Decreet betreffende het mobiliteitsbeleid

Datum 20/03/2009

Inhoudstafel

  1. Titel I Algemene bepalingen
  2. Titel II Missie, doelstellingen en beginselen
  3. Titel III Mobiliteitsplanning en participatie
    1. HOOFDSTUK I Algemene bepalingen
    2. HOOFDSTUK II Mobiliteitsplanning op gewestelijk niveau
      1. Afdeling I Het Mobiliteitsplan Vlaanderen
      2. Afdeling II Het voortgangsrapport Mobiliteitsplan Vlaanderen
    3. HOOFDSTUK III Mobiliteitsplanning op gemeentelijk niveau
    4. HOOFDSTUK IV Mobiliteitsplanning op tussenliggend niveau
      1. Afdeling I Provinciaal mobiliteitscharter
      2. Afdeling II Mobiliteitsplan voor vervoersgebieden
    5. HOOFDSTUK V Mobiliteitsmonitoring
  4. [Titel III/1 Organisatorische omkadering van het duurzame lokale mobiliteitsbeleid (ing. decr.10 februari 2012, art. 12, I: 1 maart 2013)]
    1. [Hoofdstuk I Organisatiestructuur en taakverdeling (ing. decr. 10 februari 2012, art. 13, I: 1 maart 2013)]
      1. [Afdeling I Gemeentelijke en intergemeentelijke begeleidingscommissie (ing. decr. 10 februari 2012, art. 14, I: 1 maart 2013)]
      2. [Afdeling II De regionale mobiliteitscommissie (ing. decr. 10 februari 2012, art. 18, I: 1 maart 2013)]
    2. [Hoofdstuk II Integrale kwaliteitszorg bij projecten (ing. decr. 10 februari 2012, art. 21, I: 1 maart 2013)]
      1. [Afdeling I Projectmethodologie (ing. decr. 10 februari 2012, art. 22, I: 1 maart 2013)]
      2. [Afdeling II Kwaliteitsbewaking (ing. decr. 10 februari 2012, art. 25, I: 1 maart 2013)]
  5. [Titel III/2 Subsidiëring en uitvoering van het mobiliteitsbeleid (ing. decr. 10 februari 2012, art. 28, I: 1 maart 2013)]
    1. [Hoofdstuk I Subsidiëring van het mobiliteitsbeleid (ing. decr. 10 februari 2012, art. 29, I: 1 maart 2013)]
      1. [Afdeling I Subsidiëring van het duurzame lokale mobiliteitsbeleid (ing. decr. 10 februari 2012, art. 30, I: 1 maart 2013)]
      2. [Afdeling II Subsidiëring van het mobiliteitsbeleid op tussenliggend niveau (ing. decr. 10 februari 2012, art. 32, I: 1 maart 2013)]
    2. [Hoofdstuk II Samenwerkingsovereenkomsten (ing. decr. 10 februari 2012, art. 34, I: 1 maart 2013)]
  6. Titel IV Wijzigingsbepaling
  7. Titel V Slotbepalingen

Inhoud

Titel I Algemene bepalingen

Artikel 1. (30/04/2009- ...)

Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Artikel 2. (01/03/2013- ...)

In dit decreet wordt verstaan onder :
1° collectief vervoer : verplaatsingen waarbij verschillende personen gebruikmaken van hetzelfde gemotoriseerd voertuig, waaronder trein, metro, tram, bus, taxi of vervoer op aanvraag;
2° individueel gemotoriseerd vervoer : verplaatsingen waarbij het gemotoriseerde voertuig, ongeacht een hogere vervoerscapaciteit, slechts wordt gebruikt door één persoon;
3° vervoersgebied : een gebied, vermeld in artikel 9 van het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg;
4° MORA : de strategische adviesraad MORA, opgericht bij het decreet van 7 juli 2006 houdende de oprichting van de Mobiliteitsraad Vlaanderen;
5° SARO : de strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed, opgericht bij het decreet van 10 maart 2006 houdende oprichting van de strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed;
6° Minaraad : de strategische adviesraad voor het milieubeleid, Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen genaamd, opgericht bij het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
7° het departement : het departement binnen het homogene beleidsdomein, vermeld in artikel 28, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie waaraan de beleidsondersteunende opdrachten inzake mobiliteit worden toevertrouwd;
8° Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn : het agentschap, vermeld in artikel 2 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn;
9° Agentschap Wegen en Verkeer : het agentschap, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Agentschap Wegen en Verkeer;
10° De Scheepvaart : het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap De Scheepvaart, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 2 april 2004 betreffende de omzetting van de Dienst voor de Scheepvaart in het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap De Scheepvaart;
11° Waterwegen en Zeekanaal : het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Waterwegen en Zeekanaal, naamloze vennootschap van publiek recht, vermeld in artikel 3 van het decreet van 4 mei 1994 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Waterwegen en Zeekanaal, naamloze vennootschap van publiek recht;
12° regionale socio-economische overlegcomités : de instanties, vermeld in artikel 18 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités.
13° duurzaam lokaal mobiliteitsbeleid : een gemeentelijk of intergemeentelijk beleid dat in gedeelde verantwoordelijkheid tussen de betrokken actoren wordt uitgebouwd op basis van een geïntegreerde visie op een duurzame mobiliteit;
14° initiatiefnemer : elke rechtspersoon in opdracht waarvan projecten worden uitgevoerd;
15° project : een maatregel die of een geheel van maatregelen dat betrekking heeft op de ondersteuning van andere strategische plannen dan de mobiliteitsplannen, vermeld in artikel 6, de verbetering van bestaande of de aanleg van nieuwe infrastructuur, de uitbouw van een kwaliteitsvol openbaar vervoer en op andere maatregelen die bijdragen tot duurzame mobiliteit;
16° GBC : gemeentelijke begeleidingscommissie;
17° IGBC : intergemeentelijke begeleidingscommissie;
18° RMC : regionale mobiliteitscommissie.

Titel II Missie, doelstellingen en beginselen

Artikel 3. (30/04/2009- ...)

Het mobiliteitsbeleid is gericht op een duurzame mobiliteitsontwikkeling waarbij de mobiliteit wordt beheerd voor de huidige generatie zonder de behoeftevoorziening van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Daarbij wordt aandacht besteed aan de integratie van en de synergie tussen sociale, ecologische en economische aspecten. De realisatie ervan steunt op een maatschappelijk veranderingsproces waarin het gebruik van hulpbronnen, de bestemming van investeringen, de gerichtheid van de technologische ontwikkeling en institutionele veranderingen worden afgestemd op zowel toekomstige als huidige behoeften.

Artikel 4. (30/04/2009- ...)

Bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het volgen en het evalueren van het mobiliteitsbeleid beogen het Vlaamse Gewest, de eronder ressorterende diensten en agentschappen, de provincies, de gemeenten en de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut, de verwezenlijking van de volgende doelstellingen :
1° de bereikbaarheid van de economische knooppunten en poorten op een selectieve wijze waarborgen;
2° iedereen op een selectieve wijze de mogelijkheid bieden zich te verplaatsen, met het oog op de volwaardige deelname van eenieder aan het maatschappelijk leven;
3° de verkeersonveiligheid terugdringen met het oog op een wezenlijke vermindering van het aantal verkeersslachtoffers;
4° de verkeersleefbaarheid verhogen, onafhankelijk van de ontwikkeling van de mobiliteitsintensiteit;
5° de schade aan milieu en natuur terugdringen onafhankelijk van de ontwikkeling van de mobiliteitsintensiteit.

De overheden, diensten, agentschappen en rechtspersonen, vermeld in het eerste lid, houden bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het volgen en het evalueren van het mobiliteitsbeleid ook rekening met de volgende beginselen :
1° het STOP-beginsel, op grond waarvan de volgende rangorde wordt gerespecteerd voor de wenselijke mobiliteitsvormen :
a) de voetgangers;
b) de fietsers;
c) het collectieve vervoer;
d) het individueel gemotoriseerde vervoer;

2° het participatiebeginsel, op grond waarvan aan de burgers vroeg, tijdig en doeltreffend inspraak wordt verleend bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het volgen en het evalueren van het mobiliteitsbeleid.

Titel III Mobiliteitsplanning en participatie

HOOFDSTUK I Algemene bepalingen

Artikel 5. (30/04/2009- ...)

Het mobiliteitsplan is een beleidsplan dat in hoofdlijnen de langetermijnvisie aangeeft op de duurzame mobiliteitsontwikkeling.

Het mobiliteitsplan beoogt enerzijds samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen over duurzame mobiliteit, en anderzijds het mobiliteitsbeleid en de aanverwante beleidsdomeinen op elkaar af te stemmen.

Artikel 6. (01/03/2013- ...)

§ 1. Er wordt een mobiliteitsplan opgemaakt op de volgende niveaus :
1° op gewestelijk niveau, voor het geheel van het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
2° gemeentelijk, voor het geheel van het grondgebied van de gemeente.

Er kan ook een mobiliteitsplan worden opgemaakt op de volgende niveaus :
1° intergemeentelijk, voor het geheel van de grondgebieden van aangrenzende gemeenten;
2° op een tussenliggend niveau, voor een vervoersgebied of voor een specifiek mobiliteitsthema.

§ 2. De mobiliteitsplanning op gewestelijk niveau omvat :
1° het opstellen van een mobiliteitsplan, hierna Mobiliteitsplan Vlaanderen te noemen;
2° het opstellen van een voortgangsrapport.

§ 3. Het intergemeentelijk mobiliteitsplan kan bepalingen bevatten op intergemeentelijk en op gemeentelijk niveau.

Indien het intergemeentelijk mobiliteitsplan voor het gemeentelijk grondgebied voldoet aan de bepalingen van artikel 17 dient de gemeente geen afzonderlijk gemeentelijk mobiliteitsplan op te maken.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder aangrenzende gemeenten voor het geheel van hun grondgebieden een intergemeentelijk mobiliteitsplan kunnen opmaken.

Artikel 7. (30/12/2017- ...)

§ 1. Het Mobiliteitsplan Vlaanderen en de gemeentelijk mobiliteitsplannen bevatten een richtinggevend en een informatief deel.

§ 2. Van het richtinggevende deel van het plan kan niet worden afgeweken, tenzij wegens onvoorziene ontwikkelingen van de mobiliteitsbehoeften van de onderscheiden maatschappelijke activiteiten of om dringende sociale, culturele, economische, budgettaire of ecologische redenen. De afwijking mag de realisatie van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, eerste lid niet in het gedrang brengen. De beslissing die de overheid neemt over de afwijking, wordt gemotiveerd.

Het richtinggevende deel van het Mobiliteitsplan Vlaanderen is richtinggevend voor het Vlaamse Gewest, de eronder ressorterende diensten en agentschappen, de provincies en gemeenten, alsmede de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut. Het richtinggevende deel van een gemeentelijk mobiliteitsplan is richtinggevend voor de gemeente en de eronder ressorterende diensten en agentschappen.

§ 3. Het Mobiliteitsplan Vlaanderen en de gemeentelijk mobiliteitsplannen bevatten bepalingen die de afstemming regelen met :
1° de relevante bepalingen van ten minste de ruimtelijke structuurplannen of ruimtelijke beleidsplannen, de milieubeleidsplannen en de waterbeheerplannen;
2° de relevante beleidsdocumenten.

De bepalingen, vermeld in het eerste lid, zijn informatief.

§ 4. De in § 1 vermelde plannen vormen geen beoordelingsgrond voor vergunningen.
 

Artikel 8. (01/03/2013- ...)

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaraan fysieke personen, rechtspersonen, de personeelsleden van een onder het Vlaamse Gewest of een gemeente ressorterende dienst of agentschap moeten voldoen om een ontwerp van mobiliteitsplan te kunnen opmaken of een kwaliteitscontrole op dat ontwerp van plan te kunnen uitvoeren. Deze voorwaarden hebben ten minste betrekking op de interdisciplinariteit en kunnen onder meer variëren afhankelijk van het planningsniveau, de grootte en de aard van de gemeente.

HOOFDSTUK II Mobiliteitsplanning op gewestelijk niveau

Afdeling I Het Mobiliteitsplan Vlaanderen

Artikel 9. (30/04/2009- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering stelt het Mobiliteitsplan Vlaanderen vast voor een termijn van tien jaar.

Het plan heeft een tijdshorizon van twintig jaar en bevat een doorkijkperiode. De doorkijkperiode kan dertig jaar bedragen.

§ 2. Het plan kan op elk moment door de Vlaamse Regering geheel of gedeeltelijk worden herzien volgens de procedure die geldt voor de opmaak en de vaststelling ervan.

Het wordt ten minste om de vijf jaar geëvalueerd en zo nodig geheel of gedeeltelijk herzien. Het bestaande plan blijft gelden tot het nieuwe plan is bekendgemaakt.

Artikel 10. (30/12/2017- ...)

§ 1. Het informatieve deel van het Mobiliteitsplan Vlaanderen bevat ten minste :
1° een omschrijving, analyse en evaluatie van de bestaande mobiliteitstoestand;
2° een onderzoek naar de toekomstige mobiliteitsbehoeften van de onderscheiden maatschappelijke activiteiten;
3° een opsomming, analyse en evaluatie van de relevante voorschriften van de gewestelijke beleidsplannen, waaronder minstens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen of het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, het gewestelijk milieubeleidsplan, en de relevante gewestelijke beleidsdocumenten, waarmee in voorkomend geval de afstemming wordt geregeld overeenkomstig artikel 7, § 3, 1°;
4° een beschrijving, analyse en evaluatie van het mobiliteitsbeleid, de relevante beleidsplannen en beleidsdocumenten van de Europese Unie, naburige staten, de federale staat of de gewesten die een invloed hebben op de mobiliteitstoestand in het Vlaamse Gewest, waarmee in voorkomend geval de afstemming wordt geregeld overeenkomstig artikel 7, § 3, 1°;
5° een omstandige omschrijving van de redelijkerwijs in aanmerking te nemen alternatieven om de gewenste mobiliteit te bereiken.

§ 2. Het richtinggevende deel van het Mobiliteitsplan Vlaanderen omvat ten minste :
1° een beschrijving van de gewenste mobiliteitsontwikkeling;
2° de operationele doelstellingen betreffende de mobiliteitsontwikkeling;
3° een actieplan, uitgewerkt in hoofdlijnen, dat bestaat in de maatregelen, middelen, termijnen, en de prioriteiten die daarbij gelden, en, in voorkomend geval, een lijst met punten waarvoor overleg en samenwerking met naburige staten, de federale staat of de gewesten is aangewezen. Het actieplan wordt zonodig geactualiseerd op basis van het voortgangsrapport vermeld in artikel 15.
 

Artikel 11. (30/03/2012- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering besluit tot het opmaken van het Mobiliteitsplan Vlaanderen en treft daartoe de nodige maatregelen.

De Vlaamse Regering stelt in het besluit, vermeld in het eerste lid, een participatietraject vast dat minstens de volgende aspecten van de participatie regelt :
1° de vormgeving van de participatie;
2° een tijdpad met termijnstelling;
3° de aanwijzing binnen het departement van een ambtelijke coördinator of een ambtelijk coördinatieteam, belast met de organisatie van de participatie;
4° de evaluatie van de participatie;
5° de wijze van communicatie over de aspecten, vermeld in punt 1° tot en met 4°.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud van het participatietraject.

Het besluit betreffende het participatietraject wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De Vlaamse Regering maakt het participatietraject ruim bekend.

§ 2. De Vlaamse Regering wijst een ambtelijke werkgroep aan, hierna de gewestelijke planningscommissie te noemen, die is belast met de voorbereiding, de voortgangscontrole van de uitvoering en de evaluatie van het Mobiliteitsplan Vlaanderen.

De planningscommissie is ten minste samengesteld uit personeel van :
1° het departement Mobiliteit en Openbare Werken;
2° Agentschap Wegen en Verkeer;
3° ...
4° De Scheepvaart;
5° Waterwegen en Zeekanaal;
6° de Vlaamse Vervoersmaatschappij - De Lijn.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de samenstelling, werking en opdracht van de commissie.

Artikel 12. (30/04/2009- ...)

Voorafgaand aan de voorlopige vaststelling van het Mobiliteitsplan Vlaanderen stelt de gewestelijke planningscommissie een niet-technische samenvatting op met een tussentijds overzicht van de belangrijkste mobiliteitsproblemen, de aanpak ervan en de mogelijke alternatieven. Dit document wordt ter kennis gebracht van de bevolking en aan een publieke consultatie onderworpen overeenkomstig de bepalingen van het daartoe vastgestelde participatietraject als vermeld in artikel 11, § 1, tweede lid.

De coördinator of het coördinatieteam, vermeld in artikel 11, § 1, tweede lid, 3°, verzamelt de resultaten van de consultatie en bezorgt ze aan de gewestelijke planningscommissie.

Artikel 13. (30/04/2009- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering stelt een ontwerp van Mobiliteitsplan Vlaanderen voorlopig vast, bezorgt het aan de MORA en onderwerpt het Mobiliteitsplan Vlaanderen aan een openbaar onderzoek. Iedereen kan gedurende een inspraaktermijn van zestig dagen zijn schriftelijke opmerkingen en bezwaren indienen bij de MORA.

Indien het ontwerp van Mobiliteitsplan Vlaanderen een aangelegenheid betreft, vermeld in artikel 6, § 3bis, 2° en 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, waarvoor een procedure tot overleg met de betrokken gewestregeringen en de betrokken federale overheid is voorgeschreven, treft de Vlaamse Regering daartoe de nodige maatregelen. In voorkomend geval houdt de Vlaamse Regering rekening met de resultaten van dit overleg.

§ 2. De Vlaamse Regering legt het ontwerp van Mobiliteitsplan Vlaanderen bij de aanvang van het openbaar onderzoek voor aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en aan de SARO, die binnen de termijn, vermeld in § 1, eerste lid, hun advies bezorgen aan de MORA. Als het advies niet is verleend binnen die termijn, mag aan het adviesvereiste worden voorbijgegaan.

§ 3. De MORA bundelt en coördineert alle adviezen, opmerkingen en bezwaren en, in voorkomend geval, de resultaten van de publieke consultatie, vermeld in artikel 12, en brengt op basis daarvan een gemotiveerd advies uit.

Binnen een termijn van zestig dagen na de termijn van het openbaar onderzoek, vermeld in § 2, bezorgt de MORA zijn advies aan het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering. Als de MORA geen advies heeft verleend binnen die termijn, mag aan het adviesvereiste worden voorbijgegaan. In dat geval bezorgt de MORA onmiddellijk de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren en resultaten van de publieke consultatie, vermeld in artikel 12, aan het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering.

§ 4. Het Vlaams Parlement kan binnen een termijn van zestig dagen na de ontvangst van het advies van de MORA of van de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren, en van de resultaten van de publieke consultatie, vermeld in artikel 12, een standpunt uitbrengen over het ontwerp van het Mobiliteitsplan Vlaanderen.

§ 5. De Vlaamse Regering stelt het Mobiliteitsplan Vlaanderen definitief vast binnen de zestig dagen na de ontvangst van het standpunt van het Vlaams Parlement, en in ieder geval binnen een termijn van zestig dagen na verloop van de termijn, vermeld in § 4.

Bij de definitieve vaststelling van het plan kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde plan alleen wijzigingen worden aangebracht die zijn gebaseerd op of die voortvloeien uit de opmerkingen en bezwaren van het openbaar onderzoek en, in voorkomend geval, die zijn gebaseerd op of die voortvloeien uit de overige resultaten van de publieke consultatie, vermeld in artikel 12, de uitgebrachte adviezen en het standpunt van het Vlaams Parlement.

Het vaststellingsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het plan treedt in werking op de datum, bepaald door de Vlaamse Regering, en uiterlijk 24 maanden na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.

De Vlaamse Regering draagt er zorg voor dat het Mobiliteitsplan Vlaanderen ruim wordt bekendgemaakt.

§ 6. De richtinggevende bepalingen van de bestaande gemeentelijke mobiliteitsplannen die strijdig zijn met de richtinggevende bepalingen van het Mobiliteitsplan Vlaanderen, worden van rechtswege opgeheven door de definitieve vaststelling van dat laatste plan.

De gemeente in kwestie brengt binnen de termijn, opgelegd door de Vlaamse Regering, de wijzigingen aan in het gemeentelijk mobiliteitsplan die noodzakelijk zijn om de onderlinge afstemming van de bepalingen, vermeld in het eerste lid, te verzekeren en brengt de Vlaamse Regering daarvan op de hoogte.

Artikel 14. (30/04/2009- ...)

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud, de methodologie, de procedure voor de opmaak, de evaluatie, de herziening, de bekendmaking van het Mobiliteitsplan Vlaanderen en de kwaliteitscontrole op dat plan.

Afdeling II Het voortgangsrapport Mobiliteitsplan Vlaanderen

Artikel 15. (30/04/2009- ...)

§ 1. Met behoud van de jaarlijkse verslaggeving, vermeld in § 2, wordt er tweejaarlijks een voortgangsrapport opgesteld dat ten minste is samengesteld uit :
1° een omschrijving, analyse en evaluatie van de mobiliteitstoestand en de ontwikkeling ervan;
2° een omschrijving, analyse en evaluatie van het gevoerde mobiliteitsbeleid, als dat relevant is voor de bedoelde verslaggeving en evaluatie, vermeld in 3° tot en met 5°;
3° een verslag van de stand van de uitvoering van het Mobiliteitsplan Vlaanderen;
4° een omschrijving, analyse en evaluatie van de redenen voor de vertraging bij de uitvoering en het niet-bereiken van de operationele doelstellingen;
5° een opgave van de nog uit te voeren maatregelen en het vermoedelijke tijdschema ervan ter uitvoering van het actieplan van het Mobiliteitsplan Vlaanderen en de eventuele alternatieven om de operationele doelstellingen van het plan alsnog te bereiken;
6° een overzicht van de in het ontwerp van de begroting geraamde inkomsten en uitgaven voor de uitvoering van het Mobiliteitsplan Vlaanderen.

§ 2. De gewestelijke planningscommissie, vermeld in artikel 11, § 2, is belast met de opmaak van het voortgangsrapport.

De gewestelijke planningscommissie brengt jaarlijks, voor de opmaak van de begroting, verslag uit aan de Vlaamse Regering over de aspecten, vermeld in § 1, punt 3° tot en met 6°.

§ 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inhoud, de methodologie en de vorm van het voortgangsrapport. Ze draagt er zorg voor dat aan het voortgangsrapport een ruime bekendheid wordt gegeven.

HOOFDSTUK III Mobiliteitsplanning op gemeentelijk niveau

Artikel 16. (01/03/2013- ...)

§ 1. De gemeenteraad stelt een gemeentelijk mobiliteitsplan vast. Het gemeentelijk mobiliteitsplan geeft het kader aan voor het gewenste duurzame lokaal mobiliteitsbeleid. Het plan heeft een tijdshorizon van tien jaar en kan een doorkijkperiode van dertig jaar omvatten.

Het gemeentelijk mobiliteitsplan richt zich naar het Mobiliteitsplan Vlaanderen, waarvan het de bepalingen aanvult op gemeentelijk niveau.

De GBC, vermeld in artikel 26/1, § 1, is belast met de voorbereiding, de opmaak, de opvolging, de evaluatie en, in voorkomend geval, de herziening van het gemeentelijk mobiliteitsplan.

Het gemeentelijk mobiliteitsplan is onttrokken aan het toepassingsgebied van het decreet van 15 juli 2011 houdende vaststelling van de algemene regels waaronder in het Vlaamse Gewest periodieke plan- en rapporteringsverplichtingen aan lokale besturen kunnen worden opgelegd.";

§ 2. Het gemeentelijk mobiliteitsplan kan op elk moment geheel of gedeeltelijk worden herzien.

Het wordt ten minste om de zes jaar geëvalueerd en zo nodig geheel of gedeeltelijk herzien volgens de procedure die geldt voor de opmaak en de vaststelling ervan.

Het bestaande plan blijft gelden tot het nieuwe plan is bekendgemaakt overeenkomstig artikel 19, § 5.

§ 3. Het gemeentelijk mobiliteitsplan wordt geëvalueerd met het oog op de eventuele herziening ervan, aan de hand van een evaluatietool, hierna sneltoets te noemen.

De resultaten van de sneltoets worden ter bespreking voorgelegd aan de RMC, vermeld in artikel 26/4.

Na bespreking in de RMC verleent de kwaliteitsadviseur, vermeld in artikel 26/4, § 3, advies overeenkomstig de bepalingen van artikel 26/8, § 3, tweede lid. Het advies van de kwaliteitsadviseur wordt verleend aan de hand van de criteria, vermeld in artikel 26/8, § 1, tweede lid.

Tegen het ongunstig advies van de kwaliteitsadviseur kan door elk van de leden van de GBC, vermeld in artikel 26/1, § 2, eerste lid, een verzoek tot heroverweging worden ingediend bij de Vlaamse Regering. De bepalingen van artikel 26/9, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op dit verzoek.

Bij ongunstig advies brengt de GBC aan de sneltoets de nodige aanpassingen aan om tegemoet te komen aan de punten die aanleiding gaven tot het ongunstig advies, behalve als het ongunstig advies werd heroverwogen.

Bij aanpassing van de sneltoets, als vermeld in het vierde lid, wordt het opnieuw ter advies voorgelegd aan de kwaliteitsadviseur. Dit advies is beperkt tot de punten die aanleiding gaven tot het ongunstig advies over de sneltoets en beoordeelt of de aanpassingen aan de sneltoets hieraan tegemoet komen. De kwaliteitsadviseur brengt zijn advies uit over de aangepaste sneltoets binnen de termijn daartoe bepaald door de Vlaamse Regering. Als het advies niet binnen die termijn wordt uitgebracht, wordt het geacht gunstig te zijn. Tegen het ongunstig advies kan een verzoek tot heroverweging worden ingediend bij de Vlaamse Regering. De bepalingen van artikel 26/9, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op dit verzoek.

Na uitvoering van de sneltoets wordt het gemeentelijk mobiliteitsplan zo nodig geheel of gedeeltelijk herzien.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de inhoud, de vorm en de procedure van de sneltoets.

Artikel 17. (30/12/2017- ...)

§ 1. Het informatieve deel van het gemeentelijk mobiliteitsplan bevat ten minste :
1° een omschrijving, analyse en evaluatie van de bestaande, lokale mobiliteitstoestand;
2° een onderzoek naar de toekomstige mobiliteitsbehoeften van de onderscheiden maatschappelijke activiteiten;
3° een omschrijving, analyse en evaluatie van de relatie met onder meer het Mobiliteitsplan Vlaanderen, de relevante provinciale en gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen of provinciale en gemeentelijke ruimtelijke beleidsplannen, de provinciale en gemeentelijke milieubeleidsplannen, en de relevante provinciale en gemeentelijke beleidsdocumenten, waarmee in voorkomend geval de afstemming wordt geregeld overeenkomstig artikel 7, § 3;
4° een omstandige omschrijving van de redelijkerwijs in aanmerking te nemen alternatieven om de gewenste mobiliteit op het lokale vlak te bereiken.

§ 2. Het richtinggevende deel van het gemeentelijk mobiliteitsplan omvat ten minste :
1° een beschrijving van de gewenste lokale mobiliteitsontwikkeling;
2° de operationele doelstellingen betreffende de lokale mobiliteitsontwikkeling;
3° een actieplan, uitgewerkt in hoofdlijnen, dat bestaat in de maatregelen, middelen, termijnen, en de prioriteiten die daarbij gelden, en, in voorkomend geval, een lijst met punten waarvoor overleg en samenwerking met naburige gemeenten wenselijk zijn.

§ 3. Het gemeentelijk mobiliteitsplan geeft aan in hoeverre het voorgenomen mobiliteitsbeleid is afgestemd op de beleidsplannen, vermeld in § 1, eerste lid, 3°, of aanleiding geeft tot een wijziging van gemeentelijke beleidsplannen of gemeentelijke beleidsdocumenten.
 

Artikel 18. (01/03/2013- ...)

Het college van burgemeester en schepenen besluit tot het opmaken van een gemeentelijk mobiliteitsplan en treft daartoe de nodige maatregelen. Het college van burgemeester en schepenen besluit tevens tot het opmaken van een voorstel van participatietraject.

In voorkomend geval besluiten de colleges van burgemeester en schepenen van aangrenzende gemeenten tot het opmaken van een intergemeentelijk mobiliteitsplan.

Als daarvan niet uitdrukkelijk wordt afgeweken, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing op het intergemeentelijk mobiliteitsplan.

Artikel 19. (01/03/2013- ...)

§ 1. De gemeenteraad stelt het ontwerp van gemeentelijk mobiliteitsplan voorlopig vast.

§ 2. De gemeenteraad keurt het voorstel van participatietraject goed.

Als geen regels worden vastgesteld voor de participatie van de bevolking en de informatievoorziening, vermeld in het eerste lid, onderwerpt het college van burgemeester en schepenen het voorlopige ontwerp van gemeentelijk mobiliteitsplan minstens aan een openbaar onderzoek.

§ 3. Na afloop van het openbaar onderzoek of andere vormen van participatie wordt het ontwerp van gemeentelijk mobiliteitsplan, samen met de resultaten van het openbaar onderzoek of andere vormen van participatie, ter bespreking voorgelegd aan de RMC, vermeld in artikel 26/4.

Na de bespreking in de RMC verleent de kwaliteitsadviseur, vermeld in artikel 26/4, § 3, advies overeenkomstig de bepalingen van artikel 26/8, § 3, tweede lid. Het advies van de kwaliteitsadviseur wordt verleend aan de hand van de criteria, vermeld in artikel 26/8, § 1, tweede lid.

Het advies van de kwaliteitsadviseur luidt :
1° gunstig, als de kwaliteitsadviseur oordeelt dat het ontwerp van gemeentelijk mobiliteitsplan voldoet aan die criteria;
2° ongunstig, als de kwaliteitsadviseur oordeelt dat het ontwerp van gemeentelijk mobiliteitsplan niet voldoet aan die criteria.

Als het advies niet is uitgebracht binnen de termijn daartoe bepaald door de Vlaamse Regering, wordt het geacht gunstig te zijn.

Tegen het ongunstig advies van de kwaliteitsadviseur kan door elk van de leden van de GBC, vermeld in artikel 26/1, § 2, eerste lid, een verzoek tot heroverweging worden ingediend bij de Vlaamse Regering. De bepalingen van artikel 26/9, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op dit verzoek.

Bij ongunstig advies van de kwaliteitsadviseur brengt de gemeenteraad bij de definitieve vaststelling van het gemeentelijk mobiliteitsplan de vereiste aanpassingen aan om tegemoet te komen aan de punten die aanleiding gaven tot het negatief advies, behalve als het ongunstig advies werd heroverwogen.

Bij aanpassing van het gemeentelijk mobiliteitsplan, als vermeld in het zesde lid, wordt het opnieuw ter advies voorgelegd aan de kwaliteitsadviseur. Dit advies is beperkt tot de punten die aanleiding gaven tot het ongunstig advies over het ontwerp van gemeentelijk mobiliteitsplan en beoordeelt of de aanpassingen aan het gemeentelijk mobili- teitsplan hieraan tegemoet komen. De kwaliteitsadviseur brengt zijn advies uit over het aangepaste plan binnen de termijn daartoe bepaald door de Vlaamse Regering. Als het advies niet binnen die termijn wordt uitgebracht, wordt het geacht gunstig te zijn. Tegen het ongunstig advies kan een verzoek tot heroverweging worden ingediend bij de Vlaamse Regering. De bepalingen van artikel 26/9, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op dit verzoek.

§ 4. De gemeenteraad stelt het gemeentelijk mobiliteitsplan definitief vast binnen zestig dagen na de ontvangst van het gunstig advies van de kwaliteitsadviseur, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de kwaliteitsadviseur advies diende uit te brengen of na ontvangst van de beslissing van de Vlaamse Regering waarbij het ongunstig advies van de kwaliteitsadviseur werd heroverwogen.

Bij de definitieve vaststelling van het plan kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde plan alleen wijzigingen worden aangebracht die zijn gebaseerd op of voortvloeien uit de opmerkingen en bezwaren van het openbaar onderzoek en, in voorkomend geval, de wijzigingen die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit overige resultaten van de participatie en de uitgebrachte adviezen, onverkort de bepalingen van § 3, zesde lid.

§ 5. Het vaststellingsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het gemeentelijk mobiliteitsplan treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan.

Een intergemeentelijk mobiliteitsplan treedt pas in werking veertien dagen nadat het vaststellingsbesluit van alle betrokken gemeenten bij uittreksel werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Zolang niet alle vaststellingsbesluiten zijn bekendgemaakt, treden alleen de bepalingen in werking die uitsluitend betrekking hebben op het grondgebied van de gemeente waarvan het vaststellingsbesluit overeenkomstig het eerste lid werd bekendgemaakt.

Het college van burgemeester en schepenen geeft een ruime bekendheid aan het gemeentelijk mobiliteitsplan.

Artikel 20. (30/04/2009- ...)

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud, de methodologie, de procedure voor de opmaak, de evaluatie, de herziening en de bekendmaking van het gemeentelijk of intergemeentelijk mobiliteitsplan.

Artikel 21. (01/03/2013- ...)

...

HOOFDSTUK IV Mobiliteitsplanning op tussenliggend niveau

Afdeling I Provinciaal mobiliteitscharter

Artikel 22. (30/03/2012- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering en de deputatie kunnen gezamenlijk een provinciaal mobiliteitscharter opmaken.

Dit charter is een beleidsovereenkomst die in gezamenlijk overleg wordt opgesteld over een specifiek mobiliteitsthema dat verband kan houden met onder meer :
1° het provinciaal fietsbeleid, meer specifiek de algemene coördinatie van het fietsbeleid binnen de provincie en de opvolging van de realisatie van het Bovenlokaal Functioneel Fietsroutenetwerk;
2° het woon-werkverkeer, meer specifiek het bedrijfsvervoermanagement;
3° de mobiliteitseducatie, meer specifiek de coördinatie van educatieve initiatieven binnen de provincie en de sensibilisering naar specifieke doelgroepen toe;
4° de trage mobiliteit;
5° de verkeersveiligheid.

§ 2. Het provinciaal mobiliteitscharter legt met betrekking tot één of meer van de in § 1, tweede lid, vermelde mobiliteitsthema's de afspraken vast die in overleg tussen de provincie en het Vlaamse Gewest worden gemaakt over de wijze waarop bepaalde operationele doelstellingen en prioriteiten van het Mobiliteitsplan Vlaanderen op provinciaal niveau worden uitgewerkt.

Artikel 23. (30/04/2009- ...)

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de opmaak en de inhoud van het provinciaal mobiliteitscharter.

Afdeling II Mobiliteitsplan voor vervoersgebieden

Artikel 24. (30/04/2009- ...)

De Vlaamse Regering kan maatregelen nemen om een mobiliteitsplan voor een vervoersgebied op te maken. Ze doet daarbij een beroep op de planningscommissie, vermeld in artikel 11, § 2.

De Vlaamse Regering consulteert daarvoor ten minste :
1° de provincies;
2° de regionale socio-economische overlegcomités.

HOOFDSTUK V Mobiliteitsmonitoring

Artikel 25. (30/04/2009- ...)

De Vlaamse Regering ontwikkelt en beheert een mobiliteitsmonitoringsysteem.

Dat systeem strekt ertoe de vereiste gegevens over de mobiliteitstoestand te verzamelen, te beheren en te toetsen zodat kan worden nagegaan of de operationele doelstellingen die opgenomen zijn in de mobiliteitsplannen op een kostenefficiënte wijze worden bereikt.

Het mobiliteitsmonitoringsysteem bevat ten minste de ontwikkeling en het beheer van :
1° meetinstrumenten;
2° mobiliteitsindicatoren;
3° een centrale, geïntegreerde gegevensdatabank, in voorkomend geval gekoppeld aan een meldings- of rapportageplicht voor het Vlaamse Gewest, de eronder ressorterende diensten en agentschappen, de besturen, en de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut;
4° een managementinformatiesysteem.

Bij de vaststelling of herziening van de mobiliteitsplannen en bij het opstellen van de voortgangsrapporten wordt steeds rekening gehouden met de resultaten van de mobiliteitsmonitoring, vermeld in het eerste lid.

Artikel 26. (30/04/2009- ...)

Voor de uitvoering van die mobiliteitsmonitoring kunnen de noodzakelijke meetinstallaties en nutsleidingen bij wijze van erfdienstbaarheid van openbaar nut worden aangebracht.

[Titel III/1 Organisatorische omkadering van het duurzame lokale mobiliteitsbeleid (ing. decr.10 februari 2012, art. 12, I: 1 maart 2013)]

[Hoofdstuk I Organisatiestructuur en taakverdeling (ing. decr. 10 februari 2012, art. 13, I: 1 maart 2013)]

[Afdeling I Gemeentelijke en intergemeentelijke begeleidingscommissie (ing. decr. 10 februari 2012, art. 14, I: 1 maart 2013)]

Artikel 26/1. (01/03/2013- ...)

§ 1. Op initiatief van de gemeente wordt in elke gemeente een GBC ingesteld. De GBC is een multidisciplinair en beleidsdomeinoverschrijdend overlegforum.

De GBC is verantwoordelijk voor :
1° de voorbereiding, de opmaak, de opvolging, de evaluatie en, in voorkomend geval, de herziening van het gemeentelijk of intergemeentelijk mobiliteitsplan;
2° de begeleiding van de voorbereiding, de opmaak, de opvolging en de evaluatie van projecten die aansluiten bij het duurzame lokale mobiliteitsbeleid.

§ 2. De GBC is ten minste samengesteld uit :
1° de initiatiefnemer, als die niet de hoedanigheid, vermeld in punt 2° tot en met 5°, heeft;
2° een vertegenwoordiger van de gemeente;
3° een vertegenwoordiger van het departement;
4° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn;
5° een vertegenwoordiger van de betrokken wegbeheerder, als die niet de hoedanigheid, vermeld in punt 1° tot en met 3°, heeft.

De samenstelling van de GBC kan worden uitgebreid met andere relevante actoren overeenkomstig de bepalingen die zijn vastgesteld door de Vlaamse Regering.

Als daartoe wordt besloten door de gemeenteraad in het kader van participatie, kunnen de vergaderingen van de GBC worden opengesteld voor vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de bevolking.

Artikel 26/2. (01/03/2013- ...)

Op voorstel van de initiatiefnemer kunnen de werkzaamheden van de GBC of deelaspecten ervan worden gebundeld in een gezamenlijk bovenlokaal overlegplatform, IGBC genoemd.

Artikel 26/1, § 1, tweede lid, en § 2, zijn van overeenkomstige toepassing op de IGBC.

Artikel 26/3. (01/03/2013- ...)

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de organisatie, de samenstelling, de werking en de opdracht van de GBC en de IGBC.

[Afdeling II De regionale mobiliteitscommissie (ing. decr. 10 februari 2012, art. 18, I: 1 maart 2013)]

Artikel 26/4. (07/12/2017- ...)

§ 1. De Vlaamse Regering stelt een RMC in die haar beraadslagingen kan houden in elke provincie. De RMC is een multidisciplinaire en beleidsdomeinoverschrijdende beoordelingscommissie.

De RMC is verantwoordelijk voor :
1° de uitvoering van een kwaliteitscontrole op het ontwerp, de evaluatie en, in voorkomend geval, de herziening van het gemeentelijk of intergemeentelijk mobiliteitsplan;
2° de uitvoering van een kwaliteitscontrole op projecten.

§ 2. De RMC is tenminste samengesteld uit :
1° de initiatiefnemer, als die niet de hoedanigheid, vermeld in punt 2° tot en met 7°, heeft;
2° een vertegenwoordiger van het departement;
3° een vertegenwoordiger van het Agentschap Wegen en Verkeer;
4° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn;
5° een vertegenwoordiger van het Departement Omgeving, deskundig op het vlak van ruimtelijke ordening;
6° een vertegenwoordiger van de gemeenten in kwestie;
7° een vertegenwoordiger van de provincie.

De samenstelling van de RMC kan worden uitgebreid met andere relevante actoren.

§ 3. De RMC wordt bijgestaan door een kwaliteitsadviseur die wordt aangesteld door het departement.

De kwaliteitsadviseur is verantwoordelijk voor :
1° de inhoudelijke begeleiding van de beraadslaging in de RMC;
2° het verlenen van gemotiveerd advies over het ontwerp van gemeentelijk of intergemeentelijk mobiliteitsplan en de resultaten van de sneltoets;
3° het verlenen van gemotiveerd advies over de projecten.

Artikel 26/5. (01/03/2013- ...)

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de organisatie, de samenstelling, de werking en de opdracht van de RMC en de aanstelling en taakstelling van de kwaliteitsadviseur.

[Hoofdstuk II Integrale kwaliteitszorg bij projecten (ing. decr. 10 februari 2012, art. 21, I: 1 maart 2013)]

[Afdeling I Projectmethodologie (ing. decr. 10 februari 2012, art. 22, I: 1 maart 2013)]

Artikel 26/6. (01/03/2013- ...)

De door de Vlaamse Regering aangewezen projecten worden op een gefaseerde wijze uitgewerkt, waarbij de volgende stappen worden onderscheiden :
1° een analyse van de feitelijke, financiële en juridische context en de eventuele oplossingsvarianten voor een mobiliteitsprobleem, met aanduiding van de voorkeursoplossing. Hierbij gaat bijzondere aandacht uit naar de meest kwetsbare weggebruikers;
2° een voorontwerp, met inbegrip van een verklarende nota, die de nadere uitwerking bevat van de gekozen oplossing.

Er wordt ook een evaluatie uitgevoerd die aangeeft hoe het project of de cluster van samenhangende projecten bijdraagt tot een duurzaam lokaal mobiliteitsbeleid.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de inhoud van de analyse, het voorontwerp en de evaluatie, vermeld in het eerste en tweede lid, en de wijze van rapportage daarover, en stelt de voorwaarden vast waaronder de stappen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, kunnen worden geïntegreerd.

Artikel 26/7. (01/03/2013- ...)

De initiatiefnemer zorgt voor de uitvoering van de analyse, het voorontwerp en de evaluatie, vermeld in artikel 26/6, eerste en tweede lid, en rapporteert daarover volgens de regels die daarvoor zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 26/6, derde lid. Hij houdt daarbij rekening met de aanbevelingen van de GBC of de IGBC en het advies van de kwaliteitsadviseur.

De GBC of IGBC begeleidt de uitvoering van de analyse, het voorontwerp en de evaluatie. Daarvoor houdt de GBC of de IGBC de nodige beraadslagingen en verstrekt ze aanbevelingen aan de initiatiefnemer.

De GBC of IGBC verstrekt haar aanbevelingen bij consensus.

[Afdeling II Kwaliteitsbewaking (ing. decr. 10 februari 2012, art. 25, I: 1 maart 2013)]

Artikel 26/8. (01/03/2013- ...)

§ 1. Na de beraadslaging in de GBC of de IGBC bezorgt de initiatiefnemer de rapportage over de analyse, het voorontwerp en de evaluatie, vermeld in artikel 26/6, eerste en tweede lid, alsook alle andere relevante documenten aan de kwaliteitsadviseur en aan de RMC.

De kwaliteitsadviseur brengt advies uit over de projectfase in kwestie. Daarvoor wordt ten minste de conformiteit getoetst aan de relevante regelgeving, zoals de bepalingen van dit decreet of het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg en de uitvoeringsbesluiten ervan, de richtinggevende bepalingen van het toepasselijk mobiliteitsplan en, in voorkomend geval, de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in artikel 26/12.

§ 2. Het advies van de kwaliteitsadviseur luidt :
1° gunstig, als de kwaliteitsadviseur oordeelt dat de projectfase in kwestie voldoet aan de criteria, vermeld in § 1, tweede lid;
2° ongunstig, als de kwaliteitsadviseur oordeelt dat de projectfase in kwestie niet voldoet aan die criteria.

Het advies wordt gegeven na de ontvangst van de rapportage en alle andere relevante documenten, vermeld in § 1, eerste lid, en binnen de termijn daartoe bepaald overeenkomstig § 4. De kwaliteitsadviseur brengt het departement, de RMC, de GBC of de IGBC op de hoogte van het advies.

Bij ongunstig advies kan de initiatiefnemer, in voorkomend geval na het aanbrengen van de nodige aanpassingen, het project opnieuw voorleggen aan de GBC.

§ 3. In afwijking van § 1, eerste lid, worden de rapportage over de analyse, het voorontwerp en de evaluatie, en alle andere relevante documenten ter bespreking voorgelegd aan de RMC als :
1° geen consensus werd bereikt binnen de GBC of de IGBC;
2° de kwaliteitsadviseur daarom verzoekt;
3° de initiatiefnemer daarom verzoekt.

Na de beraadslaging in de RMC verleent de kwaliteitsadviseur advies overeenkomstig de §§ 1 tot en met 3. In afwijking van § 2, tweede lid, verleent de kwaliteitsadviseur mondeling advies op de vergadering van de RMC waarop over het project wordt beraadslaagd. De kwaliteitsadviseur bezorgt na de vergadering van de RMC binnen de termijn daartoe bepaald overeenkomstig § 4, de schriftelijke neerslag van zijn advies aan het departement, de RMC, de GBC of de IGBC.

§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de procedure, de vorm en de termijn waarbinnen de kwaliteitsadviseur zijn advies uitbrengt. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

Artikel 26/9. (01/03/2013- ...)

Elk lid van de GBC of de IGBC, vermeld in artikel 26/1, § 2, eerste lid, en artikel 26/2, kan een verzoek tot heroverweging indienen tegen :
1° het herhaalde ongunstige advies van de kwaliteitsadviseur;
2° het gunstige advies van de kwaliteitsadviseur, als het verzoek tot heroverweging wordt ingesteld door het lid van de GBC of de IGBC van wie het bezwaar aanleiding heeft gegeven tot het niet-bereiken van de consensus binnen de GBC of de IGBC.

Het verzoek tot heroverweging wordt ingediend bij de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels en de procedure van het verzoek tot heroverweging vast.

[Titel III/2 Subsidiëring en uitvoering van het mobiliteitsbeleid (ing. decr. 10 februari 2012, art. 28, I: 1 maart 2013)]

[Hoofdstuk I Subsidiëring van het mobiliteitsbeleid (ing. decr. 10 februari 2012, art. 29, I: 1 maart 2013)]

[Afdeling I Subsidiëring van het duurzame lokale mobiliteitsbeleid (ing. decr. 10 februari 2012, art. 30, I: 1 maart 2013)]

Artikel 26/10. (01/03/2013- ...)

§ 1. Om de ontwikkeling en uitvoering van het duurzame lokale mobiliteitsbeleid te bevorderen, kan de Vlaamse Regering, binnen de perken van de begrotingskredieten, een subsidie verlenen aan de gemeenten voor :
1° de opmaak en herziening van een gemeentelijk of intergemeentelijk mobiliteitsplan;
2° projecten die de aanleg of de verbetering van de infrastructuur langs gemeentewegen tot doel hebben;
3° niet-infrastructuurgebonden projecten ter ondersteuning van het duurzame lokale mobiliteitsbeleid.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden op basis waarvan het personeel, de plannen en de projecten, vermeld in de eerste paragraaf, subsidiabel zijn. Daarbij houdt ze onder meer rekening met de volgende criteria :
1° de projecten dragen bij tot de ontwikkeling van een duurzaam lokaal mobiliteitsbeleid;
2° de plannen en projecten voldoen aan de bepalingen over de integrale kwaliteitszorg, vermeld in titel III/1, hoofdstuk II.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedures voor de aanvraag, beoordeling, toekenning en uitbetaling van de subsidie.

[Afdeling II Subsidiëring van het mobiliteitsbeleid op tussenliggend niveau (ing. decr. 10 februari 2012, art. 32, I: 1 maart 2013)]

Artikel 26/11. (01/03/2013- ...)

Om de ontwikkeling van het mobiliteitsbeleid op tussenliggend niveau te bevorderen, kan de Vlaamse Regering, binnen de perken van de begrotingskredieten, een subsidie verlenen aan de provincies ter uitvoering van het provinciale mobiliteitscharter, vermeld in artikel 22.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en procedures voor de aanvraag, beoordeling, toekenning en uitbetaling van de subsidie.

[Hoofdstuk II Samenwerkingsovereenkomsten (ing. decr. 10 februari 2012, art. 34, I: 1 maart 2013)]

Artikel 26/12. (01/03/2013- ...)

Voor de door de Vlaamse Regering aangewezen projecten wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de betrokken actoren. De overeenkomst regelt de wederzijdse verbintenissen van de actoren. Die verbintenissen kunnen onder meer betrekking hebben op de projectorganisatie, de personele of materiële ondersteuning en de financiering.

De Vlaamse Regering regelt de minimuminhoud van de samenwerkingsovereenkomst. De samenwerkingsovereenkomst zal tenminste nadere bepalingen omvatten betreffende :
1° het voorwerp van de overeenkomst;
2° de duur van de overeenkomst;
3° de wederzijdse verbintenissen van de betrokken partijen;
4° de sancties bij niet-nakoming van de verbintenissen.

Er wordt in ieder geval gewaarborgd dat de projecten die het voorwerp uitmaken van de samenwerkingsovereenkomst, voldoen aan de bepalingen over de integrale kwaliteitszorg, vermeld in titel III/1, hoofdstuk II.

Titel IV Wijzigingsbepaling

Artikel 27. (30/04/2009- Datum te bepalen door Vlaamse Regering)

In artikel 4, eerste lid, van het decreet van 20 april 2001 betreffende de mobiliteitsconvenants worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt :
"1° een verwijzing naar de doelstellingen en beginselen van artikel 4 van het decreet van 20 maart 2009 betreffende het mobiliteitsbeleid;
2° een overzicht van de richtinggevende bepalingen van het Mobiliteitsplan Vlaanderen en het gemeentelijk mobiliteitsplan;".

Titel V Slotbepalingen

Artikel 28. (30/06/2010- ...)

Het Mobiliteitsplan Vlaanderen wordt uiterlijk op 31 december 2012 voor het eerst vastgesteld en bekendgemaakt.

Artikel 28/1. (30/03/2012- ...)

Het gemeentelijke mobiliteitsplan dat is opgemaakt voor 30 april 2009, wordt gelijkgesteld met een gemeentelijk mobiliteitsplan dat wordt opgemaakt en vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit decreet als minder dan zes jaar is verstreken sinds de laatste conformverklaring ervan overeenkomstig de op dat ogenblik geldende regelgeving.

Uiterlijk bij de eerstvolgende herziening van het gelijkgestelde gemeentelijke mobiliteitsplan, die plaatsvindt na de inwerkingtreding van het decreet van 10 februari 2012 houdende wijziging van het decreet van 20 maart 2009 betreffende het mobiliteitsbeleid en opheffing van het decreet van 20 april 2001 betreffende de mobiliteitsconvenants, moet het plan in overeenstemming worden gebracht met de bepalingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.

Artikel 28/2. (01/03/2013- ...)

De mobiliteitsconvenants die gesloten zijn voor de inwerkingtreding van het decreet van 10 februari 2012 houdende wijziging van het decreet van 20 maart 2009 betreffende het mobiliteitsbeleid en opheffing van het decreet van 20 april 2001 betreffende de mobiliteitsconvenants, en de modules die er deel van uitmaken, blijven geldig tot de volledige uitvoering ervan.

De bepalingen van het decreet van 20 april 2001 betreffende de mobiliteitsconvenants en de modules die zijn vastgesteld, blijven van toepassing op de mobiliteitsconvenants die worden gesloten binnen een termijn van twee jaar na de datum van de inwerkingtreding van het decreet, vermeld in het eerste lid, als het besluit van de gemeenteraad daartoe werd genomen na 15 april 2007 en voor de inwerkingtreding van dit decreet.

Artikel 29. (30/04/2009- ...)

De Vlaamse Regering evalueert jaarlijks voor 30 juni de uitvoering van dit decreet en brengt daarover verslag uit bij het Vlaams Parlement en de MORA.