( ... - ... )
De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, artikel 8, 2° ; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor begeleid wonen voor personen met een handicap; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 september 2010 betreffende de subsidiëring van crisisjeugdhulpverlening en rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp verleend door voorzieningen voor personen met een handicap; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2011 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten Ondersteuningsplan en een mentororganisatie voor het voortraject van personen met een handicap; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 21 december 2012; Gelet op advies 52.683/1 van de Raad van State, gegeven op 4 februari 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Na beraadslaging, Besluit :
Artikel 1. ( 01/01/2026 - ... )
In dit besluit wordt verstaan onder :
1° agentschap : het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
2° ...;
3°...;
3°/1 besluit van 15 december 1993: het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van de algemene regels inzake het verlenen van erkenningen en erkenningen door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
3°/2 besluit van 4 februari 2011: het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap;
3°/3 besluit van 26 februari 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
4° ...;
4°/1 G-index: het indexcijfer van de afgevlakte gezondheidsindex, vermeld in titel I, hoofdstuk II, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen;
4°/2 handicapspecifieke expertise: diepgaande kennis van verschillende handicaps en de vaardigheid om die kennis te vertalen in concrete ondersteuning. Die kennis omvat inzicht in de impact van beperkingen op de ontwikkeling van een persoon, zowel op sociaal, emotioneel, pedagogisch als fysiek vlak, en de vaardigheid om de passende strategieën, hulpmiddelen en aanpassingen in te zetten om de persoon en het informele en professionele netwerk optimaal te ondersteunen;
5° ...;
6° ...;
7°...;
8° rechtstreeks toegankelijke hulp: zorg en ondersteuning aan personen met een handicap, of met een vermoeden van een handicap, en aan hun netwerk, die geboden worden met en vanuit een handicapspecifieke expertise, beperkt in tijd, frequentie en intensiteit, en waarvoor de persoon met een handicap of de persoon met een vermoeden van handicap geen aanvraag tot ondersteuning bij het agentschap moet indienen en die beperkt is tot een maximum aantal personeelspunten of ondersteuning die op een indirecte wijze wordt geboden door handicapspecifieke expertise te delen met andere organisaties en in te brengen in andere organisaties;
9° persoon met een handicap : elke persoon met een handicap als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, of elke persoon met een vermoeden van zo'n handicap;
10° Zorginspectie: Zorginspectie als vermeld in artikel 4, §2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg;
11° ...
12° ...
Artikel 2. ( 01/01/2026 - ... )
In dit artikel wordt verstaan onder het besluit van 24 juni 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap.
Het agentschap kan conform de bepalingen van dit besluit en binnen de grenzen van de kredieten die daarvoor ingeschreven zijn op zijn begroting, de volgende voorzieningen of organisaties erkennen en subsidiëren voor de uitbouw van rechtstreeks toegankelijke hulp:
1° de multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016;
2° de zorgaanbieders die vergund zijn door het agentschap, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016;
3° organisaties opgericht als een privaatrechtelijke vereniging met rechtspersoonlijkheid waarvoor het bij wet verboden is hun leden een vermogensvoordeel te bezorgen of als een vennootschap met rechtspersoonlijkheid en erkend als een sociale onderneming of door een ondergeschikt bestuur zoals een provincie, een gemeente, een intercommunale van gemeenten of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
4° de rechtspersonen die zorg en ondersteuning organiseren voor maximaal vijftien personen met een handicap per dag, vermeld in artikel 2, eerste lid, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016;
5° groenezorginitiatieven, vermeld in artikel 2, tweede lid van het besluit van 24 juni 2016, die als rechtspersoon geregistreerd zijn bij het agentschap voor zover ze opgericht zijn als een privaatrechtelijke vereniging met rechtspersoonlijkheid waarvoor het bij wet verboden is hun leden een vermogensvoordeel te bezorgen of als een vennootschap met rechtspersoonlijkheid en erkend als een sociale onderneming of door een ondergeschikt bestuur zoals een provincie, een gemeente, een intercommunale van gemeenten of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
Artikel 2/0. ( 01/01/2026 - ... )
De aanbieders van rechtstreeks toegankelijke hulp hebben de volgende kernopdrachten:
1° ze ontwikkelen, organiseren en bieden zorg en ondersteuning met en vanuit een handicapspecifieke expertise aan;
2° ze stemmen de zorg en ondersteuning, vermeld in punt 1°, als dat wenselijk is, zo veel mogelijk af op het basisaanbod van activiteiten, hulp- en dienstverlening, en integreren ze daarin;
3° ze informeren, sensibiliseren en responsabiliseren vanuit hun handicapspecifieke expertise, en dragen er met die expertise aan bij om het basisaanbod van activiteiten, hulp- en dienstverlening open te stellen.
Artikel 2/1. ( 01/01/2026 - ... )
De voorzieningen of organisaties, vermeld in artikel 2, tweede lid, punt 1° tot en met 5°, kunnen erkend worden en kunnen erkend blijven als ze voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° ze biedt ondersteuning aan die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
a) de hulp is snel en flexibel inzetbaar;
b) de hulp is laagdrempelig toegankelijk en nabij;
c) de hulp is vraaggericht en op maat;
d) de hulp is geïntegreerd in en afgestemd op ondersteuning die niet wordt gesubsidieerd krachtens het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
2° ze volgt nieuwe ontwikkelingen over het beleid rond personen met een handicap op en speelt daar proactief op in met eigen nieuwe ontwikkelingen;
3° ze volgt de intersectorale evoluties op en engageert zich in bestaande en nieuwe sectorale en intersectorale samenwerkingen en netwerken;
4° ze beschikt over de volgende expertises en ervaringen:
a) handicapspecifieke expertise als vermeld in artikel 1, punt 4°/2;
b) inclusie-expertise: het vermogen om een toegankelijke, ondersteunende en flexibele omgeving te creëren waaraan iedereen, ongeacht diens zorgbehoeften, beperkingen of achtergrond, optimaal kan deelnemen en waarin iedereen zich kan ontwikkelen. Inclusie-expertise houdt in dat diversiteit actief wordt erkend en benut als meerwaarde, en dat er gewerkt wordt aan een inclusieve cultuur waarin iedereen zich gewaardeerd en gerespecteerd voelt. Die expertise gaat verder dan het bieden van specifieke zorg. Het draagt bij aan een samenleving waarin diversiteit als basis wordt erkend voor een veilige, stimulerende en rechtvaardige omgeving waarin elke persoon kwaliteitsvol kan leven en participeren in de maatschappij;
c) coachingexpertise: de begeleiding, ondersteuning en versterking van professionelen om hun vaardigheden te verbeteren, hun handelingsverlegenheid tegen te gaan en een inclusieve praktijk te waarborgen. Die expertise richt zich zowel op individuele begeleiding als op teamprocessen, met een nadruk op bewustwording, praktische ondersteuning en de duurzame ontwikkeling van competenties;
d) ervaring en deskundigheid op het vlak van inclusie en het werken in inclusieve contexten;
e) ervaring en expertise in intersectoraal samenwerken met inbegrip van kennis over de andere sectoren waarmee samenwerking plaatsvindt;
f) ervaring en expertise in het werken met de beoogde leeftijdsgroep;
5° ze kunnen over het bestuursorgaan de volgende elementen aantonen:
a) het bestuursorgaan kan intern of extern een beroep doen op de nodige expertise inzake juridische, pedagogische en financiële kennis en gebruikerservaring;
b) de voorzitter is niet belast met de dagelijkse leiding;
c) tussen meer dan de helft van de leden bestaat geen bloed- of aanverwantschap tot de tweede graad;
6° in de statuten staat dat ondersteuning bieden aan personen met een handicap een doelstelling is;
7° als de voorziening of organisatie is ingebed in een grotere organisatie, kan ze optreden als een autonome entiteit en afzonderlijk verantwoording afleggen aan het agentschap;
8° uit de beschikbare financiële gegevens blijken geen ernstige problemen met de rendabiliteit, solvabiliteit of liquiditeit van de voorziening of organisatie.
In afwijking van het eerste lid is het mogelijk dat de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp niet voldoet aan één of meerdere voorwaarden zoals vermeld in het eerste lid, punt 5°, punten a) tot en met c). Een schriftelijke en omstandige motivatie waarom niet kan worden voldaan aan één of meerdere van deze voorwaarden is bij de zorgaanbieder beschikbaar, raadpleegbaar en opvraagbaar door het agentschap en Zorginspectie. De voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp dient het bestuursorgaan te organiseren conform het eerste lid, punt 5°, punten a) tot en met c), van zodra dit mogelijk is. Het agentschap kan op elk ogenblik de voorwaarden vermeld in het eerste lid, punt 5°, punten a) tot en met c), evalueren en hierover bijkomende informatie opvragen aan de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp. Deze evaluatie gebeurt in elk geval op het moment van de behandeling van de aanvraag tot verlenging van de vergunning van bepaalde duur, zoals bedoeld in artikel 4/4, §1.
Artikel 3. ( 01/01/2026 - ... )
De erkenning wordt uitgedrukt in een aantal personeelspunten, met een minimum van vijfendertig personeelspunten, die moeten worden verantwoord door de effectief aangeboden ondersteuning.
Artikel 4. ( 01/01/2026 - ... )
Het besluit van 15 december 1993 is niet van toepassing op de erkenning en wijziging van de erkenning van voorzieningen voor rechtstreeks toegankelijke hulp, met uitzondering van artikel 17. Het besluit van 4 februari 2011 is van toepassing op de voorzieningen voor rechtstreeks toegankelijke hulp.
In afwijking van artikel 8, §1, eerste lid, van het besluit van 4 februari 2011 hoeft er pas een schriftelijke overeenkomst te worden afgesloten als er op jaarbasis minstens één personeelspunt door dezelfde gebruiker bij dezelfde voorziening van rechtstreeks toegankelijke hulp wordt ingezet.
Artikel 4/1. ( 01/01/2026 - ... )
§1. De erkenning of de wijziging van de erkenning van een voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp gebeurt na een oproep door het agentschap in functie van de kredieten die daarvoor ingeschreven zijn op zijn begroting, conform artikel 2.
§2. Het agentschap bepaalt het model voor het aanvraagformulier en legt de nadere regels vast voor de selectieprocedure, de selectiecriteria, en de manier waarop een aanvraag als vermeld in paragraaf 1, wordt ingediend.
Bij de bepaling van de selectieprocedure en de selectiecriteria, vermeld in het eerste lid, houdt het agentschap rekening met de voorwaarden, vermeld in artikel 2 en 2/1.
§3. Elke kandidaat kan binnen zestig dagen vanaf de dag dat de oproep is bekendgemaakt, een gemotiveerde aanvraag indienen. Als de oproep is bekendgemaakt tijdens de maand juli of augustus, bedraagt de termijn negentig dagen vanaf de dag dat de oproep is bekendgemaakt.
Als de laatste dag van de termijnen, vermeld in het vorige lid, een zaterdag, zondag of een wettelijke feestdag is, worden die termijnen verlengd tot en met de eerstvolgende werkdag.
§4. Het agentschap onderzoekt de aanvraag tot erkenning of tot wijziging van de erkenning en kan de kandidaat om bijkomende inlichtingen vragen.
Het agentschap deelt aan de kandidaat mee of de aanvraag, vermeld in het eerste lid, geldig is ingediend.
Het agentschap neemt de beslissing tot erkenning, tot wijziging van de erkenning of tot weigering van de erkenning binnen zes maanden nadat een geldige aanvraag is ingediend.
§5. Het agentschap motiveert de weigering van de erkenning of de wijziging van de erkenning.
In de beslissing tot erkenning of tot wijziging van de erkenning kunnen bepaalde bezorgdheden worden opgenomen als het agentschap meent dat die er in de toekomst toe kunnen leiden dat niet meer voldaan wordt aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 2/1.
Artikel 4/2. ( 01/01/2026 - ... )
Het agentschap verleent de erkenning voor onbepaalde duur. De beslissing tot erkenning vermeldt de aanvangsdatum van de erkenning.
In afwijking van het eerste lid verleent het agentschap aan voorzieningen en organisaties zonder erkenning eerst een erkenning van bepaalde duur voor een periode van vijf jaar.
Artikel 4/3. ( 01/01/2026 - ... )
De voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp met een erkenning van bepaalde duur dient, uiterlijk zes maanden voor de lopende erkenningsperiode verstreken is, bij het agentschap een aanvraag tot verlenging in.
Het agentschap erkent de voorziening, die een aanvraag tot verlenging heeft ingediend conform het eerste lid, voor onbepaalde duur, tenzij ze niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2, 2/1 en 4/4, voldoet.
Artikel 4/4. ( 01/01/2026 - ... )
§1. De voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp kan een erkenning van onbepaalde duur krijgen als de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de voorziening toont een effectieve werking aan. In dit artikel wordt verstaan onder effectieve werking: dat er binnen een aaneengesloten periode van drie jaar jaarlijks minstens de helft van de personeelspunten waarvoor de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp is erkend, vermeld in artikel 3, door de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp zelf is gepresteerd en geregistreerd, conform artikel 7;
2° Zorginspectie heeft geen inbreuken vastgesteld op artikel 45 tot en met 49 van het besluit van 4 februari 2011, tenzij uit een verslag van Zorginspectie blijkt dat die inbreuken ondertussen zijn geremedieerd. Bij de aanvraag tot verlenging naar onbepaalde duur beoordeelt het agentschap het plan van de voorziening om de bestaande inbreuken weg te werken binnen de remediëringstermijnen, vermeld in artikel 55 tot en met 59/1 van het besluit van 4 februari 2011. Als het agentschap dat plan voldoende acht, kan het de erkenning van onbepaalde duur toestaan, ondanks de vastgestelde inbreuken;
3° uit de beschikbare financiële gegevens en de aanvraag tot erkenning blijken de volgende elementen:
a) er zijn geen ernstige problemen met de rendabiliteit, solvabiliteit of liquiditeit van de kandidaat;
b) er zijn geen ernstige moeilijkheden met de doelmatige aanwending van de overheidsmiddelen die bestemd zijn voor de zorg voor en ondersteuning van personen met een handicap en personen met een vermoeden van een handicap;
c) er zijn tijdens de periode van de erkenning van bepaalde duur geen schulden geweest bij een administratieve overheid als vermeld in artikel 14, §1, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973.
§2. De voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp kan de aanvraag tot verlenging van een erkenning van bepaalde duur naar onbepaalde duur ten vroegste indienen na een periode van tweeënhalf jaar waarin de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp een effectieve werking aantoont als vermeld in paragraaf 1, 1°.
§3. Het agentschap kan de erkenning van bepaalde duur één keer verlengen met vijf jaar als de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1. Het agentschap deelt aan de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp mee aan welke voorwaarden ze niet voldoet.
Als het risico bestaat dat de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp tijdens de periode van de eerste erkenning niet aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, 1°, zou voldoen, dan dient zij tijdig een aanvraag in bij het agentschap om de personeelspunten waarvoor ze is erkend conform artikel 3, te verlagen, om op die manier wel te kunnen voldoen aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, 1°. Als de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp nalaat om die aanvraag tijdig in te dienen, kan het agentschap de verlenging van de erkenning van bepaalde duur conform het eerste lid weigeren.
Als de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp tijdens de periode van de eerste erkenning niet voldoet aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, 1°, kan ze tijdens die periode geen verhoging van de personeelspunten waarvoor ze is erkend conform artikel 3, aanvragen.
In het geval de erkenning van bepaalde duur een keer werd verlengd, vermeld in het eerste lid, dient de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp de aanvraag van een erkenning van onbepaalde duur opnieuw in bij het agentschap als ze kan aantonen dat ze voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2 en 2/1, en aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1. Om te voldoen aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, 1°, kan de periode van effectieve werking deels plaatsvinden tijdens de termijn van de eerste erkenning van bepaalde duur of plaatsvinden tijdens de verlenging van die erkenning conform het eerste lid.
Als de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp, na toepassing van de procedure tot verlaging van de personeelspunten waarvoor ze is erkend, vermeld in het tweede lid, nog altijd niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2 en 2/1, en aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, of als ze geen aanvraag indient bij het agentschap binnen vijf jaar na de verlenging van de erkenning van bepaalde duur, verliest de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp definitief haar erkenning.
§4. Artikel 4/1, §4 en §5, is van overeenkomstige toepassing op de behandeling van de aanvragen, vermeld in dit artikel.
Artikel 4/5. ( 01/01/2026 - ... )
§1. In de volgende gevallen kan het agentschap de erkenning van onbepaalde duur omzetten in een erkenning van bepaalde duur voor een periode van vijf jaar:
1° uit de beschikbare financiële gegevens blijkt dat de voorziening zich in een van de volgende situaties bevindt:
a) er zijn ernstige problemen met de rendabiliteit, solvabiliteit of liquiditeit van de voorziening;
b) er zijn ernstige moeilijkheden met de doelmatige aanwending van de overheidsmiddelen die bestemd zijn voor de zorg en ondersteuning van personen met een handicap en personen met een vermoeden van een handicap;
c) de voorziening heeft openstaande schulden bij een administratieve overheid als vermeld in artikel 14, §1, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973;
2° binnen een aaneengesloten periode van drie jaar wordt jaarlijks minder dan de helft van de personeelspunten waarvoor de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp is erkend, vermeld in artikel 3, door de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp zelf gepresteerd en geregistreerd conform artikel 7.
§2. Bij ernstige problemen met de rendabiliteit, solvabiliteit of liquiditeit van de voorziening als vermeld in paragraaf 1, 1°, gaat het agentschap in gesprek met de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp vóór het de erkenning van onbepaalde duur omzet in een erkenning van bepaalde duur. Het agentschap kan aan de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp vragen om een herstelplan op te maken.
In de volgende gevallen zet het agentschap de erkenning van onbepaalde duur om in een erkenning van bepaalde duur:
1° het agentschap is van oordeel dat een van de gevallen, vermeld in paragraaf 1, 1°, te ernstig is;
2° de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp laat na om het herstelplan volledig uit te voeren;
3° de stappen in het herstelplan zijn ontoereikend om een van de situaties, vermeld in paragraaf 1, 1°, te herstellen.
Om opnieuw een erkenning van onbepaalde duur te krijgen nadat de erkenning van onbepaalde duur naar bepaalde duur werd omgezet wegens het niet voldoen aan paragraaf 1, 1°, dient de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp een aanvraag in conform het aanvraagformulier, vermeld in artikel 4/1, §2, eerste lid. Op die aanvraag zijn artikel 4/3 en 4/4 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 4/4, §1, 3°, c) en artikel 4/4, §3. Op het moment van die aanvraag heeft de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp wel alle schulden bij een administratieve overheid weggewerkt.
Als binnen twee jaar vanaf de toekenning van de erkenning van onbepaalde duur, vermeld in het vierde lid, er opnieuw tekortkomingen zijn als vermeld in paragraaf 1, 1°, kan het agentschap de erkenning definitief intrekken als het gaat om dezelfde tekortkoming die aanleiding heeft gegeven tot de omzetting van de erkenning van onbepaalde duur in de erkenning van bepaalde duur.
§3. Als het risico bestaat dat de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp niet aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, 2°, zou voldoen, dan dient zij tijdig een aanvraag in bij het agentschap om de personeelspunten waarvoor ze is erkend conform artikel 3 te verlagen, om op die manier wel te kunnen voldoen aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, 2°.
Als de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp niet voldoet aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, 2°, kan ze tijdens de periode dat ze niet voldoet aan die voorwaarde, geen verhoging van de personeelspunten waarvoor ze is erkend conform artikel 3 aanvragen.
Om opnieuw een erkenning van onbepaalde duur te krijgen nadat de erkenning van onbepaalde duur naar bepaalde duur werd omgezet wegens het niet voldoen aan paragraaf 1, 2°, dient de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp een aanvraag in conform het aanvraagformulier, vermeld in artikel 4/1, §2, eerste lid. Op die aanvraag zijn artikel 4/3 en 4/4 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 4/4, §3.
Als binnen een aaneengesloten periode van twee jaar vanaf de toekenning van een erkenning van onbepaalde duur, vermeld in het derde lid, jaarlijks minder dan de helft van de personeelspunten waarvoor de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp is erkend, vermeld in artikel 3, door de voorziening zelf werd gepresteerd en geregistreerd conform artikel 7, trekt het agentschap de erkenning definitief in.
§4. Als de erkenning van bepaalde duur, vermeld in paragraaf 1, afloopt, en als de voorziening voor rechtstreekse toegankelijke hulp het jaar voorafgaand aan het aflopen van de erkenning van bepaalde duur minder dan de helft van de personeelspunten waarvoor de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp is erkend, vermeld in artikel 3, zelf heeft gepresteerd en geregistreerd conform artikel 7, trekt het agentschap de erkenning definitief in.
Artikel 4/6. ( 01/01/2026 - ... )
De voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp brengt het agentschap onmiddellijk op de hoogte van de volgende elementen:
1° een borgstelling die wordt verleend voor een andere organisatie of entiteit;
2° de aanstelling van een voorlopige bewindvoerder door de ondernemingsrechtbank, vermeld in artikel XX.32, §2, van het Wetboek van economisch recht;
3° een schuld ten aanzien van een administratieve overheid als vermeld in artikel 14, §1, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973.
Artikel 4/7. ( 01/01/2026 - ... )
De voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp registreert elke vestigingseenheid in een webapplicatie die het agentschap ter beschikking stelt.
In het eerste lid wordt verstaan onder vestigingseenheid: een plaats die men geografisch kan identificeren door een uniek adres, waar of van waaruit ondersteuning door de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp wordt uitgeoefend. Locaties waar collectief wonen structureel en uitsluitend gekoppeld is aan ondersteuning door een voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp, in die zin dat verblijf op deze locatie niet mogelijk is zonder die ondersteuning, worden als vestigingseenheid beschouwd.
Artikel 4/8. ( 01/01/2026 - ... )
§1. Rechtstreeks toegankelijke hulp wordt geboden in de vorm van cliëntgebonden ondersteuningsfuncties en organisatiegebonden ondersteuningsfuncties.
§2. De cliëntgebonden ondersteuningsfuncties bestaan uit:
1° ambulante begeleiding: algemene psychosociale ondersteuning of een combinatie van aanleren, stimuleren, inhoudelijk ondersteunen, coachen en praktisch assisteren bij bepaalde handelingen of activiteiten. Die begeleiding wordt aangeboden in sessies van minimaal één uur en maximaal twee uur fysiek op de dienst zelf, telefonisch, via chat of beeldbellen;
2° mobiele begeleiding: algemene psychosociale ondersteuning of een combinatie van aanleren, stimuleren, inhoudelijk ondersteunen, coachen en praktisch assisteren bij bepaalde handelingen of activiteiten. Die begeleiding wordt aangeboden in sessies van minimaal één uur en maximaal twee uur fysiek op locatie;
3° begeleid werken ambulant: de individuele en trajectmatige begeleiding van een gebruiker die niet of deels niet kan worden ingeschakeld in het bestaande reguliere of beschermde arbeidscircuit, om via een aanbod van arbeidsmatige onbezoldigde activiteiten de individuele ontplooiing en de sociale integratie van die gebruiker te bevorderen. Die begeleiding wordt aangeboden in sessies van minimaal één uur en maximaal twee uur fysiek op de dienst zelf, telefonisch, via chat of beeldbellen;
4° begeleid werken mobiel: de individuele en trajectmatige begeleiding van een gebruiker die niet of deels niet kan worden ingeschakeld in het bestaande reguliere of beschermde arbeidscircuit, om via een aanbod van arbeidsmatige onbezoldigde activiteiten de individuele ontplooiing en de sociale integratie van die gebruiker te bevorderen. De begeleiding wordt aangeboden in sessies van minimaal één uur en maximaal twee uur fysiek op locatie;
5° GIO-RTH: de globale individuele handicapspecifieke ondersteuning die is gericht op deelname en participatie van de persoon met een handicap of de persoon met een vermoeden van een handicap aan de professionele inclusieve context door middel van een doelgerichte en intensieve samenwerking, waarbij een voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp actief deelneemt aan de inclusieve professionele context. In samenwerking met andere actoren werkt de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp aan het behalen van gemeenschappelijke doelstellingen. Dat houdt in dat de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp zowel organisatorisch versterkt als praktisch samenwerkt om de participatie van een persoon met een handicap of de persoon met een vermoeden van een handicap in die context te bevorderen. Die ondersteuning is ook gericht op inclusie en het faciliteren van participatie van de persoon met een handicap of de persoon met een vermoeden van een handicap in een extern transitiemoment naar een nieuwe professionele inclusieve context, waarbij minstens partners uit twee verschillende sectoren intensief actief samenwerken, meedraaien en expertise bundelen om samen te werken aan het behalen van gemeenschappelijke doelstellingen. De ondersteuning is tijdelijk en bestaat uit een combinatie van training, stimuleren, inhoudelijke ondersteuning, coaching en praktische assistentie bij specifieke handelingen of activiteiten en wordt geboden in de inclusieve professionele context. De ondersteuning richt zich specifiek op de transitie naar gestructureerde inclusieve professionele omgevingen van andere sectoren, zoals inclusieve kinderopvang, regulier kleuter, lager, secundair en hoger onderwijs, woonzorgcentra, en soortgelijke inclusieve contexten. GIO-RTH wordt aangeboden in sessies van minimaal één uur en maximaal twee uur.;
6° groepsbegeleiding: algemene psychosociale ondersteuning van minimaal één uur van twee of meer personen met een handicap of met een vermoeden van een handicap of hun netwerk, waarbij er niet meer dan één groepsbegeleiding per dag plaatsvindt;
7° dagopvang: de ondersteuning overdag voor een aangepaste opvang of een aangepaste dagbesteding;
8° verblijf: verblijf met overnachting, met inbegrip van opvang en ondersteuning gedurende de ochtend- en avonduren;
9° handicapspecifieke opvang in de thuissituatie: gespecialiseerde opvang voor een persoon met ernstige medische of gedragsmatige ondersteuningsnoden in de thuissituatie door een professional met handicapspecifieke expertise, die alleen wordt ingezet als reguliere opvangmogelijkheden onvoldoende zijn en dagopvang en verblijf in een voorziening niet wenselijk zijn;
10° cliëntgebonden forfait: een duidelijk omschreven pakket van cliëntgebonden ondersteuning voor een vooraf bepaalde periode, aangerekend aan de hand van een vast aantal personeelspunten, die voldoet aan de volgende voorwaarden:
a) de ondersteuning bedraagt maximaal één jaar met een tussentijdse evaluatie van het gebruik van de ondersteuningsfunctie na uiterlijk zes maanden;
b) op basis van de evaluatie en maximaal na één jaar gebruik te hebben gemaakt van de ondersteuningsfunctie moet de cliënt expliciet bevestigen dat die het cliëntgebonden forfait verder wil inzetten;
c) de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp monitort het feitelijke gebruik van de ondersteuning binnen het cliëntgebonden forfait en stuurt de periode, het aantal personeelspunten dat in het forfait aangerekend is, en de ondersteuning in overleg met de cliënt bij indien nodig. Bij beperkt of geen gebruik van de ondersteuning biedt de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp aan de cliënt aan om het cliëntgebonden forfait niet verder te verlengen of het aantal ingezette personeelspunten te verlagen.
Ambulante begeleiding als vermeld in het eerste lid, 1°, kan in uitzonderlijke gevallen worden verleend zonder registratie van de gegevens van de individuele gebruiker. De voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp vermeldt de reden waarom de gegevens van de gebruiker niet geregistreerd kunnen worden.
§3. De organisatiegebonden ondersteuningsfuncties bestaan uit:
1° collectieve laagdrempelige ondersteuning: een vorm van rechtstreeks toegankelijke hulp waarbij cliënten en hun informele en professionele netwerk eenmalig of tot maximaal drie keer kunnen participeren in collectief georganiseerde momenten waarop handicapspecifieke informatie op maat, onthaal en ontmoeting worden geboden zonder dat daarvoor een registratie op naam of een rijksregisternummer nodig is en zonder dat daarvoor een individuele dienstverleningsovereenkomst, vermeld in artikel 8, §1, van het besluit van 4 februari 2011, moet worden opgemaakt. Deze begeleiding wordt aangeboden in sessies van minimaal één uur en maximaal twee uur.;
2° handicapspecifieke expertisedeling ambulant: het overbrengen en delen van handicapspecifieke expertise over de ondersteuning van personen met een handicap of met een vermoeden van een handicap aan professionals of ondersteuners van personen met een handicap of met een vermoeden van een handicap om die actoren te versterken zodat hun hulp- en dienstverlening aan personen met een handicap of met een vermoeden van een handicap meer open, toegankelijker en kwaliteitsvoller wordt. De expertisedeling vindt plaats op de locatie waar de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp is gevestigd en wordt aangeboden in sessies van minimaal één uur en maximaal twee uur;
3° handicapspecifieke expertisedeling mobiel: het overbrengen en delen van handicapspecifieke expertise over de ondersteuning van personen met een handicap of met een vermoeden van een handicap aan professionals of ondersteuners van personen met een handicap of met een vermoeden van een handicap om die actoren te versterken zodat hun hulp- en dienstverlening aan personen met een handicap of met een vermoeden van een handicap meer open, toegankelijker en kwaliteitsvoller wordt. De expertisedeling vindt niet plaats op de locatie waar de voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp is gevestigd en wordt aangeboden in sessies van minimaal één uur en maximaal twee uur.
Artikel 5. ( 01/03/2013 - ... )
De personeelsformatie wordt uitgedrukt in personeelspunten. De tabel, die als bijlage bij dit besluit is gevoegd, geeft per functie de puntenwaarde aan per voltijdse equivalent.
Artikel 6. ( 01/01/2026 - ... )
De voorziening ontvangt:
1° 0,22 personeelspunten per:
a) mobiele begeleiding;
b) handicapspecifieke expertisedeling mobiel;
c) begeleiding in het kader van begeleid werken mobiel;
d) begeleiding in het kader van GIO-RTH;
2° 0,155 personeelspunten per:
a) ambulante begeleiding;
b) handicapspecifieke expertisedeling ambulant;
c) begeleiding in het kader van begeleid werken ambulant;
d) begeleiding in het kader van collectieve laagdrempelige ondersteuning, ongeacht het aantal deelnemers;
3° 0,087 personeelspunten per:
a) dag dagopvang;
b) groepsbegeleiding;
4° 0,13 personeelspunten per nacht verblijf;
5° 0,11 personeelspunten per uur handicapspecifieke opvang in de thuissituatie voor de eerste twee uren;
6° 0,078 personeelspunten per uur handicapspecifieke opvang in de thuissituatie vanaf het derde uur;
7° het aantal personeelspunten zoals afgesproken tussen de gebruiker en de voorziening, vermeld in artikel 4/8, §2, 10°, voor het cliëntgebonden forfait.
De personeelspunten, vermeld in het eerste lid, kunnen worden overgedragen aan een andere voorziening die vergund of erkend en gesubsidieerd is door het agentschap, en die in opdracht van de voorziening mobiele begeleiding, ambulante begeleiding, begeleid werken mobiel, begeleid werken ambulant, GIO-RTH, dagopvang, verblijf, handicapspecifieke opvang in de thuissituatie, groepsbegeleiding, handicapspecifieke expertisedeling mobiel, handicapspecifieke expertisedeling ambulant of collectieve laagdrempelige ondersteuning verstrekt.
Als de som van de personeelspunten die op basis van de geleverde prestaties worden toegekend, meer dan 95% bedraagt van het aantal personeelspunten waarvoor de voorziening is erkend conform artikel 3, samengeteld met de personeelspunten die de voorziening van een andere voorziening heeft ontvangen conform het tweede lid, en onder aftrek van de personeelspunten die zijn overgedragen aan een andere voorziening conform het tweede lid, ontvangt de voorziening, in afwijking van het eerste lid, het aantal personeelspunten waarvoor de voorziening is erkend conform artikel 3, samengeteld met de personeelspunten die de voorziening van een andere voorziening heeft ontvangen conform het tweede lid, en onder aftrek van de personeelspunten die zijn overgedragen aan een andere voorziening conform het tweede lid.
De voorziening die wil inzetten op innovatie als vermeld in artikel 2/1, 2°, kan een motivering indienen bij het agentschap om bijkomend tot een maximum van 10% van het aantal personeelspunten waarvoor de voorziening, die erkend is conform artikel 2, eerste lid, de geboden ondersteuning niet te registreren als vermeld in artikel 7. Het agentschap bepaalt de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd over het aandeel van de output dat is verlaagd.
De voorziening die wil inzetten op sectorale en intersectorale samenwerking en netwerken als vermeld in artikel 2/1, 3°, kan een motivering indienen bij het agentschap om bijkomend tot een maximum van 5% van het aantal personeelspunten waarvoor de voorziening, die erkend is conform artikel 2, eerste lid, de geboden ondersteuning niet te registreren als vermeld in artikel 7. Het agentschap bepaalt de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd over het aandeel van de output dat is verlaagd.
Artikel 7. ( 01/01/2026 - ... )
De voorzieningen registreren de geleverde ondersteuning, met uitzondering van de ondersteuning door vrijwilligers, vermeld in artikel 9/1, tweede lid. Het agentschap bepaalt de wijze van registratie.
Artikel 8. ( 01/03/2013 - ... )
De personeelssubsidies worden toegekend op basis van de salarisschalen en de daaraan gekoppelde diplomavoorwaarden en de anciënniteitsregels, vastgesteld met toepassing van het koninklijk besluit van 30 maart 1973 tot bepaling van de te volgen gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van de toelagen per dag toegekend voor onderhoud, opvoeding en behandeling van minderjarigen en van gehandicapten geplaatst ten laste van de openbare besturen, het ministerieel besluit van 24 april 1973 tot bepaling, wat betreft het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin, van de te volgen bijzondere regels voor de vaststelling van de toelagen per dag, toegekend voor het onderhoud en de behandeling van de gehandicapten, geplaatst ten laste van de openbare besturen, en van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 houdende de subsidiëring van de personeelskosten in bepaalde voorzieningen van de welzijnssector.
Artikel 9. ( 01/01/2026 - ... )
§ 1. De voorziening ontvangt per personeelspunt een werkingstoelage van 90,59 euro. Als er onvoldoende prestaties worden verricht om het aantal personeelspunten in de erkenning, samengeteld met de personeelspunten die de voorziening van een andere voorziening heeft ontvangen conform artikel 6, tweede lid, en onder aftrek van de personeelspunten die zijn overgedragen aan een andere voorziening conform artikel 6, tweede lid, te verantwoorden, worden de werkingstoelagen proportioneel verminderd. De werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, wordt gesubsidieerd aan de voorziening die de prestaties daadwerkelijk levert. §2. Het bedrag, vermeld in paragraaf 1, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast, rekening houdend met de G-index, volgens de volgende formule: bedrag X-1 x G-index december X-1/G-index december X-2, waarbij X het jaartal is waarin de indexering plaatsvindt.
§ 3. De voorziening, de voorziening erkend conform artikel 2, tweede tot en met zesde lid, uitgezonderd, kan maximaal 3% van de personeelspunten waarvoor ze is erkend conform artikel 3, samengeteld met de personeelspunten die de voorziening van een andere voorziening heeft ontvangen conform artikel 6, tweede lid, en onder aftrek van de personeelspunten die zijn overgedragen aan een andere voorziening conform artikel 6, tweede lid, omzetten in werkingsmiddelen tegen een bedrag per punt.
Het bedrag per punt bedraagt 848,94 euro (achthonderdachtenveertig euro en vierennegentig eurocent).
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, mag niet aangewend worden voor reservevorming of voor de aanwerving van personeel of voor de vergoeding van personeelskosten. De besteding van het bedrag mag gespreid worden over meer dan een boekhoudkundig jaar.
In afwijking van het derde lid kan het bedrag, vermeld in het eerste lid, aangewend worden voor de vergoeding van variabele prestaties die niet vergoed worden conform artikel 13/1 en 13/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 houdende de methodiek voor de berekening van de subsidies voor personeelskosten.
Het agentschap subsidieert de werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, op voorwaarde dat er over de aanwending van het bedrag voorafgaand overleg is gepleegd met het collectieve overlegorgaan, vermeld in artikel 27 van het besluit van 4 februari 2011 of dat er collectieve inspraak als vermeld in artikel 30 van het voormelde besluit, is geweest en dat er overleg met de werknemersvertegenwoordiging heeft plaatsgevonden, en er aan die overlegkanalen transparantie is geboden over de aanwending.
Op verzoek van het agentschap bewijst de voorziening het resultaat van het overleg met het collectieve overlegorgaan of de collectieve inspraak en het overleg met de werknemersvertegenwoordiging.
Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast, rekening houdend met de G-index, volgens de volgende formule: bedrag X-1 x G-index december X-1/G-index december X-2, waarbij X het jaartal is waarin de indexering plaatsvindt.
Artikel 9/1. ( 01/01/2026 - ... )
In dit artikel wordt verstaan onder een vrijwilliger: een vrijwilliger als vermeld in artikel 3, 2°, van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers.
De voorziening mag maximaal 7 % van de zorggebonden personeelspunten waarvoor ze is erkend, conform artikel 3, samengeteld met de personeelspunten die de voorziening van een andere voorziening heeft ontvangen conform artikel 6, tweede lid, en onder aftrek van de personeelspunten die zijn overgedragen aan een andere voorziening conform artikel 6, tweede lid, en de personeelspunten die zijn omgezet in werkingsmiddelen conform artikel 9, omzetten in werkingsmiddelen tegen het bedrag per punt, vermeld in artikel 9, § 3, tweede lid, om vrijwilligers te vergoeden die op een structurele wijze zijn ingeschakeld in de individuele begeleiding van personen met een handicap, en die hen op regelmatige basis psychosociale en praktische ondersteuning bieden.
Het agentschap subsidieert de werkingsmiddelen, vermeld in het tweede lid, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° er is voor de werkingsmiddelen, vermeld in het tweede lid, voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 9, § 3, vierde en vijfde lid, van dit besluit;
2° elke vrijwilliger wordt ingezet voor de ondersteuning van een persoon met een handicap, vermeld in het tweede lid;
3° er is een vrijwilligersovereenkomst gesloten tussen de voorziening en de vrijwilliger over de ondersteuning van een persoon met een handicap, vermeld in het tweede lid;
4° er is een vrijwilligersvergoeding betaald conform hoofdstuk VII van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers;
5° de voorziening bezorgt het agentschap de navolgende gegevens over de inzet van de vrijwilligers, op de wijze die het agentschap bepaalt:
a) de voornaam- en achternaam van de vrijwilligers die zijn ingezet voor de ondersteuning, vermeld in het tweede lid;
b) de voor- en achternaam van de personen met een handicap die door een vrijwilliger zijn ondersteund;
c) de vrijwilligersvergoedingen die aan iedere vrijwilliger zijn betaald;
6° het agentschap kan de vrijwilligersovereenkomsten en andere bewijsstukken over de inzet en de vergoeding van de vrijwilligers opvragen bij de voorziening.
Artikel 10. ( 01/12/2022 - ... )
De voorschotten op de subsidies worden per maand betaald voor een bedrag van 8 % van de totale subsidie op jaarbasis. De personeelssubsidies worden geraamd op basis van de aan het agentschap bekendgemaakte personeelsgegevens.
In afwijking van het eerste lid wordt voor de maand december een bedrag van 12% van de totale subsidie op jaarbasis als voorschot betaald.
Het financieel verslag wordt uiterlijk ingediend op 30 juni van het jaar dat volgt op het werkingsjaar. Het agentschap bepaalt de inhoud en de vorm van het financieel verslag.
Het saldo van de subsidies wordt verrekend na de goedkeuring van het financieel verslag, binnen achttien maanden die volgen op de datum, vermeld in het derde lid.
Artikel 10/1. ( 01/01/2019 - ... )
Het gedeelte van de toegekende subsidie, vermeld in artikel 9, § 1, dat de verantwoorde kosten overschrijdt, mag worden aangewend voor de aanleg van reserves tot maximaal 20 % van het subsidiebedrag, met uitzondering van het sociaal passief.
De totale gecumuleerde reserves, met uitzondering van het sociaal passief, kunnen maximaal 50 % van het subsidiebedrag van het laatst gesubsidieerde werkingsjaar bedragen.
Het sociaal passief, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt beperkt tot 25 % van de jaarlijkse personeelskosten.
Als het maximum, vermeld in het eerste en tweede lid, overschreden wordt, wordt het overschreden bedrag teruggestort aan het agentschap, tenzij het agentschap na motivering beslist dat er van de maximumpercentages kan worden afgeweken.
Als de voorziening, vermeld in artikel 2, niet verder wordt gesubsidieerd, wordt het gecumuleerde bedrag van de reserves aan het agentschap teruggestort.
In afwijking van het vijfde lid hoeven de reserves die aangelegd zijn voor het sociaal passief, na expliciete goedkeuring door het agentschap, niet aan het agentschap te worden teruggestort.
Artikel 11. ( 01/09/2019 - ... )
In afwijking van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de indiening en afhandeling van de aanvraag tot ondersteuning bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, is het niet nodig dat de persoon met een handicap een aanvraag tot inschrijving en tot het verkrijgen van bijstand tot sociale integratie indient.
Artikel 12. ( 01/01/2026 - ... )
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° besluit van 24 juni 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten;
1° /1 besluit van 20 april 2018: het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld;
2° budget: een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap;
3° woonondersteuning: de woonondersteuning, vermeld in artikel 1, 23°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget.
Als de persoon met een handicap een beroep doet op ondersteuning van voorzieningen die erkend en gesubsidieerd zijn door het agentschap, die niet rechtstreeks toegankelijk is, of beschikt over een budget, kan hij niet gebruikmaken van de rechtstreeks toegankelijke hulp.
Als een persoon gebruikmaakt van rechtstreeks toegankelijke hulp, kan hij niet gebruikmaken van ondersteuning als vermeld in artikel 8, derde lid, van het besluit van 26 februari 2016.
Als de persoon met een handicap of de persoon met een vermoeden van handicap gebruik maakt van dagopvang, begeleid werken ambulant of begeleid werken mobiel, dan kan dit niet gecombineerd worden met de arbeidsmatige activiteiten, vermeld in hoofdstuk 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 november 2022 houdende de uitvoering van het decreet van 8 juli 2022 over de werk- en zorgtrajecten.
In afwijking van het tweede lid kunnen de volgende personen met een handicap rechtstreeks toegankelijke hulp combineren met een budget:
1° het agentschap heeft volgens, in overeenstemming met hoofdstuk 2, afdeling 2 of afdeling 3, van het besluit van 24 juni 2016 zorggebonden middelen toegekend aan de persoon met een handicap of heeft conform artikel 13 tot en met artikel 23 van het voormelde besluit zorggebonden punten toegekend en heeft met toepassing van artikel 7 tot en met 10 van het besluit van 20 april 2018 een budgetcategorie vastgesteld;
2° het agentschap heeft voor de persoon met een handicap geen beslissing genomen over de terbeschikkingstelling van een budget nadat hij de procedure voor de aanvraag van een budget heeft doorlopen conform hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget, of na een aanvraag tot herziening van het budget dat het agentschap heeft toegewezen of ter beschikking heeft gesteld nadat hij de voormelde aanvraagprocedure heeft doorlopen, of na een aanvraag tot herziening van het budget dat het agentschap heeft toegewezen of ter beschikking heeft gesteld met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering, of na een aanvraag tot herziening van de zorggebonden middelen of de zorggebonden punten die het agentschap met toepassing van het besluit van 24 juni 2016 heeft toegekend of na de aanvraag tot herziening van het aantal zorggebonden punten dat het agentschap heeft toegewezen conform artikel 7 tot en met 10 van het besluit van 20 april 2018;
3° de persoon met een handicap bij wie het agentschap geen beslissing heeft genomen over de terbeschikkingstelling van een budget dat is vastgesteld conform artikel 3 tot en met 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering.
De personen met een handicap die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het vierde lid, kunnen aanspraak maken op maximaal zestig nachten verblijf, al of niet in combinatie met dagopvang, per jaar.
In voorkomend geval wordt het aantal nachten woonondersteuning, dat voor de toepassing van artikel 17 van het besluit van 24 juni 2016 in aanmerking wordt genomen, in mindering gebracht van het maximale aantal nachten verblijf, al of niet in combinatie met dagopvang, vermeld in het vijfde lid, waarop de persoon met een handicap, vermeld in het vierde lid, aanspraak kan maken.
In afwijking van het vijfde lid, 2°, kunnen de personen met een handicap, vermeld in het vijfde lid, 1°, bij wie het agentschap met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2022 over een experiment voor de gedeeltelijke terbeschikkingstelling van budgetten voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning aan personen met een handicap in prioriteitengroep twee, een beslissing heeft genomen over de gedeeltelijke terbeschikkingstelling van een budget dat is toegewezen na afhandeling van een aanvraag van een budget of een aanvraag tot herziening als vermeld in het vijfde lid, 2°, conform het zesde en het zevende lid rechtstreeks toegankelijke hulp combineren met een budget.
In afwijking van artikel 13, eerste lid tot met het derde lid, van dit besluit kunnen de personen met een handicap aan wie het agentschap conform artikel 13 tot en met artikel 23 van het besluit van 24 juni 2016 zorggebonden punten heeft toegekend, maar die conform artikel 10, § 2, en 11/1, § 2, eerste lid, van het besluit van 20 april 2018 naar rechtstreeks toegankelijke hulp zijn toegeleid, aanspraak maken op maximaal zestig nachten verblijf, al of niet in combinatie met dagopvang, per jaar, boven op het maximum van acht personeelspunten per persoon per kalenderjaar, vermeld in artikel 13, eerste lid, van dit besluit, of het maximum van zeven personeelspunten per jaar, vermeld in artikel 13, tweede lid, van dit besluit.
In afwijking van het tweede lid kan een persoon nog gebruik maken van rechtstreeks toegankelijke hulp gedurende de eerste vier maanden dat hij over een budget beschikt of gedurende de eerste vier maanden dat hij een beroep doet op ondersteuning van voorzieningen die erkend en gesubsidieerd zijn door het agentschap, die niet rechtstreeks toegankelijk is. De voormelde afwijking wordt toegestaan om de lopende begeleiding af te ronden en een zorgzame overgang naar niet rechtstreeks toegankelijke hulpverlening te faciliteren.
Artikel 13. ( 01/01/2026 - ... )
De persoon met een handicap kan mobiele begeleiding, ambulante begeleiding, begeleid werken mobiel, begeleid werken ambulant, GIO-RTH, dagopvang, verblijf, handicapspecifieke opvang in de thuissituatie, groepsbegeleiding of collectieve laagdrempelige ondersteuning combineren tot maximaal acht personeelspunten per persoon per kalenderjaar.
In afwijking van het eerste lid kan de persoon met een handicap in uitzonderlijke omstandigheden en in onderling overleg met de voorziening maximaal twaalf personeelspunten per persoon per kalenderjaar inzetten. De voorziening waar de persoon met een handicap meer dan acht personeelspunten inzet, motiveert de uitzonderlijke omstandigheden in het dossier van de persoon met een handicap. Het agentschap kan die motivatie op elk moment opvragen.
Voor de berekening van het maximum aantal personeelspunten per persoon per kalenderjaar, als vermeld in het eerste of het tweede lid, wordt rekening gehouden met het aantal personeelspunten, vermeld in artikel 6, per mobiele begeleiding, ambulante begeleiding, begeleid werken mobiel, begeleid werken ambulant, GIO-RTH, dagopvang, verblijf, handicapspecifieke opvang in de thuissituatie, groepsbegeleiding of collectieve laagdrempelige ondersteuning.
Artikel 14. ( 01/01/2016 - ... )
...
Artikel 15. ( 01/01/2026 - ... )
§1. De voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp kan voor een mobiele begeleiding, ambulante begeleiding, begeleid werken mobiel, begeleid werken ambulant en groepsbegeleiding een bijdrage van maximaal 6,57 euro vragen.
De voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp kan voor dagopvang een bijdrage van maximaal 12,48 euro per dag vragen.
De voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp kan voor verblijf een bijdrage van maximaal 31,41 euro per nacht vragen.
De voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp kan voor handicapspecifieke opvang in de thuissituatie een bijdrage van maximaal 3,29 euro per uur vragen.
De voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp kan voor het cliëntgebonden forfait een bijdrage vragen die niet hoger is dan de maximale bijdrage waarin in dit artikel is voorzien voor de concrete ondersteuning die binnen het cliëntgebonden forfait wordt geboden.
De voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp kan voor GIO-RTH een bijdrage van maximaal 6,57 euro vragen. Bij de bepaling van het bedrag van die bijdrage houdt de voorziening rekening met de financiële draagkracht van de gebruiker, zodat die bijdrage geen belemmering vormt voor de gebruiker om deel te nemen aan de inclusieve context, vermeld in artikel 4/8, §2, 5°.
De maximumbedragen, vermeld in het eerste tot en met het zesde lid, worden jaarlijks op 1 januari aangepast, rekening houdend met de G-index, volgens de volgende formule: bedrag X-1 x G-index december X-1/G-index december X-2, waarbij X het jaartal is waarin de indexering plaatsvindt.
§2. De voorziening voor rechtstreeks toegankelijke hulp mag voor handicapspecifieke expertisedeling mobiel en handicapspecifieke expertisedeling ambulant aan de ontvanger van de ondersteuning een bijdrage vragen, op voorwaarde dat die expertisedeling kadert in de beroepsactiviteiten van die ontvanger.
§3. De aanrekening van een bijdrage conform paragraaf 1 vormt geen financiële drempel voor de gebruiker om gebruik te maken van rechtstreeks toegankelijke hulp. De voorziening werkt, als dat nodig is, aangepaste tariefformules uit die in een lagere bijdrage of in geen bijdrage voorzien voor de gebruikers voor wie die bijdragen een financiële drempel vormen om gebruik te maken van de rechtstreeks toegankelijke hulp.
§4. De voorziening rekent aan de gebruiker, behoudens de financiële bijdrage, alleen persoonlijke, individueel toewijsbare kosten aan.
Die kosten kunnen geen betrekking hebben op infrastructuur of onderhoud van infrastructuur, energiekosten, kosten en heffingen ten laste van de voorziening, kosten voor de collectieve atelierwerking binnen de dagondersteuning of administratiekosten.
De regeling voor de kosten die verschuldigd zijn door de gebruikers, wordt vastgelegd in overleg met de collectieve inspraak, vermeld in artikel 30 van het besluit van 4 februari 2011.
Een voorziening kan kosten voor vervoer naar de collectieve dagbesteding aanrekenen aan gebruikers.
Een voorziening vermindert de bijdrage voor dagopvang als er bij een volledige dag dagopvang niet in een maaltijd wordt voorzien.
Artikel 15/1. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/2. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/3. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/4. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/5. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/6. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/7. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/8. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/9. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/10. ( 01/01/2026 - ... )
Artikel 15/11. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/12. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/13. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/14. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/15. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/16. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/17. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/18. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/19. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/20. ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/21 ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/22 ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/23 ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/24 ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/25 ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 15/26 ( 01/01/2026 - ... )
...
Artikel 16. ( 01/03/2013 - ... )
In het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor begeleid wonen voor personen met een handicap, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 december 2006, 20 juni 2008 en 4 februari 2011, wordt hoofdstuk Vbis, dat bestaat uit artikel 15bis tot en met 15septies, opgeheven.
Artikel 17. ( 01/03/2013 - ... )
In het besluit van de Vlaamse Regering van 17 september 2010 betreffende de subsidiëring van crisisjeugdhulpverlening en rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp verleend door voorzieningen voor personen met een handicap, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2012, worden artikel 5 en artikel 6 opgeheven.
Artikel 18. ( 01/03/2013 - ... )
Aan artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap wordt een vierde lid toegevoegd dat luidt als volgt :
« Bij het verlenen van rechtstreeks toegankelijke hulp vermeldt het protocol van verblijf, behandeling of begeleiding de ondersteuning en de wijze waarop de ondersteuning geboden zal worden. Punt 10° uit bijlage 1 hoeft bij het verlenen van rechtstreeks toegankelijke hulp niet te worden vermeld. ».
Artikel 19. ( 01/03/2013 - ... )
In artikel 11, § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2011 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten Ondersteuningsplan en een mentororganisatie voor het voortraject van personen met een handicap wordt tussen het woord « agentschap, » en het woord « of » de zinsnede « met uitzondering van rechtstreeks toegankelijke hulp » ingevoegd.
Artikel 20. ( 01/03/2013 - ... )
De bepalingen van dit besluit worden uiterlijk voor 31 december 2015 door het agentschap geëvalueerd, in overleg met de daarvoor bevoegde adviesorganen van het agentschap.
Artikel 21. ( 01/03/2013 - ... )
Dit besluit treedt in werking op 1 maart 2013.
Artikel 22. ( 01/03/2013 - ... )
De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
BIJLAGE ( ... - ... )
De tabel, vermeld in artikel 5
barema
functiegroep
puntenwaarde
L4
logistiek personeel klasse 4
53,5
L3
logistiek personeel klasse 3 (in dienst na 1/11/93)
56
L2
logistiek personeel klasse 2
61
A1
administratief + logistiek personeel klasse 1
71
A2
administratief + logistiek personeel klasse 2
61
MV2
verzorgend personeel
67
B2B
begeleidend en verzorgend personeel klasse 2B
61
B2A
begeleidend en verzorgend personeel klasse 2A
63,5
B1c
opvoedend personeel klasse 1
71
B1b
hoofdopvoeder
79
B1a
ondersteunend kaderpersoneel
86
B1a BIS
opvoeder-groepschef-BIS
89
MV1
sociaal paramedisch en therapeutisch personeel
71
L1
licentiaten en tandarts
90
K5
onderdirecteur
90
K3
directeur 30-59 bedden
93,5
K2
directeur 60-89 bedden
96,5
K1
directeur meer dan 90 bedden
100
G1
geneesheer-omnipracticus
108
GS
geneesheer-specialist
143,5
BIJLAGE ( 01/07/2024 - ... )
De tabel, vermeld in artikel 5
barema
functiegroep
puntenwaarde
L4
logistiek personeel klasse 4
53,5
L3
logistiek personeel klasse 3 (in dienst na 1/11/93)
56
L2
logistiek personeel klasse 2
61
A1
administratief + logistiek personeel klasse 1
71
A2
administratief + logistiek personeel klasse 2
61
MV2
verzorgend personeel
67
B2B
begeleidend en verzorgend personeel klasse 2B
61
B2A
begeleidend en verzorgend personeel klasse 2A
63,5
B1c
opvoedend personeel klasse 1
71
B1b
hoofdopvoeder
79
B1a
ondersteunend kaderpersoneel
86
B1a BIS
opvoeder-groepschef-BIS
89
MV1
sociaal paramedisch en therapeutisch personeel
71
L1
licentiaten en tandarts
90
K5
onderdirecteur
90
K3
directeur 30-59 bedden
93,5
K2
directeur 60-89 bedden
96,5
K1
directeur meer dan 90 bedden
100
G1
geneesheer-omnipracticus
108
GS
geneesheer-specialist
143,5
Vlaamse Codex, officiële website van de Vlaamse Overheid - https://codex.vlaanderen.be
Geconsolideerde versie die geldt op 21/03/2026