderzoek of voor het gerechtelijk onderzoek kan geschieden.

De vervolgingen kunnen worden samengevoegd indien de jeugdrechtbank (verv. W. 2 februari 1994, art. 10, I: 27 september 1994)] [overeenkomstig (verv. W. 27 december 2006, art. 94, I: 1 oktober 2007)] [artikel 38 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (verv. Decr. 15 juli 2022, art. 7, I: 1 maart 2023)] [de zaak uit handen heeft gegeven (verv. W. 2 februari 1994, art. 10, I: 27 september 1994)].

Artikel 48bis. (16/10/2006- ...)

[§ 1. Ingeval een minderjarige ingevolge zijn aanhouding van zijn vrijheid is beroofd of in vrijheid is gesteld tegen de belofte om te verschijnen of tegen een ondertekende verbintenis, moet de voor zijn vrijheidsberoving verantwoordelijke politieambtenaar zo snel mogelijk de vader en de moeder van de minderjarige, diens voogd of de personen die hem in rechte of in feite in bewaring hebben, schriftelijk of mondeling in kennis stellen of laten stellen van de aanhouding, van de redenen hiervoor, alsook van de plaats waar de minderjarige wordt opgesloten. Indien de minderjarige gehuwd is, moet het bericht aan diens echtgenoot worden gegeven in plaats van aan bovengenoemde personen. »

§ 2. Als het bericht niet conform dit artikel is gegeven en niemand van degenen aan wie het had kunnen zijn gegeven, zich bij de jeugdrechtbank, waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, heeft aangemeld, kan de jeugdrechtbank hetzij de zaak uitstellen en bevelen dat bericht wordt gegeven aan de persoon die zij aanwijst, hetzij de zaak behandelen als zij dergelijk bericht niet noodzakelijk acht. In dit geval vermeldt zij in haar vonnis de redenen die aan haar beslissing ten grondslag liggen. (ing. W. 15 mei 2006, art. 11, I: 16 oktober 2006)]

Artikel 49. (01/03/2023- ...)

Alleen in uitzonderingsomstandigheden en in geval van volstrekte noodzaak wordt de zaak bij vordering van het openbaar ministerie bij de onderzoeksrechter aanhangig gemaakt of treedt deze ambtshalve op in geval van ontdekking op heterdaad.

[In spoedeisende gevallen kan de onderzoeksrechter ten aanzien van de persoon (verv. W. 2 februari 1994, art. 11, I: 27 september 1994)] [die vóór de leeftijd van achttien jaar een  (verv. W. 6 januari 2003, art. 2, I: 2 maart 2003)][jeugddelict (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 61, I: 1 september 2019)][heeft gepleegd, zelfs indien de vordering van het openbaar ministerie wordt ingesteld nadat deze persoon de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, (verv. W. 6 januari 2003, art. 2, I: 2 maart 2003)] [een van de (verv. W. 2 februari 1994, art. 11, I: 27 september 1994)] [maatregelen, vermeld in artikel 20, § 2, eerste lid, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 61, I: 1 september 2019)][nemen, onverminderd de verplichting daarvan gelijktijdig en schriftelijk bericht te geven aan de jeugdrechtbank, die alsdan haar bevoegdheden uitoefent en binnen twee werkdagen uitspraak doet, overeenkomstig (verv. W. 2 februari 1994, art. 11, I: 27 september 1994)][artikel 52ter van deze wet en artikel 26 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (verv. Decr. 15 juli 2022, art. 8, I: 1 maart 2023)]. [De betrokkene heeft, telkens hij voor de onderzoeksrechter verschijnt, recht op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig artikel 54bis. De onderzoeksrechter kan evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene hebben (ing. W. 13 juni 2006, art. 15, I: 16 oktober 2006)].

Als het onderzoek is geëindigd, neemt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een beschikking tot buitenvervolgingstelling of een beschikking tot verwijzing naar de jeugdrechtbank. Deze beschikking wordt uitgesproken na een debat tussen de partijen en nadat de persoon beneden de achttien jaar, de vader en de moeder en de burgerlijke partijen inzage hebben kunnen nemen van het dossier met betrekking tot de feiten, neergelegd ter griffie ten minste 48 uren vóór de debatten.

[Het derde lid verhindert niet dat het openbaar ministerie een vordering tot uit handen geven als bedoeld (ing. W. 2 februari 1994, art. 11, I: 27 september 1994)] in  [artikel 38 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (verv. Decr. 15 juli 2022, art. 8, I: 1 maart 2023)] [aanhangig maakt bij de jeugdrechtbank. De jeugdrechtbank vonnist in de staat van de procedure (ing. W. 2 februari 1994, art. 11, I: 27 september 1994)].

Artikel 50. (01/10/2007- ...)

De jeugdrechtbank treft alle maatregelen en doet het onderzoek verrichten dat nodig is om de persoonlijkheid van de betrokkene en het milieu waarin hij wordt grootgebracht, te kennen en om uit te maken wat zijn belang is en welke middelen voor zijn opvoeding of behandeling geschikt zijn.

Zij kan een maatschappelijk onderzoek doen verrichten, door bemiddeling van de bevoegde sociale dienst, en de betrokkene aan een medisch-psychologisch onderzoek onderwerpen, indien zij het haar meegedeelde dossier niet voldoende acht.

Indien de jeugdrechtbank een maatschappelijk onderzoek doet verrichten, kan zij, behoudens in spoedeisende gevallen, haar beslissing eerst nemen of wijzigen, na kennis genomen te hebben van het advies van de bevoegde sociale dienst, tenzij dit advies haar niet bereikt binnen de door haar bepaalde termijn, die niet meer dan vijfenzeventig dagen mag bedragen.

[... (opgeh. W. 15 mei 2006, art. 12, I: 1 oktober 2007)]

Artikel 51. (01/09/2019- ...)

[§ 1. Zodra een [jeugddelicht (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 62, I: 1 september 2019)] bij de rechtbank aanhangig is gemaakt, informeert de rechtbank de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de betrokkene en, desgevallend, de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, (ing. W. 13 juni 2006, art. 16, I: 16 oktober 2006)] [... (geschr. W. 27 december 2006, art. 95, I: 1 januari 2007)] [teneinde hen de mogelijkheid te bieden aanwezig te zijn. (ing. W. 13 juni 2006, art. 16, I: 16 oktober 2006)]

[§ 2 (ing. W. 13 juni 2006, art. 16)] [Wanneer de zaak eenmaal aanhangig is bij de jeugdrechtbank, kan deze te allen tijde de betrokkene, de ouders, de voogden, degenen die hem onder hun bewaring hebben, evenals iedere andere persoon oproepen, onverminderd artikel 458 van het Strafwetboek, artikel 156 van het Wetboek van strafvordering en artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek. (verv. W. 2 februari 1994, art. 13, I: 27 september 1994)]

In de aangelegenheden bedoeld in de artikelen [in de artikelen 145, 148, 302, 353-10, 354-2 (verv. W. 24 april 2004, art. 11, I: 1 september 2005)] 373, 374, [375, 376, 377, 379 (verv. W. 2 februari 1994, art. 13, I: 27 september 1994)] en 477 van het Burgerlijk Wetboek, worden de vader, de moeder en eventueel de persoon aan wie de bewaring van het kind is toevertrouwd, voor de rechtbank opgeroepen door de griffier. In de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 485 van het Burgerlijk Wetboek, [... (geschr. W. 2 februari 1994, art. 13, I: 27 september 1994)] [43, 45, 46 en 46bis van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten, gewijzigd bij de wet van 30 maart 1981 (verv. W. 2 februari 1994, art. 13, I: 27 september 1994)], worden de verzoeker, de vader, de moeder of de voogd en de minderjarige voor de rechtbank opgeroepen door de griffier; bij de oproeping van degene of degenen van hen die geen verzoek heeft of hebben ingediend, wordt een gelijkluidend afschrift van de vordering gevoegd.

[Indien, in de andere aangelegenheden, (verv. W. 13 juni 2006, art. 16, I: 16 oktober 2006)] [... (vernietigd bij arrest GH 49/2008 van 13 maart 2008)] [de personen die ten aanzien van de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen, op de oproeping niet verschijnen en deze personen dit niet kunnen rechtvaardigen, kunnen zij door de jeugdrechtbank worden veroordeeld tot een geldboete van één euro tot honderdvijftig euro. (verv. W. 13 juni 2006, art. 16, I: 16 oktober 2006)]

[De in het derde lid bedoelde personen die veroordeeld zijn tot een geldboete, en die, op een tweede uitnodiging om te verschijnen, ten overstaan van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank wettige redenen tot verschoning voorleggen, kunnen, op advies van het openbaar ministerie, ontheffing van de geldboete verkrijgen. (ing. W. 13 juni 2006, art. 16, I: 16 oktober 2006)]

Artikel 52. (28/02/2023- ...)

[... (opgeh. decr. 15 februari 2019, art. 85, I: op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum en uiterlijk op1 september 2022)]

Artikel 52bis. (01/09/2019- ...)

[...  (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 64, I: 1 september 2019)]

Artikel 52ter. (01/03/2023- ...)

[... (opgeh. Decr. 15 juli 2022, art. 9, I: 1 maart 2023)] [Voor zover van toepassing op de procedure zoals vermeld in artikel 63ter, eerste lid, a), moet de jongere die de leeftijd van twaalf jaar bereikt heeft, vóór enige maatregel wordt getroffen door de jeugdrechter, persoonlijk worden gehoord, tenzij hij niet gevonden kan worden, zijn gezondheidstoestand het niet toelaat of hij weigert te verschijnen.

De betrokkene heeft, telkens als hij voor de jeugdrechtbank verschijnt, recht op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig artikel 54bis. Behoudens de gevallen waarin de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig is overeenkomstig artikel 45, 2, b) of c), kan de jeugdrechter evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene hebben.

De beschikking omvat een samenvatting van de elementen die betrekking hebben op zijn persoonlijkheid of op zijn milieu, welke de beslissing rechtvaardigen, en, in voorkomend geval, een samenvatting van de ten laste gelegde feiten. Zij maakt tevens melding van het feit dat de betrokkene werd gehoord of van de redenen waarom dit niet gebeurde (ing. Decr. 24 september 2019, art. 5, I: 1 september 2019)].

[Na het verhoor van de betrokkene, wordt hem een afschrift van de beschikking overhandigd, evenals aan (ing. W. 2 februari 1994, art. 16, I: 27 september 1994)] [... (opgeh. W. 27 december 2006, art. 97, I: 1 januari 2007)] [zijn vader en moeder, voogden of personen die de betrokkene onder hun bewaring hebben, indien deze ter terechtzitting aanwezig zijn. In de gevallen waar deze overhandiging niet heeft kunnen plaatshebben, wordt de beslissing bij gerechtsbrief ter kennis gebracht. (ing. W. 2 februari 1994, art. 16, I: 27 september 1994)] [Het afschrift van de beschikking vermeldt de rechtsmiddelen die ertegen open staan evenals de vormen en termijnen die terzake moeten worden nageleefd. (ing. W. 15 mei 2006, art. 13, I: 16 oktober 2006)] [De termijn voor hoger beroep loopt vanaf de overhandiging van het afschrift of vanaf de dag dat de betrokkene bij gerechtsbrief kennis heeft gekregen van de kennisgeving.

De maatregelen bedoeld in (ing. W. 2 februari 1994, art. 16, I: 27 september 1994)][ artikel 20, § 2, eerste lid, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht  (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 65, I: 1 september 2019)] [... (opgeh. Decr. 15 juli 2022, art. 9, I: 1 maart 2023)] [zijn niet vatbaar voor verzet.

In geval van hoger beroep doet de jeugdkamer van het hof van beroep uitspraak binnen uiterlijk twee maanden, te rekenen van de akte van hoger beroep (ing. W. 2 februari 1994, art. 16, I: 27 september 1994)].

Artikel 52quater. (01/03/2023- ...)

[... (opgeh. Decr. 15 juli 2022, art. 10, I: 1 maart 2023)]

Artikel 52quinquies. (01/09/2019- ...)

[...  (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 67, I: 1 september 2019)]

Artikel 53. (01/01/2002- ...)

[... (opgeh. W. 4 mei 1999, art. 2, I: door de Koning te bepalen en uiterlijk op 1 januari 2002)]

Artikel 53bis. (28/12/2006- ...)

[... (opgeh. W. 27 december 2006, art. 375, I: 28 december 2006)]

Artikel 54. (01/09/2019- ...)

[...  (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 67, I: 1 september 2019)]

Artikel 54bis. (27/09/1994- ...)

[§ 1. Wanneer een persoon beneden de achttien jaar partij is in het geding en geen advocaat heeft, wordt er hem ambtshalve een toegewezen.
W
anneer de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig is met toepassing van artikel 45.2.a) of b), of van artikel 63ter, a) of c), geeft het openbaar ministerie hiervan onverwijld kennis aan de stafhouder van de orde van advocaten. Dit bericht wordt gelijktijdig verzonden met de vordering, de dagvaarding of de met redenen omklede waarschuwing, al naar gelang het geval. De stafhouder of het bureau voor consultatie en verdediging gaat over tot de toewijzing, uiterlijk binnen twee werkdagen te rekenen van dit bericht.

§ 2. Het openbaar ministerie zendt aan de jeugdrechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, afschrift van het bericht van de kennisgeving aan de stafhouder.

§ 3. De stafhouder of het bureau voor consultatie en verdediging ziet erop toe, indien er tegenstrijdige belangen zijn, dat de betrokkene verdedigd wordt door een andere advocaat dan diegene op wie zijn vader en moeder, voogden of personen die hem onder hun bewaring hebben of die bekleed zijn met een vorderingsrecht, beroep gedaan zouden hebben. (ing. W. 2 februari 1994, art. 21, I: 27 september 1994)]

Artikel 55. (27/09/1994- ...)

[Wanneer een zaak als bedoeld in titel II, hoofdstuk III, bij de jeugdrechtbank aanhangig is gemaakt, wordt aan de partijen en aan hun advocaat kennis gegeven van de neerlegging van het dossier ter griffie waar ze er vanaf het ogenblik van de betekening van de dagvaarding inzage kunnen van nemen.

De partijen en hun advocaat kunnen eveneens kennis nemen van het dossier wanneer het openbaar ministerie het opleggen van een maatregel bedoeld in de artikelen 52 en 53 vordert, alsmede gedurende de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen de beschikkingen waarbij zulke maatregelen worden opgelegd.

De stukken die betrekking hebben op de persoonlijkheid van de betrokkene en op het milieu waarin hij leeft, mogen echter noch aan hem noch aan de burgerlijke partij medegedeeld worden. Het volledig dossier, die stukken inbegrepen, moet ter beschikking gesteld worden van de advocaat van de betrokkene wanneer deze laatste partij is in het geding. (verv. W. 2 februari 1994, art. 22, I: 27 september 1994)]

Artikel 56. (01/09/2019- ...)

[In de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstuk III, eerste afdeling, worden de betrokken minderjarigen niet als partijen in het debat beschouwd, behalve wanneer te hunnen opzichte maatregelen worden genomen als bepaald in (verv. W. 2 februari 1994, art. 23, I: 27 september 1994)] [artikel 20, § 2, eerste lid, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 68, I: 1 september 2019)]

In de zaken bedoeld in titel II, hoofdstuk III, afdeling II, wordt het geval van elke minderjarige afzonderlijk onderzocht. Geen andere minderjarige mag daarbij aanwezig zijn, behalve gedurende de voor eventuele confrontaties nodige tijd.

Artikel 56bis. (01/09/2014- ...)

[... (opgeh. W. 30 juli 2013, art. 244, I: 1 september 2014)]

Artikel 57. (01/09/1966- ...)

De jeugdrechtbank kan zich tijdens de debatten te allen tijde in raadkamer terugtrekken om de deskundigen en de getuigen, de ouders, voogden of degenen die de [betrokkene (verv. W. 15 mei 2006, art. 15, I: 2 april 2007)] onder hun bewaring hebben, omtrent diens persoonlijkheid te horen.

De [betrokkene (verv. W. 15 mei 2006, art. 15, I: 2 april 2007)] is niet aanwezig bij de debatten in raadkamer. De rechtbank kan hem echter laten roepen indien zij dit geraden acht.

De debatten in raadkamer mogen slechts plaatsvinden in aanwezigheid van de advocaat van de [betrokkene (verv. W. 15 mei 2006, art. 15, I: 2 april 2007)].

Artikel 57bis. (01/03/2023- ...)

§ 1. [... (opgeh. Decr. 15 juli 2022, art. 11, I: 1 maart 2023)]

§ 2. [... (opgeh. Decr. 15 juli 2022, art. 11, I: 1 maart 2023)]

§ 3. De jeugdrechtbank kan de zaak slechts uit handen geven met inachtneming van de volgende procedure.

Zodra het maatschappelijk onderzoek en het medisch-psychologisch onderzoek ter griffie zijn neergelegd, deelt de jeugdrechter binnen drie werkdagen het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van [artikel 38, § 3, derde lid, 1°, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierech (verv. Decr. 15 juli 2022, art. 11, I: 1 maart 2023)] geen medisch-psychologisch onderzoek is vereist, deelt de rechtbank binnen drie werkdagen na de neerlegging ter griffie van het maatschappelijk onderzoek het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van [artikel 38, § 3, derde lid, 2° en 3°, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (verv. Decr. 15 juli 2022, art. 11, I: 1 maart 2023)] de rechtbank uitspraak kan doen zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, deelt zij het dossier onverwijld mee aan de procureur des Konings.

Deze laatste dagvaardt de in artikel 46 bedoelde personen binnen dertig werkdagen na ontvangst van het dossier met het oog op de eerste dienstige terechtzitting. In de dagvaarding moet worden vermeld dat een uithandengeving is vereist. De rechtbank doet binnen dertig werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving.

In geval van hoger beroep beschikt de procureur-generaal over een termijn van twintig werkdagen te rekenen van het einde van de termijn van hoger beroep om te dagvaarden voor de jeugdkamer van het hof van beroep. Deze kamer doet binnen vijftien werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de uithandengeving (ing. W. 13 juni 2006, art. 21)].

§ 4. [... (opgeh. decr. 15 juli 2016, art. 67, I: 29 augustus 2016)].

[§ 5. Iedere persoon ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving genomen is met toepassing van [artikel 38 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (verv. Decr. 15 juli 2022, art. 11, I: 1 maart 2023)]  wordt, vanaf de dag waarop deze beslissing definitief geworden is, onderworpen aan de rechtsmacht van de gewone rechter voor de vervolging van feiten die gepleegd zijn na de dag van de dagvaarding tot uithandengeving.

§ 6. Na een beslissing van uithandengeving, bevolen met toepassing van [artikel 38 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (verv. Decr. 15 juli 2022, art. 11, I: 1 maaart 2023)] , draagt de jeugdrechtbank of, in voorkomend geval, de jeugdkamer van het hof van beroep, dadelijk het integrale dossier van de betrokken persoon over aan het openbaar ministerie, teneinde het, in geval van vervolging, bij het strafdossier te voegen.

§ 7. [... (opgeh. Decr. 15 juli 2022, art. 11, I: 1 maart 2023)]

Artikel 58. (01/03/2023- ...)

De beslissingen van de jeugdrechtbank gewezen in de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstukken III en IV, zijn, binnen de wettelijke termijnen, vatbaar voor hoger beroep door het openbaar ministerie en voor verzet en hoger beroep door alle andere in het geding betrokken partijen [met behoud van de toepassing van artikel 52ter, vijfde lid, en met behoud van de toepassing van het vierde tot en met het zevende lid (verv. Decr. 15 juli 2022, art. 12, I: 1 maart 2023)].

De vonnissen gewezen in de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstuk II, zijn niet vatbaar voor verzet. Hoger beroep wordt bij verzoekschrift ingesteld ter griffier van het hof van beroep, [... (opgeh. W. 18 mei 1998, art. 2, I: 25 juli 1998)] [... (opgeh. W. 10 oktober 1967, art. 107 van art. 3 van de bijlage, zoals gewijzigd bij W. 15 juli 1970, art. 50, I: 1 november 1970)]. De griffier van de jeugdkamer roept voor die kamer de partijen op die opgeroepen waren voor de jeugdrechtbank; hij voegt bij de oproeping voor de andere partijen dan de verzoeker, een gelijkluidend afschrift van het verzoekschrift.

De medewerking van pleitbezorgers bij het hof is niet vereist.

[Hoger beroep tegen een maatregel of sanctie waarbij een gesloten oriëntatie wordt opgelegd met toepassing van artikel 20, § 2, eerste lid, 4°, of artikel 29, § 2, eerste lid, 6°, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, wordt ingesteld binnen een termijn van achtenveertig uur. Die termijn loopt ten aanzien van het Openbaar Ministerie vanaf de mededeling van de beschikking en ten aanzien van de andere partijen in het geding vanaf het vervullen van de vormvereisten, vermeld in artikel 52ter, vierde lid. Het beroep kan worden ingesteld door een verklaring aan de directeur van de instelling of aan de persoon die de directeur daarvoor aanstelt. De directeur schrijft de beroepen in een genummerd en geparafeerd register in, geeft er onmiddellijk kennis van aan de griffie van de bevoegde rechtbank en zendt haar per aangetekende brief een uittreksel van het register.

De jeugdkamer van het hof van beroep behandelt de zaak en doet uitspraak binnen vijftien werkdagen, te rekenen van de akte van hoger beroep. Na het verstrijken van die termijn vervalt de maatregel. De termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel dat is toegekend op verzoek van de verdediging.

De termijn van dagvaarding voor het hof van beroep bedraagt drie dagen.

Hoger beroep tegen een maatregel of verlenging van een maatregel waarbij een minderjarige wordt toevertrouwd aan een forensische kinder- en jeugdpsychiatrische afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis, met toepassing van artikel 20, § 2, eerste lid, 3° /1, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht of aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling voor een gesloten begeleiding, met toepassing van artikel 20, § 2, eerste lid, 5°, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, wordt ingesteld binnen een termijn van achtenveertig uur. De procedure en de termijnen, vermeld in het vierde, vijfde en zesde lid, zijn overeenkomstig van toepassing (ing. Decr. 15 juli 2022, art. 12, I: 1 maart 2023)].

De jeugdrechtbank kan de voorlopige tenuitvoerlegging van haar beslissingen bevelen, behalve wat de kosten betreft.

Artikel 59. (01/09/2019- ...)

De rechter in hoger beroep kan de in [artikel 20, § 2, eerste lid, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 71, I: 1 september 2019)]. bedoelde [... (geschr. Decr. 15 februari 2019, art. 71, I: 1 september 2019)] maatregelen nemen.

De vroeger door de jeugdrechtbank genomen [... (geschr. Decr. 15 februari 2019, art. 71, I: 1 september 2019)] maatregelen blijven gehandhaafd zolang ze niet door het gerecht in hoger beroep zijn gewijzigd.

Artikel 60. (01/09/2019- ...)

[De jeugdrechtbank kan te allen tijde, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie de maatregelen genomen ten aanzien van de vader, moeder of degenen die de minderjarige onder hun bewaring hebben, intrekken of wijzigen, en binnen de perken van deze wet optreden in het belang van de minderjarige.

De persoon of personen, vermeld in het eerste lid, tegen wie de maatregel is genomen, kunnen zich met dat doel bij verzoekschrift tot de jeugdrechtbank wenden, nadat één jaar verstreken is sedert de dag waarop de beslissing waarbij de maatregel is bevolen, definitief is geworden. Indien dit verzoekschrift wordt afgewezen, kan het niet worden hernieuwd voordat één jaar verstreken is sedert de dag waarop de afwijzende beslissing definitief is geworden. (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 72, I: 1 september 2019)]

Artikel 61. (01/09/2019- ...)

Ingeval het [jeugddelict (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 73, I: 1 september 2019)] bewezen is, veroordeelt de jeugdrechtbank de [betrokkene (verv. W. 15 mei 2006, art. 15, I: 2 april 2007)], tot de kosten en, indien daartoe grond bestaat, tot teruggave. Bijzonder verbeurdverklaring kan worden uitgesproken.

In hetzelfde geval doet de jeugdrechtbank waarbij de burgerlijke vordering aanhangig is gemaakt, uitspraak over deze vordering [of houdt de behandeling daarvan aan tot een latere datum (verv. W. 16 juni 2006, art. 23, I: 16 oktober 2006)]. Zij doet terzelfder tijd uitspraak over de kosten.

De personen die hetzij krachtens artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, hetzij krachtens een bijzondere wet aansprakelijk zijn, worden gedagvaard en zijn met de [betrokkene (verv. W. 15 mei 2006, art. 15, I: 2 april 2007)], hoofdelijk gehouden tot betaling van de kosten, tot teruggave en tot schadevergoeding.

[Het slachtoffer kan afstand doen van elke vordering die uit het [jeugddelict (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 73, I: 1 september 2019)] voortvloeit, in het bijzonder wanneer de dader of daders ten voordele van wie het slachtoffer deze afstand doet, meewerkt of meewerken aan een herstelrechtelijk aanbod.

Het slachtoffer vermeldt uitdrukkelijk in het akkoord dat door de herstelgerichte aanpak wordt bereikt, ten voordele van welke dader of daders die meewerkt of meewerken aan een herstelrechtelijk aanbod, de afstand van de in het vierde lid bedoelde vordering geldt.

Uit de afstand van een vordering zoals bedoeld in het vierde lid, volgt automatisch dat deze afstand eveneens geldt ten aanzien van alle personen die hetzij krachtens artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, hetzij krachtens een bijzondere wet aansprakelijk zijn voor de schade veroorzaakt door de dader of daders ten voordele van wie het slachtoffer de afstand doet. (ing. W. 16 juni 2006, art. 23, I: 16 oktober 2006)].

Artikel 61bis. (16/10/2006- ...)

[Een afschrift van de vonnissen en arresten die in openbare terechtzitting zijn uitgesproken, wordt, onmiddellijk ter zitting, overhandigd aan de jongere die twaalf jaar is of ouder en aan zijn vader en moeder, voogden of personen die de betrokkene in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, indien deze ter terechtzitting aanwezig zijn. In de gevallen waar deze overhandiging niet heeft kunnen plaatsvinden, wordt de beslissing per gerechtsbrief ter kennis gebracht.

Het afschrift van de vonnissen en arresten vermeldt de rechtsmiddelen die ertegen open staan, evenals de vormen en termijnen die terzake moeten worden nageleefd. (ing. W. 15 mei 2006, art. 14, I: 16 oktober 2006)]

Artikel 62. (27/09/1994- ...)

[Behoudens afwijking, gelden voor de in titel II, hoofdstuk II, evenals voor de in de artikelen 63bis, § 2 en 63ter, eerste lid, b), bedoelde procedures de wetsbepalingen inzake burgerlijke rechtspleging, en voor de in titel II, hoofdstuk III, evenals voor de in artikel 63ter, eerste lid, a) en c), bedoelde procedures, de wetsbepalingen betreffende de vervolgingen in correctionele zaken. (verv. W. 2 februari 1994, art. 27, I: 27 september 1994)]

Artikel 62bis. (01/09/2019- ...)

[In de gevallen waarin de bepalingen genomen krachtens (ing. W. 2 februari 1994, art. 28, I: 27 september 1994)] [artikelen 128, 130 en 135 (verv. W. 30 juli 2013, art. 245, I: 1 september 2014)], [van de Grondwet en artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, stellen dat het openbaar ministerie niet belast wordt met de uitvoering van een [maatregel en sanctie (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 74, I: 1 september 2019)] van de jeugdrechtbank, wordt een uitgifte van de beslissing van de jeugdrechtbank gericht aan de administratieve overheid die ermee belast is. (ing. W. 2 februari 1994, art. 28, I: 27 september 1994)]

Artikel 63. (01/09/2019- ...)

De ontzetting van [het ouderlijk gezag (verv. W. 2 februari 1994, art. 29, I: 27 september 1994)] en de [sancties (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 75, I: 1 september 2019)] die ingevolge [artikel 29, § 2, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 75, I: 1 september 2019)] worden bevolen ten aanzien van minderjarigen die op grond van artikel 36, 1°, 3° en 4°, voor de jeugdrechtbank zijn gebracht, worden in het strafregister van de betrokkenen vermeld.

Die ontzetting en die [sancties (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 75, I: 1 september 2019)] mogen nooit aan particulieren ter kennis worden gebracht.

Zij mogen aan de gerechtelijke overheden ter kennis worden gebracht.

Zij mogen ook aan de administratieve overheden, de notarissen en de gerechtsdeurwaarders worden ter kennis gebracht, indien deze die inlichtingen voor de toepassing van een wets- of verordeningsbepaling volstrekt nodig hebben. Deze mededeling geschiedt onder de controle van de gerechtelijke overheden volgens de door de Koning te bepalen procedure.

De meldingen die bij toepassing van deze wet in het strafregister van een minderjarige zijn gemaakt, kunnen op verzoek van degene die er het voorwerp van was, bij beslissing van de jeugdrechtbank geschrapt worden na verloop van vijf jaren sedert het tijdstip waarop die [sancties (verv. Decr. 15 februari 2019, art. 75, I: 1 september 2019)] een einde hebben genomen.

De ontzetting van [het ouderlijk gezag (verv. W. 2 februari 1994, art. 29, I: 27 september 1994)] wordt ambtshalve geschrapt, wanneer daaraan door herstel een einde is gemaakt.

Artikel 63bis. (01/09/2014- ...)

[§ 1. De rechtsplegingsregels bedoeld in dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 45.2. en 46, zijn van toepassing op de bepalingen van gerechtelijke bescherming die door de bevoegde instanties zijn uitgevaardigd krachtens (ing. W. 2 februari 1994, art. 30, I: 27 september 1994)] [artikelen 128, 130 en 135 (verv. W. 30 juli 2013, art. 246, I: 1 september 2014)],  [van de Grondwet en artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

§ 2. Niettemin, wanneer het verzoek de homologatie van de wijziging van een door de jeugdrechtbank genomen beslissing tot voorwerp heeft, is de volgende procedure van toepassing :
a) het verzoek wordt door de bevoegde administratieve overheid bij verzoekschrift gericht aan de griffie van de rechtbank die de beslissing heeft gegeven;
b) het wordt onmiddellijk samen met het rechtsplegingsdossier voor advies medegedeeld aan het openbaar ministerie;
c) de jeugdrechter neemt een beschikking binnen drie werkdagen te rekenen van de indiening van het verzoekschrift, op advies van het openbaar ministerie. Deze beschikking wordt genomen zonder oproeping van de partijen. Zij wordt ter kennis gebracht van de partijen en is niet vatbaar voor verzet. De weigering van de homologatie is vatbaar voor hoger beroep. (ing. W. 2 februari 1994, art. 30, I: 27 september 1994)]

Artikel 63ter. (01/03/2023- ...)

[In de rechtsplegingen bedoeld in artikel 63bis, wordt de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig gemaakt :
a) bij vordering van het openbaar ministerie, met het oog op het bevelen of toelaten van de maatregelen [... (opgeh. Decr. 15 juli 2022, art. 13, I: 1 maart 2023)]  voorzien door deze organen :
- hetzij, in het raam van [... (geschr. Decr. 15 februari 2019, art. 76, I: 1 september 2019)] maatregelen, alvorens over de grond van de zaak te beslissen,
- hetzij, in spoedeisende gevallen;
b) bij verzoekschrift door de belanghebbende partij neergelegd ter griffie van de jeugdrechtbank, met het oog op het beslechten van een geschil betreffende een maatregel genomen door de bevoegde instanties [...(opgeh. Decr. 15 juli 2022, art. 13, I: 1 maart 2023)];
c) in de andere gevallen, door vrijwillige verschijning ingevolge een met redenen omklede waarschuwing van het openbaar ministerie of bij dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie, met het oog op een beslissing ten gronde, nadat de partijen hun middelen hebben voorgedragen.

In de gevallen bedoeld in b), worden de partijen opgeroepen door de griffier om te verschijnen op de door de rechter vastgestelde zitting. De oproeping vermeldt het voorwerp van het verzoek. De griffier zendt een afschrift van het verzoekschrift over aan het openbaar ministerie.

In de gevallen bedoeld in c), moeten de dagvaarding of de waarschuwing, op straffe van nietigheid, worden gericht aan de ouders, voogden of degenen die de jongere onder hun bewaring hebben en aan hem zelf indien hij minstens twaalf jaar oud is, alsook aan de personen aan wie, in voorkomend geval, een vorderingsrecht toegekend is (ing. W. 2 februari 1994, art. 31, I: 27 september 1994)].

Artikel 63quater. (01/03/2023- ...)

[Artikel 52ter is (verv. Decr. 15 juli 2022, art. 14, I: 1 maart 2023)][van overeenkomstige toepassing op de maatregelen genomen ten gevolge van de vorderingen zoals bedoeld in artikel 63ter, eerste lid, a) (verv. Decr. 24 september 2019, art. 8, I: 1 september 2019)].

Artikel 63quinquies. (27/09/1994- ...)

[Indien in het kader van de rechtsplegingen bedoeld in artikel 63bis, de voorziene maatregelen van bepaalde duur zijn, moet de procedure voor verlenging van die maatregelen plaatsvinden overeenkomstig dezelfde vormvereisten als die welke vereist zijn voor de aanvankelijke beslissing. (ing. W. 2 februari 1994, art. 33, I: 27 september 1994)]

TITEL III ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 64. (01/09/1966- ...)

[... (opgeh. Decr. 27 juni 1985, art. 32, I: 15 juli 1986)]

Artikel 65. (15/04/1984- ...)

[... (opgeh. W. 2 december 1982, art. 1, I: 15 april 1984)]

Artikel 66. (01/09/1966- ...)

[... (opgeh. Decr. 27 juni 1985, art. 32, I: 15 juli 1986)]

Artikel 67. (01/09/1966- ...)

[... (opgeh. Decr. 27 juni 1985, art. 32, I: 15 juli 1986)]

Artikel 68. (01/09/1966- ...)

[... (opgeh. Decr. 27 juni 1985, art. 32, I: 15 juli 1986)]

Artikel 69. (... - ...)

[... (opgeh. Decr. 28 maart 1990, art. 22, I: 1 mei 1990)]

Artikel 70. (01/09/1966- ...)

[... (opgeh. Decr. 27 juni 1985, art. 32, I: 15 juli 1986)]

Artikel 71. (01/09/1966- ...)

[... (opgeh. Decr. 28 maart 1990, art. 22, I: 1 mei 1990)] De onderhoudsplichtigen die niet in het geding betrokken zijn, worden opgeroepen.

De jeugdrechtbank beslist evenzo op de voorziening ingesteld krachtens artikel 6, laatste lid.

Deze beslissingen zijn vatbaar voor hoger beroep en voor herziening.

Overtreding van de verplichtingen, door die beslissingen opgelegd, wordt gestraft overeenkomstig de bepalingen van artikel 391bis van het Strafwetboek.

De invordering van de kosten die ten laste van betrokkenen komen, geschiedt door bemiddeling van het bestuur der registratie en domeinen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949. de vordering verjaart door verloop van vijf jaren, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 72. (01/09/1966- ...)

[... (opgeh. Decr. 28 maart 1990, art. 22, I: 1 mei 1990)]

Artikel 73. (... - ...)

[... (opgeh. W. 27 juni 1969, art. 50, I: 1 januari 1970)]

Artikel 74. (01/09/1966- ...)

[... (opgeh. Decr. 28 maart 1990, art. 22, I: 1 mei 1990)]

De jeugdrechter bezoekt ten minste tweemaal per jaar iedere minderjarige die door hem geplaatst is krachtens een van de in artikel 37, 3° en 4°, bedoelde maatregelen. [... (opgeh. Decr. 28 maart 1990, art. 22, I: 1 mei 1990)]

Artikel 75. (30/04/1999- ...)

[Indien zij niet begeleid zijn door een ouder, hun voogd of een persoon die over hen de bewaring heeft, is het minderjarigen beneden de volle leeftijd van veertien jaar niet toegestaan de terechzittingen van de hoven en rechtbanken bij te wonen, tenzij voor de behandeling en de berechting van de vervolgingen die tegen hen zijn ingesteld, of wanneer zij in persoon moeten verschijnen of getuigenis moeten afleggen, en enkel voor de tijd dat hun aanwezigheid noodzakelijk is.

De voorzitter kan steeds de aanwezigheid van minderjarigen bij de terechtzitting verbieden, onder meer wegens het bijzonder karakter van de zaak of de omstandigheden waarin de terechtzitting verloopt. (verv. W. 10 maart 1999, art. 2, I: 30 april 1999)]

Artikel 76. (... - ...)

[... (opgeh. Decr. 28 maart 1990, art. 22, I: 1 mei 1990)]

Artikel 77. (01/09/1966- ...)

Elke persoon die, in welke hoedanigheid ook, zijn medewerking verleent aan de toepassing van deze wet, staat daardoor in voor de geheimhouding van de feiten die hem in de uitoefening van zijn opdracht worden toevertrouwd en die hiermede verband houden.

Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van toepassing.

Artikel 78. (... - ...)

[... (opgeh. Decr. 28 maart 1990, art. 22, I: 1 mei 1990)]

Artikel 79. (... - ...)

[... (opgeh. Decr. 28 maart 1990, art. 22, I: 1 mei 1990)]

TITEL IV STRAFBEPALINGEN

Artikel 80. (02/09/2005- ...)

[... (opgeh. W. 10 augustus 2005, art. 12, I: 2 september 2005)]

Artikel 81. (02/09/2005- ...)

[... (opgeh. W. 10 augustus 2005, art. 12, I: 2 september 2005)]

Artikel 82. (12/09/2005- ...)

[... (opgeh. W. 10 augustus 2005, art. 43, I: 12 september 2005)]

Artikel 83. (02/09/2005- ...)

[... (opgeh. W. 10 augustus 2005, art. 12, I: 2 september 2005)]

Artikel 84. (01/03/2023- ...)

In alle gevallen waarin een minderjarige [... (geschr. W. 19 januari 1990, art. 51, I: 1 mei 1990)] een [jeugddelict (verv. Decr. 15 juli 2023, art. 15, I: 1 maart 2023)] heeft gepleegd en welke maatregel ook tegen hem is genomen, kan, indien het feit vergemakkelijkt werd door gemis aan toezicht, degene die de minderjarige onder zijn bewaring heeft, veroordeeld worden tot gevangenisstraf van één dag tot zeven dagen en tot geldboete van één tot vijfentwintig frank, of tot een van die straffen alleen, onverminderd de bepalingen van het Strafwetboek en van de bijzondere wetten betreffende de deelneming.

Artikel 85. (01/09/2009- ...)

[... (opgeh. Decr. 15 februari 2019, art. 78, I: 1 september 2019)]

Artikel 86. (02/09/2005- ...)

[... (opgeh. W. 10 augustus 2005, art. 12, I: 2 september 2005)]

Artikel 87. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Voegt art. 372bis in, in het Strafwetboek)

Artikel 88. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Wijzigt artikel 377 van hetzelfde Wetboek)

Artikel 89. (02/04/2007- ...)

[Al de bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn toepasselijk op de misdrijven omschreven in de artikelen (verv. W. 13 juni 2006, art. 26, I: 2 april 2007)] [71 en 85 (verv. W. 27 december 2006, art. 102, I: 1 januari 2007)].

TITEL V OPHEFFINGS-, WIJZIGINGS- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 90. (01/09/1966- ...)

(niet opgenomen)
(Opgeheven worden:
1° de wet van 15 mei 1912 op de kinderbescherming
2° de artikelen 378, tweede lid, en 382, tweede lid, van het Strafwetboek;
3° artikel 4, tweede lid, van de wet van 28 mei 1888 nopens de bescherming van de in rondreizende beroepen tewerkgestelde kinderen)

Artikel 91. (01/09/1966- ...)

§ 1. [... (opgeh. W. 21 maart 1969, art. 5, I: 22 april 1969)]

§ 2. (niet opgenomen)
(Wijzigt artikel 369bis van het Strafwetboek)

§ 3. [... (opgeh. W. 10 oktober 1967, art. 1, §1, 119°, van art. 2 van de bijlage, I: 1 november 1970)]

§ 4. (niet opgenomen)
(Wijzigt artikel 13 van de wet van 5 september 1919 instellende het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn)

§ 5.(niet opgenomen)
(Wijzigt artikel 83 van de wet van 10 maart 1925 tot regeling van de openbare onderstand)

§ 6. (niet opgenomen)
(Wijzigt artikel 7 van het Kieswetboek)

§ 7. (niet opgenomen)
(Wijzigt artikel 123bis van het koninklijk besluit van 22 december 1938, voorzien bij de wet van 10 juni 1937 houdende uitbreiding van de kindertoeslagen tot de werkgevers en tot de niet-loontrekkende arbeiders)

§ 8. (niet opgenomen)
(Wijzigt artikel 70 van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loontrekkenden, gecoördineerd op 19 december 1939)

§ 9. (niet opgenomen)
(Wijzigt artikel 55 van de wetten op de toekenning van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gecoördineerd op 31 december 1949)

§ 10.(niet opgenomen)
(Wijzigt art. 5, 6, 9, 10, 11 en 12 van de wetten op het lager onderwijs, gecoördineerd op 20 augustus 1957)

§ 11. (niet opgenomen)
(Wijzigt de art. 7 en 9 van de wet van 15 juli 1960 tot zedelijke bescherming van de jeugd)

§ 12. (niet opgenomen)
(Wijzigt artikel 25 van de wet van 3 juli 1956 op het handelsregister)

Artikel 92. (02/09/2005- ...)

[... (opgeh. W. 10 augustus 2005, art. 12, I: 2 september 2005)]

Artikel 93. (02/09/2005- ...)

[... (opgeh. W. 10 augustus 2005, art. 12, I: 2 september 2005)]

Artikel 94. (02/09/2005- ...)

[... (opgeh. W. 10 augustus 2005, art. 12, I: 2 september 2005)]

Artikel 95. (02/09/2005- ...)

[... (opgeh. W. 10 augustus 2005, art. 12, I: 2 september 2005)]

Artikel 96. (02/09/2005- ...)

[... (opgeh. W. 10 augustus 2005, art. 12, I: 2 september 2005)]

Artikel 97. (02/09/2005- ...)

[... (opgeh. W. 10 augustus 2005, art. 12, I: 2 september 2005)]

Artikel 98. (01/09/1966- ...)

[... (opgeh. Decr. 27 juni 1985, art. 32, I: 15 juli 1986)]

Artikel 99. (02/09/2005- ...)

[... (opgeh. W. 10 augustus 2005, art. 12, I: 2 september 2005)]

Artikel 100. (01/09/1966- ...)

De Koning stelt de datum vast waarop alle bepalingen van deze wet of een deel ervan in werking treden.

Artikel 100bis. (16/10/2006- ...)

[Voor de zaken die hangend zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en van de wet van 15 mei 2006 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie, worden de in die wetten vermelde termijnen berekend vanaf de dag die volgt op hun inwerkingtreding. (verv. W. 13 juni 2006, art. 27, I: 16 oktober 2006)]


Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 24/09/2023